Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kantons Riemst en Tongeren (ID: 26630)

Administratieve gegevens

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

De kieskantons Tongeren en Riemst maken deel uit van het administratief arrondissement Tongeren, en beslaan de uiterste zuidwest-hoek van de provincie Limburg. Ten zuiden grenzen ze aan de provincie Luik - de zuidelijke grens wordt gevormd door de taalgrens. Ten oosten grenst het gebied aan Nederland; de grens ligt op een tweetal kilometer van Maastricht.

De historische ontwikkeling, maar vooral de bodemgesteldheid was verantwoordelijk voor de vrij wel uitsluitend agrarische uitbouw van het gebied. Deze functie bepaalt het uitzicht van het landschap en van de gemeenten: wijde akkers en gesloten bebouwing in de dorpskernen af aaneengesloten langsheen de steenwegen en dorpsstraten. De bevolkingstoename is gering, zodat de bestaande structuren, op een zeer recente en beperkte ontwikkeling tot lintbebouwing na, vrij gaaf bewaard bleven. De enige stedelijke kern is Tongeren, met een handels- en dienstenfunctie. Het historisch gegroeide uitzicht van de streek werd door deze continuïteit in de bedrijvigheid dus vrijwel niet gewijzigd; de industriële ontwikkeling van het noorden van de provincie had hier geen enkele invloed.

De fusie-acties van 1970, 1972 en 1977 resulteerden in de huidige gemeenten Tongeren en Riemst; omwille van zijn taalfaciliteiten bleef Herstappe een afzonderlijke gemeente.

LANDSCHAPSTYPERING

Het bestudeerde gebied omvat het oostelijke gedeelte van Haspengouw, dat gekenmerkt wordt door de leemlaag, die de onderliggende gesteenten bedekt. Dit leem is een lössbedekking uit het pleistoceen (voornamelijk Würm III); door de wind aangevoerd is de dikte van de laag onregelmatig; tevens is er een onderscheid in korrelgrootte, wat door het verschil in opslorpingsvermogen van invloed is voor de landbouw.

De reliëfvormende en landschapsbepalende factoren zijn echter de onderliggende gesteenten. Op basis hiervan kan Haspengouw verdeeld worden in drie streken.

1. Het zuiden van het gebied heeft een ondergrond van krijt of kalkhoudende gesteenten. In de Jekervallei tussen Sluizen en Eben dagzomen witte krijtlagen uit het Senoon, in het noorden tufkrijtbanken uit het Maastrichtiaan met vuursteenbanken (onregelmatig tot knolvormig) in de onderste zone. Zowel Senoon als Maastrichtiaan behoren tot het mesozoïcum (secundair). Dit is Droog-Haspengouw: de goed doorlaatbare gesteenten laten de neerslag gemakkelijk naar de watertafel zakken, zodat er minder verspoeling is van de bovenste leemlaag, wat het gebied zeer vruchtbaar maakt. Kenmerkend is de afwezigheid van bronnen buiten de alluviale vlakte van de Jeker, het uiterst beperkt stroomstelsel en de diepe droge dalen. Het uitzicht vertoont het typische open-field-landschap met holle wegen en concentratie van de bewoning, veroorzaakt onder meer door de diepliggende watertafel, die een gemeenschappelijke put noodzakelijk maakt. Naast de teelt van graangewassen wordt hier vrij intensief aan fruitteelt gedaan. In het noorden van dit gebied ligt Tongeren, in het breedste gedeelte van de Jekervlakte; de stad is gebouwd op de door de Jeker uitgeërodeerde steile noordkam.

2. Het gebied tussen Tongeren en Riemst heeft een zandig facies. Dit hoger gelegen gebied (scheidingsrug tussen rivierbeddingen) heeft in de ondergrond een fijn groenachtig zand (Tongriaan) van cenozoïsche ouderdom (tertiair). De leemmantel is hier minder dik. Ook dit gedeelte hoort nog volledig tot Droog-Haspengouw. De dorpen liggen in de talrijke dalen, bedekt met boomvegetatie. De bewoning is minder geconcentreerd, de grote hoeven minder talrijk. Er wordt intensief aan fruitteelt gedaan. Het is een overgangsgebied naar Vochtig-Haspengouw.

3. Ten noorden van de lijn Bommershoven-Henis-Herderen begint Vochtig-Haspengouw. De ondergrond bestaat hier uit een compacte, ondoordringbare kleilaag; deze blauwgroene tot grijze klei (klei van Henis) dagzoomt aan de heuveltoppen bij Herderen, Berg, Tongeren en Henis. Door de ondoordringbaarheid van de ondergrond wordt de leemlaag gemakkelijker verspeeld; dit gebied is minder vruchtbaar. Het is het brongebied voor de noordelijk afvloeiende rivieren. De nederzettingen zijn minder geconcentreerd, de hoeven kleiner. Er is een grotere verscheidenheid in gewassen.

Hydrografisch ligt het gebied op de scheidingsgrens van Schelde en Maas. Het wordt gedraineerd door de Jeker. De alluviale vlakte van deze rivier vernauwt zich stroomafwaarts van Tongeren tot het canyongedeelte tussen Sluizen en Kanne. De Jeker mondt in Maastricht in de Maas uit.

BODEM EN STREEKEIGEN MATERIAAL

De ondergrond, zoals hierboven besproken levert een paar voor de streek typische bouwmaterialen. Belangrijk in de traditionele bouwkunst tot het midden der 17de eeuw is het gebruik van mergelsteen. Er bestaat enige verwarring tussen de termen tufsteen, tuffeau, mergelsteen en krijt. Deze termen worden meestal door elkaar gebruikt hoewel ze eigenlijk een verschillende betekenis hebben. Het gaat hier om een zeer zacht gesteente, wit tot geel van kleur, hoofdzakelijk bestaande uit CaCO3, al dan niet met bijmengingen. In Limburg worden drie soorten ontgonnen: tuffeau van Maastricht (Maastrichtiaan), een zachte, witgele steen, met groeven te Zichen-Zussen, Kanne en Sint-Pietersberg; de benaming Maastrichts krijt komt ook voor. Er zal verder steeds als "mergelsteen" naar verwezen worden. Deze steen wordt het meest aangewend; de twee andere soorten, die in het westen van de provincie gewonnen worden kennen daar een vrijwel zuiver lokaal gebruik. De mergelsteen afkomstig uit de groeve van Sibbe bij Valkenburg (Nederland), de enige groeve die nog wordt uitgebaat, wordt thans hoofdzakelijk gebruikt voor restauraties.

De krijt- en kalklagen bevatten in de onderste zones ook verschillende silexbanken; deze worden over heel het gebied vanaf de Romeinse tijd (zie de Romeinse muur van Tongeren) gebruikt, doch vooral in de oudste perioden (Romeinse periode, romaanse gebouwen).

Tot de ingevoerde steensoorten behoort de Naamse kalksteen, die vanaf de tweede helft der 17de eeuw de mergelsteen vrijwel volledig als bouwmateriaal verdringt, behalve in de streek rondom de mergelgroeven (Riemst, Zichen-Zussen-Bolder, Kanne, Vroenhoven), waar het gebruik van mergelsteen tot het begin van deze eeuw voortduurt. De Naamse kalksteen, waarnaar verder steeds als "kalksteen" zal verwezen worden is, waarschijnlijk via de Maas, ingevoerd uit zuid-België. Hij onderscheidt zich van de andere hardstenen door het ontbreken van fossielen en de mooie, egale zilvergrijze verweringskleur.

HISTORISCHE ACHTERGROND

De oudste bewoningssporen in het bestudeerde gebied dateren van circa 4000 voor Christus. Bandkeramische volkeren komen via de Rijn de streek van Keulen binnen en koloniseren Haspengouw en Nederlands Zuid-Limburg (74 vindplaatsen over Limburgs en Luiks Haspengouw). Het waren landbouwers: hun verbreidingsgebied valt samen met het vruchtbare Haspengouwse lössgebied. Circa vijf eeuwen later verdwijnen zij om onbekende redenen uit het gebied. Zij hadden een reeks nederzettingen op de noordhelling van de Jekervallei.

Vóór de inval van de Romeinen wordt het gebied bewoond door de Eburonen, waarvan het stamgebied zich ten westen van Maas en Rijn uitstrekt, en ten zuidwesten begrensd wordt door het gebied der Atuatuci, tussen Samber en Maas. Laatst genoemden oefenden een soort van hegemonie uit over de naburige stammen. De hoofdplaats der Eburonen was Atuatuca, vermeld in de Commentarii de Bello Gallico van Julius Caesar; waarschijnlijk is dit Atuatuca niet hetzelfde als het later vermelde Atuatuca Tungrorum, het huidige Tongeren.

Nadat Caesar in 57 voor Christus de Atuatuci onderwerpt sluiten de Eburonen aanvankelijk vrede met de Romeinen. In 54 voor Christus slaan de legaten Sabinus en Cotta hun winterkwartier op in Atuatuca. Door een list weet Ambiorix, één der koningen van de Eburonen, de volledige bezetting naar buiten te lokken; op ongeveer drie kilometer van het kamp wordt het XVde legioen door de Eburonen overvallen en uitgemoord. Het volgend jaar organiseert Caesar een strafexpeditie, waarbij de volksstam vrijwel volledig wordt uitgeroeid. Waarschijnlijk wordt het ontvolkte gebied aangewezen als woonplaats voor een Germaanse stam, de Tungri. Het is onder deze naam, Civitas Tungrorum, dat het gebied ingedeeld wordt in de bestuurlijke indeling van de provincie Belgica, met Reims als hoofdstad. Van deze civitas was Atuatuca Tungrorum, het huidige Tongeren, de hoofdplaats.

Circa 90 wordt het oostelijk deel van de provincie Belgica afgescheiden, en als provincie Germania Inferior opgericht. De Civitas Tungrorum had als oost- en noordgrens de Maas en als westgrens de Beneden-Schelde bij Antwerpen, het Kolenwoud, en verder zuidwaarts, de Samber en de Maas; deze westgrens was zo natuurlijk dat zij tot in de 16de eeuw een rol zal spelen.

Voor de ontsluiting van het gebied speelde de Maas een belangrijke rol, evenals de strategisch zeer belangrijke heerbaan Bavai-Keulen, die naast Tongeren eveneens het ontstaan gaf aan Maastricht, als oversteekplaats aan de stroom. Deze twee elementen, de "chaussée Brunehaut" en de Maas, vormen een belangrijk verbindingselement dat de latere politieke en culturele eenheid van het gebied zal bevorderen, en een natuurlijke band zal smeden tussen Tongeren, Luik, Maastricht en de andere Haspengouwse en Maassteden. Het gebied werd nog door andere wegen doorkruist: vanuit Tongeren vertrokken de wegen naar Aarlen, Kassei en Nijmegen. Deze ontsluiting werkt een intense kolonisatie in de hand. Getuige hiervan zijn de zeer talrijke archeologische resten: tumuli (eind 1ste tot begin 3de eeuw), waarvan de meeste Romeinse brandgraven bevatten, met een dichte concentratie aan de heerbaan Bavai-Keulen, de villae en de sporen van de Romeinse kadasterindeling (de centuriatio of limitatio) die overal in de streek zijn teruggevonden. Tijdens de regering van Claudius (41-45) wordt de weg Bavai-Keulen van een stenen bedekking voorzien.

Atuatuca Tungrorum is ondertussen uitgegroeid tot het belangrijkste stedelijke centrum van Noord-Gallië, waarvan het zeer ruime areaal begin 2de eeuw van een omwalling wordt voorzien, waarvan aanzienlijke resten bewaard bleven. In het midden der 3de eeuw wordt door de toenemende druk van de Germanen op de Rijngrens een periode van onrust ingeluid, waarbij vele bewoners hun domeinen verlaten om hun toevlucht in veiliger oorden te zoeken. In 257 en 275-276 trekken de Franken voor de eerste maal de Rijn over en trekken plunderend door de streek. De regering van Diocletianus (284-305) herstelt de stabiliteit.

