Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kantons Bree en Maaseik (ID: 26643)

Administratieve gegevens

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Onderwerp van deze inventaris vormen het kieskanton Bree, met de gemeenten Bocholt, Bree en Meeuwen-Gruitrode, en het kieskanton Maaseik, met de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi en Maaseik. Zij maken beide deel uit van het administratief arrondissement Maaseik. Deze kantons vormen samen de noordoosthoek van de provincie Limburg. Administratief en geografisch wordt het gebied ten noorden begrensd door Nederland, ten oosten door de Maas en Nederland, ten zuiden door het arrondissement Tongeren (Maasmechelen) en Hasselt (Opglabbeek en As), en ten westen door de kantons Peer en Neerpelt (Houthalen-Helchteren, Peer, Neerpelt, Hamont-Achel).

Het is een overwegend landelijk gebied, met drie kleine stedelijke kernen, Maaseik, Bree en Stokkem, waarvan Maaseik de belangrijkste is.

Eén van de meest opvallende karakteristieken van het bestudeerde gebied is het duidelijke onderscheid dat bestaat tussen het oostelijke gedeelte en het westelijke, grosso modo maar niet volledig, overeenkomend met de kantongrenzen, en bepaald door de geografische karakteristieken. Het oostelijke gedeelte, het kanton Maaseik, behoort tot het Maasland, het westelijke gedeelte, het kanton Bree behoort tot de Kempen. Dit geografische onderscheid bepaalt in hoge mate het voorkomen van de beide gebieden, zowel materieel als immaterieel. Het uit zich naast het verschil in landschap ook in het nederzettingspatroon, de bouwwijze, landbouwbedrijf en samenhangend daarmee het hoevetype, de historische achtergrond, de volksgebruiken, en, als we sommige auteurs mogen geloven, ook in de volksaard.

Het onderscheid is visueel waarneembaar wanneer men afdaalt van de hoogten van het Kempisch plateau in het westen van het gebied, trapsgewijze via de beboste hellingen van de Maasterrassen naar de weidse Maasvlakte met zijn lage hemels en indrukwekkende vergezichten.

Hoewel vele elementen Kempen en Maasland van elkaar onderscheiden, hebben zij beiden één belangrijke trek gemeen, die bepalend geweest is voor hun huidige uitzicht. Dat is hun groot dynamisme. Beide streken zijn in hun huidige uitzicht zeer jonge cultuurlandschappen, ontstaan in de loop van de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw als gevolg van de grote landbouwontginningen en de ontwikkelingen in de landbouw. Maar reeds eeuwen daarvoor onderging het gebied, mede onder invloed van de mens, grote wijzigingen. Om te beginnen was er de dynamiek van de Maas zelf, die, vóór hij door de mens in zijn definitieve bedding gedwongen werd, steeds weer ingreep op het landschap en de menselijke nederzettingen op de oever. Dan was er de geleidelijke erosie van het oerbos tot schrale heidevlakten, thans op hun beurt gereduceerd tot enkele resten. Grote gebieden werden ontbost, weer bebost, en opnieuw ontbost, een proces dat nog steeds voortduurt. Bovendien wordt de hele streek sinds het einde van de 19de eeuw gekenmerkt door een geweldige bevolkingstoename, als gevolg van de ontwikkelingen in de landbouw en de industrie, zowel binnen als buiten het gebied.

