Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Mechelen extra muros (ID: 20411)

Administratieve gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Het grondgebied van Mechelen-stad meet 2706 ha, waarvan 281 intra muros. Samen met de in 1976 gefusioneerde randgemeenten Walem, Heffen, Leest, Hombeek, Muizen en een klein deel van Sint-Katelijne-Waver bedraagt de totale oppervlakte van Mechelen 6518 ha. De Mechelse bodem is licht glooiend; het hoogteverschil ten opzichte van de zeespiegel schommelt van 2 m bij de samenvloeiing van Dijle en Zenne (Zennegat) tot 14 m op Hanswijk. Het gebied ligt in de zandstreek aan de zuidwest-rand van de Kempen. Rijke landbouwgronden zijn er in de omgeving van de Dijle, de Zenne en de talrijke vlieten die op één na tot het stroomgebied van de Dijle behoren; deze is hier nog een getijderivier. Waardevolle natuurgebieden zijn Mechels Broek en Zennegat-Battenbroek, die beide beschermd zijn als landschap.

Het gebied rondom de binnenstad bestaat uit zes gehuchten met oudere woonkernen: op de linker Dijle-oever van west naar oost, Battel (van Zennegat tot ongeveer Stuivenbergbaan-Koolstraat), Auwegem (van laatstgenoemde tot Hombeeksesteenweg), Geerdegem (tussen Hombeekse- en Tervuursesteenweg) en Hanswijk (tussen Tervuursesteenweg en Dijle); op de rechtse Dijle-oever Pennepoel en Nekkerspoel, met nagenoeg als scheidslijn de spoorlijn naar Antwerpen.

De stad Mechelen, met haar omringende gehuchten en dorpen, vormde binnen het hertogdom Brabant een afzonderlijke heerlijkheid en hield als dusdanig stand tot het einde van het ancien regime. De fusie van stad en omliggende gemeenten komt grosso modo overeen met de omschrijving van deze oude heerlijkheid (plus Walem en min Hever).

De naam "Mechelen" verschijnt voor de eerste maal in 870 doch archeologische vondsten wijzen op een veel oudere bewoning, opklimmend tot het neolithicum. De belangrijkste site is Nekkerspoel; bij de kanalisering van de Spuibeek op Nekkerspoel werd in 1904 een uit één boomstam gehouwen prauw van 8,4 m lengte ontdekt; ook resten van paalwoningen werden er opgegraven, evenals grote hoeveelheden dierenbeenderen en potscherven uit het La Tène-tijdperk, te dateren 500 voor Christus tot 100 na Christus. Dit alles berust nu in het Jubelparkmuseum te Brussel. Ook voor de Romeinse periode zijn er verschillende vindplaatsen in het Mechelse bekend, onder meer in Muizen. De Merovingische periode daarentegen is schaars gedocumenteerd en over de Frankische en Karolingische vondsten heerst nog grote onduidelijkheid.

Ten tijde van de Merovingische Franken, die de bestaande Romeinse bestuursorganisatie overnamen, moet er op de grens tussen de Brabant- en de Rijengouw een hofdomein "Mechelen" hebben bestaan; gaandeweg kwamen er aan de Dijle, aan de oost-westas van de Schelde naar Leuven en aan de noord-zuidbaan van Utrecht naar Bavai, handels- en verkeersactiviteiten tot stand; op de kruising van deze drie verkeersaders, meer bepaald op de hoger gelegen zuidelijke Dijle-oever, vestigde zich een Salisch-Frankische bevolkingsgroep, wat nog steeds blijkt uit de grote concentratie aan Frankische toponiemen, onder meer Geerdegem, Auwegem. In dit Brabantse gebied "over-de-Dijle" moet het oudste centrum van de latere stad worden gezocht; vandaar werd het moerassige gebied ten N. van de Dijle, de Rijense kant, bevolkt. Uit het samengaan van beide agglomeraties werd Mechelen geboren.

