Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Antwerpen - stadsuitbreiding tot aan de 16de-eeuwse Spaanse Vesten (ID: 22213)

Administratieve gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

HISTORISCHE INLEIDING

Geografische achtergrond

Het gebied waarin Antwerpen ontstaan is wordt W.-waarts begrensd door de Schelde, N.- en O-waarts door Schijn en Potvliet; I.g. waren omringd door moerassig houtland. Deze zone was bereikbaar via de Scheldeoever en landinwaarts via de O.W.-gerichte landrug op de lijn Oude Beurs, Wolstraat, Kipdorp en Borgerhoutse Steenweg. Het besproken land tussen de vesten en de leien wordt ten Z. beheerst door het hoogland van Caloes dat zich uitstrekt van Scheldeke tot Kronenburg; verderop door de hoogten van Kauwenberg, Prinses-, St.-Jacob- en Lange Klarenstraat aansluitend bij Kipdorp en St.-Jacobsmarkt. Tussenbeide ligt een diepe boezem met daarin de Meir, de Groendalstraat en de gasthuisbeemden, eertijds uitlopend in de Schelde (via Eiermarkt, Groenplaats, Suikerrui) en in de vijftiende eeuw gedraineerd door de vaart van Meir, Wapper, Maria Pijpelincxstraat, Oude Vaartplaats en zo via de parkvijvers naar de Herentalse Vaart. Tenslotte is er nog het drassige land ten N. van de Paardenmarkt.

Ontstaan en groei

1. De verschillende vergrotingen tot 1250

Over de oudste bevolkingsconcentraties op het Antwerpse grondgebied heeft men lange tijd in het duister getast. Recent archeologisch onderzoek heeft echter het bewijs geleverd voor het bestaan van Gallo-Romeinse nederzettingen (tweede en derde eeuw) die echter alle tussen de vierde en de vijfde eeuw zijn teloor gegaan. De eerste eigenlijke burcht is terug to voeren tot de negende eeuw: ze was omsloten door een halfcirkelvormige aarden wal die het tracé van de huidige burchtgracht volgt. De woonzone die zich rondom deze kern ontwikkelde werd ca. 1070 om veiligheidsredenen met een watersingel omgeven: de gracht liep langs Suikerrui, de Z.-zijde van de Grote Markt, Kaasrui, Jezuïetenrui, Minderbroedersrui en Koolkaai. De ruiendriehoek besloeg 19 A 20 ha. Een eerste vergroting - 1206-16 - omsloot het inmiddels ontstane kwartier rond de O.-L.- Vrouwekerk: St.-Jansvliet, Steenhouwersvest, Lombardenvest, Wiegstraat (vroegere Ramshoofdvest) en St.-Katelijnevest. De poorten aangebracht in de nieuwe omwalling waren: St.-Jans-, Kammer-, Meir-, Katelijne-, Wijngaard- en Koepoort. De totale oppervlakte besloeg thans 31 ha 50 a. De toevoeging van bet domaniale goed "Lisgat" omspoeld door St.-Pietersvliet, Leguit, Verversrui en Falconrui dateert van 1250 (tweede vergroting).

2. Uitbreiding van het omwalde stadsgebied van 1250 tot eind zestiende eeuw *

De aanhechting van nieuwe terreinen en het optrekken van nieuwe wijken nam na 1250 zeer snel toe.

Vermoedelijk was het plan voor de derde vergroting (1295-1314) gerijpt onder hertog Jan I van Brabant. Een der redenen daartoe was voorzeker de gestadige aangroei van de bevolking die zich overal buiten de vesten had neergezet. Ook vond men het gewenst de St.-Michielsabdij die gastvrijheid moest verlenen aan hertog en hooggeplaatste personen, binnen de stadsvesting te halen. De bedenking dat de oude grachten en wallen maar weinig militair nut meer opleverden speelde wellicht ook mee. Begin veertiende eeuw werden de grote werken uitgevoerd: vrijwel heel de Scheldeoever werd afgesloten en voorzien van ca. 25 torens met als voornaamste de Visverkoperstoren nabij de Vismarkt, de Bakkerstoren aan de Suikerrui en de Kronenburgtoren achter St.-Michiels. Van de Schelde liep de nieuwe grens langs Willem Lepel-, St.-Rochus-, Bervoets-, Schermersen Bourlastraat, Blauwtorenplein, Oude Vaartplaats en Wapper en via de Meir langs Lange Klaren-, St.-Jacob- en Prinsesstraat, Kauwenberg, Stijfsel-, Falcon- en Verversrui en zo verder langs Oude Mansstraat en St.-Pietersvliet terug naar de Schelde. Het grote werk heeft jaren geduurd, het voorziene plan werd herhaaldelijk gewijzigd en met de bouw van de zware muur is men nooit verder gekomen dan de Oude Vaartplaats (Blauwe Toren). In 1314 reeds legde men de grondslagen voor een nieuw tracé door het bouwen van de fundamenten van de Kipdorppoort en in 1317 die van de Rode Poort.
Ca. 1375 was men volop bezig de inham weg te werken die de vestingwal aan de O.-zijde nutteloos verlengde; daartoe werd een nieuwe gracht gegraven van het Blauwtorenplein via de Tabakvest, Kipdorpvest en Molenbergstraat tot aan de Rode Poort; van hieruit maakte de omwalling een bocht uitmondend in de Schelde ten N. van de St.-Pietersvliet; later ca. 1410 werden op deze lijn de Ankerrui, Oude Leeuwenrui en Brouwersvliet uitgegraven. De nieuwe Kronenburg-, St.-Joris-, Kipdorp- en Rode Poort vervingen resp. de St.-Jans-, Kammer-, Wijngaard- en Koepoort; de Slijken Pisternepoort ten N. leidden naar de polders, het Begijnhol ten Z. naar het Begijnhof. De vierde vergroting bracht de stad van 156 op meer dan 210 ha voor een bevolking die steeg van 10 à 12.000 eenheden in 1358 tot ca. 18.000 in 1374 en ca. 20.000 in 1394. Van nu of tot het midden der zestiende eeuw bleef de grens van het omwalde stadsgedeelte ongewijzigd.

De Gouden Eeuw der Scheldestad zette in vanaf het einde van de vijftiende eeuw en was feitelijk afgesloten vooraleer de zestiende ten einde liep. In 1520 werd het plan opgevat de bestaande versterking te verbeteren waarbij de Italiaanse krijgsbouwkundige Donato Buoni di Pellezuoli werd belast met het opmaken van een plan dat op 10 mei 1540 werd goedgekeurd. Alvorens het werk kon worden gestart brak er echter een oorlog uit tussen Karel V en Frans I: de inval van Maarten van Rossum en zijn kortstondig beleg van Antwerpen in juli 1542 leverden het duidelijk bewijs dat de middeleeuwse vesten niet meer voldeden. Aangezien vele kooplui bovendien dreigden de stad te zullen verlaten indien zij niet met een de-gelijker verdedigingssysteem zou worden uitgerust, besloot het stadsbestuur nu dadelijk met de nieuwe omwalling te beginners. De algemene leiding berustte bij Donato Buoni terwijl de detailuitvoering werd toevertrouwd aan de Antwerpenaar Peter Frans. Van Kronenburgpoort (nu ter hoogte van de Scheldestraat) tot Rode Poort volgde de nieuwe vestinggordel ongeveer hetzelfde trace als de oude omheining; in het N. werd de stad echter aanzienlijk uitgebreid: de oude muur die zich uitstrekte van Rode Poort tot Herman Haeckxpoort (nabij de St.-Pietersvliet) werd afgebroken en de gronden gelegen tussen de vroegere stadsgracht, de Rode Poort, het Schijn en de Kattendijk werden bij de stad gevoegd. Dit nieuwe stadsgedeelte dat een oppervlakte besloeg van ca. 25 ha werd voortaan "Nieuwstad" genoemd. Hiermede groeide de totale stadsoppervlakte tot ca. 260 ha. In 1555 was de nieuwe versterking klaar. De omwalling was van het gebastioneerde type: ze bestond uit acht fronten met zeven bastions op de hoeken. Vijf poorten in renaissancestijl werden aangebracht: de Slijkpoort, Rode Poort, Kipdorppoort, St.-Jorispoort die de grootste was en de Kronenburgpoort, I.g. na de bouw van de citadel vervangen door de Begijnenpoort; alle gesloopt in 1866. De vestinggracht was in drie vakken verdeeld.

Kort daarop, in het kader van de Spaanse repressiepolitiek gevoerd door Filips II gaf diens landvoogd Alva bevel tot het bouwen van een citadel naast de stad. De ingenieurs belast met de bouw waren de Italiaanse vestingbouwkundigen Francesco Paccioto, Gabriel Serbeloni en Bartholomeo Campi en de Nederlander Jacob van Hencxthoven. Het fort - gebouwd tussen 1567 en 1572 - had de vorm van een vijfhoek voorzien van vijf kleine bastions op de hoeken. Het middelpunt bevond zich ongeveer ter hoogte van de huidige Leopold De Waelplaats, de bastions reikten tot ver buiten de leien. N.-waarts was de citadel begrensd door Kronenburg- en Kasteelpleinstraat, W.-waarts door de Schelde. De terreinwinst leverde de stad weinig op, daar het om een citadel met enorm doch ledig gelaten kasteelplein ging.
De spectaculaire ontwikkeling die Antwerpen in de zestiende eeuw doormaakte, wordt het meest tastbaar veruiterlijkt door de toename van haar bevolking: van ongeveer 47.000 in 1496 tot 100.260 inwoners in 1568. De toenmalige verhoudingen in acht genomen mag men van een megapolis gewagen: slechts een tiental Europese steden telden omstreeks dezelfde tijd evenveel of meer inwoners. Deze demografische groei gaf een enorme impuls aan de woningbouw. Tussen 1496 en 1568 steeg het aantal huizen intra muros van 6.147 tot 11.856, hetzij een vermeerdering met in het totaal 5.709 eenheden of ruim 72 per jaar. Toch volstond het aanbod geenszins om aan de vraag te voldoen. De zestiende-eeuwse woningvoorraad onderging in de loop der volgende twee eeuwen geen noemenswaardige wijzigingen. De verklaring voor deze stagnatie moet in de demografische ontwikkeling worden gezocht. Tussen 1568 en 1585 daalde de bevolking langzaam maar zeker, waarna een catastrofale val plaatsgreep: in 1591 herbergde de Scheldestad nog maar 46.120 inwoners. Hoewel zich naderhand een herstel voordeed, overschreed het bevolkingscijfer tot de Hollandse tijd nooit 66.000 eenheden. Elke stimulans tot nieuwe bouw was bijgevolg verdwenen. In de periode 1585-91 werden ongeveer 2.500 huizen intra muros afgebroken of samengevoegd, waardoor het globale aantal tot nauwelijks 10.000 werd herleid, cijfer dat het hele Ancien regime door vrijwel constant bleef. Voor de negentiende eeuw werd het Antwerpse stadsbeeld nog alleen met enkele statige herenwoonsten verrijkt.

3. "Stilstand" in zeventiende en achttiende eeuw.

In de zeventiende en achttiende eeuw is er geen uitbreiding meer te bespeuren. De bestaande versterking, werd ca. 1600 vermeerderd met het St.-Laureisfort ten N., het St.-Elisabethbolwerk ten Z. Begin achttiende eeuw werden de bastions van de citadel met ruimere omhuld en de Scheldemuren verbouwd.

4. Verdere evolutie in negentiende en twintigste eeuw

Order Napoleon en Willem I werd de grondslag gelegd voor de huidige haveninfrastructuur. Na 1830 ram het aantal inwoners regelmatig toe: in 1855 = 100.000, in 1884 = 200.000, in 1906 =- 300.000, bet hoogste aantal dat ooit werd bereikt. Na de revolutie van 1848 werd Antwerpen gekozen als centrum voor de militaire defensie van het land dit tot groot ongenoegen van de bevolking. Op 8 September 1859 werd de wet op het bouwen van een nieuwe kringvesting gestemd. Ze zou vertrekken van Ford Ferdinand (het Noordkasteel) dat tot citadel zou uitgevouwd worden; een kring van acht forten gelegen langs de huidige militaire baan werd eraan toegevoegd. Meteen werd de stad eigenares van de Spaanse wallen; dit betekende een vergroting van de stadsoppervlakte met 154 ha. In maart 1860 werd de bouw volgens de planner van H.A. Brialmont aangevat. Het gebied binnen de nieuwe omwalling was zesmaal groter dan de oude stad. Na 1864 werden de vroegere wallen, het N.- en het Z.-kasteel geslecht en de vrijgekomen gronden aanbesteed voor bebouwing.

Begin twintigste eeuw verdween ook deze laatste kringvesting om vervangen te worden door een fortenreeks op ca. 18 km. afstand van het stadscentrum (1906). In 1910 werd met de afbraak van de Brialmontvesten, die nooit hun doelmatigheid hebben kunnen bewijzen begonnen. De laatste rester ervan werden opgeruimd met de aanleg van de E3 autosnelweg. Vermelden we tenslotte de annexatie van 5.291 ha. grondgebied tussen Antwerpen en de Hollandse grens in de jaren ca. 1955, bestemd als haven- en industriezone.