Het is duidelijk dat in een dergelijke steeds wijzigende context traditionele patronen onder zware druk staan en sporen van het verleden zeldzaam geworden zijn. In een gebied waar de vruchtbare gronden schaars zijn, en waar nooit grote welstand was, zijn deze materiële sporen bovendien bescheiden van aard. De steden zijn klein en hadden steeds een beperkte uitstraling. Grote kastelen en machtige hoeven komen, uitgezonderd in een smalle strook vlakbij de Maas, niet voor. Het gros van het in deze inventaris verzamelde materiaal bestaat uit kleine boerderijen uit de tweede helft van de 19de eeuw, die horen bij de kleine landbouwbedrijven die zich op de arme gronden poogden te handhaven. Een ander, niet onaanzienlijk deel van het materiaal wordt gevormd door de talrijke molens, vooral watermolens, die op de drie belangrijkste beken van het gebied, de Bosbeek, de Abeek en de Itter, liggen. Ongetwijfeld het interessantste gedeelte van deze studie wordt echter gevormd door het gebouwenpatrimonium van de stad Maaseik, voornamelijk door het groot aantal gaaf bewaarde burgerhuizen uit de 17de en 18de eeuw. In dit opzicht is de stad de rijkste van Limburg. De verklaring voor dit verschijnsel is niet volledig duidelijk. Mogelijk is het gedeeltelijk te wijten aan het ontbreken van economische druk. Zoals de andere Limburgse steden kende Maaseik vanaf de 17de eeuw een economische neergang. Voor Maaseik kwam hier in de eerste helft van de 19de eeuw, na de Belgische onafhankelijk bovendien nog het verlies bij van een groot gedeelte van haar hinterland, met name de dorpen op de nu Nederlandse Maasoever. Hierdoor begon voor de stad een sluimerend bestaan in een uithoek van de provincie. Mogelijk is ook de vroege belangstelling voor de historische stad en haar gebouwen vanwege toonaangevende figuren als de architecten K. Gessler en G. Daniëls, en de kruisheer W. Sangers een grote factor geweest in het behoud.

LANDSCHAPSTYPERING

In zijn geheel is de provincie Limburg een groot vlak dat geleidelijk daalt naar het noorden, waar het aansluit bij de Nederlandse vlakte. De grote hydrografische eenheden - Maasvallei, Jekervallei, Voervallei en Demerbekken - hebben hierin plateaus opgebouwd en versneden: het Kempisch plateau in het noorden, het Haspengouws plateau in het zuiden en het plateau van Herve in het zuidoosten. Elk plateau heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis.

Het bestudeerde gebied ligt in het noordoosten van de provincie, en behoort tot twee traditionele landschappen: het Kempisch Plateau in het westen van het gebied, grosso modo overeenkomend met het kanton Bree behalve Bocholt, en het Maasland in het oosten, grosso modo overeenkomend met het kanton Maaseik behalve Opoeteren en het westelijk gedeelte van Neeroeteren.

Voor het landschap in dit noordoostelijk deel van de provincie zijn twee elementen van bepalend belang: de aanwezigheid van de Maas, met haar brede, alluviale vlakte en haar grindterrassen die ze heeft afgezet en waarin ze zich dan door de eeuwen heen weer heeft ingesneden, en het actieve zakkinggebied van de slenk van Roermond, ontstaan ten gevolge van tektonische activiteiten tijdens het Jura, waardoor het noordelijk deel van het gebied, dat tot dit zakkinggebied behoort (Vlakte van Bocholt), beduidend lager kwam te liggen dan het Kempisch Plateau. Dit hoogteverschil is abrupt en daardoor visueel sterk in het landschap aanwezig in de vorm van de Feldbissbreuk, die de slenk ten zuiden begrenst. De Feldbissbreuk vertoont zich als een merkwaardige noordwest-zuidoost-gerichte steilrand. Vooral de steilrand Bree-Neeroeteren is zeer duidelijk en circa 20 meter hoog; bij Bree wordt de steilrand plots minder belangrijk: bij Gerdingen bedraagt hij slechts 5 meter, bij Bocholt nog 2-3 meter.

Het oosten van het gebied wordt gevormd door het Maasland, waarin drie eenheden te onderscheiden zijn: de Limburgse Maas - de huidige, eigenlijke alluviale Maasvallei - in het uiterste oosten, de Maasvlakte en het terrassenland ten westen daarvan, en ten noordwesten hiervan de Vlakte van Bocholt.