In de 10de eeuw kreeg de prins-bisschop van Luik het domein Mechelen in leen; door het verwerven van heerlijke rechten ontstond de "heerlijkheid Mechelen", die samen met de dorpen Muizen, Hombeek, Heffen, Hever en Leest zou uitgroeien tot het district Mechelen (Luiks bezit) binnen het Land van Mechelen (hertogelijk bezit). Een geduchte tegenstander van de Luikse heren was het adellijke geslacht van de Berthouts; als leenmannen van de hertogen van Brabant verwierven ze in het begin van de 13de eeuw de voogdij over de Mechelse bezittingen van de Luikse grondheer en gingen ze de heerlijke rechten usurperen. Waar precies de lijn ligt tussen het rechtsgebied van beide partijen is niet zo duidelijk: waarschijnlijk had de Luikse bisschop meer te zeggen in het stadscentrum terwijl het ressort van de Berthouts meer in de buitenwijken en dorpen rondom Mechelen lag. Na een kortstondige overheersing door de hertog van Brabant kwam Mechelen in 1356 in het bezit van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, waarbij het werd opgenomen in het Bourgondische landencomplex.

Wat de oudste kerkelijke structuur betreft, viel Mechelen onder het bisdom Kamerijk. Algemeen wordt aangenomen dat de moederparochie van Mechelen ontstond "over-de-Dijle" waar vanaf het einde van de 7de of het begin van de 8ste eeuw, de eerste parochiekerken werden opgericht ten behoeve van de handeldrijvende bevolking. Op de oude handelsroute van Keulen naar Brugge, liggen op één lijn vijf van de zes oude kerken van Mechelen: Battel, Donk, Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle, Hanswijk en Muizen. Ongeveer gelijktijdig werd, onder meer door de Heilige Rumoldus, de rechtse Dijle-oever gekerstend en in de 8ste of begin 9de eeuw werd hier een abdij gesticht. In 1134 werd het patronaatsrecht van het Kamerijkse kapittel verkocht aan het inmiddels seculier geworden Sint-Romboutskapittel en circa 1205 werd de zetel van de parochie Mechelen van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle naar Sint-Rombouts verlegd.

Door de opbloei van handel en nijverheid en het ontstaan van nieuwe bevolkingsconcentraties, vooral in de 13de eeuw, herwonnen de oude parochiekernen hun vrijheid en werden ook nieuwe parochies gesticht; dit gebeurde in 1255 met de opriching van de H. Geestparochie op Nekkerspoel, de parochie van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle, verenigd met de oude omschrijvingen Battel en Donk, en de parochie Muizen-Hanswijk. In 1288 werd Hanswijk opnieuw een afzonderlijke parochie.

De grote bloei van het godsdienstig leven in de 13de eeuw blijkt ook uit de vele kloosterstichtingen en broederschappen, waarvan verschillende zich rond de stadskern vestigden: de begijnen (zie O. Van Kesbeeckstraat), de victorinnen van Blijdenberg, de nonnen van ter Zieken (zie Ziekebeemdenstraat), de kluis op Nekkerspoel (zie Caputsteenstraat nr. 73), het klooster van Thabor, het klooster van Bethaniën (zie Bethaninstraat), de dalscholieren (zie Locomotiefstraat), de norbertinessen van Leliëndaal, de dominicanen, enz.

Slachtoffer van het aanhoudende politiek-religieus geweld in de tweede helft van de 16de eeuw, zochten de meesten hun toevlucht in de binnenstad.

In dezelfde periode werden een aantal kerken verwoest: de oude Heilige Kruiskerk van Battel (in 1627 vervangen door de Sint-Jozefskerk), de kerk van Donk (in 1635 in de stadsversterkingen gencorporeerd) en de kerk van Hanswijk (na 1585 binnen de stad gebracht).

De intense economische bedrijvigheid, die ook op de periferie een gunstige weerslag had, werd aan het einde van de 16de eeuw door de vijandelijkheden tussen Spaansgezinden en Staatsen grotendeels teniet gedaan; vele landelijke en ambachtelijke nederzettingen, religieuze stichtingen en buitenverblijven, gelegen buiten de stadsomheining, werden platgebrand, gesloopt en verlaten. Pas in het begin van de 18de eeuw - de Antwerpsesteenweg werd toen verlengd, Leuvensesteenweg en Leuvensevaart aangelegd - kwam er terug deining rond de stad; de afbraak van stadspoorten en vestingen, begonnen onder Napoleon, zette het licht op groen voor de verstedelijking van de periferie vanaf circa 1850.

Belangrijke factoren die de vormgeving en evolutie van de stadsuitbreiding extra muros hebben beïnvloed zijn de waterwegen (Dijle, Zenne, Leuvensevaart en afleidings-Dijle), het wegennet (gaande van de allereerste interpagi-banen tot de E19) en het spoor met bijhorende infrastructuur. De manifeste oostwaartse groei van het Mechelse stadsgewest is hiervan het duidelijkste bewijs.