Inmiddels is de christianisatie van het gebied begonnen. Sint-Maternus, de eerste vermelde missionaris in de Civitas Tungrorum, bisschop van Trier, zou zijn bisdom verdeeld hebben: Tongeren en Keulen zijn nu elk een bisdom, naast Trier. De eerste bisschop van Tongeren waarover historische zekerheid bestaat is Sint-Servatius; hij draagt de titel Episcopus Tungrorum en bestuurt een bisdom dat met de Civitas Tungrorum samenvalt; hij sterft vermoedelijk in 384 te Maastricht. Waarschijnlijk brengt hij de bisschopszetel naar Maastricht, hoewel de titel Episcopus Tungrorum tot in de vroege middeleeuwen gehandhaafd blijft.

Het midden der 4de eeuw luidt een nieuwe periode van Frankische invallen in, die zich in de loop van de eeuw in de streek vestigen. De heersende onrust weerspiegelt zich in het opnieuw omwallen van Tongeren, waarbij een veel kleiner gebied wordt afgebakend; deze omwalling heeft thans geen juridisch-administratief karakter meer, zoals die der 2de eeuw, doch een duidelijke defensieve functie.

Na het wegtrekken van de troepen aan de Rijn breekt een duistere periode aan in de geschiedenis van het gebied. In Tongeren blijft na het vertrek van de bisschop waarschijnlijk alleen een lagere clerus achter die een zekere continuïteit in het bestaan van de stad verzekert, hoewel het christendom op het platteland opnieuw volledig verdwijnt. De Franken vestigen zich vermoedelijk niet in de stad, maar nemen de omliggende domeinen in bezit.

Het bestudeerde gebied ressorteert onder de Frankische Haspengouw, een gouw van Austrasië, en de Luikergouw, het stamgebied der Pepiniden. De kern van het Frankenrijk wordt van Parijs naar het Rijn-Maasgebied verlegd met als centra Aken, Herstal en Nijmegen. Voor het besproken gebied betekent dit een vroege betrokkenheid bij de culturele heropleving van de Karolingische periode. Ondertussen wordt de streek opnieuw gechristianiseerd; hoewel de christengemeenschap van Tongeren waarschijnlijk steeds is blijven bestaan zijn het nu de nieuw gestichte abdijen van Wintershoven, Sint-Truiden en Munsterbilzen die de kerstening van de streek aanvatten, eerstgenoemde voor Haspengouw, de laatste twee voor het noorden (Taxandrië).

Sint-Lambertus, bisschop van de Tungri, doch verblijvend te Maastricht bouwt een oratorium op de plaats waar zijn voorganger vermoord werd; hier ligt het ontstaan van de stad Luik; Lambertus wordt in zijn villa te Luik vermoord. Zijn opvolger Hubertus (705-727) vestigt de bisschopszetel in 718 definitief te Luik. Waarschijnlijk schenkt Pepijn de Korte vóór 768 Tongeren, dat tot het domein der Pepiniden behoorde, aan de kerk van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Lambertus te Luik. Doch niet alleen het verlies van de bisschopszetel was de oorzaak van de achteruitgang van Tongeren. Hoewel de grote heerbanen nooit volledig in onbruik raakten verloren ze toch zoveel van hun belang, dat thans de Maas de belangrijkste verkeersader wordt; hierdoor winnen Maastricht en Luik snel aan belang; eerst genoemde ontwikkelt zich dan ook reeds in de 8ste en 9de eeuw, evenals Dinant, Namen en Huy tot handelscentrum.

In 834 ingedeeld bij Lotharingen komt Luik onder Otto I definitief bij het Duitse Rijk. De keizer verleent in 980 de immuniteit aan bisschop Notger (972-1008) in zijn bisdom; de prins-bisschoppen van Luik zijn thans, als wereldlijke vorsten in hun gebied, vazallen van de keizer van het Heilige Roomse Rijk.

De Maas ontwikkelt zich als een zeer vroege handelsweg; reeds in 991 en 1002 worden handelaars uit Luik en Huy gesignaleerd in Londen en Genua, terwijl er belangrijke handelscontacten zijn met Keulen en van daaruit met Midden-Europa. Deze gunstige ligging is de oorzaak van de vroege bloei van de streek, en van de vroege urbanisatie: Huy is de eerste stad in het westen waarvan men weet dat ze een charter ontving (1066). Deze periode (tweede helft 10de eeuw-11de eeuw), de Ottoonse renaissance, was voor het land van Luik een periode van geweldige culturele bloei en uitstraling.

Ten noorden van het prinsbisdom ontwikkelt zich het graafschap Loon; de omstandigheden van de stichting (circa 1000) zijn vrij duister. De basis van het grondgebied wordt gevormd door drie Frankische gouwen: de Maasgouw, op de linkeroever van de Maas, het noordelijke gedeelte van Haspengouw, en west-Toxandrië. Ook de Loonse graven waren vazallen van de Duitse keizer. De grens tussen het graafschap Loon en het prinsbisdom Luik loopt dwars doorheen het besproken gebied, van oost naar west. Luiks waren Berg, Diets-Heur, Henis, Kanne, Lauw, Neerrepen, Piringen, Riksingen, Tongeren, Vreren en Widooie. Loons waren Genoelselderen, Herderen, 's-Herenelderen, Mal, Membruggen, Millen, Overrepen, Riemst, Val-Meer en Zichen-Zussen-Bolder.

Vlijtingen, Koninksem en Sluizen behoorden tot de elf zogenaamde Banken van Sint-Servaas, vrije rijksheerlijkheden, door de Duitse keizer aan het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht geschonken; de hertog van Brabant was voogd over deze gebieden (na de verovering van Maastricht in 1632 door Fredrik Hendrik van Nassau maken de Verenigde Provinciën aanspraak op deze gebieden, aanspraak die door het verdrag van Fontainebleau in 1785 wordt bekrachtigd). Nerem en Rutten waren oorspronkelijk Brabantse enclaven, waarop na de verovering van Maastricht in 1632 zowel Spanje als de Verenigde Provinciën aanspraak maakten, en die eveneens door het Verdrag van Fontainebleau aan de Verenigde Provinciën worden toegekend.

Vroenhoven behoorde tot het graafschap Vroenhof en werd in 1206 samen met Maastricht door de graaf van Loon afgestaan aan de hertog van Brabant; in 1632 valt het toe aan de Verenigde Provinciën.

De groei der steden in het graafschap Loon komt in tegenstelling tot het Luikse gebied zeer traag op gang, mogelijk een gevolg van de beperkte afzetgebieden waarover het graafschap beschikte, het gebrek aan internationale verkeersaders en de concurrentie van de veel belangrijker centra in het noorden van het prinsbisdom, met name Tongeren en Sint-Truiden.

De graven van Loon slagen er niet in een duurzame machtspositie te verwerven tussen hun machtige buren, de prins-bisschop van Luik in het zuiden en de hertog van Brabant in het westen. Aanvankelijk is het verweer van Loon vooral op Luik gericht; getuige hiervan is de burchtengordel die in de 12de eeuw aan de zuidgrens wordt gelegd (burchten van Kolmont, Brustem, Montenaken), en de sterke verdediging van de Maasvallei (burchten van Maaseik en Stokkem). Gedreven echter door de toenemende druk van de Brabantse expansiedrang naar het oosten doet Gerard I reeds tussen 1182 en 1190 voor zijn graafschap manschap aan de prins-bisschop. Gesteund door Luik kan Loon een annexatie door Brabant verhinderen: in 1213 verslaan Loon en Luik Hendrik I, de hertog van Brabant te Steps bij Montenaken. Dit conflict is van grote invloed voor de ontwikkeling van de stad Tongeren, die kort hierop begint met de bouw van haar stadsomwalling, waarvan aanzienlijke resten, onder meer de 13de-, 14de-eeuwse Moerenpoort, bewaard bleven.

De Investituurstrijd verzwakt de band tussen de Duitse keizer en het prinsbisdom; de prins-bisschoppen gaan zich vanaf de 12de eeuw als onafhankelijke vorsten opstellen. Door de toenemende invloed van de Franse koningen wordt Luik vanaf de 14de eeuw definitief uit de Duitse invloedssfeer gehaald.

De kinderloze dood van graaf Lodewijk IV van Loon is aanleiding voor een reeks conflicten, de Loonse Successieoorlogen (1336-1366), uitlopend op de inlijving van Loon bij het prinsbisdom. Het graafschap wordt opgenomen in de bestuurlijke organisatie van het prinsbisdom. De steden worden "Bonnes Villes" van Luik. In volgorde van ouderdom in dit statuut zijn dat: Luik, Tongeren, Huy, Dinant, Ciney, Thuin, Fosses, Couvin, Chatelet, Sint-Truiden, Visé, Waremme, Borgloon, Hasselt, Maaseik, Bilzen, Beringen, Herk-de-Stad, Bree, Stokkem, Hamont, Peer en Verviers. Traditioneel worden hierbij ook Maastricht en Bouillon gevoegd die dit statuut strikt genomen niet bezaten. Het statuut van "Bonne Ville" verleende het recht van vertegenwoordiging in de "Tiers Etat"; sinds de vrede van Fexhe (1316) immers werd de wetgevende macht gezamenlijk uitgeoefend door de prins-bisschop en de "Sens du Pays", de Drie Staten. Het was deze aanzienlijke vergroting van hun politieke macht die de Loonse steden van meet af aan gunstig deden staan tegenover de Luikse annexatie. Het statuut gaf ook het recht tot het bouwen van een stadswal. In dé steden werd Luiks recht gesproken, op het platteland bleef in de oorspronkelijke Loonse gebieden het Loons recht gehandhaafd; ook de leenzaal van Kuringen, en de oppergerechtshoven van Vliermaal en Eik, Loonse instellingen, bleven behouden. Het opperste hof is het keizerlijke hof, dat bevoegd was zowel voor Loon als voor Luik.

Tongeren groepeert reeds vroeg de twaalf omliggende dorpen in een Vrijheid, waarvan de inwoners van hetzelfde Luikse recht genieten als de burgers van de stad.

De 14de eeuw wordt gekenmerkt door de conflicten tussen de ambachten en de grote families, later tussen de ambachten en prins-bisschoppen Adolphe (1313-1344) en Englebert de La Marck (1345-1364), die resulteren in de politieke machtspositie der ambachten. De slopende strijd tussen de adellijke geslachten Awans en Waroux (1297-1335), die de adel van Haspengouw en Condroz decimeerde en haar positie sterk verzwakte, was één der factoren die bijdroegen tot de uiteindelijke triomf van het gildewezen.

De telkens hernieuwde strijd voor de democratische rechten tegen de prerogatieven van elke nieuwe prins-bisschop bepaalt de loop der geschiedenis in de 15de eeuw; het conflict krijgt nu echter de dimensie van een nationale strijd: de prins-bisschoppen (Jean de Bavière, 1390-1417; Jean de Heinsberg, 1419-1455; Louis de Bourbon, 1456-1482) richten zich meer en meer tot de Bourgondische hertogen voor hulp, terwijl het volk een natuurlijke bondgenoot vindt in de Franse koning, vijand van Bourgondië.

In de vlakte van Othée worden de stedelijke milities na een bloedig treffen door de Bourgondiërs en Henegouwers onder Jan zonder Vrees verslagen (1408). De expansiepolitiek van Filips de Goede brengt de Bourgondiërs aan de grenzen van het prinsbisdom; de hertog laat zijn neef, Louis de Bourbon tot prins-bisschop verkiezen. Hij wordt door de Staten afgezet; hierop trekken de Bourgondiërs Luik binnen, en de steden worden verslagen te Montenaken (1465); Luik wordt gedegradeerd tot Bourgondisch protectoraat. Bij de dood van Filips de Goede, en gesteund door een akkoord met Lodewijk XI komt Luik opnieuw tegen Louis de Bourbon in opstand. De stedelijke milities vallen het oprukkende Bourgondische leger aan te Brustem (1467) doch worden verslagen. Karel de Stoute laat de grote steden ontmantelen en schaft alle privileges af. Nog eenmaal komt Luik in opstand; de stad wordt ingenomen en met de grond gelijk gemaakt (1468). De dood van Karel de Stoute maakt een eind aan de Bourgondische overheersing; Maria van Bourgondië schenkt de steden hun privileges terug.