Topografische en stedebouwkundige ontwikkeling binnen het behandelde gebied

1. Situering van de belangrijkste kernen tot ca. 1500 *

Op enkele oudere kernen na kwam het gebied tussen de vesten van 1250 en de Spaanse wallen pas in de dertiende en veertiende eeuw tot ontwikkeling. Echte gesloten bouwblokken zoals in de kernstad kwamen slechts zelden voor. Een lintbebouwing tangs straten kreeg langzaam gestalte. De belangrijkste bebouwde aders ca. 1400 waren Klapdorp - Paardenmarkt, Keizerstraat, Kipdorp, Lange Nieuwstraat, Meir, Huidevettersstraat - Lange Gasthuisstraat, Kammenstraat - Begijnenstraat, Korte en Lange Ridderstraat, Oever - Kloosterstraat: de uitvalswegen van de oudere stadskern en/of deel uitmakend van een ouder gehucht. Vaak werden de huizen door niet bebouwde percelen onderbroken (tuinen, velden en boomgaarden, beemden, raamhoven en lijnbanen). Grote open ruimten waren het Raamveld (tussen Minderbroedersrui, Klapdorp, Kauwenberg en Keizerstraat) en de Gasthuisbeemden (tussen Huidevettersstraat, Gasthuisstraat en Meir enerzijds, de wallen van de vierde stadsvergroting anderzijds). Het Hopland (ten Z. van de Meir en aangehecht ca. 1375) bleef tot omstreeks 1500 onbebouwd en voornamelijk door moestuinen ingenomen. Door de vergroting van 1295 sqq. werden verschillende oudere nederzettingen van de "vrijheid Antwerpen" d.i. het gemeentelijk grondgebied, intra muros opgenomen: de St.-Michielsabdij op het oude Kiel, de St.-Joriskapel, het St.-Elisabethgasthuis en de Gasthuisbeemden in het Z., het naburige Vleminckveld, het gehucht Kipdorp met het Antwerpsveld in het O. en het Klapdorp in het N.-O.
De St.-Michielsabdij gelegen tussen Klooster-, Kromme Elleboog- en Goede Hoopstraat had zich vanaf 1124 ontwikkeld bij de oude St.-Michielskerk, die, hoewel buiten de vesten gelegen, tot dan toe als enige parochiekerk van Antwerpen had gefungeerd. Zij was een instelling van de norbertijnen, die hier de rot hadden overgenomen van de kanunniken die in 1124 naar de O.-L.-Vrouwekerk waren verhuisd.

In de omgeving van de oude St.-Joriskapel, welke mogelijk reeds bestond in 1116, had zich al op het einde van de dertiende eeuw een bloeiende nederzetting gevormd, die de aanleiding is geweest tot het verheffen van de kapel tot parochiekerk in 1304.
De inlijving van de St.-Joriskerk veroorzaakte tevens de opname binnen de wallen van het meer N.-waarts en dichter bij de tweede omwalling gelegen St.-Elisabethgasthuis. Dit gasthuis dat waarschijnlijk reeds in 1204 bestond, maar dan binnen de stad in de buurt van de O.-L.-Vrouwekerk, was toen het aan vergroting toe was verhuisd naar zijn hoeve in de Elst in 1238.

Rond hetzelfde tijdstip kwamen het Vleminckveld (eerste vermelding in 1307) - gelegen tussen St.-Elisabethgasthuis en St.-Joriskerk - en het Antwerpsveld - ten N. van de Meir - binnen de omheining, I.g. samen met het Kipdorp (voor het eerst vermeld in 1223) dat buiten de Wijngaardpoort lag.

De huidige St.-Jacobsmarkt welke als een deel van het Kipdorp mag worden beschouwd bleef echter voorlopig buiten de vesten en zou pas bij het stedelijk centrum worden ingelijfd ter gelegenheid van de vierde stadsuitbreiding.

Tenslotte viel meer N.-waarts nog een laatste gehucht aan de Antwerpse expansiezucht ten offer, nl. het Klapdorp dat reeds vermeld werd in 1264 maar mogelijkerwijze van oudere datum is. Dit gehucht had zich ontwikkeld buiten de Koepoort en omvatte de Paardenmarkt; de inlijving van bet Klapdorp bracht meteen ook de Infirmerie van het Klapdorp binnen de wallen, een godshuis gesticht ten voordele van de zieke begijnen.

2. Urbanisatiekernen in de zestiende eeuw *

Ossenmarkt en omgeving. Vooraleer Gilbert Van Schoonbeke de Jonge zijn stedebouwkundige activiteiten ontplooide was er te Antwerpen nauwelijks sprake van stadsplanning. De schuinlopende straten in de richting van de stadspoorten zijn louter het gevolg van een historische evolutie waarbij de nieuwe straten op oudere uitvalswegen aansloten.
In het tijdvak 1502-40 werden talrijke nieuwe verkeersaders aangelegd, doch zij vormden zelden of nooit onderdelen van een globaal project, waarbij bewust rekening werd gehouden met de verdere ontwikkeling van een heel kwartier. De enige uitzondering was de oprichting van de nieuwe Beurs in 1531-32 maar het initiatief lag toen bij enkele leden van de magistraat die hun grondgebied wensten te valoriseren en dat noel ingevolge hun uitverkoren positie gemakkelijk wilden bereiken. In haast alle andere gevallen ging het om onsamenhangende initiatieven die niet kaderden in een specifiek urbanisatieplan. De aanleg van de Ossenmarkt en omgeving in de periode 1516-22 vormt daarvan een treffende illustratie. Tot 1516 bestond het uitgestrekt gebied tussen Paardenmarkt (N.) stadsmuur (O.) St.-Jacobsmarkt (Z.) en Kauwenberg (W.) uit raamhoven, blekerijen en boomgaarden. In 1517 opende bet stadsbestuur op die terreinen de Lange St.-Annastraat en de Pieter Van Hobokenstraat, in 1520 de Rodestraat (waar in 1546 het nieuwe begijnhof werd gevestigd) en in 1522 tenslotte de Ossenmarkt, waarop de drie hogergenoemde straten uitkwamen. Het plein, bedoeld als bijkomende veemarkt naast de reeds bestaande voor het Predikherenklooster, was uitstekend gelegen: het beyond zich vlak bij de Kipdorppoort via dewelke het vee uit de N. polderweiden in de stad werd gebracht. Het dient opgemerkt dat de Ossenmarkt als economisch centrum van het nieuwe kwartier eerst werd gecreëerd na de opening der aanpalende straten en dat zij een vrij onregelmatige vorm had - twee factoren die wijzen op het weinig of niet planmatig karakter van deze stadsaanleg. De afwezigheid van een initieel project blijkt ook nog uit het feit dat nog ruim een kwarteeuw later een nieuwe weg werd getrokken die de Ossenmarkt met de St.-Jacobsmarkt verbond (Rozenstraat). De verkaveling der gronden en de bouw van tientallen huizen was niet het werk van één persoon of van een groep samenwerkende zakenlui, maar van talrijke voor eigen rekening optredende speculanten en ondernemers. De urbanisatie van de betrokken wijk was succesrijk: tussen 1516 en 1528 bouwden tien verschillende handelaars en ambachtslui in de omgeving van de Ossenmarkt ruim honderdvijftig woningen.

Het St.-Andrieskwartier. De uitbouw van het "St.-Andrieskwartier" zoals deze buurt spoedig werd genoemd, verliep al even ongeordend. Op het einde van de vijftiende eeuw bestond het grootste deel van het gebied begrensd door de Steenhouwersvest (N.), de Boeksteeg (huidige Nationalestraat O.) de Vliersteeg (huidige Lange Vlierstraat Z.) en de Lange Ridderstraat (W.) uit bleekhoven en vage gronden. De bebouwing beperkte zich tot een smalle strook langsheen de vermelde verkeersassen. Dat was ook het geval met de aangrenzende zone gelegen tussen de Boeksteeg (W.), de Steenhouwersvest (N.) de Kammenstraat, de Bredestraat en de Begijnenstraat (O.) en de St.-Rochusstraat (Z.).

Omstreeks 1500 besliste de magistraat de z.g. "IJzerwaag", waar ijzer en koper inzake maat en gewicht werden gecontroleerd, over te brengen van de Driehoek (de de ombuiging tussen de Komedieplaats en de Lange Gasthuisstraat) naar de Boeksteeg. Het feit dat de kopermagazijnen der Fuggers zich in de onmiddellijke omgeving bevonden, meer bepaald aan de Steenhouwersvest, zal aan deze verhuizing wel niet vreemd zijn geweest. Enkele jaren later trok het stadsbestuur een verbindingsweg van het erf "de Bock" aan de Kammenstraat naar het nieuwe centrum. Aldus ontstond benevens een kronkelende weg, die naar genoemd erf Bokstraat werd geheten (nu IJzerenwaag), een squarevormig gedeelte, dat "plein van de ijzerwaag" en later "IJzerwaag" zonder meer werd geheten (nu Theodoor Van Rijswijckplaats). Het hoogst onregelmatige patroon van het marktje en de zigzaglijn van de nieuwe straat laten bezwaarlijk toe de term "ruimtelijke ordening" te hanteren.