De ontwikkeling van het stedelijk weefsel werd in eerste instantie bepaald door de aanwezige waterlopen. Van oudsher vormden de drassige valleien bij de samenvloeiing van Dijle en Zenne een natuurlijke belemmering voor elke expansie in noordwestelijke richting. Ook de Leuvensevaart, een "barrière" die in 1750-1752 door het landschap werd getrokken, was niet bevorderlijk voor de ontplooiing van het westelijke en zuidelijke randgebied. De eerste industriële vestigingen aan de Leuvensevaart dateren van circa 1840; vanaf de eeuwwisseling zouden de vaartoevers ook interessant blijken voor de beter gesitueerde burgerij, die met een huis aan de waterkant haar status zag verhogen.

Een aantal stedenbouwkundige ingrepen onmiddellijk rond de kernstad houdt rechtstreeks verband met de Dijle. De overstromingen die bij iedere hoge waterstand, bij storm en overvloedige regens, de benedenstad gedeeltelijk onder water zetten baarden de overheid steeds grotere zorgen. Onder impuls van burgemeester Frans Broers werd tussen 1890 en 1907 een afleidingskanaal gegraven, beginnend op Nekkerspoel, achter de fabriek van Roestenberg (Zandpoortvest-Raghenoplein) en eindigend voorbij de voormalige Winketbrug (nu Guido Gezellelaan), waar de Dijle de stad verlaat. Aan beide aftakkingen werd een sluis gebouwd. Tussen de Nekkerspoelpoort en de Katelijnepoort sloot de afleiding aan op de bestaande stadsgrachten, die werden verbreed en verdiept. Terzelfdertijd werd de Zandpoortvest gedempt. Littekens in het stadsweefsel die naar deze ingreep verwijzen zijn de nog vrij homogene lintbebouwing van circa 1900 aan Frans Hals- en Keldermansvest, en de invulling van de wiggen tussen Dijle en afleidings-Dijle respectievelijk met het goederenstation op Nekkerspoel en de stedelijke badinrichting met stapelplaats naast het Keerdok.

De gunstige verkeersgeografische ligging van Mechelen halverwege Brussel en Antwerpen, drukte eveneens haar stempel op de urbanisatie. Reeds in het begin van de 19de eeuw had Mechelen een uitstekende wegeninfrastructuur met steenwegen naar Brussel, Antwerpen, Leuven; tijdens het Hollands Bewind kwamen daar de provinciale wegen bij naar Lier, Willebroek, Dendermonde en Tervuren en in de jaren 1970-1980 de E19. Het huidige stratennet extra muros kwam grotendeels tot stand aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.

Een maatregel die voor Mechelen verstrekkende gevolgen had was de wet van 1 mei 1834 waarbij een stelsel van "ijzeren wegen" werd ingesteld "hebbende Mechelen tot middelpunt". Hoewel aanvankelijk het ongehinderd goederenvervoer tussen Schelde, Maas en Rijn beoogd werd, kreeg het reizigersvervoer voorrang. Op 5 mei 1835 werd, als eerste spoorlijn op het vasteland, de sectie Mechelen-Brussel ingehuldigd, kort daarop gevolgd door andere spoorverbindingen met Mechelen als draaischijf: op 3 mei 1836 Mechelen-Antwerpen, op 2 januari 1837 Mechelen-Dendermonde en op 10 september 1837 Mechelen-Leuven. Pas in 1838 werd gestart met het goederenvervoer en dan nog op zeer bescheiden schaal. De verbinding met Frankrijk kwam tot stand in 1842, met Duitsland in 1843, met Nederland in 1854. Tot het midden der jaren 1850 bleef Mechelen het centrum, maar in 1860 had Brussel die rol overgenomen.

In 1835 was er nog geen station; de treinen reden op één spoor tot aan de oever van de Leuvensevaart, vlak naast het Colomadomein, waar een houten barak dienst deed als ontvangstlokaal. Met een bakboot werden de reizigers over het kanaal gezet. De eerste metalen draaibrug dateert van 1836 evenals het eerste station aan het (huidige) Koning Albertplein; het volgende station dateert van 1888, het huidige van 1959.

De evolutie en modernisering van het spoor vergden in de loop der jaren omvangrijke spoorwegwerken en de bouw van meerdere kunstwerken. Op 14 juli 1890 werd beslist de hoofdsporen van de lijn Brussel-Antwerpen te verhogen en een treinhalte op Nekkerspoel te voorzien. De bouw van de stenen spoorbrug boven de reeds gegraven afleidings-Dijle werd in 1897 aanbesteed, de ophogingswerken tussen de Dijle en de grens met Sint-Katelijne-Waver dateren van 1908-1910, het goederenstation Mechelen-Nekkerspoel van 1908-1912, het reizigersstation Nekkerspoel van 1912-1913. In 1926 werd een spoorlijn tussen goederenstation en Keerdok getrokken.