Het einde der 15de eeuw wordt beheerst door het conflict tussen de machtige familie de La Marck, gesteund door de Franse koning, en de prins-bisschoppen Louis de Bourbon en Jean de Horne (1483-1505), met aan hun zijde Maximiliaan van Oostenrijk, een conflict dat uitgroeit tot een ware burgeroorlog.

Hoewel bisschop Erard de La Marck (1506-1538) zich gedwongen voelt met Karel V het verdrag van Sint-Truiden te sluiten, behoudt het prinsbisdom zijn zelfstandigheid in het Habsburgse rijk en poogt tussen Frankrijk en de Duitse keizer een neutraliteitspolitiek te voeren. In de nieuwe indeling van het Duitse rijk vormt Luik, dat bij de Wetsfaalse Kreits wordt ingedeeld de grens met de Bourgondische Kreits, waartoe de Nederlanden behoren.

Het begin der 16de eeuw is voor het land een periode van herstel en bloei; terwijl Haspengouw zijn traditionele agrarische functie behoudt ontwikkelen zich te Verviers de lakennijverheid en te Luik de steenkool- en staalnijverheid, die van de streek één der eerste geïndustrialiseerde gebied,en van Europa zullen maken.

De Hervorming verstoort het Land van Luik niet; in slechts enkele steden (onder meer Hasselt, Maaseik en Maastricht) vinden de calvinisten gehoor. De repressie is zeer mild, een tolerantie mede ingegeven door de handelsbetrekkingen met de Verenigde Provinciën. In 1568 trekt Willem van Oranje met zijn troepen door het land, in 1579 verovert Farnese Maastricht, dat in 1632 door Frederik Hendrik van Nassau heroverd wordt en door de Vrede van Munster in 1648 definitief aan de Verenigde Provinciën wordt geschonken. De neutraliteitspolitiek onder bisschop Gérard de Groesbeck (1564-1580) behoedt het land voor de oorlogen die deze periode in de Nederlanden kenmerken.

Na een korte inzinking als gevolg van deze internationale conflicten weten de industrie en de handel zich op het einde der 16de- begin der 17de eeuw weer volledig te herstellen, onder invloed van de nieuwe technologieën en van de neutraliteitspolitiek die een voordelige handel met alle oorlogvoerende partijen mogelijk maakt, op een ogenblik dat Antwerpen door de sluiting van de Schelde gedeeltelijk uitgeschakeld is. Het ontstaan van een aantal grote fortuinen en een welstellende burgerij is hiervan het gevolg.

Met de troonsbestijging van Ernest de Bavière (1581-1612) wordt een nieuwe periode ingeluid. Gedurend 142 jaar zal de bisschopszetel in bezit zijn van de familie van Beieren (Ferdinand, 1612-1650; Maximilien-Henri, 1650-1688; Joseph-Clément, 1694-1723), die door hun lange verblijven in het buitenland en hun cumulatie van diverse functies vervreemd raken van hun onderdanen. Hun absolutistische tendensen brengen hen in conflict met de democratische krachten in de steden; de welgestelde burgerij neemt door het Reglement van 1684 de plaats van de ambachten in het bestuur in. De steun van de Beierse bisschoppen aan Lodewijk XIV betrekt het land in diens conflicten met de Verenigde Provinciën en opent het voor doortrekkende en plunderende troepen, met de daarbij gepaard gaande inkwartieringen en opeisingen bij de aanhoudende strijd om het bezit van de Maasovergangen. In 1677 wordt Tongeren door de Franse troepen in brand gestoken.

Aan de gunstige condities die het eind der 16de en de eerste helft der 17de eeuw kenmerkten, wordt door het oorlogsgeweld een einde gemaakt. Aanvankelijk vooral tot het platteland beperkt, worden vanaf het midden der 17de eeuw ook de steden getroffen. Er komt een einde aan de snelle industriële ontwikkeling, en in de 18de eeuw wordt Luik op dit gebied door Engeland overvleugeld.

De eerste helft der 18de eeuw is een periode van rust, waaraan door de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) een einde wordt gemaakt. De Franse troepen van Lodewijk XV vallen onder leiding van de koning en maarschalk Maurice de Saxe het land binnen; zij verslaan de geallieerden in 1746 te Roccourt, en in 1747 te Lafelt (Vlijtingen).

De culturele band die met Frankrijk ontstaan was, en het episcopaat van Francois-Charles de Velbrück (1772-1784), die door zijn actieve steun de ideeën van de Verlichting toegang deed vinden in Luik, maken het volk ontvankelijk voor de revolutionaire ideeën. De Luikse Omwenteling van 1789 wordt door de drie Staten en in het hele land gunstig onthaald. De eed der priesters verwekt hier niet de fanatieke reactie die in de Kempen het ontstaan aan de Boerenkrijg gaf. In 1795 wordt het land van Luik bij Frankrijk ingelijfd; de verdeling in departementen maakt de scheiding tussen Luik en het latere Limburg definitief. Het bestudeerde gebied ressorteert nu onder het departement van de Nedermaas, met Maastricht als hoofdstad. Na inlijving bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden worden aan dit departement gedeelten van het departement van de Roer gevoegd. Willem I geeft de naam Limburg aan dit gebied, opdat de naam van het gelijknamige hertogdom aan de Vesder niet zou verloren gaan.

Na de Belgische Onafhankelijkheid wordt het provinciaal bestuur te Hasselt gevestigd. In 1839 wordt de provincie tussen België en Nederland verdeeld (verdrag van Londen), waarbij de Maas als natuurlijke grens fungeert, behalve voor de enclave Maastricht. Ook in de 19de en 20ste eeuw behoudt het gebied haar vrijwel ongewijzigde agrarische bestaanswijze. De enige ingreep die een wijziging in het uitzicht aanbrengt is de aanleg van het Albertkanaal (1930-1939), dat het Luikse industriebekken met de Antwerpse haven verbond. Het kanaal had tevens een militaire betekenis, waarbij het fort van Eben-Emael en de om de 600 meter opgestelde geschutstanden (zie de nog bestaande bunker bij de brug van Vroenhoven) een stelling vormden vóór de verdedigingslinie Antwerpen-Namen. Deze linie speelt een zeer betrekkelijke rol tijdens de Achttiendaagse Veldtocht, waarbij het fort van Eben-Emael en de Maasovergangen op 10 mei 1940 in Duitse handen vallen. De kerken van Vroenhoven en Herderen, en de kapel van Kanne lijden oorlogsschade.

In de tweede helft der 19de en in de loop van deze eeuw vinden de archeologische opgravingscampagnes plaats, die geleidelijk aan het belangrijke Romeinse verleden van Tongeren en de streek aan het licht brengen, waarbij aanvankelijk vooral het werk van het in 1851 opgericht Koninklijk Limburgs Geschieden Oudheidkundig Genootschap dient onderlijnd te worden; dit genootschap vormde de aanzet voor wat later het Gallo-Romeins Museum zou worden.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Zoals hoger vermeld ontstaat het bisdom Tongeren in de 4de eeuw na afsplitsing van het bisdom Trier. De zetel van het bisdom wordt nog in dezelfde eeuw van Tongeren naar Maastricht overgebracht, vanwaar Sint-Hubertus hem in de 8ste eeuw naar Luik brengt. De christianisatie was na de Frankische invallen verloren gegaan, behalve waarschijnlijk in de beperkte kring van lagere clerus, na het vertrek van de bisschop in Tongeren achtergebleven, en in de onmiddellijke omgeving van de bisschop.

De herkerstening van het gebied gebeurt vanuit Luik en de in de 7de eeuw gestichte abdij van Wintershoven, die, in plaats van Tongeren het centrum van cultuur en evangelisatie in Haspengouw wordt, een rol die voor het noorden (Kempen) door de later gestichte abdijen van Sint-Truiden en Munsterbilzen zal vervuld worden. Na Notger (972-1008) wordt het diocees georganiseerd in acht aartsdekenijen; het bestudeerde gebied valt volledig onder de aartsdekenij Haspengouw. Deze aartsdekenijen worden op hun beurt verdeeld in dekenijen, in het bisdom Luik "concilia" genaamd. De parochies rondom Tongeren behoren tot het concilium Tongeren, het grootste gedeelte van die van de huidige gemeente Riemst tot het concilium Maastricht. Na 1700 gaan Rutten met Herstappe en Lauw, en Vreren met Diets-Heur en Nerem over naar de dekenij Villers-L'Evêque.

In de 8ste eeuw wordt ook de organisatie van het gebied in parochies doorgevoerd. De stichtingen van deze parochies waren voornamelijk initiatieven van de Tongerse clerus en de bisschop van Luik. De primitieve Tongerse parochie omvatte de stedelijke Onze-Lieve-Vrouwekerk, Sint-Janskerk en de thans verdwenen Sint-Niklaaskerk, de kerken of kapellen van Offelken, Muiken, Piringen, Riksingen, Henis, Widooie, en de stichtingen Mal en Nerem, die van jongere datum zijn; Berg was waarschijnlijk een oorspronkelijk zelfstandige parochie waarvan in 1261 's-Herenelderen wordt afgescheiden.

Het monasterium van Sint-Servaas te Maastricht richtte in haar bezittingen tijdens de Karolingische periode eveneens parochies op: in het besproken gebied zijn dit de parochies Koninksem, Sluizen en Vlijtingen. De kerk van Rutten was waarschijnlijk een stichting van de grondheer, doch behoorde reeds vroeg toe aan de abdij van Selingenstadt, waarschijnlijk door schenking van Karel de Vrome; deze abdij ruilde dit bezit in 1018 voor een ander met de abdij van Burtscheid bij Aken; zij sticht te Rutten een kapittel van kanunniken. Rutten was moederkerk van Herstappe, Hamal en waarschijnlijk ook van Lauw.

Vreren, met haar dochterkerken Nerem en Diets-Heur was een eigenkerk van de Luikse bisschop, later geschonken aan het Sint-Kruiskapittel van Luik, evenals Millen met haar kwartkapellen Val en Meer, en Kanne, aan de kapittelkerk van Sint-Martinus te Luik overgemaakt.

De kerken van Membruggen, Genoelselderen.en Neerrepen ontstonden als eigenkerken van de plaatselijke heer. Ook de stichting van de kerk van Riemst, met dochterkerk Herderen, en die van de kerk van Vroenhoven, behorend tot de parochie Wylre bij Maastricht, dateren uit de Karolingische periode. Vanaf 1967 ressorteert het gebied onder het nieuw opgerichte bisdom Hasselt.

De vroege kerstening en organisatie van het diocees heeft belangrijke consequenties voor het gebouwenpatrimonium. De waarschijnlijk grotendeels houten bedehuizen uit de vroegste periode worden vanaf de 10de eeuw, maar vooral in de 11de en 12de eeuw in vrijwel alle besproken parochies door een stenen kerk in romaanse stijl vervangen. Aan vrijwel alle hier besproken gebouwen gaat een romaans gebouw vooraf, waarvan de resten soms in mindere of meerdere mate in het huidige gebouw behouden bleven. De oudste sporen zijn de door opgravingen aan het licht gebrachte resten van een 4de-eeuwse rechthoekige zaalbouw met absis onder de middenbeuk en kruising van de Tongerse Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, waarvan de identificatie als de eerste bisschopskerk van Sint-Servatius niet is uitgesloten; van de Karolingische en/of Ottoonse Onze-Lieve-Vrouwekerk bleven geen sporen bewaard. Vanaf circa 1100 werd aangevangen met de bouw van de romaanse kerk, waarvan alleen resten in het aanpalende claustrum bewaard bleven. De kerk van Berg heeft de middenbeuk, de onderbouw van het transept, het portaal en de silex onderbouw van de toren uit de 11de-12de eeuw, de kerk van Sluizen behield de toren en vrijwel het volledige koor uit de 12de-13de eeuw; de kerken van Riksingen, Rutten, Henis en Overrepen behielden hun oorspronkelijke toren: die van Riksingen met romaanse onderbouw uit de 11de eeuw, die van Rutten in romaanse stijl uit de 12de eeuw, die van Henis en Overrepen uit de 13de eeuw in overgangsstijl; ook in de kerken van Muiken en Vreren en in de kapel van Offelken bleven resten van het primitieve romaanse gebouw bewaard; van de kerk van Riksingen werd de wijdingssteen van 1036 teruggevonden.