Hetzelfde gold voor de verdere stedebouwkundige ontwikkeling van dit gebied, waar tussen 1513 en 1550 de volgende verkeersaders werden aangelegd: in 1513 de Augustijnenstraat, in 1514 de St.-Jansstraat (huidige Aalmoezeniersstraat), in 1527 de Steenbergstraat, in 1528 de Waai- en St.-Andriesstraat, in 1543 de Bogaerde- en de Schoytestraat, in 1544 de Beuckelaerstraat (thans bestaande uit twee delen: de Rijke Beuckelaeren de Franckenstraat) en in 1550 tenslotte de Happaert- en de Sleutelstraat. In het totaal werden in deze wijk niet minder dan tien nieuwe verbindingswegen getrokken. Van enig aanlegplan was geen sprake. Economische of sociale centra werden niet gecreëerd. Markten en pleinen kwamen niet tot stand. Er werden evenmin openbare gebouwen opgericht. Elke grondheer verkavelde zijn terreinen naar eigen goeddunken. Wie een nieuwe straat wenste te openen bekwam daartoe blijkbaar zonder moeilijkheden de toelating van het stadsbestuur. Coordinatie tussen de eigenaren was onbestaande. Het eindresultaat was een verward netwerk van straten en stegen, die de hele oppervlakte in onregelmatige panden verdeelden.
De urbanisatie van het St.-Andrieskwartier ging gepaard met een koortsachtige bouwactiviteit. Het feit dat de oude bidplaats der augustijnermonniken in 1529 tot parochiekerk werd ingericht, wijst op een sterk toegenomen bevolking. De demografische expansie zette zich in het tweede kwart van de zestiende eeuw door. Nauwkeurige cijfers ontbreken weliswaar, dock we weten alleszins dat toen in het St.-Andrieskwartier minstens driehonderd huizen werden bijgebouwd waarvan ongeveer 66n derde in de nabijheid van de gelijknamige kerk. Uit bun lage verkoopprijs, bun geringe oppervlakte en bun beperkte accommodatie blijkt duidelijk dat de meeste huisjes bestemd waren voor weinig kapitaalkrachtige personen. Deze situatie onderging geen wijzigingen in de loop der volgende eeuwen.
De Stadswaag. Van Schoonbekes grondspeculaties betekenden een ware stedebouwkundige revolutie te Antwerpen. Hij was stellig niet de enige zakenman die inzag welke ontzaglijke winsten men in een periode van hoogconjunctuur met grondverkavelingen kon realiseren. Hij was echter de enige die begreep dat het profijt maar maximaal kon zijn wanneer kwantiteit (grootscheepse operatics) met kwaliteit (ruimtelijke ordening) werden gecombineerd. Waarbij dadelijk dient beklemtoond dat "kwaliteit" voor een speculant-urbanist als Van Schoonbeke Touter en alleen door economische motieven werd ingegeven. Getuige de aanleg van de Stadswaag. Als waagmeester had Gilbert van Schoonbeke geconstateerd dat het gebouw waar de meeste te Antwerpen verhandelde koopwaren moesten gewogen worden te klein was om de groeiende goederenstroom te absorberen. Daarom stelde hij het stadsbestuur in maart 1547 voor om de oude waag, gelegen in de gelijknamige straat, te verkopen en door een nieuwe te vervangen. Mits de nodige steekpenningen bekwam de speculant de steun van enkele hooggeplaatste ambtenaren, die hun collega's ertoe overhaalden ongeveer 66n ha stadsgrond ten Z. van de Paardenmarkt voor een spotprijs aan Van Schoonbeke te bezorgen. Deze laatste moest echter op zijn kosten een nieuwe waag oprichten.
Het gebouw kwam tot stand in het midden van een rechthoekig plein (thans Stadswaag genoemd) van 57,4 m op 40,1 m zodat een grote ruimte openbleef ten einde een optimale circulatie van goederen en mensen mogelijk te maken. De drie nieuwe straten die op het plein uitkwamen en die alle ruim 9 m breed waren, verzekerden een vlot verkeer en waarborgden tegelijkertijd een winstgevende grondverkaveling. Gilbert van Schoonbeke had de inplanting van het complex tot in de puntjes bestudeerd. Via de Hoornstraat bracht hij de Stadswaag in verbinding met de Varkensmarkt en bijgevolg met de Paardenmarkt, een brede verkeersader die rechtstreeks naar de Rode Poort leidde. Via de Lange Brilstraat gaf hij het plein aansluiting op de uiterst belangrijke Venusstraat, die in het Z. aan de even standingvolle Prinsstraat grensde. Via de Raapstraat ten slotte verschafte hij de toegang tot de Mutsaertstraat, die in het N. aan het Klapdorp paalde, 66n der commerciële slagaders van de metropool. In tegenstelling tot de twee andere verbindingswegen die loodrecht op de Stadswaag stonden, had de Raapstraat een enigszins diagonale lijnrichting. De verklaring is dat Gilbert van Schoonbeke bij de opening van deze straat rekening moest houden met bestaande gebouwen.
De urbanisatie van de nieuwe wijk kends een buitengewoon success in anderhalf jaar tijds werden meer dan 80 %-o van de gronden verkocht. Benevens tientallen magazijnen, waaronder de nog bestaande "Nyeuwe Moriaen", verrezen in de omgeving van het plein talrijke handelshuizen en suikerraffinaderijen. Noteren we terloops dat het beroemde Suikerhuis der Balbani's zich in de Raapstraat bevond. Tot op het einde van de achttiende eeuw zou de Stadswaag één der voornaamste economische centra der Scheldestad blijven.
Het Tapissierspand en omgeving. In de eerste helft van de zestiende eeuw beschikten de Antwerpse tapissiers over geen speciaal voor hun bedrijf ingericht gebouw. Samen met de kramers en de juweliers stelden zij hun waren tentoon in een pand gelegen in de Zwartzusterstraat en toebehorend aan de Predikherenkerk. Toen deze laatste in 1549 werd afgebroken, had men voor de oprichting van een nieuwe kerk een deel van het betrokken pand nodig, waardoor de resterende ruimte voor commerciele doeleinden te eng werd. Gezien de betekenis van de tapijthandel voor de Antwerpse economie, keek het stadsbestuur dadelijk uit naar een nieuwe verkoop plaats. De schuttershoven kwamen hiervoor in aanmerking en de autoriteiten sloten in 1551 een contract met Gilbert van Schoonbeke die zich bereid verklaarde de urbanisatie van het nieuwe kwartier en de gedeeltelijke bouw van het nieuwe centrum tegen betaling in contant geld op zich te nemen. In juni 1555 werd het nieuwe centrum definitief in gebruik genomen.
Intussen had de stad op Van Schoonbekes advies een aantal huizen gekocht doorheen dewelke deze laatste een rechte weg trok (de huidige Komedieplaats), die het Tapissierspand met de brede Huidevettersstraat verbond. Vervolgens opende Gilbert van Schoonbeke de Arenbergstraat, die van de Oude Vaartplaats in het O. naar de Lange Gasthuisstraat in het W. lisp en de Gasthuisbeemd, sedert 1832 Leopoldstraat, die de verkoophal rechtstreeks aansluiting gaf op de St.-Jorispoort, waar de steenweg naar Mechelen en Brussel lag. De Gasthuisbeemd werd op haar beurt d.m.v. de Henri Van Heurckstraat met de Oude Vaartplaats in verbinding gebracht. Rondom het Tapissierspand legde de speculant in de loop der jaren vijftig de volgende verkeersaders aan: de Kelderstraat aan de N.- en de Orgelstraat aan de Z.-zijde, de St.-Maartenstraat die van l.g. straat naar de Arenbergstraat leidde en twee straatjes die het gebouw vanuit de Schuttershofstraat toegankelijk maakten, de Ketel- en Armeduivelstraat. Al deze wegen listen een optimale circulatie binnen het kwartier toe en verzekerden tegelijkertijd een uitstekende communicatie tussen dat laatste en de aangrenzende stadsdelen. Aan de O.-zijde van het nieuwe pand had Gilbert van Schoonbeke met opzet een ruimte opengelaten teneinde aldaar een commercieel centrum te creëen als bijkomende aantrekkingspool. Eind 1552 bracht de magistraat de Brabantse Korenmarkt naar dat plein over, de huidige Graanmarkt.
Van Schoonbekes stedebouwkundig project Meek aan alle economische vereisten te voldoen. Na enkele jaren waren de meeste percelen in de omgeving van het pand bebouwd. Eerst vanaf de tweeds helft der zeventiende eeuw verloor de verkoophal ingevolge de onherroepelijke achteruitgang van de Antwerpse tapijthandel zijn oorspronkelijk belang. In 1710 verkregen de aalmoezeniers de toelating om een gedeelte van het Tapissierspand als schouwburg in te richten. In 1829 werd het gebouw afgebroken en vervangen door een nieuw theater.
De Nieuwstad. Toen de magistraat in 1542 besliste een nieuwe omwalling van het gebastioneerde type op te richten, besefte hij dat deze onderneming wegens haar hogs kostprijs elks verdere stadsuitbreiding ten zeerste zou bemoeilijken. Daarom oordeelden de vroede vaderen, aangespoord door de economische en demografische expansie, het wenselijk alvast 25 ha grond bij de metropool te voegen (vijfde stadvergroting). Tot 1548 bleef deze "Nieuwstad" moerassig braakland. Op het einde van dat jaar stelde Gilbert van Schoonbeke het stadsbestuur voor in het betrokken gebied een havenkwartier te cre&en teneinde aan de schromelijke tekortkomingen der bestaande installaties (voornamelijk gebrek aan ankerplaatsen) te verhelpen en tegelijkertijd de onbebouwde terreinen, die grotendeels eigendom waren van de stad te valoriseren. Lokale en centrale overheden reageerden met enthousiasme op Van Schoonbekes project, de eerste poging om de infrastructuur der Antwerpse haven globaal en coherent te benaderen. Zij sloten een contract met de vindingrijke speculant, die zich ertoe verbond tegen een commissieloon van 10 % binnen de vier jaar na de voltooiing der noodzakelijke werken de stad 300.000 gulden te bezorgen door de verkoop der gronden in de Nieuwstad. Kort daarna verklaarde Gilbert van Schoonbeke zich daarenboven bereid om. de door hem geplande kanalen op zijn kosten te laten graven in ruil voor een uitgestrekt terrein in het Z.-W.-deel der nieuwe wijk. Er kwamen drie brede vlieten in W.-O.-richting tot stand, die onderling door smallere waterwegen in N.-Z.-richting werden verbonden.

De drie hoofdkanalen stonden haast loodrecht op de Scheldeoever en lagen op gelijke afstanden van elkaar. Aldus werd een schaakbordpatroon van verkeersaders en bouwzones gecreëerd. Het transport geschiedde langs de hoofdkanalen, die door schepen van 80 à 85 ton konden bevaren worden; de tweede of Middenvliet was zelfs geschikt voor schepen van 200 ton. Uit het feit dat de dwarsvlieten vrij smal waren, valt of te Leiden dat zij hoofdzakelijk werden gegraven met het oog op de drainage der bijzonder drassige gronden. Het bele plan van aanleg was afgestemd op een maximaal economisch-functioneel gebruik der beschikbare oppervlakte. Haast elk perceel grensde langs ten minste een zijde aan een waterloop terwijl de tegenovergestelde zijde via een binnenstraat bereikbaar was.
In het begin van de jaren vijftig richtte Gilbert van Schoonbeke in de Nieuwstad een brouwerijenonderneming op. Dit industrieel complex - het grootste dat in de zestiende-eeuwse Nederlanden is tot stand gekomen - bestond uit tien brouwerijen, een "Waterhuis" (thans Museum Brouwershuis) en een kleine stal aan de N.-zijde van de eerste vliet en zes brouwerijen en een grote stal aan de Z.-zijde van de Middenvliet. Afgezien van deze installaties bouwde Van Schoonbeke op stadskosten nog twee accijnskantoren, een woning voor de bierkruiers en een voor de officiële controleurs. Toch is de Nieuwstad tijdens het Ancien regime nooit een bloeiend economisch centrum geworden. De conjunctuur der jaren vijftig was zo ongunstig dat geen enkele handelaar of industrieel tot de aankoop van uitgestrekte terreinen in dit stadsgedeelte overging. Eerst de economische heropleving na de vrede van Cateau-Cambresis (1559) gaf aanleiding tot de verkaveling en de bebouwing van een aantal percelen. De verplaatsing van de Zeeuwse Korenmarkt en de Fruitmarkt thans Van Schoonbekeplein naar de Nieuwstad in 1561-62, de oprichting van een grote watermolen op de Kattenberg (N.-W.-hoek van de wijk) en de bouw van het imposante Hansahuis tussen tweede en derde vliet in 1562-65 getuigen van de grote toekomstverwachtingen die men toen koesterde. De daarop volgende gebeurtenissen maakten echter een einde aan de verdere urbanisatie van een zo veelbelovend kwartier. Op de "Caert figurative" getekend door J.C. Van Lyere in 1705 merkt men dat het overgrote deel der gronden op dat ogenblik nog steeds braak lag: blekerijen, raamhoven, scheepstimmerwerven en enkele "hoven van plaisantie" besloegen ruim drie vierde der totale oppervlakte.
De basis voor de eigenlijke uitbouw der Nieuwstad werd eerst gelegd onder het Franse en Hollandse bewind, toen de laatste twee vlieten plaats moesten maken voor het Bonaparte- en Willemdok. De uitbreiding der Antwerpse haven zou voortaan altijd in N. richting gebeuren.

De zeventiende en achttiende eeuw hebben vrijwel geen wijzigingen in stratenpatroon en ruimtelijke ordening gebracht. De enige belangrijke ingreep is de inplanting van tallow religieuze instellingen, t.t.z. klooster met kerk en bijhorende gronden in het eerste kwart der zeventiende eeuw waarvan de kerken in Kammen- en Lange Winkelstraat en de kloosters in St.-Rochusstraat en Rosier thans nog getuigenis afleggen, en het optrekken van een aantal paleizen in de achttiende (cf. bouwondernemingen van J.P. Van Baurscheit).

3. Stedebouwkundige vernieuwingen in de negentiende en twintigste eeuw

De grote vernieuwingen zouden pas plaats grijpen in de negentiende eeuw. Onder consulaat en keizerrijk van Napoleon verdwenen de twee meest N. vlieten van de Nieuwstad om plaats te maken voor Bonaparte- en Willemdok (1803-13); de muren en torens langsheen de Schelde werden afgebroken (1797-1804) en vervangen door een verdedigingssysteem op linkeroever. De St.-Michielsabdij werd omgeschapen in scheepstimmerwerf, arsenaal en handelsentrepot (1803 sqq.), het Koninklijk Stapelhuis gebouwd (1830-34) en de Rijnspoorweg langs de Noorderdokken aangelegd (183444). De meeste vlieten en ruien in de binnenstad werden in de jaren ca. 1830-40 gedempt of overwelfd; Brouwers-, St.-Pieters- en St.-Jansvliet verdwenen pas uit het stadsbeeld met de rechttrekking, van de Scheldeoever en het bouwen van de nieuwe kaaimuren (1877-85: zie Scheldekaaien, p. 443-444).
Met het heropleven van handel en havenactiviteiten ging een nieuwe bouwbedrijvigheid gepaard. De Leopoldstraat werd verkaveld en de Kruidtuin ingericht. Voor het eerst sedert de zestiende eeuw werd een nieuwe woonwijk geschapen, op de gronden van het voormalige Geuzenkerkhof en kapucinessenklooster (tussen Terninck- en Schermersstraat, Begijnenvest en Kasteelpleinstraat). Verschillende openbare gebouwen werden opgericht: de nieuwe schouwburg (Komedieplaats), het museum van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Venusstraat), stadsscholen (Bogaerdestraat, Kipdorpvest), kazernes (Prekersstraat, Begijnenvest: e.g. afgebroken, I.g. school). De afbraak van de Spaanse wallen in 1864 sqq. deed 154 ha grond vrijkomen; brede beplante lanen - de huidige leien - en een honderdtal nieuwe straten en pleinen waarvan de meeste buiten het thans besproken gebied werden aangelegd. Kort daarop - in 1874 - werd begonnen met de afbraakwerken van het Zuidkasteel waardoor 108 ha vrijkwam: een volledig autonoom woongebied met brede infrastructuur werd hier uitgebouwd; een uitgebreid artikel onder de item "Zuid" behandelt ontstaan, groei en samenstelling van deze negentiendeeeuwse stadswijk.