In 1933-1935 werd het baanvak Brussel-Mechelen-Antwerpen geëlektrificeerd. Hiervoor werd tussen Zenne en Leuvensevaart een berm met een hoogte van 7 tot 11 m aangelegd, samen met een vaste metalen brug over de vaart. Vandaar liep de verhoogde baan oostwaarts van de toenmalige stationskoepel, via de nu nog bestaande Vierendeelbrug over de Leuvensesteenweg en het spoor naar Leuven door tot aan de Dijle, waar bovenop de bestaande bakstenen brug een betonwerk van 9 m gebouwd werd; hier sloot de verhoogde baan aan bij de reeds eerder aangelegde dijk op Nekkerspoel. De officiële inhuldiging had plaats op 5 mei 1935, precies honderd jaar na de openstelling van de eerste spoorlijn. Op 17 mei 1940 dynamiteerden de Belgische genietroepen de spoorbruggen over de Leuvensevaart, onder meer de Vierendeelbrug van de geëlektrificeerde lijn, die in 1941 10 m verder oostwaarts werd wederopgebouwd. Pas met de bouw van het huidige station met verhoogde geëlektrificeerde ontvangsporen en onderdoorgangen voor goederen en reizigers werd de spoorwegberm doorheen het nieuwe station verlengd; de twee westelijke Vierendeelbruggen over de Leuvensevaart dateren van toen. Ook de spoorlijn Mechelen-Dendermonde werd toen verhoogd. Alle overwegen in de stad, evenals de oude ophaalbrug over de vaart konden op die manier worden weggewerkt.

Door het spoor viel de Mechelse randstad in verschillende wijken uiteen. Waar belangrijke voet- en rijwegen het spoor kruisten kwamen overwegen; andere wegen werden zonder meer afgeschaft, omgeleid of liepen dood op het spoor. Ook na 1958 wanneer alle sporen op dijken waren gelegd, bleven deze het uitzicht en de evolutie van de randstad bepalen. Bepalende componenten in het stedelijk landschap zijn ook het rangeerstation en de Centrale Werkplaats, die bijna het hele gehucht Hanswijk-de-Bercht opslorpten (zie Muizen en Leuvensesteenweg nr. 30).

De noodwendigheden van en de faciliteiten geboden door het spoor trokken nieuwe nijverheden aan met sectoriële veranderingen, vanaf circa 1840, ten voordele van de metaal- en houtverwerkende nijverheid. Omstreeks die tijd richtte Willem Ragheno aan de Leopold- en Colomastraat een fabriek op "tot het hersmeden van ressorts"; later zouden de "Usines Ragheno" zich hoofdzakelijk specialiseren in de bouw van reizigersrijtuigen en goederenwagens voor spoor- en buurtspoorwegen. Na 1920 vestigden ze zich in nieuwe werkhuizen aan de Motstraat, ten oosten van de Centrale Werkplaats, waar ze nog steeds bedrijvig zijn in de auto-assemblage. Andere metaal- en houtverwerkende fabrieken die nog steeds in de Mechelse randstad actief zijn, zijn onder meer het Arsenaal, Inofer (metaalindustrie), Van Craen en Van Aeken (meubelen). Van de voormalige wolfabriek Roestenberg (opgericht in 1857, tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoest en in 1946-1948 herbouwd) zijn nog sporen terug te vinden in de gebouwen van het Onze-Lieve-Vrouw van de HAM-instituut aan de Zandpoortvest. Ook de uitbouw van Mechelen als centrum van intensieve tuinbouw met onder meer de oprichting van de conservenfabriek Le Soleil (1889) op Nekkerspoel en het succes van de veehandel in hetzelfde gehucht houden rechtstreeks verband met het spoor.

Door de afschaffing circa 1860 van tolrechten en octrooipaviljoenen ontstond er sedertdien een ongebreidelde lintbebouwing, vooral aan de grote invalswegen; ook de huisvestingswet van 1889, die de bouw van een eigen woning voor de reeds enigszins bemiddelde arbeider stimuleerde, bevorderde dit proces. Vanaf 1892 groeiden hieruit lobvormige woongebieden, die, ofschoon nauw aansluitend bij de binnenstad, door waterlopen en spoorlijnen afgescheiden entiteiten vormden.