Deze gebouwen kenmerkt het gebruik van silex, waarin - voor de oudste voorbeelden - Romeins materiaal verwerkt is; de overgang naar de gotiek wordt gemarkeerd door een toenemende aanwending van mergelsteen. De bewaarde fragmenten wijzen op vrij ruime, driebeukige constructies voorzien van gesloten, vierkante westtorens. De omvang van de gebouwen, evenals de in vele kerken bewaarde romaanse doopvonten wijzen alle in de richting van hetzelfde cultuurhistorische fenomeen, namelijk de bloei en uitstraling van het het Maaslandse gebied in de 10de, 11de en 12de eeuw.

Een consequentie van deze vroege bloei is, dat wanneer de gotiek de vormentaal van de kerkelijke bouwkunst gaat beheersen, zich in dit gedeelte van Haspengouw nog nergens de noodzaak laat voelen de bestaande, voldoende ruime gebouwen te vervangen door nieuwe, in de nieuwe stijl. De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Tongeren vormt hierop een uitzondering, daar zij bij de verwoesting van 1213 zo zwaar beschadigd was, dat nieuwbouw zich opdrong. Van 1240 tot 1541 wordt aan de gotische kerk gebouwd.

Hoewel voldoende materiaal ontbreekt om met zekerheid de evolutie te volgen, mag verondersteld worden dat de gotische stijlvormen voornamelijk gebruikt worden voor die delen van de gebouwen, die omwille van bouwfysische redenen niet meer voldeden. Hierdoor zouden de vrij veelvuldig voorkomende gotische torens verklaard worden, waarvan door 19de-eeuwse vervanging van het schip meestal echter niet kan nagegaan worden of er een gotisch of romaans schip aan beantwoordde. Al deze torens, evenals de uitzonderlijk volledig behouden, landelijke kerken ('s-Herenelderen, 15de eeuw; Val-Meer, Sint-Severinus, 1611) vertonen de volgende voor Limburg typerende kenmerken: kleine afmetingen, enigszins gedrongen verhoudingen, gebruik van mergelsteen, en blinde westtorens.

De gotische Onze-Lieve-Vrouwebasiliek staat los van elk streekeigen particularisme: de oudste delen uit de 13de eeuw vertonen Normandische en Bourgondische kenmerken in de zware, ronde zuilen, de kapitelen, de ingewikkelde profileringen en de venstergang; de oorspronkelijke vlakke koorsluiting, een kenmerk der Maasgotische stijl, werd in de 14de eeuw vervangen door een veelzijdige sluiting, met vrijwel volledig beglazing, aansluitend bij de Franse internationale stijl.

Ook de begijnhofkerk Sint-Catharina van Tongeren behoort tot de gotiek, waarbij de vroeg-gotische gedeelten (begin 13 de eeuw) zich door het gebruik van silex van de overige, mergelstenen gedeelten onderscheiden.

De slechte toestand waarin deze voor het grootste deel dus nog romaanse gebouwen zich eind 17de en 18de eeuw bevinden wordt door vele visitatieverslagen voldoende belicht. De kerken van Genoelselderen en Muiken worden eind 17de, begin 18de eeuw reeds heropgebouwd, in een hybride stijl die moeilijk als barok kan bestempeld worden, doch eerder aansluit bij de burgerlijke bouwkunst van het ogenblik, door het gebruik van baksteen, afgewerkt met kalkstenen hoekbanden en vensteromlijstingen, en een mergelstenen kroonlijst op ojiefvormige consoles, en soms nog een aantal vereenvoudigde renaissance-elementen vertoont (Genoelselderen). Ook de toren van de Sint-Janskerk te Tongeren, hoewel ouder (1615), leunt door zijn decoratie sterk aan bij de vroege Maasstijl der burgerlijke architectuur. De interieurs zijn bepleisterd en vertonen het voortleven van een groot aantal gotische elementen (onder meer de kruisribgewelven). De gotische gewelven van de begijnhofkerk van Tongeren worden in deze periode van barok stucwerk en profilering voorzien.

De oorlogen van het einde der 17de en de eerste helft der 18de eeuw versnellen het verval van de romaanse kerkgebouwen; waarschijnlijk stelt de Franse bezetting de herbouw van een aantal kerken uit. Reeds in 1773 wordt de bouwvallige kerk van Ham al afgebroken; in 1818 verdwijnt de romaanse Sint-Niklaaskerk te Tongeren. Toch wordt nog in 1779 de merkwaardige classicistische kerk van Vreren gebouwd.

Het midden der 19de eeuw vertoont dan ook een grote bouwactiviteit, waarbij de afscheiding van een filiaalkerk van de moederkerk en de hiermee samenhangend oprichting van een zelfstandige parochie, zoals in het bestudeerde gebied in de eerste helft der eeuw vaak het geval was, waarschijnlijk eveneens een rol gespeeld heeft.

De eerste periode wordt gekenmerkt door het neoclassicisme; zij komt voor rond het midden der eeuw (Rutten, 1844; Widooie, 1845, Dumont/Suys; Sint-Stefanuskerk van Val-Meer, 1846; Vlijtingen, 1846-1847; Diets-Heur, 1850; Koninksem, 1852, Dumont; Riksingen, 1856). Meestal gaat het hier om zeer sobere, bakstenen gebouwen, met als typische opstand voor het interieur: een rondboogarcade op een zuilenrij, en een tongewelf. Wanneer de oorspronkelijke gesloten romaanse of gotische toren behouden bleef, wordt deze thans opengewerkt door het aanbrengen van een westportaal in de stijl van het nieuwe gebouw.

In dezelfde periode doet ook de neogotiek haar intrede in het bestudeerde gebied, aanvankelijk met een beperkt aantal voorbeelden (Mal, 1845-1846, Dumont; Herderen, 1848), doch voornamelijk in de tweede helft van de eeuw (Zussen, 1852; Millen, 1861, H. Jaminé; Lauw, het meest imposante voorbeeld, 1866-1871; Herstappe, 1869, H. Jaminé; Riemst, 1908, Geens). In deze latere periode is het neoromaans, naast de neogotiek vrijwel even sterk vertegenwoordigd; de oudste voorbeelden van deze stijl dateren echter van na het midden van de eeuw (Henis, 1856-1858; Membruggen, 1872, Vanden Boorn; Nerem, 1876, Castermans; de Sint-Janskerk te Tongeren, 1888, Christiaens; Neerrepen, 1909, Christiaens). De meeste van deze kerken, behalve die van Koninksem, Lauw en Nerem werden op dezelfde plaats als de oorspronkelijke gebouwd.

Hier dienen tevens twee belangrijke restauraties vermeld, met name die van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (vanaf 1846, Dumont), die in niet onbelangrijke mate bepalend was voor het huidige uitzicht van het gebouw, en de restauratie (1865-1870, H. Jaminé) van de romaanse kerk van Sluizen.

De kerken van deze eeuw vallen uiteen in twee groepen: de oudste werden vóór de Tweede Wereldoorlog gebouwd ter vervanging van een bestaand gebouw (Vroenhoven, 1936-1937, Deré; Kanne, 1938, Klinkers en Piringen, 1940-1941, Deré, beide met behoud van de bestaande toren), behalve de Sint-Jozefskerk (circa 1930) die aansluit bij de stadsuitbreiding Nieuw-Tongeren. Hierbij valt het onderscheid op tussen de moderne, eigentijdse vormgeving van het interieur van de kerk van Kanne, en de traditionele bouwtrant van die van Vroenhoven.

De tweede groep omvat de kerken, horende bij de stadsuitbreidingen van Tongeren na de Tweede Wereldoorlog (de indrukwekkende Sint-Lutgardiskerk in vroeg-christelijke stijl, 1949, Ritzen; Sint-Gillis, 1967, Ulrix; Sint-Maternus, 1970-1971, Ulrix).

Het bestudeerde gebied bezit een aantal grote bedevaartkapellen, waarvan de oudste de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën te Vreren (1669), is. Voorts komt een aantal belangrijke barokkapellen voor, waarvan de interessantste ongetwijfeld de Heilig-Grafkapel van Kanne is (1714); ook de Sint-Hubertuskapel van Offelken (1729) behoort tot deze periode; laatstgenoemde bezit een 12de-eeuwse romaanse kern; de kapel van Ketsingen werd omgevormd tot woning. De oude Sint-Evermaruskapel van Rutten werd in 1784 heropgebouwd; het gebruik van silex als bouwmateriaal wijst mogelijk op een hergebruik van materialen van de oorspronkelijke kapel.

Een aantal wegkapellen komt over het hele gebied voor; meestal gaat het hier om sobere gebouwen van baksteen, vierkant onder zadeldakje, en al dan niet voorzien van voorportaal en absis, daterend uit de tweede helft der 19de en het begin der 20ste eeuw. Enkele sluiten qua stijl aan bij de neogotiek (Herderen, Heneberg, 1908; Muien, Ringboomstraat; Rukkelingenweg, 1883), de Sint-Antoniuskapel van Nerem is naar analogie met de kerk gebouwd in neoromaanse stijl. Een paar van deze eenvoudige kapellen zij n ouder; de merkwaardige, doch zwaar gehavende Sint-Apolloniakapel van Genoelselderen draagt de datering 1700, de kapel van Klein-Mal is gedateerd 1737.

Van de kloosters, waarvan een vrij groot aantal in Tongeren geconcentreerd waren (agnetenklooster en Sint-Claraklooster, 15de eeuw; jezuïeten, celestijnen, minderbroeders, predikheren, sepulchrijnenengrauwzusters, 17de eeuw), bleef na de Franse Revolutie vrijwel niets bewaard. Alleen van het agnetenklooster, gesticht begin 15de eeuw, met een merkwaardige, laat-gotische vleugel van mergelsteen (1550/1570) en resten van de gotische kerk, bleven belangrijke resten bewaard. De resten van het midden 19de-eeuwse clarissenklooster verdwenen in 1988, en van het predikherenklooster, gesticht in 1634, bleven fragmenten bewaard in het huis nr. 13 van de Predikherenstraat. Wat betreft de 19de eeuw dienen het neogotische klooster van Valmeer vermeldt (1856) en het kloosterpensionaat van de Dames Benedictinessen in de Sint-Jansstraat (1872).

Belangrijker is het begijnhof van Tongeren. Oorspronkelijk buiten de wallen gelegen werd het in 1257 intra muros overgebracht. Het is een typisch straatbegijnhof, hoewel het gesloten karakter na de Franse Revolutie verloren ging. Daar het bij de grote brand van 1677 vrijwel volledig gespaard bleef biedt het de oudste voorbeelden van woningbouw in Tongeren, daterend van begin 17de tot de eerste helft der 18de eeuw. De gotische begijnhofkerk werd voorzien van een barok gewelf. Een ander opmerkelijk element is de infirmerie met aansluitend de barokke Sint-Ursulakapel.

De privatisering bracht ondanks plaatselijke aanpassingen geen ingrijpende verstoring in de oorspronkelijke structuur.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Algemene kenmerken

De sterke culturele band van Limburg met Luik laat zich uit de historische gegevens voldoende verklaren, en manifesteert zich dan ook uitgesproken in de materiële resten van het cultuurpatrimonium. De richtinggevende culturele rol van Luik kan moeilijk overschat worden. We mogen zonder overdrijving stellen dat de verschillende stijlstromingen via hun Luikse interpretaties in de Limburgse gebouwen nagevolgd werden. In die zin bakent het Luikse grondgebied zich op architecturaal vlak af van de omliggende streken. Pas in de 19de eeuw lost de hechte band met Luik op in navolging van de internationale stijlstromingen van dat ogenblik.

