Directeurswoning Keller

Beschermd monument van 12-10-2018 tot heden

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Vilvoorde
Deelgemeente Vilvoorde
Straat d'Aubreméstraat
Locatie d'Aubreméstraat 16 (Vilvoorde)

Administratieve gegevens

Andere nummers
  • 4.001/23088/105.1
  • 4.01/23088/147.1

Is de (gedeeltelijke) bescherming van

Herenhuis

d'Aubreméstraat 16, Vilvoorde (Vlaams-Brabant)

Neoclassicistisch herenhuis met hoger centraal gedeelte van vier traveeën, aan weerszijden geflankeerd door een lager gedeelte van één travee, op het kadaster geregistreerd in 1873.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Deze bescherming betreft de directeurswoning Keller, met inbegrip van het koetshuis en de koer.

Waarden

De directeurswoning Keller, met inbegrip van het koetshuis en de koer, is beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de:

historische waarde

De voormalige directeurswoning Keller wordt tot één van de meest representatieve en herkenbare directeurswoningen binnen de stadsgrenzen van Vilvoorde gerekend. De ruime stadswoning was één van de eerste woningen die in de rechte verbindingsstraat tussen het centrum en de spoorlijn Brussel-Antwerpen in de nieuwe stationswijk opgetrokken werd. De woning werd in 1873 opgericht door François Vander Burght, die in zijn hoedanigheid als notaris nauw betrokken was bij het stadsuitbreidingsproject dat de erfgenamen d’Aubremé op aansturen van industrieel Joseph Emmanuel Zaman (1812-1894) in 1872 lanceerden. De bouw van de ruime stadswoning aan het nog onbebouwde tracé diende de bouwactiviteiten in de nieuwe stationswijk aan te wakkeren. De woning kwam in 1893 in handen van Charles-Joseph Keller (1856-1929), gedelegeerd bestuurder van de ‘Société Belge des Explosifs Favier’ en directeur van de Vilvoordse kruitfabriek ‘Les Explosifs Favier’. Deze industrieel uit Libin-Bas liet de woning aanzienlijk uitbreiden en verbouwde het oorspronkelijk volume tot een statige directeurswoning met rijk gedecoreerde ontvangstvertrekken. Het huidig voorkomen van de ruime stadswoning in de d’Aubreméstraat gaat hoofdzakelijk terug op de aanpassingen die tussen 1893 en 1929 aan de woning aangebracht werden. De bouwheer Charles-Joseph Keller behoorde tot het kruim van de financiële elite in Vilvoorde rond de eeuwwisseling. Zijn vooraanstaande maatschappelijke positie laat zich duidelijk voelen in de vormgeving van de herenwoning, waarbij tot op heden voldoende elementen bewaard bleven die bewijs leveren van het sociaal prestige dat aan de woning toegekend werd. Gelet op de ruime omvang van het pand en de hoge afwerkingsgraad van interieur en exterieur behoorde de directeurswoning Keller tot één van de meest vooraanstaande herenwoningen in Vilvoorde rond de eeuwwisseling. De woning is als dusdanig een bevoorrechte getuige van het rijke industriële verleden van de Zenne-stad en die hieruit voortkomende welvaart, alsook de riante levensstijl van de vermogende industrieel aan het begin van de 20ste eeuw.

architecturale waarde

De directeurswoning Keller behoort tot één van de meest representatieve en kwaliteitsvolle neoclassicistische bouwkundige relicten in Vilvoorde die tot op heden bewaard bleven. De eerste bouwfase van het pand gaat terug tot 1873. Het huidig voorkomen van de ruime stadswoning kwam tot stand na de uitbreidingswerken die Charles-Joseph Keller in 1905 aan de woning liet uitvoeren naar het ontwerp van architect A. Rombaut. De woning werd in een zuivere neoclassicistische stijl opgetrokken, waarvan de lijstgevel van het hoofdvolume vermoedelijk teruggaat tot de eerste bouwfase. De monumentale symmetrische gevelopbouw en horizontale ritmering door middel van doorlopende imitatievoegen in de muurvlakken verlenen aan het geheel een statig en evenwichtig karakter. Het neoclassicistisch ontwerpschema zet zich duidelijk voort in de supraposite van de geblokte pilasters en de detaillering van de hardstenen gevelornamenten en geveluitsprongen (balkon en frontons) ter hoogte van de bel-etage.
Wat betreft de planindeling werd een eenvoudig, rationeel ontwerpschema gehanteerd met een duidelijk afgebakende ruimteverdeling. Privé- en werksfeer werd in de interne verdeling van de woning zo goed mogelijk gescheiden gehouden, waarbij de professionele ruimtes van de directeurswoning zich aan de straatzijde van het woonhuis bevonden, terwijl de privévertrekken aan de tuinzijde ondergebracht werden. De centrale gang op het gelijkvloers functioneert als duidelijke scheiding tussen beide sferen. Gelet op de omvang en de rijke aankleding van de ruimtes was de volledige gelijkvloerse verdieping gereserveerd voor publieke aangelegenheden. In de schikking van de ontvangstruimtes werd duidelijk een graduele opbouw nagestreefd, waarbij de twee voornaamste ontvangstruimtes, de rookkamer en de grote hal, in enfilade naar een soort ruimtelijk crescendo toewerken. De historische interieurs vertonen eenzelfde ontwerpkwaliteit, waarbij de detaillering van verschillende interieurelementen sterk aanleunt bij de neo-Lodewijk XVI-stijl. Een aantal rijkelijk vormgegeven en gedecoreerde ontvangstvertrekken op het gelijkvloers bleef bewaard, waaronder de inkompartij en vestibule, de rookkamer en de grote hal achterin de woning. Van de voorste vertrekken aan de straatzijde, de voormalige wachtkamer en het bureau van Keller, resteren de rijk uitgewerkte stucplafonds en het waardevol binnenschrijnwerk.

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.