In tegenstelling tot steden met grotere omvang is de bebouwing van de Mechelse randstad relatief weinig gedifferentieerd. Behalve enkele landhuizen, schaarse resten van een vroegere agrarische bebouwing en verspreide concentraties van burgerhuizen, werd de randstad vanaf het einde van de 19de eeuw tot op heden aan alle kanten volgebouwd met arbeidershuizen. Daar het fenomeen van de volkshuisvesting zo bepalend is voor de Mechelse stadsuitbreiding extra muros wordt deze hier dan ook uitvoerig toegelicht.

De industriële expansie, te beginnen met de arbeidsintensieve werkplaats, het locomotiefdepot, het goederen- en rangeerstation, eisten gedurende generaties duizenden arbeiders op; vooral in de tweede helft van de 19de eeuw was de demografische groei spectaculair met een verdubbeling van de bevolking tussen 1846 en 1910. De vraag naar meer woongelegenheid drong zich op, in de eerste plaats in het stationskwartier, op Hanswijk-de-Bercht, aan de Leuvensesteenweg en in Muizen. Het stationskwartier, vóór 1835 nog een onbewoonde vlakte, groeide uit tot een eerder residentiële wijk, die reeds behandeld werd in het inventarisdeel 9n over de Mechelse binnenstad.

Op Hanswijk-de-Bercht en nabij de Leuvensesteenweg ontstonden aan het einde van de 19de eeuw woonwijken voor de arbeiders van het spoor (zie Leuvensesteenweg). Rond dezelfde tijd kende ook de omgeving van Brusselse- en Tervuursesteenweg, Liersesteenweg en Nekkerspoel een proletarische toeloop wat onder meer resulteerde in de oprichting van nieuwe parochies: Sint-Libertus (Nekkerspoel) in 1888, Sint-Jan Berchmans (Brusselsesteenweg) in 1890, Sint-Jozef Coloma (Tervuursesteenweg) in 1898. Van de talrijke arbeidershuizen die toen werden gebouwd, bleven nog vele exemplaren bewaard. Veelal werden ze in serie opgetrokken op privé-initiatief en met speculatieve doeleinden.

De actieve inzet van overheidswege ten aanzien van de volkshuisvesting kwam onder meer op gang door de oprichting in 1919 van de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen. In Mechelen werd de volkshuisvesting pas tijdens het interbellum systematisch georganizeerd. Naast privé-projecten zoals de volkswijk Bethaniën-/Zijpestraat (circa 1930), bouwde de toenmalige Commissie voor Openbare Onderstand (C.O.O.) een bejaardencomplex aan de Antwerpsesteenweg (zie nrs. 37-95); de stedelijke overheid van haar kant bouwde onder meer een tuinwijk achter de terreinen van Racing Mechelen (zie Schorsmolenstraat) en in 1922 werd, op initiatief van het "Nationaal Syndicaat van de Spoorwegmannen", een tuinwijk opgericht nabij de Tervuursesteenweg (zie Vrijewoonstplein). De grootste bouwactiviteit ging echter uit van de Mechelse Goedkope Woning (M.G.W.), die over verschillende wijken verspreid, vóór de Tweede Wereldoorlog reeds een zeshonderdtal sociale woningen had gerealiseerd. De M.G.W., gesticht in 1921, is een samenwerkende vennootschap afhankelijk van de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen; aandeelhouders waren de staat, het provinciebestuur, de C.O.O. en verschillende privé-organismen. Terwijl de elitaire wederopbouw zich eerder in de binnenstad situeerde, werd de volkshuisvesting aan de rand van de stad ingeplant. De algemeen gangbare tuinwijkgedachte en de keuze van goedkope landbouwgronden nabij de uitvalswegen waren hierbij doorslaggevend. In 1924 zagen de wijken Papenhof en Doornenstraat het licht. In 1930 volgde de wijk Veldenstraat, in 1931 de wijk Katanga aan de Liersesteenweg en in 1933 de wijk Galgenberg aan de Antwerpsesteenweg. In al deze wijken vallen een aantal gemeenschappelijke kenmerken op: de functionele planschikking, aandacht voor hygiënische voorzieningen, de eigen tuin; bovendien koos men voor een traditionele gevelarchitectuur en de daarbij horende materialen. Opvallende verschillen in ruimtegebruik tussen de wijken van de jaren 1920 en die van de jaren 1930 zijn het uitgesproken tuinwijkpatroon bij de eerste, een aaneengesloten bebouwing en weinig openbaar groen bij de tweede.