De periode vóór circa 1400 wordt gedomineerd door de houtbouw, en dit zowel in de privé-architectuur als in de openbare gebouwen en de landelijke architectuur. De enige uitzondering vormen de burchten en versterkte herenhuizen der edelen, waarvan uit deze vroege voorbeelden alleen voorbeelden op het land bewaard bleven. Voor de romaanse periode schijnt, voor zover enige definitieve conclusie uit de schaarse voorbeelden mag getrokken worden, het gebruik van silex overwegend (donjon van het kasteel van Hamal, Rutten; burcht van Muiken; oudste gedeelten van de burcht van Kolmont). Later domineert de mergelsteen (Rutten, torenburcht; Millen, kasteel, 14de eeuw; het laat-gotische herenhuis dat de oude kern vormt van het kasteel van 's-Herenelderen). De dikke muren hadden oorspronkelijk slechts kleine vensters, dikwijls onder mijtervormige latei, en spleetvormige schietgaten.

De vakwerkbouw toont de evolutie van het woonhuis, vanaf de primitieve, onverdeelde ruimte, naar de geleidelijke splitsing in vertrekken, zowel op horizontaal niveau als naar boven en beneden toe, beantwoordend aan de verschillende woonbehoeften, die geleidelijk aan duidelijker onderkend worden. Deze splitsing was geenszins systematisch; pas vanaf de 17de eeuw is er sprake van een systematische ordening van de functies.

Een vakwerkbouw is in essentie een houten skelet, bestaande uit een aantal achter elkaar geplaatste gebinten: een samenstel van verticale stijlen en horizontale balken, verstijfd door middel van schuingeplaatste schoren. De gebinten worden verbonden door balken, die er overheen gelegd worden, de gebintplaten. Het houten skelet vormt de dragende constructie voor het dak, gevormd door een reeks kapgebinten. Het wordt aanvankelijk in of op de grond geplaatst, later op een stenen fundering als bescherming tegen opstijgend vocht. De meeste stedelijke vakwerkhuizen hebben overwelfde kelders, meestal van mergelsteen, waarvan de ingang oorspronkelijk niet binnenshuis, maar op de straat uitkwam. Bij meerdere verdiepingen wordt het raamschema boven elkaar herhaald, in de middeleeuwen en tot in de 17de eeuw vrijwel steeds met gebruik van overkragingen, waarbij de moerbalken uitsteken ten opzichte van het wandvlak, en de bovenliggende verdieping uitspringt ten opzichte van de benedenliggende (Tongeren, "Dommershausen", Maastrichterstraat 26-28; "Spaans huis", Muntstraat 13). De motieven voor deze, bouwwijze zijn niet duidelijk: er werd gedacht dat het ging om een manier om ruimte bij te winnen in de in uiterst smalle percelen versnipperde middeleeuwse steden. In elk geval komen ook op het platteland, bij vrijstaande gebouwen waar deze economische behoefte niet speelt, in de regel in deze vroege periode overkragingen voor (Millen, Hof van Eggertingen). Constructief kan de overkraging de functie hebben van tegenwicht voor het doorbuigen van de moerbalk. Voorts speelde de bescherming van de gevel tegen regen zeer waarschijnlijk ook een rol. Het houten skelet, dat aan de hand van telmerken wordt opgesteld, wordt verder aangevuld met wandregels, die dienen om het met leem bestreken vlechtwerk waaruit de wanden bestaan te dragen. Deze wanden hebben geen enkele dragende functie in de constructie.

Het bestudeerde gebied vertoont een aantal regionale eigenheden. Het aanwenden van uitsluitend het ankerbalkgebint is hier één van. Deze constructiewijze, waarbij de horizontale balk aan beide einden met een pen door de stijlen steekt en daarachter met een wig verankerd is, was tot circa 1400 de gebruikelijke in de Nederlanden. Na deze periode verdwijnt zij vrijwel volledig, behalve in Limburg. De wandvullingsmethode is het zogenaamd spijkerloos vlechtwerk met zichtbare regels, waarbij de stokken, waarrond de vitsroeden gevlochten worden, in de regels bevestigd worden door middel van gaten en een gleuf, terwijl de regels zelf in het wandvlak liggen en op die manier zichtbaar blijven. Het dakgebint bestaat meestal uit twee boven elkaar geplaatste jukken met de gordingen opgelegd op de stijlen.

Het belangrijkste verschil echter met de stedelijke architectuur in Vlaanderen en de rest der Nederlanden, is in het Land van Luik de voorkeur voor het breedhuistype. Hoewel de oudste exemplaren wel diep huizen blijken te zijn ("Dommershausen", Tongeren, kern ouder dan de 15de eeuw), behoren de meeste voorbeelden tot het andere type. Ten gevolge van deze bouwwijze verdwijnen de druipstroken tussen de huizen, die bij een breedhuisopstelling overbodig zijn. Het Maaslandse straatbeeld moet dus reeds vroeg zijn typisch aaneengesloten karakter hebben gehad, dat afwijkt van het levendige gabariet der andere steden.

Het gebruik van Sint-Andrieskruisen bij de wandvulling is een ander Maaslands verschijnsel ("Spaans Huis", Tongeren; Millen, Hof van Eggertingen).

De "verstening". De overgang van de vakwerkbouw naar het stenen huis was een traag verlopend proces in verschillende stadia. De drijvende kracht erachter waren de gemeentelijke maatregelen ter bestrijding van het brandgevaar. De steden der Nederlanden vaardigden reeds in de 14de eeuw een reeks verordeningen uit die geleidelijk aan strenger werden, en de verstening van de steden aan het begin van de 18de eeuw een feit maakten. Merkwaardig is dat deze verordeningen in het Land van Luik vrij laat kwamen. De reden van dit laattijdig ingrijpen is niet duidelijk. Wel kan het een factor geweest zijn in het behoud van het vrij groot aantal voorbeelden in de Luikse steden, waar de vakwerkbouw tot op het einde der 19de eeuw nog sterk vertegenwoordigd was in het stadsbeeld. In de 17de eeuw, op het ogenblik dat overal elders in de Nederlanden de houtbouw uit het stadsbeeld verdwijnt, ontstaat in het Land van Luik een nieuwe, rijke vakwerktraditie, geïllustreerd door het huis Havart te Luik, dat nu algemeen tussen 1666 en 1688 gedateerd wordt. De meeste Limburgse voorbeelden, onder meer "Het Spaans Huis" te Tongeren en het Hof van Eggertingen te Millen, behoren tot deze heroplevingsperiode. Waarschijnlijk bleef de vakwerkbouw op het land tot vorige eeuw een veelgebruikte bouwwijze; hiervan bleven in het bestudeerde gebied slechts fragmentarische resten bewaard, meestal in de dienstgebouwen.

Het versteningsproces verloopt dus in fasen. Het stenen fundament en de harde dakbekleding hebben vermoedelijk reeds vanaf de 14de eeuw hun intrede gedaan. De strijd tegen het opstijgend vocht resulteert in vele gevallen in de volledige verstening van de benedenverdieping. In een volgend stadium worden lemen vullingen vervangen door bakstenen. De aanvang van dit proces is niet exact te achterhalen. Dit vullen met steen wijzigt het uitzicht van de gevel: de vele horizontale elementen van het houtskelet, nodig voor het dragen van het vlechtwerk, verdwijnen, evenals de Sint-Andrieskruisen. De lemen zijwanden, die het overslaan van brand naar de belendende panden veroorzaakten, worden het eerst versteend (de zogenaamde brandmuren). De houten voorgevel wordt het langst geduld, waarschijnlijk omdat hij bij het blussen het gemakkelijkst bereikbaar was. Het uit dit proces voortkomende driekwarthuis met drie versteende gevels en een voorgevel in vakwerkbouw is het meest vertrouwde in de Luikse steden.

De 16de eeuw wordt slechts door een gering aantal voorbeelden vertegenwoordigd. Het 16de-eeuwse materiaal kan grosso modo in twee groepen verdeeld worden: een eerste uit de eerste helft van de eeuw, waarin de laat-gotische traditie blijft voortleven, en een tweede, die ongeveer voorkomt in de tweede helft van de eeuw, en waarin de renaissance-invloeden zich doen gelden.

De laat-gotiek kenmerkt de eerste helft van de eeuw. De gotiek bepaalt het volume van de gebouwen: hoog en smal, en met een overwegende diephuisordonnantie onder steil zadeldak. De grote herenhuizen worden complexer van vorm. De meeste vertonen een L-vormig grondplan. Typisch hierbij is een traptoren die in de oksel van de twee vleugels wordt geplaatst. Deze traptoren wordt dikwijls hoger opgetrokken dan de daken van beide vleugels, zodat hij de functie van uitzichttoren krijgt (Munthuis, Muntstraat 25, Tongeren).

Vanaf de 16de eeuw komt de combinatie natuursteen-baksteen op. De natuursteen is in het zuiden van het Land van Luik (huidige provincie Luik) de Naamse kalksteen. De mergelsteen wordt hier spaarzaam aangewend, dit in tegenstelling tot het noorden van het prinsbisdom (de huidige provincie Limburg vrijwel in haar geheel) dat in deze periode bijna uitsluitend het gebruik van dit bouwmateriaal kent, waarschijnlijk te wijten aan de nabijheid van de mergelgroeven. De vormentaal van de laat-gotiek kenmerkt de gebouwen van deze periode. We merken als belangrijkste ornamenten in de gevels de accoladeboogvormige bekroningen, de gedrukte rondbogen en de in sterk reliëf uitgevoerde profileringen aan deuren en vensters (Tongeren, huis Dommershausen, achtergevel; oudste gedeelte van het kasteel van 's-Herenelderen).

Reeds in de eerste helft van de 16de eeuw dringen renaissance-elementen door, met als belangrijkste voorbeeld het prinsbisschoppelijk paleis te Luik, waarvan de bouw werd aangevangen in 1526. Deze elementen beperken zich echter volledig tot de decoratie, terwijl de onderliggende gotische structuur onaangeroerd blijft. Deze overgangsstijl vinden we terug in het hogervermelde Munthuis.

De tweede helft van de eeuw wordt gekenmerkt door een definitieve doorbraak van de renaissancestijl. Bij nader toezicht merkt men echter dat alleen de gotische ornamentiek verlaten wordt. In wezen verandert er weinig: qua volume, structuur en indeling leeft de laat-gotische traditie onverminderd voort. In deze periode moet de breedhuisordonnantie als kenmerkende opstelling in het land van Luik definitief de overhand hebben gekregen. In de provincie Limburg bleven op twee sterk gehavende gebouwen na (onder meer Tongeren, Onder de Linde 14) geen voorbeelden uit deze periode bewaard.

Concluderend kunnen we stellen dat de renaissancestijl en de aansluitende barok in het Luikse nooit die rijkelijk gedecoreerde, uitbundige stroming heeft gevolgd die de andere streken der zuidelijke Nederlanden kenmerkte. In deze periode begint de invloed van Frankrijk, die tot in de 19de eeuw de architectuur van Luik en haar afhankelijkheden zal bepalen, voelbaar te worden in de strakke, droge en rationalistische vormentaal, eigen aan de Franse architectuur vanaf het midden van de 16de eeuw.

De 17de eeuw wordt qua stijl met de term "Maaslandse renaissance" aangeduid. In aansluiting op de bezwaren geformuleerd in de inventaris van de stad Luik, werd in de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het arrondissement Hasselt reeds geopteerd voor de term "Maasstijl". De aan deze stijlstroming toegeschreven kenmerken laten zich reduceren tot drie duidelijke verschillen met de Brabantse traditionele stijl uit dezelfde periode: het materiaalgebruik, de opstelling en de sobere, vlakke afwerking van de gevels.

Het materiaalgebruik beperkt zich - vrij logisch - tot de steensoorten die in de Maaslandse regio aanwezig zijn: mergelsteen uit het oosten en kalksteen uit het zuiden van het gebied. Vervolgens is er de reeds vroeg uitgesproken voorkeur voor de breedhuisopstelling, die vanaf deze eeuw met uitsluiting van het andere type wordt toegepast. Door het ontbreken van de gedecoreerde geveltop geeft het Maaslandse huis de indruk veel soberder te zijn. Dit sobere uitzicht wordt versterkt door het ontbreken van diep reliëf in de gevel: er komen vrij wel geen geprofileerde lijsten voor, noch aan de vensters, noch als afwatering tussen de verdiepingen, hoewel deze profileringen in de oudere voorbeelden - de vroege 17de eeuw - gebruikelijker waren dan later. Mogelijk heeft dit te maken met de toenemende voorkeur voor het gebruik van kalksteen, die moeilijker te bewerken is.