Rond dezelfde tijd werden in de verouderde binnenstad verschillende sanerings- en verfraaiingswerken uitgevoerd: de St.-Andriesplaats werd aangelegd en een aantal achterbuurten en krotten, vnl. in het St.-Andrieskwartier, gesloopt, in 1877 sqq. werd de z.g. Boeksteeg, thans Nationalestraat rechtgetrokken en verbreed waarbij de vroegere bebouwing alsook die der aansluitende straten grotendeels verdween. In 1893 werd de Nieuwstad gesaneerd, in 1895 de Meir verbreed en in 1898 de Leysstraat (cf. verbinding met het centraal station). Grootschalige complexes met economische of culturele functie werden opgericht: de nieuwe handelsbeurs (1872), de Nationale Bank (1879), het Loodswezen (1892-95), fabrieken en pakbuizen nabij de kaaien en in de omgeving van de Noorderdokken; er werden twee nieuwe kerken gebouwd St.-Joris (1853) en St.- Antonius (1910), een synagoge (1893), het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (1887) en een Stadsfeestzaal (1908); de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten werd uitgebreid, diverse scholen opgericht en de gevangenis in de oude burcht vervangen door een nieuwe aan de Begijnenstraat (1854-59).
De oorlogsjaren betekenden een stilstand in de verdere evolutie; de jaren ca. 1930 zouden echter weer stedebouwkundige vernieuwingen met zich meebrengen: in 1931 werd begonnen met de graafwerken van de Immalsotunnel in de voormalige bedding van Anker-, Oude Leeuwenrui en Brouwersvliet; een nieuw gasthuis, het Instituut voor Tropische Geneeskunde zag in 1933 het Licht aan Nationale- en Kronenburgstraat; in dezelfde jaren werd een aanvang gemaakt met het bouwen van sociale woningen in Klooster- en Arsenaalstraat, Willem Lepel- Van Craesbeeck- Nationalestraat, Hopland en langsheen de kaaien. Recente ingrepen zijn de openingvan het Frans Halsplein (1970) en het heropenen van de Wapper (1977), het scheppen en herprofileren van winkelwandelstraten tussen Huidevettersstraat - Kammenstraat - IJzeren Waag; nieuwe sociale woonwijken ter hoogte van Klooster- Willem Lepel- Van Craesbeeckstraat, en Jan Van Gentplaats - Van der Sweepstraat (Zuid); de infiltratie van universiteitsgebouwen in de omgeving van Prins-, Keizer- en Rodestraat (sedert 1972); beeldbepalende nieuwe bouw is het Administratief Centrum aan de Oudaan (1952), de Theaterbuilding aan de Italielei (1971), het nieuwe K.N.S.-gebouw aan de Oude Vaartplaats en het gerechtshof aan de Waalsekaai (1973).
GREET PLOMTEUX.

EVOLUTIE VAN DE BOUWKUNST TE ANTWERPEN

In een architectuurhistorische inleiding voor de inventaris van de middeleeuwse stadskern (Antwerpen, 3 na p. XXIII-LIV) werd de Antwerpse architectuur reeds globaal geschetst en samengevat door de heer Lode De Barsée. Na inventarisatie van het in het huidig boekdeel omschreven gebied kwamen echter nog interessante gegevens aan het licht. Zo leverde het verder onderzoek van de bouwtoelatingen talrijke bouwdata op. Zij dragen bij tot een nauwkeuriger kennis van de bouwkunst te Antwerpen en illustreren hogergenoemd overzicht.
Het thans beschreven stadsgedeelte wordt begrensd door de middeleeuwse omwalling (1149-1214) en de zogenaamde "Spaanse vestingen" (1543 sqq). In de vijftiende- en vooral de zestiende eeuw kwam hier een stedelijke infrastructuur tot stand en werd dit gebied haast volledig bebouwd. Het is dit grillige stratenpatroon dat thans het stedelijk weefsel bepaalt. In tegenstelling tot de oudere middeleeuwse kern met enge kronkelige straatjes en kleine panden is het stratentracé hier rechtlijniger en breder met ruimere pannenindeling. In de negentiende eeuw veranderde het stadsbeeld snel. Nieuwe wijken kwamen in korte tijd tot stand, andere werden grondig gesaneerd en in de oude kern werden belangrijke assen opengebroken en aan het nieuwe levensritme aangepast; verouderde bebouwing moest verdwijnen voor grotere woningen, kantoren en imposante openbare gebouwen. Het behoudt thans nog een negentiende eeuws karakter maar kon in zijn totaliteit een eigenheid behouden met overwegend negentiende-eeuwse bebouwing geënt op een laat-middeleeuws patroon.

De gallo-romeinse periode

Bodemvondsten wijzen op het bestaan van een Romeins vicus ondermeer niet een kern rondom de voormalige St.-Michielsabdij (Kronenburg-, Nationale-, Steenberg- en Bergstraat). Eveneens zijn er recente archeologische vondsten in de Everdijstraat.

De romaanse periode, elfde en twaalfde eeuw

Het behandelde stadsgedeelte had een landelijk karakter. Slechts enkele assen waren doorgetrokken vanuit de middeleeuwse kern. De woonhuizen concentreerden zich hierlangs en waren uiterst eenvoudig opgetrokken uit hout. Uit deze tijd zijn geen architecturale overblijfselen bekend. Mogelijk bewaren enkele kelders sporen van de romaanse bebouwing. Voorlopig ontbreekt archeologisch materiaal.

De gotische stijl, veertiende tot zeventiende eeuw

Vanaf de dertiende eeuw ontstonden te Antwerpen belangrijke markten, die een stedelijke ontwikkeling in de hand werkten. Aansluitend op de middeleeuwse stadspoorten groeiden vanuit de oude, omwalde stadskern verschillende verkeersaders, waarlangs de stad zich geleidelijk uitbreidde. Zo waren de huidige Paardenmarkt, Klapdorp, St.-Jacobsmarkt, Lange Nieuwstraat, Meir, Korte en Lange Gasthuisstraat, Kammenstraat en Kloosterstraat lange armen, die aan de stad een convergerend stratenpatroon gaven. Geconcentreerd in verschillende kernen ligt hier de oudste bebouwing, onderbroken door grote open gedeelten. Het begijnhof, uitgestrekte patriciërshoven, kloosters, gods- en gasthuizen vonden in dit nog landelijke stadsgedeelte voldoende ruimte. Bescherming boden de versterkte stadsmuren, die reeds in het begin van de vijftiende eeuw het besproken gebied grotendeels omvatten.
Kerkelijke architectuur. Van de talrijke kapellen en kloosterkerkjes zijn slechts enkele bewaard gebleven. Zij behoren tot de Brabants-gotische stijl. Zoals de in 1419 herbouwde kapel van het St.-Niklaasgodshuis zijn het eenbeukige zaalkerkjes met georiënteerd koor, opgetrokken uit witte kalkzandsteen (Gobertange) onder hoog leien zadeldak met dakruiter. Kleinere bedehuisjes waren van bak- en zandsteen. Laatgotisch maaswerk verdeelt de spitsboogvensters in twee- of drielichtsvensters met in het koor rijzige lancetvensters. Oplopende steunberen met verschillende versnijdingen en omgetrokken waterlijstjes ritmeren de zijgevels. Deze opbouw komt ook voor in het driebeukig schip en het koor van de kapel van het St.-Elisabethgasthuis (1442-60). Herman de Waghemakere werd bij de bouw vernoemd. Waarschijnlijk had hij eveneens de leiding bij de bouw van de zogenaamde Bourgondische Kapel, de huiskapel van het voormalige hof van Immerseel, gesitueerd op de bovenverdieping met een driezijdig koor, uitgewerkt als een erker. Het stervormig kruisribgewelf met druipers op verschillende hoogte bepaalt de kleine binnenruimte (Pl. XVIII). Ook de verdwenen St.-Michielsabdijkerk vertoonde de traditionele opbouw van de grotere Brabants-gotische kerken met transept, luchtbogensysteem, westertoren, polygonaal koor en transkapellen.

Deze traditionele kerkelijke architectuur bleef doorleven in de zestiende- en zeventiende eeuw. De kapel van het godshuis Van Der Biest, gebouwd tussen 1505-40 toont een zeer bescheiden, maar vrij anthentiek bewaard, rechthoekig zaalkerkje. De traditionele verankerde bak- en zandstenen zuidgevel heeft vier eenvoudige spitsboogvensters met laat-gotisch maaswerk. De zoldering wordt geschraagd door zware moerbalken met sloffen. Het kleine St.-Barbarakapelletje van 1504 is schilderachtig (485), terwijl de imposante Keizerskapel, in 1513-14 gebouwd door liet Droogscheerdersambacht, wat de opbouw van de straatgevel betreft een sterke gelijkenis vertoont met de haast honderd jaar oudere St.-Niklaaskapel. Nog uit de vijftiende eeuw dateert de gotische ziekenzaal van het St.-Elisabethgasthuis, een ruime tweebeukige zaal niet centrale arcade van brede spitsbogen op ronde zuilen met imposten; de vlakke zoldering bewaart de oorspronkelijke moerbalken. Het traditionalisme manifesteert zich eveneens in de tijdens de zestiende en zeventiende eeuw gebouwde parochiekerken, St.-Jacob en St.-Andries. Ondanks de lange bouwperiode bleef de Brabants-gotische stijl consequent toegepast. Samen met St.-Paulus (zie dl. 3 na p. 378-397) en de gesloopte St.-Walburgis vormen deze kerken een interessante locale stijlrichting. Kenmerkend zijn ondermeer de uitgewerkte plattegrond met drie beuken, zijkapellen tussen de steunberen, breed transept, diep koor met polygonale afsluiting en transkapellen en de sobere gevels zonder luchtbogen. St.-Jacob lijkt wel de meest voorname en heeft bovendien een massieve, maar onafgewerkte westertoren in Brabantse stijl met zware hoeksteunberen (958). Overigens maken deze kerken, oorspronkelijk verscholen tussen de Buizen, een sobere indruk. De binnenruimte met tamelijk smalle en hoge middenbeuk is des te grootser. Karakteristiek is de drieledige opstand met spitse scheibogen op ronde zuilen met koolbladkapiteel en achtkantig basement, aansluitend op de ronde zuil door middel van piramidale blokjes; hoger is het triforium gereduceerd tot een loopgang voor de spitse bovenlichten met laat-gotisch maaswerk (Pl. XI). De opstand van de St.-Andrieskerk is gelijklopend, maar iets gedrongen door de minder hoge vensters.
Burgerlijke architectuur. Belangrijke patriciërshoven met uitgestrekte lumen en boomgaarden ontstonden hier in de vijftiende eeuw. Hun gronden werden reeds in de zestiende eeuw grotendeels verkaveld zodat ze haast alle verdwenen. Zo is van het voormalige hof Van Immerseel enkel de voornoemde huiskapel bewaard. Het hof Van Liere daarentegen, werd ondermeer als universiteitsgebouw steeds verder uitgebouwd Het roept nog een beeld op van die grootse complexen in bak- en zandsteenstijl met steile zadeldaken, gegroepeerd rondom een binnenplaats. Nog oorspronkelijk bewaard is de galerij met laat-gotische driepasbogen op slanke ronde zuilen, fijne loofwerkkapitelen en grillig traceerwerk in de zwikken. Eenzelfde ordonnantie vertoonde de centrale ruimte van de "Nieuwe Beurs", in 1543 gebouwd tussen Meir en Lange Nieuwstraat (afgebrand).
De binnenplaats met galerij bleef tot de achttiende eeuw een geliefd thema in de voornamere woning.