Het huidige uitzicht van de Maas is het gevolg van vrij recente ontwikkelingen. Gedurende eeuwen had de stroom geen definitieve bedding en kronkelde zich doorheen een zeer brede, moerassige vlakte. Eén van de oorzaken hiervoor is het feit dat de Maas tot Venlo een zeer groot verval heeft: tussen Maastricht en Maaseik is dit 0,47 meter per kilometer. Tussen Venlo en Roermond loopt dit terug tot 0,10 meter per kilometer. Een ander gevolg van dit grote verval is dat de Maas bij hoge waterstand zich vroeger geregeld een nieuwe bedding zocht en daardoor vele eilanden en weerten deed ontstaan. Op de Ferrariskaart (1771-77) vinden we tussen Maastricht en Kessenich niet minder dan 14 van die eilanden. Ze veranderden geregeld van vorm, sloten zich dan weer bij één van de oevers aan doordat een oude Maasbedding verlandde, werden tijdens hoge waterstanden terug eilanden, enzovoort. Het is dan ook niet te verwonderen dat men in het landschap nog vele oude beddingen aantreft die meestal verland zijn, soms een beekje bevatten of die helemaal afgesloten zijn geraakt van de nu definitieve Maasbedding. Een tweede kenmerk van de Maas is, dat men haar een regen-rivier zou kunnen noemen. Er blijkt een duidelijk verband te bestaan tussen de regenval stroomopwaarts en het peil van de Maas stroomafwaarts. Normaal bereikt de Maas in de winter haar hoogste peil en vinden dan ook overstromingen plaats ten gevolge van een plotse dooi, voorafgegaan of gevolgd door een periode van grote neerslag. De voeding met Maaswater van Zuid-Willemsvaart, Julianakanaal en Albertkanaal, maar vooral de baggerwerken en de grote ontgrindingen van de laatste jaren hebben de Maas in veel opzichten een ander karakter gegeven, en voor een definitieve bedding gezorgd. Hierdoor is de stroom steeds dieper in zijn bedding weggezakt. Deze definitieve bedding ligt beduidend oostelijker - circa 2 kilometer - dan de oorspronkelijke bedding, en dit vooral vanaf de grote doorbraak van de dijken in 1740, toen zowel Dilsen als Stokkem hun ligging aan de Maas verloren.

De overstromingen van de Maas hebben steeds een zware tol geëist. Uitzonderlijk hoge waterstanden kwamen voorin 1036, 1175, 1196, 1348, 1408, 1409, 1463, 1571, 1643, 1740, 1784, 1850, 1880 - de grootste overstroming van de 19de eeuw - 1926, 1993 en 1994. In 1643 werd het dorp Obbicht volledig verwoest en verdween van de kaart. Hetzelfde lot onderging ongeveer een eeuw daarvoor het dorp Mijnekom bij Maaseik.

Reeds vroeg, maar voornamelijk vanaf de 18de eeuw werd begonnen met de bouw van dijken om de dorpen tegen overstromingen te beschermen. Deze zogenaamde winterdijken werden een eind van de Maas gebouwd. Tussen de Maas en de winterdijken ligt grasland en velden, de zogenaamde uiterwaarden, een gebied dat bij hoge waterstanden overstroomt.

Hoewel de Maas tot de middeleeuwen een belangrijke handelsweg geweest is, was het nooit een ideale waterweg. Aangezien de stroom geen definitieve bedding had, was de vaart gevaarlijk en dikwijls seizoensgebonden. De laatste schepen vaarden rond het midden van de 19de eeuw. Toen echter was de rol van de stroom reeds overgenomen door de parallel lopende Zuid-Willemsvaart, die in 1826 voltooid werd.

Vanwege het grillige karakter van de stroom kwamen binnen de eigenlijke alluviale vlakte vrijwel geen nederzettingen voor. Toch was het van oudsher omwille van zijn vruchtbare bodem een gewaardeerd landbouwgebied. Deze landbouw evolueerde in de loop van de 20ste eeuw naar een vrijwel uitsluitend gebruik als weiland, door de specialisatie van de landbouw in de zin van rundveehouderij en, in mindere mate, hokdieren.