De andere kenmerken van de "Maaslandse renaissance" vloeien uit deze eigenheden voort. Het is duidelijk dat de zijgevels, die wel van een puntgevel voorzien zijn, op de gebruikelijke wijzen worden afgewerkt met trappen en muurvlechtingen. De breedhuisopstelling brengt met zich mee dat al vroeg bijzondere aandacht besteed wordt aan de kroonlijst, die een bekronende functie krijgt. Het oudste type is de grote dakoverstek gedragen door rijk geornamenteerde houten consoles, de kroonlijst "à cymbales". Het tweede type is de mergelstenen kroonlijst op ojiefvormige consoles. Het komt vrij veel voor in combinatie met een fries van ruiten en medaillons/rozetten, gesculpteerd in mergelsteen, en blijft langer voortleven als het eerste type (Tongeren, Brouwerstraat 9-13; Sint-Catharinastraat 1, 3-5).

Het streven de interieurs van meer licht te voorzien heeft een geleidelijke wijziging van het venstertype tot gevolg, en een meer doordachte schikking van de vensters in de gevel.

Ondanks het sterke traditionalisme dat de bouwstijl van deze periode typeert, kunnen we een evolutie constateren. Deze omvat vijf perioden, die grosso modo gesitueerd kunnen worden in de eerste helft van de 17de eeuw, de tweede helft van de 17de eeuw tot circa 1690, de periode van de eeuwwisseling, de eerste helft van de 18de eeuw tot ongeveer 1740 en de periode 1740-1750.

De voorbeelden uit de oudste periode worden gekenmerkt door een sterk horizontalisme, resultaat van het grote aantal dicht bij elkaar geplaatste speklagen. Tijdens de eerste twee decennia van de eeuw blijft de renaissance-invloed doorleven in het gebruik van kleine, mergelstenen reliëfs die medaillons, rozetten en cartouches voorstellen, en gegroepeerd op de borstweringen en onder de kroonlijst voorkomen (Tongeren, Sint-Ursulastraat 15-21; Corverstraat 11).

Kenmerkend voor de Limburgse steden, evenwel niet voor de Luikse, is dat uitsluitend mergelsteen wordt gebruikt in de combinatie natuursteen/baksteen. De trapgevel vormt de afwerking van de zijgevel (Tongeren, Brouwerstraat 9-13). Deze trapgevels verdwijnen rond het midden van de eeuw, wanneer de baksteentechniek het gebruik van muurvlechtingen mogelijk maakt.

Typisch is ook de vorm die de gesmeed ijzeren muurankers nu aannemen. Naast de verschillende sterk gedecoreerde soorten die ook in de vorige eeuw gebruikelijk waren krijgt geleidelijk het gestandaardiseerde type de overhand, met rechte sleutel die zich aan één zijde splitst in twee gebogen uiteinden, en dat een element tot identificatie is voor 17de-eeuwse kernen die in latere eeuwen op vrijwel alle overige punten verbouwd werden.

De uitgesproken horizontalistische geleding van de gevels, die de eerste decennia van de eeuw kenmerkte, was reeds in de daaropvolgende jaren sterk beginnen te tanen als gevolg van een drastisch vermindering van de muurbanden. In de tweede helft van de eeuw worden deze banden stelselmatig beperkt tot drie per verdieping, in het verlengde van de dorpels der kruiskozijnen. De mergelsteen als bouwmateriaal verdwijnt volledig, na een overgangsperiode van circa 1650-1660, en wordt vervangen door de in Luik van oudsher gebruikte Naamse kalksteen. Deze verandering in materiaalgebruik heeft zijn gevolgen voor het uitzicht van de gevels: er worden zwaardere blokken natuursteen gebruikt, zodat het levendige uitzicht van de kleine, in- en uitspringende negblokken plaats maakt voor een logger ogende afwerking (Tongeren, Graanmarkt 1; Vlasmarkt 2; Hasseltsestraat 2; Muntstraat zonder nummer). Met de mergelsteen verdwijnt ook alle decoratie uit de gevel. De zeldzame profileringen die nog voorkomen worden grover. Een uitzondering vormen de kroonlijsten op ojiefvormige consoles: deze blijven behouden, ze zijn trouwens nog steeds in mergelsteen uitgevoerd.

De eeuwwisseling (circa 1690-1710) brengt een plotse toevloed van nieuwe elementen in de gevelarchitectuur. Er wordt voor het eerst gestreefd de gevel als een geheel te behandelen, waarbij muuropeningen en decoratie ingepast worden in een symmetrisch geconcipieerd totaalbeeld. Dit streven naar structuur, alsmede het gebruik van decoratie, is wellicht ontstaan onder invloed van de in onze streken doordringende Lodewijk XIV-stijl.

Om meer licht in het interieur te brengen wordt gepoogd het glasopppervlak zo groot mogelijk te maken door de ramen aan elkaar te koppelen tot horizontale registers. De baksteenvelden worden op die manier beperkt tot de borstweringen tussen de verdiepingen. Soms verdwijnen ook deze (Tongeren, Grote Markt, 13), of worden kalkstenen panelen gebruikt om deze stroken te bedekken; op deze manier ontstaan de volledige kalkstenen gevels, een voor deze periode kenmerkend sub-type.

De vormentaal van de decoratie is die van de Lodewijk XIV-stijl, dit onder invloed van Luik, waar voorbijgegaan wordt aan de meer gedecoreerde barokstromingen en resoluut voor de classicerende barokrichting geopteerd wordt ('s-Herenelderen, kasteel). De decoratie blijft dan ook vrij sober en beperkt zich tot het benadrukken van de structurele elementen, in het bijzonder de rustica (Rutten, Wilstraat 6), de schijnvoegen die de verticale gevelelementen onderstrepen, de waterlijsten die de vensterregisters horizontaal aflijnen en thans weer voorzien zijn van een verzorgde profilering, en de kalkstenen panelen op de borstweringen.

In deze periode verschijnt ook het Franse raam, zonder stenen onderverdeling, waarbij de glas-in-lood-beglazing vervangen wordt door kleine ruiten met houten roeden. Vrijwel alle voorbeelden uit deze periode zijn, op Luik na, afkomstig uit Maaseik. Elders zijn ze schaars en fragmentarisch.

Deze rijker geornamenteerde gevelarchitectuur kent geen navolging. De architectuur van de eerste helft van de 18de eeuw neemt de traditie van de tweede helft van de vorige eeuw weer op in de toen aangezette lijn van algemene versobering (Tongeren, Sint-Rosastraat 2; Grote Markt 19; Kielenstraat 36-38; Sluizen, Viséweg 403).

De kruiskozijnen worden nu, in het streven zoveel mogelijk licht in het interieur binnen te laten, soms zeer groot en hoog, en zijn gevat in vlakke rechthoekige omlijstingen van kalksteen. Negblokken worden niet meer gebruikt. De mergelstenen kroonlijsten en de ver uitstekende houten consoles verdwijnen en worden vervangen door eenvoudige, onversierde daklijstbalken waarop de dakrand rust. Er is een nieuwe tendens tot eerder verticaliserende gevelritmering; dit wordt bereikt door de vensterstijlen onderling te verbinden (Tongeren, Grote Markt 19). Nieuwe dakvormen (wolvedaken, mansardedaken) worden geïntroduceerd, mogelijk onder Franse invloed (Tongeren, Brouwersstraat 7; Bredestraat 6).

De jaren 1740-1750 worden gekenmerkt door een geveltype dat vanaf het einde van de 17de eeuw frequent voorkomt en beschouwd wordt als een zeer eigen uiting van de kleine Maaslandse privé-architectuur. Het kenmerkt zich door een aaneenschakelen van vensters in horizontale stroken, zodat de gevel herleid wordt tot een natuurstenen skelet waaruit vrijwel alle baksteenvlakken geweerd zijn. Dit huistype is gewoonlijk bescheiden van afmetingen (enkelhuistype), de gebruikelijke breedte is drie traveeën met een hoogte van drie bouwlagen. Het onderscheidt zich van de huizen uit de periode der eeuwwisseling, waaruit het klaarblijkelijk is voortgekomen, doordat alle versiering ontbreekt, en door het zogenaamde Franse raam, zonder stenen onderverdeling, dat nu stelselmatig voorkomt (Tongeren, Maastrichterstraat 73; Sint-Truiderstraat 36).

Na 1750 komt het gebied, steeds via Luik, onder uitgesproken Franse invloed. Het stadhuis van Luik (1714-1718) in classicistische Lodewijk XIV-stijl, en de nieuwe façade van het prinsbisschoppelijk paleis (na 1734) zijn vroege voorbeelden en waarschijnlijk inspiratiebronnen voor de nieuwe stijlen.

Vanaf het midden der eeuw sluit ook de kleine architectuur zich bij de nieuwe classicistische stijlstromingen aan. De belangrijkste kenmerken worden ontleend aan de Lodewijk XV-stijl in een door regionale interpretatie aangepaste uitdrukkingsvorm. De baksteenvlakken krijgen thans definitief de bovenhand in de gevels; de enige kalkstenen elementen zijn de omlijstingen van deuren en vensters, en de plint.

De gevels vertonen een dergelijke eenvormigheid, dat men van een gestandaardiseerd type kan spreken, met een sterk symmetrische ordonnantie. Hieraan beantwoorden een symmetrisch en gestructureerd grondplan en binnenindeling. Wat betreft de decoratie vertonen de gevels in het Land van Luik een grote soberheid. Hierin volgen zij de Franse Lodewijk XV-traditie, en niet de rococo-traditie der Zuidelijke Nederlanden en het Duitse gebied. De meeste gebouwen worden thans gekenmerkt door de lijstgevels met gebogen bovendorpel aan deuren en vensters, afgewerkt met een licht uitspringende trapezoïdale sluitsteen, soms onversierd, soms voorzien van een geprofileerd druiplijstje (Tongeren, Grote Markt 33; Koolkuil 14; Looierstraat 28; Maastrichterstraat 13-15; Momberstraat 6-8; Piepelpoel 19-21; Pleinstraat 17; Sint-Catharinastraat 46; Sint-Jansstraat 6; Vermeulenstraat 3). In de versiering van deze sluitstenen (Tongeren, Grote Markt 8-10), evenals in het houtwerk, balkons en smeedwerk, kan de evolutie gevolgd worden van de nog vrij strenge régencestijl naar de zuivere rococo, hoewel moet opgemerkt worden dat deze elementen in tegenstelling tot de stad Luik vrij zeldzaam zijn.

De rococo was in het Land van Luik, in navolging van Frankrijk, vooral een interieurstijl. Het is in de binnenhuisarchitectuur dat de stijl veelvuldig wordt aangetroffen. Er kan in de interieurs van de tweede helft van de 18de eeuw trouwens een ware moderniseringsrage geconstateerd worden, waarbij ook oudere gebouwen gedecoreerd worden naar de smaak van de tijd, zodat vrijwel geen interieurs ouder dan deze periode behouden bleven.

De laatste decennia der 18de eeuw worden gekenmerkt door een terugkeer naar strenge, klassieke vormen, waar de intense archeologische bedrijvigheid van deze periode een nieuw licht op had geworpen. De gebogen vormen worden verlaten, behalve voor eenvoudige cirkels en ellipsen, rechtlijnige en rechthoekige vormen genieten de voorkeur. De gebouwen uit deze periode evolueren dan ook naar een grote soberheid. Er is een terugkeer naar de rechthoekige muuropeningen, thans gevat in een vlakke, kalkstenen omlijsting, aanvankelijk soms nog versierd met smalle druiplijst (Tongeren, Hasseltsestraat 6-8; Pleinstraat 8-10; Rutten, Rechtstraat 14-16), later zonder enige versiering aangewend (Tongeren, Koolkuil 16; Maastrichterstraat 7; Predikherenstraat 1-3; Sint-Catharinastraat 18; Sint-Truidenstraat 9; Vreren, Droefstraat 1). Dit huistype, dat in het Land van Luik het einde der 18de en begin der 19de eeuw kenmerkt, wordt hier laat-classicistisch genoemd, behalve daar waar duidelijke stijlkenmerken een identificatie met de Lodewijk XVI-stijl mogelijk maken.