Van de eenvoudige veertiende en vijftiende-eeuwse woonhuizen, voor het overgrote deel houtbouw, is in dit stadsgedeelte geen enkel bewaard gebleven. Nog talrijk aanwezig tot in de negentiende eeuw verdwenen ze immers snel in de tweede eeuwhelft.
Het waren vrij smalle en hoge diephuizen met verschillende overstekende verdieping en puntgevel onder hoog zadeldak. De constructie bestond uit stijl- en regelwerk opgevuld met houten panelen. Talrijke druiplijstjes lieten het water van de gevels afgutsen. De geveltop werd afgelijnd door spitsbogige of drielobbige windveren.
Hoewel verboden in 1546 bleef de bouw van houten huizen gebruikelijk. Stilaan werden verschillende onderdelen echter steeds meer in steen uitgevoerd: kelders, scheidsmuren en benedenverdiepingen, wat het behoud van vorm en constructie in de hand werkte. Ze lagen dan ook aan de basis van een laat-middeleeuws woonhuistype met punt- of trapgevel in traditionele bak- en zandsteenstijl, gekenmerkt door schaarse versiering en functioneel gebruik van materialen: kleine kalkzandstenen blokken (Gobertange en later Balegem) en baksteen.
De plotse opbloei en de sterke bevolkingstoename vanaf het begin van de zestiende eeuw maakten een intense huizenbouw noodzakelijk. Aangezien de bebouwing zich niet buiten de vestingmuren kon uitbreiden werd de oplossing gezocht in een systematische verkaveling van de beschikbare gronden. Op uitgestrekte kloosters en patriciërshoven en nog braak liggende of onbebouwde, moerassige terreinen ontstonden nieuwe wijken (Gasthuisbeemden, Ossenmarkt, Graanmarkt, Stadswaag). De jonge grondspeculant en makelaar Gilbert van Schoonbeke organiseerde op grote schaal de bouwbedrijvigheid. Met zakelijk inzicht kocht hij minder interessante gronden om ze door rationele verkaveling met vooraf getekende, brede straten, te valoriseren. De bouwblokken werden in regelmatige, maar smalle, diepe panden verdeeld en massaal in korte tijd bebouwd; tussen 1526 en 1568 zouden per jaar gemiddeld ca. 166 nieuwe huizen zijn gebouwd. De leefbaarheid van de nieuwe wijk werd verzekerd door een goede integratie in het bestaande stadsgedeelte. Door het afstemmen op een welbepaalde functie verkreeg hij zelfs een bijzondere aantrekkingskracht. Zo bijvoorbeeld gebeurde de aanleg van de huidige Graanmarkt en omgeving in 1545-50 in functie van het nieuwe "tappissierspand", waarrond de Antwerpse tapijthandel zich dan ook concentreerde. Rationeel gebruik en uniformering van de bouwmaterialen drong zich op. Gilbert van Schoonbeke en andere speculanten namen ook het bouwbedrijf in handen: van de middeleeuwse vestingmuren, die men toen verving door de nieuwe gebastioneerde vestingen, werden de materialen gerecupereerd, steenbakkerijen werden geopend te Hemiksem en de vergunning werd bekomen voor het vellen van eiken te Buggenhout. Aanknopend bij het middeleeuwse diephuis met punt- of trapgevel ontstond rond 1540-50 een karakteristiek woningtype met trapgevel in traditionele bak- en zandsteenstijl. Standardisatie van de bouwmaterialen leidde tot een strak vastgelegd en functioneel type. De constructie was eenvoudig met eikehouten balklagen, verankerd in de vier stenen muren; de binnenruimten werden verder verdeeld door lichte schotten. Het hoge gebinte diende als opslagruimte en was afgedekt met een steil zadeldak, waarop leien of "tigelen" (leipannen). Voor- en achtergevel behielden Inni traditionele punt- of trapvorm. Zoals gebruikelijk in de Brabantse laat-gotiek bestond de gevel uit baksteen met witte kalkzandsteen (Gobertange en Ledesteen) voor de dragende en omlijstende delen. De gevelindeling bleef zeer functioneel. Aanpassingen aan de veranderde mode en bewoningswijze zijn er de oorzaak van dat thans geen enkele gevelordonnantie oorspronkelijk is bewaard. In de achttiende- en de negentiende eeuw - voornamelijk tussen 1830 en 1860 - werden immers massaal kruiskozijnen weggebroken, vensters verlaagd en trapgevels verbouwd tot bepleisterde lijstgevels, waarachter het zadeldak werd afgewolfd. In onze ectiw moesten voornamelijk de benedenverdiepingen zwichten voor de vernielingsdrang; zij werden doorgaans herschapen in winkelpuien of zielloze garagepoorten.
De ontpleisterde trapgevel Jodenstraat nr. 16, samen met de bouwtoelating van 1844, waarop een oudere gevelordonnantie is ingetekend, geeft een beeld van de traditionele gevelindeling. Op de begane grond een klein korfboogpoortje met geprofileerde zandstenen omlijsting en bolkozijn als bovenlicht; boven de begane grond een insteekverdieping, eveneens bewaard Pruynenstraat nrs. 5 en 7. De hoge vensters, die een iii;ixiiiiale lichtinval verzekeren worden gedeeld door tussendorpel en stijl. Het ontlastingssysteem bestaat in de regel niet uit de strekse rollagen, maar gebeurt door middel van een trapezoïdale steen, die de latei centraal ondersteunt via een tussenstijl; de kwarthol geprofileerde rechtstanden Lestaan aan de buitenzijde uit negblokken, terwijl de onderdorpel meestal wordt gemarkeerd door drie lagen zandsteen; het over de gevel laten doorlopen van zandstenen banden in speklagen heeft een decoratief elftiet. Waarschijnlijk nog oorspronkelijk bewaard is het bovenvenster aan het Scheldeken, ca. 1550 te dateren, van het hoekhuis Kromme Elleboogstraat nr. 5. De benedenvensters worden afgesloten met houten luiken en ijzeren staven, diefijzers; de sponning en sporen van de duimen van de luiken zijn nog zichtbaar aan voornoemd huis. Bij belangrijker woningen bestaat de benedenverdieping, ofwel de hele gevel uit witte zandsteen, zoals de brede gevels St.-Jacobsmarkt nrs. 16 en 18.
Doorgaans beter bewaard is de meestal tweeledige ordonnantie van de top, die ook langer zijn functie behield: tussen twee smalle vensters een lager geplaatst luik, waaronder de druiplijst is omgetrokken en doorloopt over de gevelbreedte; in de hoogste geleding een kleiner venster of luik, zoals aan de trapgevels Graanmarkt nrs. 1, 3 en 5, of een eenvoudige opening voor de hijsbalk, afgezet door vier zandstenen blokken. Aan de straatzijde is de trapgevel bekroond door een topstuk, dat de stabiliteit verhoogt. Bescheidener huisjes als Vingerlingstraat nr. 19 van 1575 (1077) moesten het stellen met een puntgeveltje. De achtergevels werden doorgaans in baksteen uitgevoerd met eenvoudige puntgevels. Een apart huistype is het hoekhuis met trapgevel. De kleinere oppervlakte van deze panden en de beperkte verbouwingsmogelijkheden tot lijstgevel zijn er mogelijk de oorzaak van dat zij relatief bewaard bleven. Zij verkeren echter meestal in zeer verwaarloosde toestand, maar hun talrijkheid is opvallend in het Antwerpse straatbeeld. De smalste zijde is uitgewerkt als een traditionele trapgevel. Typisch zijn de zware opeengestapelde hoekblokken in kettingverband. De bredere gevel werd afgelijnd door een geprofileerde daklijst, waaronder steigergaten, meestal onderbroken door één of meer dakkapellen. Vrij oorspronkelijk bewaard is het hoekhuis Lange Brilstraat nr. 28 (416).

Naast talrijke diephuizen met punt- of trapgevel bestond reeds een tweede woonhuistype, het breedhuis met lijstgevel. Op de kaart van V. Bononiensis (1565) vinden we ze talrijk afgebeeld. Het waren iets bredere huizen met eenzelfde ordonnantie als de hiervoor beschreven langsgevels van de hoekhuizen. Het huis "De Rape" Raapstraat nr. 27 dateert mogelijk nog grotendeels uit de zestiende eeuw evenals het hotel "De Moelnere" St.-Jacobsmarkt nr. 11, waar in de achtergevel de polygonale huistraptoren met puntdak nog is bewaard, een element dat bij dit huistype vaker voorkwam. Deze trap- en lijstgevels in traditionele bak- en zandsteenstijl bleven voor het woonhuis tot ca. 1700 in zwang. Talrijke huisjes zijn thans nog bewaard in de smallere zijstraatjes en in de armere wijken. Het zijn zeer bescheiden woonhuisjes zonder specifieke stijlkenmerken. Opeenvolgende verbouwingen, als het aanpassen van de pui, de vensters, het bepleisteren van de gevels, enz., bemoeilijkt ten zeerste het dateren. Gezien de grote bouwactiviteit tussen ca. 1530-85 in dit stadsgedeelte moet het overgrote gedeelte van deze huisjes in kern nog opklimmen tot de zestiende eeuw.

Hoewel renaissance en barok slechts weinig invloed konden uitoefenen of) het gewone woonhuis, was er toch een zekere evolutie merkbaar. Zo was er een duidelijke tendens tot vergroten van de gevelbreedte. Mogelijk dateert het huis "Demmeken", Schuttershofstraat nr. 4 met monumentale dakkapel nog uit het begin van de zeventiende eeuw. Vermeldenswaardig zijn eveneens het huisje "Den Doorenboom" van 1629 en het verwaarloosde breedhuis Falconrui nr. 34-36, 165. gedateerd in de ankers. Ook de plattegrond werd ingewikkelder; niet zelden werd het koopmanshuis uitgebreid met een achterhuis en binnenkoor, zoals het huis St.-Jacobsmarkt nr. 54. Ook het dubbelhuis met afzonderlijke vertrekken, meestal rondom een binnenkoor kwam tot ontwikkeling, bijvoorbeeld het Mercator-Orteliushuis verbouwd in 1619.
De nu meestal rondboogvormige deur won aan belang; imposten en sluitstenen werden graag gemarkeerd door diamantkopjes, bijvoorbeeld Korte Ridderstraat nr. 17 van 1603; meer renaissancistisch is de geblokte, hardstenen omlijsting van 1558, Knechtjeshuis. De kruiskozijnen bleven behouden, maar voor kleinere vensters of luiken in de top werd nu de voorkeur gegeven aan het rondboogvenster, zoals in de trapgevels van 1624, Paardenmarkt nr. 60 en van 1631, Stadswaag nr. 9.

De meer barok-geïnspireerde gevels met in- en uitgezwenkte top en krulvoluten zijn eerder zeldzaam te Antwerpen; een mooi voorbeeld vindt men aan de Keizerstraat nr. 16.

De groeiende handelsactiviteit in de zestiende eeuw noodzaakte de bouw van grotere complexen. Gilbert van Schoonbeke liet zich ook hierbij niet onbetuigd. Functioneel opgebouwd met traditionele trapgevels in baken zandsteenstijl waren het voormalige tappissierspand en de afgebrande stadswaag. Ook het gerestaureerde Brouwershuis A. Brouwerstraat nr. 20, in 1553 door G. van Schoonbeke als waterhuis gebouwd in de pas verkavelde "Nieuwstad", sluit aan bij de traditionele architectuur. Zelfs de brede gevelwand van het pakhuis "De Moriaen", ca. 1548 gebouwd, bleef aan de straatzijde verdeeld in verschillende trapgevels.
Belangrijker is het zogenaamde "Coophuys", later Hessenhuis. Hoewel , opgebouwd in traditionele bak- en zandsteenstijl met een brede vierbeukige holle op rechthoekig grondplan en een merkwaardige dakstoel, vormt dit brede complex een belangrijke schakel tussen de laat-middeleeuwse en de renaissance-architectuur. De brede lijstgevel met hoge poorten in geblokte rondboogvormige omlijstingen van hardsteen vertonen reeds een renaissancistische inslag.

De renaissance, zestiende eeuw

Als internationaal handelscentrum en brandpunt van humanistische cultuur kwam de architectuur in Antwerpen snel onder invloed van de Italiaanse renaissance. Door vertaling en verspreiding van modellenboeken ontstond een locale decoratiestijl, de zogenaamde Florisstijl; rolwerk, cartouches, obelisken en allerlei vreemde ornamenten versierden thans enkele voorname maar traditioneel opgebouwde gevels. Karakteristiek voor deze stijl is de thans in het stadhuis bewaarde schoorsteenmantel van 1549, ontworpen door P. Coecke van Aelst voor het voormalige hotel "De Moelnere", St.-Jacobsmarkt nr. 11.
De meer klassieke italianiserende stijlrichting vond vooral toepassing voor aanzienlijker bouwwerken, die het werk waren van vooraanstaande schilders, ornamentisten of bouwmeesters, als C. Floris en Peter Frans. Ze wordt gekenmerkt door juister afgemeten verhoudingen en preciezer gebruik van de klassieke orden en de antieke vormentaal. Geïnspireerd op de Italiaanse palazzi ontstond het in 1894 afgebrande Oostershuis of Hansahuis: vier vleugels rondom een centrale binnenkoor met rondbogen-galerij op hardstenen Dorische zuilen; de gevels in traditionele bak- en zandsteenstijl hadden een streng klassiek opgebouwde toegang, gemarkeerd door vier Dorische zuilen onder driehoekig fronton. Een monumentale toren beheerste het complex. Het hotel van Straelen, gebouwd even na 1565 bewaart nog een gelijkaardige torenbekroning met rondboogvensters, Dorische halfzuilen en klassiek hoofdgestel.
Belangrijk was de nieuwe gebastioneerde vesting, die vanaf 1542 tot stand kwam onder leiding van de Italiaan Donato Buoni. Een gedeelte van de muur rondom het Zuidkasteel, dat vanaf 1567 aansloot bij de vesting, werd recent blootgelegd aan de Zwijgerstraat. De detailuitwerking was in handen van de Antwerpenaar Peter Frans, die waarschijnlijk betrokken was bij het ontwerp van de thans gesloopte stadspoorten, de Keizerlijke poort (1543-45), de Kipdorppoort (1550), de Rodepoort (1550), de Slijkpoort (1565) en de Begijnepoort (1576). De classicerende, maar weelderige volplastische decoratie met geblokte zuilen en picturale effecten kondigde reeds de barok aan.

De barok, zeventiende eeuw

Vanaf de sluiting van de Schelde in 1585 werd de economische situatie ongunstig. Toch kenden schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur en de kunstnijverheid een merkwaardige bloei. Gestimuleerd door de triomferende contra-reformatie ontstonden in de stad verschillende nieuwe kloostercomplexen met imponerende barokke gevels. Toonaangevend was het werk van de hofbouwmeester Wenzel Cobergher (1561-1634). In 1604 uit Italië teruggekeerd propageerde hij hier de Italiaanse barok en bouwde tussen 1615-18 voor de augustijnen-observanten een kloosterkerk, thans St.-Augustinuskerk. Het traditionele schema van transeptloze basilicale kerk met zijbeuken werd in de plattegrond bewaard; in opstand en gevelordonnantie daarentegen creëerde hij een nieuw, barok schema, dat navolging vond. De klassieke gevelordonnantie met pilasters werd niet toegepast, maar uitgaande van de traditionele bak- en zandsteenarchitectuur werd de hoge bakstenen gevel door horizontale en verticale zandstenen banden in vlakken verdeeld; het breed centraal poortrisaliet met klassiek-barokke poortomlijsting en de gevelbekroning met sierlijk gebogen halsgevel en fronton werden later meer toegepast. De opstand van het interieur met rondbogen op Dorische zuilen, afgelijnd door een klassiek hoofdgestel en de oorspronkelijk vlakke zoldering hadden echter nog een renaissancistisch karakter. De plastische decoratie van de boogzwikken werd in 1650-54 aangebracht.
De voorgevel van het voormalige kartuizerklooster, thans kapucinesscenklooster, aangevat in 1673 sluit aan bij dit nieuwe geveltype. Plastischer uitgewerkte nissen in geblokte omlijstingen, weelderig getekende ornamenten, Ionische pilasters, klassiek hoofdgestel en bekronend driehoekig fronton met krulvoluten verlenen de plastische gevel een sterk barok italianiserend karakter.
De centraliserende aanleg van de plattegrond en een vernieuwde ruimtewerking door het gebruik van de koepel vonden te Antwerpen blijkbaar geen doorbraak.
Slechts weinig godshuizen kwamen in de zeventiende eeuw nog tot stand. Interessant is de voorgevel van het godshuis C. Lantschot, van 1656-59, die nauw aansluit bij de nieuwe stijl van W. Cobergher: traditionele bak- en zandsteenbouw vormen de achtergrond voor de barok-omlijste rondboogpoort en de getoogde vensters met gebogen waterlijstje.
Vermeldenswaardig is de voormalige kerk van de annunciaden, waarschijnlijk eveneens door W. Cobergher ontworpen. In tegenstelling tot de voornoemde kerken sluit ze nog nauw aan bij de laat-gotische stijl.