Ook na de Tweede Wereldoorlog werd de ingeslagen koers van de sociale woningbouw zowel door de M.G.W., de stad als het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (O.C.M.W.) voortgezet. In de periode van 1949 tot 1958 bouwde de M.G.W. een duizendtal huurwoningen, voor de helft eengezinswoningen, en voorts duplexappartementen en flatgebouwen. Het eerste, door de M.G.W. in 1949 opgerichte flatgebouw, ligt aan de Vennekant. De grootste inplanting van sociale woningen werd gerealiseerd op en nabij het Oud-Oefenplein (tussen Antwerpse- en Liersesteenweg); ook in de verder afgelegen wijken Geerdegem-Schonenberg, Battel en aan de Otterbeek werden sociale huurwoningen opgetrokken. De stad zelf bouwde een vijfhonderdtal woningen voor de kleine eigenaar, zorgde voor wegen en openbare speelpleinen en liet nieuwe onderwijsinstellingen oprichten. De grootschalige uitbreiding van sociale woningbouw aan Kruisbaan en Tervuursesteenweg dateert uit de jaren 1960 en 1970; in de jaren 1980 volgen de wijken Mechels Veld nabij Brusselsesteenweg en Bethaniënpolder in de omgeving van Battelsesteenweg. Architecten waarvan de naam verbonden is aan het omvangrijke oeuvre van de M.G.W. zijn onder meer J. Chabot, G. Deheyder, L. Ghys, M. Jonckers, J. Roosemont, W. Van Haesendonck, J. Van Cauwenbergh, J. Van Meerbeeck en het Architektenkooperatief J. Mooens, J. Van den Berghen en S. Bellengé.

Naast sociale woningen zijn in de Mechelse randstad uiteraard ook talrijke burgerhuizen, enkele villawijken, een aantal landhuizen, verscheidene openbare gebouwen en meerdere nijverheidsgebouwen opgericht, die kaderen in de gekende architectuurgeschiedenis. In de algemene inleiding werden zij in een ruimere context besproken.

  • Informatie verstrekt door de heer Van Poppel van de Mechelse Goedkope Woning.
  • BERLEMONT F.A., Mechelse Kronieken van het jaar 1 tot 1945, Brussel, 1975.
  • BOSCHMANS L., De ruimtelijke evolutie van de Stad Mechelen gedurende de voorbije 150 jaar, geïllustreerd door kaarten en plannen.
  • De Geschiedenis van Mechelen. Van Heerlijkheid tot Stadsgewest, o.l.v. VAN UYTVEN R., Tielt, 1991.
  • EGELS P., Beschermingsaanvraag Mechelse Tuinwijken. Onuitgegeven dossier RIM, Mechelen, 1994.
  • GODENNE L., Malines jadis et aujourd'hui, Mechelen, 1908.
  • HOLEMANS H. en LEMMENS P., Molens van Klein-Brabant, Mechelen en de Rupelstreek, Nieuwkerken, 1987, p. 47-64.
  • MARCHAU J., Schets van het Mechelse Stadsbeeld bij de aanvang van de XIXe eeuw, in Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, dl. LIX, 1963, p. 121-150.
  • ROGIER M.C.G., Bijdrage tot de geschiedenis van de Belgische spoorwegen te Mechelen, Mechelen, 1978.
  • ROGIER M.C.G., Mechelen middelpunt van de Belgische staatsspoorweg, Mechelen, 1983.
  • Rond de mijlpaal. Industrieel erfgoed in Mechelen. Co-produktie VVV Industrieel Erfgoed, VVIA, RIM, 1990.
  • Tentoonstelling Mechelen bouwt, Mechelen, 23 augustus - 5 oktober 1958.
  • VAN CASTER W., Namen der straten van Mechelen en korte beschrijving hunner vorige of nog bestaande oude gebouwen, Mechelen, 1901.
  • VERBESSELT J., Het Parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw, dl. XIV: tussen Zenne en Dijle IV, Zoutleeuw, 1969, p. 135-156.
  • VERMOORTEL F., Mechelen, de mémoires van een stad, Brugge, 1986.

Bron: Kennes H., Plomteux G. & Steyaert R. 1995: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kanton Mechelen, Bouwen door de eeuwen heen in in Vlaanderen 13N2, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Plomteux, Greet

Relaties