Dit laat-classicistisch huistype blijft vrijwel onveranderd het eerste kwart der 19de eeuw bepalen (Overrepen, Hasseltsesteenweg 663; Rutten, Ruttermarkt 2). De echte empirestijl bleef slechts in een zeer beperkt aantal voorbeelden behouden.

Van het historicisme dat de toenmalige internationale stromingen van dit ogenblik kenmerkt is in het bestudeerde gebied in de eerste helft der 19de eeuw weinig te merken. De rechthoekige vensters in kalkstenen omlijsting worden thans dikwijls door een doorlopende rij lekdrempels verbonden (Tongeren, Grote Markt 22; Kloosterstraat 1-7; Maastrichterstraat 94-96; Zichen-Zussen-Bolder, Op de Dries 4), en de deuren hebben dikwijls een geprofileerde omlijsting met druiplijst in neoclassicistische stijl (Tongeren, Maastrichterstraat 10; Vlijtingen, Ophemmerstraat 97; Zichen-Zussen-Bolder, Waterstraat 31).

Pas in de tweede helft der eeuw is er een echte aansluiting bij de internationale stijlstromingen. De grote favoriet in de burgerlijke bouwkunst is het neoclassicisme. Het bepleisteren der gevels, een mode die opkomt samen met de Lodewijk XVI-stijl, wordt hier, op enkele uitzonderingen na pas in de tweede helft der 19de eeuw toegepast (Tongeren, Bilzersteenweg 153; Momberstraat 11; Predikherenstraat 15, 17).

De neogotiek kende minder succes; toch treffen we in het bestudeerde gebied een paar fraaie voorbeelden aan (Tongeren, Grote Markt 12; Henisstraat 21). De evolutie door de tweede helft van de eeuw heen naar steeds bewogener, meer spectaculaire vormen culmineert in de architectuur der eeuwwisseling. De - beperkte - stadsuitbreiding van Tongeren, aan de verschillende wallen en het begin der Sint-Truidersteenweg, vertoont, samen met een aantal voorbeelden intra muros, de mooiste voorbeelden en dichtste concentratie van dit soort architectuur.

Dat deze periode tevens de beginperiode der moderne architectuur is gaat in het bestudeerde gebied, op een paar uitzonderingen na (Tongeren, Sint-Truidersteenweg 14, art-decostijl; Astridlaan 93, nieuwe zakelijkheid), onopgemerkt voorbij. Tot ver in deze eeuw wordt voorgebouwd in de 19de eeuwse traditie.

Openbare gebouwen

De grote openbare gebouwen beperken zich vrijwel volledig tot Tongeren, de enige gemeente in het bestudeerde gebied dat ook tijdens het ancien regime de status van stad bezat. Het stadhuis (1737-1749) is een voorbeeld van classicistische barok. De overige openbare gebouwen dateren uit de 19de eeuw, onder meer het neoclassicistisch Gerechtshof (Vrijthof, 1841), het neogotische Onze-Lieve-Vrouwecollege (M. Christiaens, 1897), de neoromaanse Tekenschool (1867), en het Sint-Jacobsgasthuis, dat in het midden van de eeuw zijn middeleeuwse structuur inruilt voor een 19de eeuws multifunctioneel concept van hospitaal/hospice/weeshuis.

De landelijke gemeenten behielden meestal hun klein gemeentehuis met tegen de achtergevel aanleunend schooltje, daterend uit het eind der 19de eeuw. Deze gebouwen vertonen een sterke onderlinge gelijkenis en zijn ontwerpen van de provinciale architecten uit deze periode.

Tevens dienen hier de eind 19de-eeuwse Rijkswachtkazernes van Herderen en Kanne vermeld te worden.

De landelijke architectuur

De landelijke architectuur bepaalt in hoge mate het profiel van het bestudeerde gebied, waar de landbouw van in de vroegste tijden tot in het begin van deze eeuw de hoofdbezigheid van de bevolking was.

De dorpswoningen vormen in deze groep het minst markante element; hun kenmerken en stijlevolutie zijn geïnspireerd op de stedelijke architectuur. Een regionale eigenheid is het bouwen in mergelsteen in de gemeenten in de buurt van de mergelgroeven (Kanne, Val-Meer, Zichen-Zussen-Bolder, in mindere mate in Riemst en Vroenhoven), waar vrijwel alle gebouwen van vóór 1900 in dit materiaal zijn opgetrokken.

Tot de landelijke architectuur behoren ook de pastorieën, die in het bestudeerde gebied vrijwel zonder uitzondering 19de-eeuwse vervangingen zijn van oudere gebouwen. Het zijn alleenstaande dubbelhuizen met verdieping, die de evolutie vertonen van een sober neoclassicisme (onder meer Henis, Overrepen, Sluizen) naar een overwegend neogotische vormgeving bij de eeuwwisseling (onder meer Lauw, Rutten, Herderen, Kanne). De oude pastorie van Rutten (Wilstraat 6), daterend uit de tweede helft van de 17de eeuw, bleef bewaard na ingebruikname van de nieuwe pastorie.

De kastelen van het gebied weerspiegelen het gebruikelijke proces van versterkte burcht naar residentieel landhuis. Een belangrijk inzicht in deze evolutie bieden de tekeningen van Remacle Le Loup en diens gravures, uitgegeven in de vijf volumes van Les Délices du Pais de Liège van Pierre-Lambert de Saumery (1738-1744).

Van de burchten, als een verdedigingsgordel door de graven van Loon omheen hun gebied gelegd, rest de ruïne van de burcht van Kolmont (circa 1170). De meeste kastelen zijn conglomeraten van aan elkaar geschakelde onderdelen, elk uit een verschillende periode, en getuigend van de toen geldende opvattingen betreffende functie en smaak. Van het vroege, zwaar defensieve burchtgebouw resten een aantal donjons (Rutten, kasteel van Hamal; burcht van Muiken; ruïnes van het kasteel van Millen; resten van de donjon van het kasteel van Scherpenberg, Nerem; Rutten, torenburcht). In de 17de eeuw blijft de aanleg gesloten, doch de gebouwen krijgen door het aanbrengen van vensters in de buitenmuren een meer open uitzicht; het type van het waterkasteel doet zijn intrede, gekenmerkt door de rechthoekige gesloten aanleg, geflankeerd door ronde of rechthoekige hoektorens (Betho, Widooie, Rooi, Scherpenberg).

De 18de eeuw wordt gekenmerkt door het aansluiten bij de Franse stijlstromingen; in deze periode worden de meeste kastelen verbouwd, of voorzien van één of meerdere vleugels in classicistische stijl; deze elementen komen centraal te staan in de constructie, en de bestaande vleugels worden aangepast of afgebroken om aan de nieuwe zin voor symmetrie te voldoen. Een vroeg voorbeeld hiervan is het kasteel van 's-Herenelderen (eind 17de eeuw), eind 18de eeuw aangepast, waar in de U-vormige aanleg het 16de-eeuwse, laat-gotische herenhuis opgenomen werd. In het eveneens U-vormige, classicistische kasteel van Hamal werd de romaanse donjon geïncorporeerd. In de monumentale, symmetrische aanleg van het kasteel van Genoelselderen werden het neerhof en de terrasvormige tuin geïntegreerd.

De kastelen der 19de eeuw zijn meestal kleinere landhuizen, opgetrokken in neoclassicistische, neotraditionele of eclectische stijl (Nerem, kasteel Rosmeulen; kasteel van Kolmont; Piringen, Burghoven).

Het neerhof, traditioneel bij het kasteel horend, bleef in enkele gevallen bewaard. Fraaie voorbeelden zijn de neerhoven van de kastelen van Betho, Neerrepen en 's-Herenelderen.

Door hun ligging in ruime parken of bossen zijn de meeste van deze kastelen waardevolle elementen in het landschap. Deze parken werden op het eind der 18de en de 19de eeuw alle omgevormd tot landschapsparken; deze omvorming is het best gedocumenteerd bij het kasteel van Hamal (Rutten), waar het park in zijn huidige vorm elementen behield van de oorspronkelijke symmetrische aanleg (behouden perspectief naar het centraal gelegen belvedère), naast de overige stoffering, kenmerkend voor de nieuwe stijl.

De belangrijkste component van de landelijke architectuur is ongetwijfeld de hoevebouw. Aangezien vrijwel het hele gebied behoort tot de Droog-Haspengouwse regio, vertoont deze groep een vrij grote homogeniteit. Voor de typologie verwijzen wij naar het hoofdstuk "Algemene kenmerken", aangezien de hoeven der streek wat dit betreft geen verschillen vertonen met de stedelijke architectuur.

De vakwerkbouw heeft weinig behouden voorbeelden; alleen in een klein gebied, boven Tongeren, dat de overgang vormt met Vochtig-Haspengouw (Riksingen-Henis) kan men van een - beperkte - concentratie spreken. In tegenstelling tot de Kempen en Vochtig-Haspengouw, waar deze bouwwijze tot eind vorige eeuw de overwegende was, schijnt het versteningsproces hier zeer vroeg ingezet. Men kan stellen dat de belangrijke hoeven vanaf de 17de eeuw vrijwel steeds in steen werden opgetrokken. Wat betreft het uitzicht der landelijke gemeenten dient echter opgemerkt dat de behouden voorbeelden meestal deze belangrijke, stenen hoeven zijn, terwijl de waarschijnlijk veel talrijker woningen van landarbeiders of kleine boeren thans vrijwel zonder uitzondering verdwenen zijn.

De hoeven met langgestrekte aanleg, waarbij woonhuis, stallen en schuur (dwarsschuur) in één, gewoonlijk vrij klein gebouw zijn ondergebracht, zijn in het bestudeerde gebied de uitzondering (Riksingenstraat 24).

De meeste hoeven behoren tot het gesloten, Haspengouwse type. Ze zijn gegroepeerd in en rondom de dorpskernen of langsheen de dorpsstraten. Van buiten uit vertonen ze een gesloten, ontoegankelijk uitzicht; de voorgevels zijn naar het erf toegekeerd.

Hoewel de oriëntatie verschilt is de schikking der onderdelen vrij uniform. Het poortgebouw heeft soms een torenachtig aspect, en is dan dikwijls van een duiventil voorzien (Rutten, Rechtstraat 23); het is geflankeerd door lage stallen, waaronder meestal de varkensstal. Het woonhuis bevindt zich doorgaans haaks op de poortvleugel. De vleugel tegenover het woonhuis wordt ingenomen door stallen, terwijl er zich in het verlengde van het woonhuis meestal ook nog een stal bevindt. De dwarsschuur, al dan niet met wagenhuis, ligt meestal tegenover de inrijpoort. Dikwijls bevindt zich in dit gebouw ook een doorgang naar de velden. Op het erf bevindt zich, in de buurt van de stallen, de mestvaalt.

Van de gebruikelijke, omgevende elementen der typische Haspengouwse hoeve (boomgaard, moestuin,...) bleven in het bestudeerde gebied weinig voorbeelden bewaard. Gezien de continuïteit en intensiteit van de landbouwactiviteit onderging de omgeving de gevolgen van de evoluerende landbouwmethoden, zodat zeer weinig traditionele elementen bewaard bleven. Een ander gevolg is het in gebruik blijven van de meeste van de in deze studie opgenomen hoeven, waardoor een groot aantal functionele aanpassingen van de gebouwen werd doorgevoerd; slechts weinig voorbeelden bleven intact bewaard. Vrijwel elke grote hoeve bestaat uit elementen uit soms ver uit elkaar liggende perioden.

De oudste hoeven klimmen op tot de 17de eeuw, een terminus a quo voor het versteningsproces. Het poortgebouw behoudt meestal het langst de resten van oorspronkelijke vakwerkbouw. Het bevat dan een rechthoekige poort in houten omlijsting onder zadeldakje. Het versteende poortgebouw vertoont een rond- of korfboogvormige inrijpoort in een kalkstenen omlijsting met negblokken. Stallen en woonhuis vertonen de voor de periode typische stijlkenmerken, waarin zij getrouw het stedelijke burgerhuis volgen. De schuren zijn voorzien van dezelfde rond- of korboogvormige poorten als de inrijpoorten; ook hier bleef dikwijls de oorspronkelijke vakwerkbouw bewaard.