Benevens de bouw van enkele belangrijke kloostercomplexen onderging het stadsbeeld in de zeventiende eeuw haast geen wijzigingen. Op gebied pan de militaire architectuur kwam enkel de zogenaamde "Coninxpoort" ("Waterpoort" tot stand, thans opgesteld op de Gillisplaats. Opgericht in 1624 als ereboog voor Filips IV verraadt dit merkwaardig monument een zeer precieze kennis van de klassieke architectuur: een antieke triomfboog uitgewerkt in een krachtige barokstijl. De plastische decoratie, de subtiele afwisseling van driehoekige en gebogen frontons en de geblokte hardstenen omlijstingen sluiten nauw aan bij de portiek van het Rubenshuis. Hans van Mildert en Huybrecht Van Den Eynde verzorgden de uitvoering.

Deze klassieke bouwstijl illustreert de vernieuwde invloed van het italianisme in het eerste kwart van de zeventiende eeuw, die zich uitte in enkele opmerkelijke woonhuizen. In 1608 uit Italië teruggekeerd bouwde Rubens tussen 1611 en 1627 aan de Wapper een nieuw atelier. Het bestaande zestiende-eeuwse woonhuis en het atelier verbond hij door een monumentale portiek, waardoor de binnenplaats ontstond.

Los van elke locale traditie was de extravagante architectuur van het atelier en de portiek rechtstreeks geïnspireerd op de Italiaanse barok. Ook de gravures "Palazzi di Genova", die Rubens liet uitgeven in 1622 getuigen van zijn preciese kennis van de klassieke architectuur. De brede lijstgevels hebben een krachtig uitgewerkt klassiek hoofdgestel, evenwichtig aangebrachte rechthoekige vensters met bekronende frontons en een galerij met rondbogen op Toscaanse zuilen. Meesterlijk was de eigen Vlaamse fantasievolle vertolking van streng-klassieke elementen, die herschapen werden tot een beweeglijk picturaal geheel, de zogenaamde "Rubensbarok" De grote barokke herenwoning sloot aan bij het zestiende-eeuws broedhuis. Het dubbelhuis met grotere gevelbreedte genoot nu de voorkeur en de middentravee werd door de decoratie en door de bekronende dakkapel steeds meer geaccentueerd. Dit is duidelijk het geval bij de centrale bekroning van de monumentale poortomlijsting van het hotel Schockaert. In de voorgevel van het voormalige hotel Delbeke van 1647-49 lag de nadruk op de brede centrale travee met rondboogpoort en bekronend driehoekig fronton; in de zijvleugels eenvoudige rechthoekige vensters zonder kruiskozijnen gescheiden door Ionische pilasters.

De "Rubensbarok" kende echter het grootste succes als decoratiestijl in de zogenaamde "Spaanse poortjes", die ons zo vertrouwd zijn in het Antwerpse straatbeeld. Deze monumentale, arduinen, geblokte poortomlijstingen raakten snel in zwang en werden ook graag aangebracht in oudere huizen. Ze vertolken de eigen interpretatie van de klassieke elementen als zuilen, consoles, krulvoluten, leeuwekoppen, cartouches en frontons.

De meeste dateren uit de tweede helft van de eeuw. We noteren hier enkele gedateerde poortjes: van 1636 Academietuin, van 1652 Kammenstraat nr. 51, van 1655 A. Brouwerstraat nr. 20, van 1656-59 Falconrui nr. 47, van 1672 Falconplein nr. 39 , eveneens van 1672 Groendalstraat nr. 18-20 en van 1681 Keizerstraat nr. 21-23.
De binnenkoer werd naar Italiaans voorbeeld graag voorzien van een klassieke rondbogengalerij op hardstenen Dorische of Toscaanse zuilen. Vaak volgebouwd of verscholen achter modernere constructies zijn er thans nog talrijke bewaard: de Tassisgalerij van 1612 in het voormalige Hof van Liere, de tuingevel van het voormalige Kolveniershof van 1613-37, het Maagdenhuis van 1634-36, de achtergevel van 1674 van het gesloopte hotel de Fraula, thans bewaard Venusstraat nr. 17-19. Iets barokker uitgewerkt is de arcade Raapstraat nr. 18-20. Vermeldenswaardig voor de barokarchitectuur zijn twee klassieke tuinpaviljoentjes, in het Rubenshuis en in het Osterriethhuis van 1677, beide uitgewerkt als een ritmische travee. De tuingevel van het voormalige Kolveniershof van 1631-37, het zomerhuis van het hotel Delbeke van 1659 en de elegante achtergevel van het gesloopte hotel de Fraula, hierboven vermeld, vertegenwoordigen de meer classicerende barok.

De achttiende eeuw

Politiek-economisch onmachtig kwam Antwerpen onder het Oostenrijks bewind onder invloed van de in Europa toonaangevende Franse levenswijze. Geïnspireerd door de verfijnde wooncultuur lag voortaan het accent op de patriciërswoning. De nieuwe, weelderig-verfijnde levenswijze gaf aanleiding tot een nieuw woonhuistype, het luxueuze hotel. Het grondplan werd uitgebreider met een centrale doorgang waarnaast de verschillende vertrekken zich uitstrekten, eventueel gegroepeerd rondom een binnenkoer; de U-vorm met hoofdgevel aan de straat genoot te Antwerpen de voorkeur, dit in tegenstelling tot de Franse hotels, die van de straat werden afgesloten door een hoge muur. De binnenplaats bleef in de regel geopend op de achterliggende tuin met koetshuis en stallingen. Elk vertrek kreeg nu een welbepaalde functie, terwijl de bovenverdieping vooreerst dienst deed als hoofdverdieping of bel-etage. De trap won dan ook aan belang; zijdelings van de centrale doorgang geplaatst werd hij sierlijk afgewerkt met een smeedijzeren leuning, een mooi voorbeeld in het Koninklijk Paleis. Kleinere diensttrappen maakten de hoofdverdieping gemakkelijk toegankelijk voor het personeel, dat gehuisvest was in de zijvleugels.
De verfijning van de binneninrichting, soms door de bouwmeester ontworpen, vertolkte zich in de brede praalgevel met slechts één bovenverdieping samen met het gebruik van nieuwe materialen ontstond een nieuw geveltype.
Verrassend is de vaststelling dat de meeste hotels ontstonden door verbouwing van verschillende oudere huizen; kelders, steunmuren en zelfs voorgevels bleven overeind staan, de kruisvensters werden uitgebroken en voorzien van rechte, hardstenen lateien. Zo bijvoorbeeld zijn de lateien boven de vroegere kruiskozijnen nog duidelijk zichtbaar aan de gevel van het voormalige hotel Du Bois, Lange Nieuwstraat nr. 20-24. Dit vond ondermeer zijn oorzaak in de groeiende schaarste van de traditionele bouwmaterialen in de beste kwaliteiten. De oplossing voor het verdoezelen van verbouwingen en minder goede bouwmaterialen werd gevonden in het bepleisteren van de gevels, die naderhand overtrokken werden met loodwitpasta.
Uitzondering vormt het zogenaamde Koninklijk Paleis, waarvan de monumentale gevel is uitgevoerd in fijne Bentheimer steen. Talrijke hotelgevels vielen ten offer aan de ontpleisteringsrage van de twintigste eeuw en vertekenen het beeld van de voorname classicistische architectuur. De nieuwe witbeschilderde gevels beantwoorden immers aan de nieuwe stijl met effen vlakken en evenwichtige volumes die de grootsheid en monumentaliteit van de gevels benadrukten. De gevelopbouw en de decoratie hadden nu immers een sterke constructieve samenhang: de versiering moest de strakke gevelordonnantie verduidelijken. Kenmerkend voor de Antwerpse hotelgevels was de sterk benadrukte astravee, die als licht gemarkeerd risaliet werd uitgebouwd. Een nieuw element was het balkon op de bel-etage boven de koetspoort, gemarkeerd door een gesmeed ijzeren hek. De zijvleugels waren sober en hoge rechthoekige of licht getoogde vensters met afgemeten verhoudingen werden gevat in fijn geprofileerde omlijstingen met versierde sleutels en voorzien van ramen met kleine roedenverdelingen met zacht getint Boheems glas. Onder de daklijst werd de fries graag uitgewerkt als een mezzanino met kleine zwierig versierde venstertjes. Bovendien werd de zware eikehouten dakstoel met zadeldak niet meer toegepast doch vervangen door het lagere, van de straat onzichtbare schilddak; oude balklagen verdwenen achter de stucplafonds, waarvoor Italiaanse stukadoors werden aangesproken. Van deze imposante achttiende-eeuwse hotels ontstonden enkele merkwaardige bouwwerken in de voornamere stadskwartieren tussen de Lange Gasthuisstraat en St.-Jacobsmarkt. Omwille van het nieuwe geveltype en de schaalvergroting - gevels van zeven traveeën en meer waren geen uitzondering - waren ze zeer bepalend in het stadsbeeld. Bovendien vormden ze door een aantal innovaties, als de gevelbepleistering, het balkon, de omlijste rechthoekige of getoogde vensters, het mezzanino en de beredeneerde binneninrichting de basis voor de negentiende-eeuwse woning.

De classiciserende barok (ca. 1700-1740)

Het zeventiende-eeuwse breedhuis met traditionele lijstgevel, gemarkeerd door dakkapellen en centraal risaliet behield in het begin van de achttiende eeuw dezelfde vorm, zoals het huis "De Groote Lely", Ambtsmanstraat nr. 8-8; de gevel werd echter iets soberder en classicistischer uitgewerkt. Ook het voormalige hotel Perez, Keizerstraat nr. 3 bewaarde nog een zeventiende-eeuws karakter. Zonder meer merkwaardig en vrij authentiek bewaard is de achtergevel van het Mercator Orteliushuis van 1698. Hoewel opgetrokken uit bak- en zandsteen met kruiskozijnen is de gevelordonnantie classicistisch: kolossale Corinthische pilasters ritmeren de overigens onversierde gevel en dragen de brede, omgetrokken kroonlijst, waarop het indrukwekkend driehoekig fronton; ook het schilddak werd hier reeds toegepast. Het ontwerp wordt op stilistische basis toegeschreven aan H.F. Verbruggen. De gevel van 1720 Stadswaag nr. 2, opgetrokken uit natuursteen behoort eveneens tot de classiciserende barok. Pittoresk is het poortje 1716 gedateerd Koningstraat nr. 17, een vermenging van laat-barok met classicisme.