De evolutie laat zich in de veranderende stijlkenmerken der gevels aflezen; het globale uitzicht blijft tot het begin van deze eeuw vrijwel ongewijzigd. Enkele voorbeelden met belangrijke behouden 17de-eeuwse gedeelten zijn de hoeven: Herstappe, Dorpsstraat 3; Overrepen, Herkerwinning; Piringen, Piringenstraat 8; Vreren, Achter de Kerk 5.

Tot de belangrijke voorbeelden met een overwegend 18de-eeuws uitzicht behoren: Rutten, Motstraat 17; Rechtstraat 74; Herstappe, Dorpsstraat 4; Dietsheur, Voortstraat 65; Sluizen, Viséweg 403; Vreren, Hoeve Beaurepart; Val-Meer, Rechtstraat 10. Ook de gemeenten Herderen (de la Brassinnestraat 15; Maastrichterstraat 2) en Millen behielden een vrij groot aantal belangrijke hoeven. Merkwaardige voorbeelden van 19de-eeuwse hoevebouw zijn onder meer de hoeven: Herderen, Tongersesteenweg 46; Vroenhoven, Maastrichtersteenweg 223.

De hoeven uit de tweede helft der 19de en het begin der 20ste eeuw worden gekenmerkt door een uitsluitend gebruik van baksteen als bouwmateriaal (Vlijtingen, Ophemmerstraat 67), behalve in de traditionele mergelgebieden.

Economie, pre-industrieel en industrieel erfgoed

In het industrieel archeologische vlak vertoont de provincie Limburg een eigen karakter, gekenmerkt door:

1. in de periode vóór 1860 een strikt bodemgebonden kleinschalige nijverheid: brouwerijen, stokerijen,...

2. de opkomst van zwaar-vervuilende en gevaarlijke nijverheden in de noorder-Kempen, tussen kanaal- en spoorweginfrastructuur vanaf het laatste kwart der 19de eeuw.

3. de opkomst van een nieuwe steenkoolnijverheid in midden-Limburg, vanaf het begin van deze eeuw.

Deze drie kenmerkende ontwikkelingen, die tevens periodegebonden zijn, lieten elk een eigen patrimonium na.

Door haar historische rol als en natuurlijke voorbeschiktheid tot landbouwgebied bleef de nijverheid in de streek beperkt tot onder punt 1. vermelde bedrijvigheden.

De agrarisch verwerkende nijverheden vormen een gordel doorheen het zuiden van de provincie met inbegrip van de aangrenzende Franstalige taalgrensgemeenten en de Maaskanten. Opvallend is een immensiteit van brouwerijen, vooral op het platteland. In 1842-1844 waren er niet minder dan 394 stuks. Over de evolutie ervan zijn weinig concrete gegevens gekend, en binnen het kader van deze vluchtige schets was het niet mogelijk om dieper op het fenomeen in te gaan.

Een andere belangrijke nijverheid waren de jeneverstokerijen, een eerder stedelijk fenomeen, met Hasselt als belangrijkste centrum, in het bestudeerde gebied van minder belang.

Een belangrijke en typische nijverheid, die slechts weinig sporen naliet waren de suikerfabrieken welke temidden van de vruchtbare leemstreek oprezen, vooral in de omgeving van Sint-Truiden. Van landschappelijk belang was dat steeds grotere oppervlakten ingeruimd werden voor deze nieuwe teelt. Onder impuls van de in 1837 opgerichte suikerfabrieken te Sint-Truiden, en de fabrieken van Rutten (1838) en Ordingen (1837) zou de teelt vanaf die jaren een nieuwe uitbreiding krijgen, en werden in 1839 reeds 13.000.000 kilogram bieten, afkomstig van 450 hectare, in die omgeving verwerkt. Drie van deze bedrijven stelden in 1839-1840 tussen de 300 en 400 arbeiders te werk (oogst inbegrepen). In 1880 telde de provincie 1876 hectare die met suikerbieten beplant waren en die in totaal 52.528 ton bieten opleverden. De zes Limburgse suikerfabrieken produceerden toen 2500 ton suiker.

Een typische nijverheid van Haspengouw met zijn intensieve fruitteelt was de stroopfabricage, waarbij appelen, peren en suikerbieten tot stroop verwerkt worden. Vóór 1860 kende Limburg 39 stroopbedrijven, die voornamelijk op het platteland gelegen waren. Doch veel belangrijker was waarschijnlijk de stroopfabricage als huisnijverheid, gewoonlijk door de landbouwers als nevenactiviteit beoefent. Na 1880 moet deze kleine, ambachtelijke productie geleidelijk aan plaats maken voor de fabrieksgewijze produtie, waarvoor het nu opkomende gebruik van suikerbieten een stimulans was.

De traditionele ambachtelijke textielproduktie bleef gedurende heel de 19de eeuw verder bestaan (al kwijnend), en speelde zich af in de traditionele weefkamers van een aantal hoeven: de sporen hiervan zijn praktisch volledig verdwenen. Een gebrek aan concurrentiemogelijkheden met de grote gemechaniseerde kapitaalintensieve centra als Verviers, een gebrek aan aan- en afvoermogelijkheden van de nieuwe grondstoffen (onder meer katoen), en een gebrek aan geschikte technologische know-how, dwongen de Limburgse textielproducenten op een traditionele wijze voort te produceren voor een kleine omgeving of een eigen markt.

Het zou een wonder geweest zijn, moest men de leemlagen nooit aangewend hebben voor steen- en pannenbakkerijen. Het meest voorkomend waren de zogenaamde "veldovens" in open lucht: deze hebben enkel in de archieven nog een behoorlijk aantal sporen nagelaten, terwijl op verschillende plaatsen terrein-oneffenheden op zogenaamd "uitgebakken" velden wijzen.

De voornaamste drijfkracht werd geleverd door molens, vooral door watermolens. In 1842 telde de provincie: 152 graan-watermolens, 29 olie-watermolens, 5 graan- en olie-watermolens, 12 hennep-watermolens, 1 volmolen, 2 schorsmolens, 1 olie- en hennep-molen, 1 schors- en hennep-molen. 41 windmolens: 40 graan-windmolens, 1 graan- en zaagmolen. 29 rosmolens: 2 graan-rosmolens, 27 olie-rosmolens, 4 meekrap-molens, waarvan aandrijving onbekend. In 1880 telde de provincie nog 53 windmolens en 172 watermolens. De output aan graan per maalstoel van deze molens was de hoogste na Luik. Op dit ogenblik telt de provincie Limburg nog steeds het rijkste molenpatrimonium van Vlaanderen, vooral in het vlak van watermolens.

In het bestudeerde gebied speelde de Jeker een belangrijke rol als leverancier van drijfkracht voor de watermolens in dit bij uitstek agrarisch gebied. De bedrijvigheid der watermolens verminderde na 1950 sterk en einde jaren 1960 vielen de meeste stil; de laatste molens (Motmolen, Sluizermolen) functioneerden tot 1978. De bewaringstoestand van de molensites is meestal weinig schitterend te noemen: de verschillende rechttrekkingen van de Jeker zijn de voornaamste oorzaak van het verdwijnen van dit patrimonium en veroorzaakten bij de meeste molens een breuk tussen de molen en zijn biotoop.

De historisch-technologische evolutie is slechts moeilijk na te gaan. Het verschil tussen bovenslag- en onderslagraderen hangt grotendeels samen met de hydrologische situatie van de waterloop (verval, debiet). Overgang van houten drijfwerk naar ijzeren drijfwerk gebeurde vanaf het einde van vorige eeuw. Vlak vóór de Eerste Wereldoorlog werden de eerste turbines geplaatst. Omstreeks de Eerste Wereldoorlog kwam het gebruik van de horizontale centrale transmissie-as (in plaats van verticale krachtenverdeling) in voege. Opmerkelijk is eveneens hoe reeds vanaf het midden der 19de eeuw op allerhande wijze getracht werd om de drijfkracht van de molens op te voeren, door de plaatsing van motoren: stoom vanaf 1832, diesels, en - vanaf de jaren 1920-1930 - elektromotoren. Omstreeks de eeuwwisseling werden enkele molens mogelijk van dynamo's voor eigen elektriciteitsproductie voorzien.

Een voor het bestudeerde gebied kenmerkende nijverheid, en dit sinds de oudheid, was de ontginning van de mergel- en silexgroeven. Over de silexontginning is bijzonder weinig bekend; in de tweede helft der 19de eeuw werd er nog silex ontgonnen te Diets-Heur en Lauw. De mergelontginning gebeurde hoofdzakelijk in de groeven van de Sint-Pietersberg te Kanne (de Caestertgroeve, de groeven Ternaaien-Boven en Ternaaien-Beneden) en Zichen (Roosberg, Drie-dagen-berg en Waleberg). Vanaf de 14de tot de 16de eeuw kenden deze groeven een intensieve exploitatie, die na de 18de eeuw sterk verminderde om na de Tweede Wereldoorlog volledig te verdwijnen. Het ambachtelijk blokbreken was een zwaar en gevaarlijk werk. In de werkplaatsen ("ateliers") werd gewerkt in ploegen van twee tot drie man, soms alleen. De ontginning gebeurde middels een systeem van loodrecht op elkaar staande gangen en pilaren, meestal op een diepte van 6 tot 25 meter. Er bestonden verschillende traditionele blokbrekerstechnieken, die vooral verschillen qua afmetingen opleverden. Kenmerkend is dat de ontginning vanaf het plafond van de gang begon en dat de vloer steeds verlaagd werd. In 1864 en 1865 telt men nog 13 groeven, met als specifikatie: één bovengrondse en 22 ondergrondse uitbatingen; in 1864 waren er 51 werknemers, een jaar later 42. Vanaf 1866 worden geen uitbatingen in openlucht meer vermeld. In deze uitbatingen werden toen geen stoommachines, geen maneges en geen hydraulische (pomp-)installaties aangewend.

Al bij al bleef het nijverheidskarakter gekenmerkt door kleinschaligheid. In de steden wisten de bedrijfjes zich integrerend in te planten in het straat- en stadsbeeld. Op het platteland nestelden de landbouw-industriëen zich in de omgeving van hun grondstoffen, vaak langsheen waterlopen (voor aandrijving en waterverbruik tijdens het productieproces). Integrerend deel uitmakend van hun omgeving blijkt de invloed van deze bedrijven op het landschap beperkt.

Transportinfrastructuur. De eerste spoorlijn die het gebied doorkruist is de lijn Tongeren-Bilzen (1863), vervolgens worden de lijnen Tongeren-Luik (Glons) (1864), Sint-Truiden-Tongeren (1879) en Tongeren-Aken, doorheen de Voerstreek (1917) aangelegd. Het betrekkelijke belang van deze infrastructuur voor het gebied blijkt uit het feit, dat slechts twee van deze lijnen behouden bleven; de lijn Sint-Truiden - Tongeren werd in 1970-1971 opgebroken, die van Tongeren naar Luik in 1973. Hierdoor raakten ook de bijhorende stations in onbruik: het station van Piringen bestaat nog, doch in vervallen staat; het station van Nerem werd in 1980-1981 gesloopt.

De sterke uitbreiding van de transportinfrastructuur tijdens de tweede helft der 19de eeuw komt vooral het ontstaan van nieuwe, niet meer streekgebonden industrieën in de Kempen ten goede. Voor het bestudeerde gebied, dat de werkgelegenheid van zijn bevolking traditioneel vond in de landbouw en de industrieën van het Luikse bekken, speelt de ontsluiting door middel van de nieuwe transportmogelijkheden een beperkte rol.

Zo blijft op vrijwel elk gebied het agrarische karakter van de streek zijn stempel drukken op het uitzicht ervan. Het zorgde voor een grote continuïteit in nederzettingstype en bedrijvigheid, en voor een stabiliteit in de bevolkingsdichtheid, zodat het historische landschap in al zijn facetten een gaafheid kent, die op andere plaatsen door recente economische ontwikkelingen teloor ging.

Bron: Schlusmans F. met medewerking van Vanthillo C. 1990: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kantons Riemst - Tongeren, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N1, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Schlusmans, Frieda

Datum: 1990

Relaties