De rococostijl (ca. 1740-1760)

Deze stijl werd te Antwerpen gedomineerd door Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge (1699-1768). Samen met Daniel Marot, een uitgeweken hugenoot en voorstander van de nieuwe Franse stijl, was hij enkele jaren werkzaam in de Noordelijke Nederlanden; vandaar de sterke afhankelijkheid van de Hollandse barok, daar waar men in andere Vlaamse steden meer aanleunde bij de Parijse stijl. Karakteristiek is de benadrukte astravee in een omlopende, boven de kroonlijst uitstekende omlijsting geflankeerd door sobere, streng symmetrisch opgebouwde zijvleugels. De goed geproportioneerde vensters zijn meestal licht getoogd, terwijl de fijn geprofileerde omlijstingen uitlopen in rocaillesleutels. Het in 1965 gesloopte hotel de Fraula in de Keizerstraat ontstond reeds in 1737; door het gebruik van kolossale pilasters bezat het nog een classicistisch karakter. Deze strenge traveeënindeling verdween in de volgende gevelontwerpen voor een meer centraliserende gevelopbouw. Het monumentale Koninklijke Paleis van 1745-50, laat nog een Hollandse indruk na ondermeer door het gebruik van het zwierig kuifstuk. De voorgevels van hotels Van Susteren-Du Bois, en du Bois de Vroylande zijn nog lichter en minder gearticuleerd zodat het accent meer valt op de centrale partij, een evolutie die zich doorzet in het laastste, maar meest verfijnde hotel, het zogenaamde Osterriethuis. De verdiepte en geblokte astravee werd hier bekroond door een oeil-de-boeuf in een weelderige rocaille-omlijsting. Aansluitend bij dit geveltype ontstonden te Antwerpen een reeks voorname hotelgevels, meestal echter door verbouwing van oudere huizen. Ze zijn weliswaar minder elegant en hebben provincialistisch karakter met onversierde rechthoekige vensters, kale driehoekige frontons en eenvoudige hoge zadeldaken. Bijvoorbeeld het voormalige hotel Kums van 1753-54 en Lange Gasthuisstraat nr. 9-11. Het risaliet van de gevel Minderbroedersstraat nr. 22 verkreeg toch enige elegantie door het fraaie gebogen balkon. Stilaan werd het geveltype herleid tot het aanbrengen van een vlak in hardsteen uitgewerkt poortrisaliet met verdorde rococo-ornamentatie: Keizerstraat nr. 15 ontstaan even na 1760.
Geslaagd is evenwel de kleine, thans in wintertuin herschapen rococobinnenplaats Venusstraat nr. 19.
Ook talrijke kleinere herenhuizen van het enkelhuistype kwamen tot stand, gekenmerkt door pralerig uitgewerkte poortrisalieten, vaak te monumentaal in verhouding tot de smalle zijtraveeën. Uitgevoerd in witte zandsteen bezitten de gevels aan de Lange Nieuwstraat nr. 47 en Minderbroedersrui nr. 35 nog enige elegantie.
Het huis "Neptune", Steenhouwersvest nr. 28 verbergt achter de natuurstenen gevel zijn oudere kern. Voornamer is evenwel het huis "Den Brandthaeck" Lange Nieuwstraat nr. 58 van ca. 1757 met licht getoogde vensters.

Het classicisme (ca. 1760-1795)

In het laatste kwart van de achttiende eeuw domineert de strenge bepleisterde lijstgevel met rechthoekige muuropeningen en onversierde vensters, die nu verdeeld worden in drie grote vlakken (vooruitgang van de glasindustrie). Markant is de aflijnende klassieke kroonlijst met Landlijst, het driehoekig fronton en de strakke deuromlijstingen met siervazen en guirlandes, zoals Keizerstraat nr. 64. De lagere benedenverdieping, uitgevoerd in geblokte hardsteen, krijgt het karakter van een hoge sokkel. Karakteristiek is de laat-classicistische pilastergevel, Huidevettersstraat nr. 45 opgesmukt met Lodewijk XVI- guirlandes. Strenger opgebouwd is het voormalige, slecht bewaarde hotel Werbrouck, en de imposante lijstgevel van het hotel Della Faille van 1789. Enigszins uitzonderlijk is het hotel Van Ertborn, gebouwd even na 1777, Maarschalk Gerardstraat nr. 4; deze streng geordonneerde pilastergevel op hardstenen geblokte benedenverdieping was immers geinspireerd op de hotels van Van Baurscheit. Aansluitend bij deze strenge laat-achttiende-eeuwse classicistische architectuur ontwikkelt zich in de negentiende eeuw de neoclassicistische burgerwoning.

De negentiende eeuw

Tot na het midden van de negentiende eeuw bleef de stad gekneld in haar zestiende-eeuwse omwalling. De ontwikkeling van de haven onder Napoleon bleef geremd door de blokkade van de Schelde. Na de heropening in 1863 kende het economisch-industrieel leven een versnelde opbloei. Voor het verder uitbouwen van de havenactiviteiten was het afbreken van de vestingen onontbeerlijk. Dit gebeurde eindelijk in 1864-66. Door de enorme bevolkingstoename werd woonhuisbouw op grote schaal en stedelijke uitbreiding noodzakelijk. De ontmanteling van de stad maakte de weg vrij voor een ongebreidelde expansie in het nog landelijke gebied buiten de vestingen. Zo werd op het afgebroken Zuidkasteel een nieuwe wijk gepland, het Zuid, met stervormig stratenpatroon, waarbij hel in 1965 gesloopte Zuidstation de grote aantrekkingspool vormde. Ook liet stadsbeeld evolueerde snel: kantoor- en handelsfuncties verdrongen stilaan het residentieel karakter van de oude binnenstad.
Samen met de opkomst van de burgerij ontstond het negentiende-eeuwse burgerhuis met bepleisterde en beschilderde lijstgevel. Nieuw waren het gebruik van het huisnummer, dat vanaf het Franse regime de huisnaam verving. De bouwtoelating, vanaf 1801 verplicht gesteld voor bouwwerken langs de straat, werd vanaf 1852 uitgebreid over het hele stedelijke grondgebied. Voor het eerst werd de woonhuisbouw strikt genormeerd wat uitzicht, materialen, uitrusting en veiligheid betrof. Bepalend voor liet negentiende-eeuws straatbeeld was het besluit van 1818 "willende de misbruyken voorkomen welke ontstaen uyt het gebruyk van al te sterk-donkere of ongewone kleuren in het schilderen der huysgevels" om enkel bepaalde tinten toe te laten, zoals ze op het "staelbord op het Raedhuys" waren te zien. Strikter werden de bepalingen in het zogenaamde "Bijreglement van de politie der bouwingen" van 1852. De bouw van een kelder en minstens één verdieping werd verplicht gesteld, de gevelhoogte moest minstens zeven en een halve meter bedragen, terwijl ook de minimale dikte van de gevelmuren werd vastgesteld; nieuwe huizen moesten minstens vier maand onbewoond blijven. Ook over de veiligheid van de voetganger werd gewaakt: dorpels en kelderopeningen mochten niet te ver uitspringen. Al deze bouwreglementen waren zeker niet vreemd aan de uniformiteit van vele negentiende-eeuwse straatwanden, ontstaan uit de kleurloze vermenigvuldiging van even brede en hoge bepleisterde lijstgevels, geritmeerd door balkons en kroonlijsten. Kenmerkend voor de privé-architectuur was de eenheidsbebouwing: verschillende burgerhuizen werden in één gevelordonnantie opgenomen. Samen met de meergezinswoning van vier en meer bouwlagen werkte ze de schaalvergroting in de hand.
Boeiend was evenwel het ontstaan van welomschreven bouwtypes voor nieuwe instellingen, vaak met openbare functie: het theater, het ziekenhuis, de gevangenis, het station, het museum, de bank, voor elk kwam een eigen bouwvorm en -stijl tot ontwikkeling.

Samen met groots opgevatte en ingrijpende stedebouwkundige verwezenlijkingen evolueerden de negentiende-eeuwse stijlen in versneld tempo. Verschillende tendensen deden zich gelijktijdig voor.

Tot ca. 1840 bleef de laat-classicistische lijstgevel in zwang voor de grotere woonhuizen en de openbare gebouwen. De verwaarloosde lijstgevel van 1805 A. Brouwerstraat nr. 33-35 met bekronend driehoekig fronton en schilddak sluit nog nauw aan bij het strenge classicisme, terwijl het dubbelhuis van 1809, licht verbouwd in 1856 Venusstraat nr. 16 nog een achttiende-eeuws karakter draagt. Streng opgebouwd met een geblokte hardstenen benedenverdieping, rondboogpoorten, kolossale pilasters en klassiek hoofdgestel is de symmetrisch opgebouwde gevel van 1836, Komedieplaats nr. 12-16. Evenals het herenhuis Kloosterstraat nr. 31 en de straatgevel van het godshuis Almaras van 1838, gemarkeerd door driehoekige frontons, sluit hij aan bij het laat-classicisme. P. Bourla beheerste deze stijlrichting. Met meesterlijke zin voor afgemeten verhoudingen en klassieke ordonnanties ontwierp hij in 1827 het Théâtre Royal Français, thans K.N.S.gebouw aan de Komedieplaats. Revolutionair waren zowel de plattegrond, de binneninrichting als de gevels; voornamelijk de hoofdingang met een halfronde voorbouw was gedurfd uitgewerkt als toegang voor rijtuigen in het verlengde van de openbare weg. Als stadsbouw-meester ontwierp hij in dezelfde stijl de serre van de kruidtuin (1826), het poortgebouw en het museum van de academie (1835-43) en de school (1845-47) Kipdorpvest nr. 22. Monumentaal maar minder evenwichtig en provincialer is de hoofdingang van het St.-Elisabethgasthuis ontworpen door L. Serrere in 1836

De zuivere empirestijl (ca. 1790-1840) kwam haast niet tot ontwikkeling te Antwerpen. De gevels van 1809 St.-Katelijnevest nr. 13-15, Generaal Belliardstraat nr. 5-7 en van 1844 Venusstraat nr. 39 vertonen evenwel de typische rondboogvensters met boogomlijsting op imposten. Eerder uitzonderlijk is het empire-getinte dubbelhuis Kleine Kauwenberg nr. 12.

Vanaf ca. 1840 volgen de zogenaamde neostijlen elkaar op. Het neoclassicisme was veruit de meeste toegepaste stijl en loopt als een rode draad door de negentiende eeuw. Uit het laat-classicistische herenhuis ontwikkelde zich immers het neoclassicistische burgerhuis met bepleisterde en beschilderde lijstgevel. Het is te herleiden tot een doorsneetype enkelhuis, meestal van drie traveeën en drie bouwlagen met rechthoekige deur- en vensteropeningen; een midden- of zijrisaliet werd vaak behouden boven de meestal met schijnvoegen belijnde begane grond. De bovenvensters, meestal op doorlopende dorpels werden gevat in geprofileerde riemlijstjes uitlopend in een sober bewerkte sleutel. Markant zijn het balkon en de brede kroonlijst op klossen of modillons en consoles, die de vlakheid van deze gevels doorbreken. Voornamere huizen waren vaak voorzien van entablementen of zelfs frontons boven de vensters, bvb. van 1853 Louizastraat nr. 10-12 en van 1864 naar ontwerp van J. Hompus Mutsaertstraat nr. 13. Het zadeldak met gordingkap werd de gebruikelijke dakvorm. Ook de binnenindeling was stereotiep: een lange smalle gang met trap, waarlangs drie achter elkaar liggende kamers, de laatste meestal verlicht door een koepel. De bebouwing van de "Leien" kan typisch neoclassicistisch genoemd worden. Vanaf ca. 1880 werd de stijl iets zwaarder terwijl de verhoogde begane grond en het mansardedak ingang vonden, bvb. van 1883 Amerikalei nr. 8. Het bepleisterde neoclassicistische burgerhuis bleef tot rond de eeuwwisseling het meest traditionele woningtype, zoals het huis Britselei nr. 34, in 1902 ontworpen door E. Vereecken. Tussen ca. 1850 en 1870 kwamen de Louis-Philippe- en de Second-Empirestijl in zwang. Als decoratiestijlen kenden ze te Antwerpen een zeker succes, maar brachten geen vernieuwing mee in het geveltype. De vloeiende Louis-Philippestijl is gekenmerkt door de afgeronde bovenhoeken van de vensters en deuren en de plastisch uitgewerkte sleutels en consoles bvb. het brede dubbelhuis van 1852 Louizastraat nr. 22 en de sierlijke gevel van 1854 Meir nr. 23-25. Eerder uitzonderlijk is het overdadig gedecoreerde geveltype, dat slechts enkele jaren succes kende (ca. 1850-55) en waarbij de lijstgevel verhoogd werd met een sierlijke krulgevel; zoals de fraaie gevel van 1852 Meir nr. 40 hadden ze meestal spiegelboogvormige vensters met zwaar uitgewerkte sleutels. Strakker en rechtlijniger is de Second-Empirestijl geïnspireerd op de antieke vormentaal (vazen, zuilen, palmetten, medaillons, attiek). Naast de eenvoudige rechthoekige vensters genoten vooral de rondboogvensters en de licht getoogde vensters de voorkeur. Het werk van architect B. De Proost (1815-69) was toonaangevend. Bijzonder zwaar versierde en asymmetrisch opgebouwde herenhuizen met bepleisterde lijstgevels. In het hotel van 1854 Meir nr. 54 paste hij de kolossale orden toe, aan de Lange Nieuwstraat nr. 64 van 1855 zijn het voornamelijk de brede rond-boogvensters van de bovenverdieping in rondboognissen op Ionische halfzuilen die in het oog springen. Zijn meesterwerk was ongetwijfeld het schitterende maar slecht onderhouden hotel Bredestraat nr. 4 van 1856 waar hij zich inspireerde op 'de Italiaanse renaissance.
Ook kleinere burgerhuizen werden door deze stijl beïnvloed: van 1860 Kloosterstraat nr. 52 (J. Hompus) en van 1860 Venusstraat nr. 4-6.

Vanaf ca. 1840 kwam er in de sfeer van het romantisme een vernieuwde belangstelling voor het eigen verleden. Deze vertolkte zich in de neogotiek, die in Antwerpen snel ingang vond. In de nieuw bevolkte wijken was de bouw van parochiekerken immers noodzakelijk en de meest geschikte historische stijl was uiteraard de neogotiek. De St.-Joriskerk met haar twee monumentale torens en verfijnd interieur werd reeds in 1847-53 gebouwd onder leiding van L. Suys. Het gevelschema was geïnspireerd op de grote Franse kathedralen. Veel heterogener en minder stijlzuiver was de St.-Antoniuskerk ontworpen in 1867 door L. Baeckelmans en ca. 1910 uitgevoerd door J.P. Bilmeyer. De neogotische stijl genoot in de jaren 1880-90 eveneens de voorkeur voor schoolgebouwen en kloosters, bvb. Amerikalei nr. 88 van 1885 door F. Baeckelmans, St.-Jan-Berchmanscollege, gebouwd in 1890-91 onder leiding van E. Leclef en het stijlvolle klooster der grauwzusters van 1887, eveneens van F. Baeckelmans. Het gebruik van de neogotiek voor de nieuwe Handelsbeurs in 1859 ontworpen door J. Schadde, vond zijn oorzaak in het behoud van vorm en grondplan van de oude laat-gotische beurs; de galerij met driepasbogen op slanke kolonetten vormde echter de basis voor een eigen interpretatie van de laat-gotiek, waarbij de stalen koepel met glas boven de vergaderruimte ongetwijfeld revolutionair was, maar nog geen organisch verband had met de architectuur. Een late toepassing van de neogotiek is het monumentale gebouw van het loodswezen van 1892-95 door F. Kennes en F. Truyman Tavernierkaai. Hoekig opgebouwd is het een vermenging met de eclectische neo-Vlaamse renaissance.
Werd de neogotiek graag toegepast voor kerken, kloosters en scholen, dan inspireerde men zich voor openbare gebouwen en belangrijker huizen aan een gamma van historische stijlen. Bouwtypes en ornamenten werden uitgekozen en vermengd naargelang het karakter, de functie en de ligging van het gebouw. Enkele bekwame architecten kwamen aldus in het eclectisme tot een persoonlijke stijl. De eigen neo-Vlaamse renaissance- of -barokstijl genoot vaak de voorkeur voor private woningen. Merkwaardig is de bouwmeesterswoning van J. Winders (1883) in bak- en natuursteen Tolstraat nr. 85. Ook de huizen "In 't zicht der Schelde" (F. Hompus 1880) Scheldestraat nr. 22, "In de goudbloem" (1885) Plantinkaai nr. 22, de voormalige brouwerij Brys (1883), L. en H. Blomme) Vlaamsekaai nr. 42-43 en Meir nr. 79 (1897, J.P. Bilmeyer en J. Van Riel) (604) zijn fraaie voorbeelden van de neotraditionele stijl. Meer barok zijn het winkelhuis van 1881 (F. Hompus) Steenhouwersvest nr. 48 Plantinkaai nr. 7 (1883, E. Leclef) en het imposante hoekhuis van 1883 (E. Leclef) Begijnenvest nr. 113.

Bij de openbare gebouwen is de stijlvermenging duidelijker. Bvb. de neoromaans geïnspireerde gevangenis van 1854-57 door J. Demon en de neomoors geïnspireerde joodse synagoge van 1893 door J. Hertogs en E. Stordiau.
De voorname neo-François I-stijl is vertegenwoordigd in de Nationale Bank, ontworpen in 1877 door H. Beyaert en in het gebouw van de gasmaatschappij van 1899 door E. Theelens Meir nr. 58. Sober en strak geordonneerd zijn de neoflorentijnse, natuurstenen gevels van E. Stordiau, zoals van 1887 Kleine Tunnelplaats nr. 16, evenals het merkwaardig huis door A. Van Mechelen van 1895 Nationale-straat nr. 72.
Het Hoger Handelsgesticht, van 1893-97 door F. Sel en F. Truyman Schilderstraat nr. 41 het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van 1894-95 door J. Winders en N. Van Dijk zijn typische voorbeelden van eclectische bouwkunst, die zich tot de eerste wereldoorlog doorzette.
Een apart bouwtype, dat weinig invloed onderging van de snel wisselende stijlen was het stapelhuis. Voor het overgrote deel gebouwd in de tweede helft van de eeuw, zijn ze voornamelijk geconcentreerd rond de oude haven - Noorder- en Zuiderdokken. Het zijn rationeel-functionele bakstenen gebouwen met laaddeuren en kleine vensters. Meestal eenvoudig van ordonnantie bestaat de versiering vaak in gemetste profileringen op de lisenen. Zelfs de traditionele bak- en zandsteenarchitectuur werd nog nagebootst. Opvallend te Antwerpen is dat haast alle grotere pakhuizen een naam dragen in de gevel. Pas ca. 1860 werd in de Antwerpse stapelhuizen de gietijzeren kolom toegepast in de dragende structuur, aanvankelijk nog als ondersteuning van houten moerbalken (Pakhuis St.-Felix, 1858, 1863). Deze voor Vlaanderen late toepassing van metaalconstructies gebeurde waarschijnlijk nog onder Engelse invloed; de afmetingen van de kolommen stemmen immers overeen met de Engelse maten. Dikwijls werden deze kolommen voorzien van aangegoten ribben waarin verplaatsbare schotten konden aangebracht worden. Pas op het einde van de eeuw vonden tussenvloeren met bakstenen troggewelven lussen ijzeren I-balken definitief ingang. Reeds vroeger werden ze gebruikt voor vloeren tussen kelder en begane grond. De volledige houten binnenconstructie bleef courant aangewend tot liet einde van de negentiende eeuw.
Polonceaukappen (Noordnatie, Waalsekaai) of andere metalen spantvormen werden slechts zelden toegepast naast de houten kapconstructies. De eerste betonconstructies in de Antwerpse pakhuizen dateren reeds van het begin van de twintigste eeuw en verzekerden een verhoogde brandveiligheid. Een opvallende realisatie is het indrukwekkende Koninklijke Stapelhuis, Entrepotkaai, gevolgd door het pakhuis Vlaanderen van 1908 Waalsekaai en La Cloche, Hessenplein. Hoewel de binnenstructuur volledig in beton is uitgevoerd, bleef men voor de buitenmuren nog steeds gebruik maken van het baksteenmetselwerk. Van 1868 beschikte men in de haven reeds over hydraulische aandrijving, die algemeen werd na de bouw van twee waterkrachtcentrales in 1892, het Noorder- en het Zuiderpershuis. Merkwaardig is eveneens de nog bewaarde krachtcentrale van het stapelhuis St.-Felix, die tot ca. 1920 in gebruik bleef.

De twintigste eeuw

Als reactie op het academisme en de stijlvermenging van de negentiende-eeuwse eclectische architectuur ontstond rond de eeuwwisseling de Art Nouveau. Voorstanders van de nieuwe stijl lieten zich niet langer inspireren door de klassieke of antieke bouwkunst, maar trachtten de organische vormgeving van de natuur rechtstreeks in hun ontwerpen te weerspiegelen. Met nieuwe materialen - ijzer, beton, glas - schiepen zij een beweeglijke ruimte bepaald door dynamische decoratievormen en grillige slingerlijnen. Hoewel men te Antwerpen talrijke en belangrijke voorstanders van de nieuwe stijl telde, als A. Van Mechelen, E. Van Averbeke, L. Hamaide, W. van Oenen, Fl. Verbraeken en J. De Weerdi, kwam men slechts zelden los van de traditionele schema's van de negentiendeeeuwse neo-architectuur. Dat het eclectisme de meest succesrijke bouwtrant bleef wordt geïllustreerd door de monumentale bebouwing van de Leysstraat in 1899-1905 door vooraanstaande Antwerpse architecten, ondermeer H. Van Dijk, M. De Braey, E. Dieltiens en A. Van Mechelen. Karakteristiek voor de stijlvermenging in het begin van de eeuw is het kantoorgebouw ontworpen in 1913 door J. Bascours Keizerstraat nr. 14, terwijl de neobarok een talentrijke vertegenwoordiger vond in de veelzijdige E. Thielens, ontwerper van de Banque de Reports van 1908 Meir nr. 48. Ook de neorococo had enig succes, bijvoorbeeld, Huidevettersstraat nr. 44 en Britselei nrs. 14 en 16.

De Art Nouveau-architectuur daarentegen is voornamelijk geconcentreerd op het "Zuid", waar rond de eeuwwisseling nog bouwgronden ter beschikking waren. Revolutionair was de bouw van het voormalige Liberale Volkshuis "Help U Zelve", thans opslagmagazijn door J. Van Asperen en E. Van Averbeke. De nonconformistische gevelopbouw met centraal, halfrond gebogen venster is merkwaardig, alsmede de verregaande integratie van de monumentale en toegepaste kunsten - gesmeed ijzer, mozaïek - in de architectuur. Ook sommige woonhuizen werden door de nieuwe stijl beïnvloed, echter meestal beperkt tot de decoratieve vormentaal. De basisvorm van de burgerwoning bleef immers het traditionele enkelhuis, veelal met verhoogde begane grond van drie traveeën en drie bouwlagen, dat meestal zelfs horizontaal bleef afgelijnd. Gekleurde, geglazuurde tegels, witte natuursteen, arduin en mozaïeken, ronde, halfronde en grillig gebogen vensteropeningen, vaak in twee- of drielicht en sierlijk gebogen, gesmede ijzeren hekken verhoogden het decoratief effect van de gevel, opgenomen in een brede ordonnantie met aflijnende lisenen en verspringende muurpartijen. Indeling en plattegrond bleven echter meestal burgerlijk traditioneel. Goede voorbeelden zijn de huizen Beeldhouwersstraat nr. 22, ontworpen door architect W. Van Oenen in 1902, E. Pécherstraat nr. 22 van 1908 en het hoekhuis "Den Boot", Schilderstraat nr. 2 samen met aanpalende huizen door F. Smet-Verhas ontworpen in 190. In de binnenstad werden enkele Art Nouveau-winkelhuizen gebouwd, ondermeer Korte Gasthuisstraat nr. 24, Sint-Katelijnevest nr. 55 (A. Van Mechelen 1900) (975), Sint-Jorispoort nr. 26 (1902) en Meir nr. 41.

De Art Deco sluit aan bij de Art Nouveau en wordt gekenmerkt door het gebruik van meer gestileerde en geblokte decoratievormen. Een mooi voorbeeld is het Instituut voor Tropische Geneeskunde, ontworpen door M. Spittael en P. Le Bon in 1933.
De verstrakte gevelopstand werd verder doorgevoerd onder invloed van de Nieuwe Zakelijkheid. Onversierde, rechtlijnige bakstenen of natuurstenen lijstgevels met brede muurvlakken, geritmeerd door stroken rechthoekige muuropeningen en verspringende vlakken. Onder invloed van het Kubisme werd het woonhuis herleid tot een functionele blokstructuur. E. Van Averbeke wiens werk evolueerde naar een steeds grotere beheersing van de vormen, ontwierp als stadsbouwmeester ondermeer twee moderne woningcomplexen, in 1921 Hopland nr. 35-37 en Cockerillkaai nr. 32-35 met sobere bakstenen gevels, geritmeerd door verhoogde verticaliserende deurrisalieten.
Opvallend is het winkelhuis "Tilquin" ontworpen door J. Sel in 1933 Meir nr. 99, gemarkeerd door een centrale oplopende koker. Ook het werk van W. Pijl wordt gekenmerkt door eenvoudige lijnen, die een rustig geheel vormen als het kantoorgebouw Korte Ridderstraat nr. 12.

De aanblik van vele straten veranderde na de tweede wereldoorlog. Door onbegrip en winstbejag verdween een groot gedeelte van ons bouwkundig erfgoed onder de slopershamer en historische gevels werden aangepast of "gemoderniseerd" ondermeer door het veranderen van de vensteropeningen, het verlagen van de verdiepingen en het decaperen van de gevelbepleistering. Benedenverdiepingen werden massaal weggeslagen en vervangen door nieuwe, al te vaak karakterloze en zelfs storende winkelpuien (bvb. Leysstraat). Hoge kantoor- en flatgebouwen werden ingeplant, voornamelijk langs de belangrijke aders en domineren thans het stadsbeeld. Zo is het Administratief Centrum aan de Oudaan, door R. Braem ontworpen in 1952 haast niet meer weg te denken uit het stadsbeeld. Tenslotte veroverde de steeds groter wordende verkeersstroom de orde binnenstad en herschiep pleinen en onbebouwde ruimten in parkings.

Verkeersproblemen, stelselmatige schaalvergroting, ontvolking en verkrotting van de binnenstad, waar handels- en de tertiaire functies de bewoning steeds meer verdringen, maken een globale stedebouwkundige aanpak noodzakelijk.

Thans beschikt de stad Antwerpen over een structuurplan voor de binnenstad. Hierin wordt geopteerd voor behoud van kleinschaligheid en woonfunctie, terwijl de nieuwe bouw een harmonieus straatbeeld moet ten goede komen. Sinds enkele jaren werd begonnen met de aanleg van verkeersvrije wandel- en winkelzones als "de Wilde Zee" (1972) en de "Wapper" (1978).

Een groot aantal historisch en architecturaal belangrijke panden werd wettelijk beschermd en talrijke renovaties en restauraties werden verwezenlijkt. Een gecoördineerde aanpak van de stedebouwkundige problemen zal dan ook noodzakelijk zijn om de weg verder te zetten naar een totale stadsherwaardering en vernieuwing.

  • M. DE MUNCK-MANDERYCK, met medewerking van A. LINTERS.

Bron: De Munck-Manderyck M., Deconinck-Steyaert R. & Plomteux G. met medewerking van Linters A. 1979: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen 3NB, Brussel - Gent.

Auteurs: Linters, Adriaan; Manderyck, Madeleine & Plomteux, Greet

Relaties