De grote ontgrindingen van na de Tweede Wereldoorlog, resulterend in uitgestrekte waterplassen, waren op sommige plaatsen (Kessenich, Ophoven, Maaseik) de oorzaak van een grondige wijziging van het landschap.

Maasvlakte en terrassenland liggen onmiddellijk ten westen van de Maas. Het sedimentatie-terrassengebied van de Maas heeft als voornaamste terras dat van Eisden-Lanklaar (terras van Maasmechelen), gevormd tijdens de Riss-II periode, te onderscheiden van het hoofdterras, het Kempisch Plateau, gevormd tijdens de Mindelperiode, dat tot een ander traditioneel landschap behoort. Deze trapvormige terrassen werden gevormd door het grind en de keien die door de Maas werden meegesleurd en neergezet, en waarin de stroom zich dan telkens opnieuw een bedding ingroef. Op deze grindterrassen werden vervolgens eolische dekzanden afgezet in de Riss- en Würmperiode. Reeds in de prehistorie was dit gebied niet meer onderhevig aan overstromingen, en was daarom van oudsher een geschikte plaats voor menselijke nederzettingen. Het gebied heeft overwegend droge zand-tot zandleemgronden en een grote verscheidenheid aan landschapselementen (naaldbossen, weilanden, loofhout, heide en vennen), waarvan de meeste van vrij recente oorsprong zijn. Dit sedimentatieterrassengebied was immers oorspronkelijk begroeid met een uitgestrekt loofwoud, het Ledebos, dat zich uitstrekte van Lanaken tot Neeroeteren. Op een bepaald ogenblik is dit bos verdeeld geworden. Een gedeelte in de buurt van Neeroeteren kwam in handen van het Sint-Servaaskapittel van Maastricht, terwijl de drie delen van de graaf van Loon waarschijnlijk vanaf datzelfde tijdstip beheerd werden door de drie schepenbanken van Stokkem, Dilsen en Rotem, vanwaar de nieuwe naam, Drie Bankenbos. Door de overbeweiding met koeien en varkens en door onverantwoorde houtkap veranderde dit bos in de loop der eeuwen in een uitgestrekte heide, die als gemene gronden door de bewoners van de verschillende dorpen gebruikt werd. In 1818 werden deze woeste gronden verdeeld onder de belanghebbende gemeenten: Stokkem, Dilsen, Rotem, Opoeteren, Niel, Lanklaar, Elen en Neeroeteren, en vrijgegeven voor ontginning door houtbeplanting (naaldhout) en landbouw. De specialisatie in de landbouw vanaf het einde van de 19de eeuw resulteerde in de huidige rundveehouderij en in mindere mate de kweek van hokdieren, wat zich in het landschap uit door de aanwezigheid van weilanden en maïsakkers.

Door de hoger beschreven tektonische activiteiten en latere, eolische zandafzettingen ontstond ten noorden van de sedimentatieterrassen -ten noorden van de lijn Neeroeteren-Maaseik- de dekzandvlakte van Maaseik, een uitgestrekt, laag gelegen en overwegend vochtig gebied dat vrijwel de hele gemeente Kinrooi omvat en het noordelijk gedeelte van Maaseik, en waarin stuifduinen voorkomen.

De Vlakte van Bocholt maakt deel uit van de hoger beschreven Slenk van Roermond en is een zakkinggebied dat ontstond door tektonische activiteiten in het Jura, onmiddellijk ten noorden van de Feldbissbreuk. Dit laag gelegen, vlakke gebied met een hoogteligging van circa 35 meter, en het aansluitende noordwestelijke gedeelte van de dekzandvlakte van Maaseik (Kinrooi, Molenbeersel, het westelijk gedeelte van Kessenich en Ophoven), is door een gebrekkige ontwatering van nature uit moerassig. Een groot gedeelte ervan bestond dan ook uit moerasbossen, natte heiden en vennen. Dit was een dun bevolkt en moeilijk toegankelijk gebied, vooral in de winter als de wegen onbegaanbaar waren. De inwoners leefden sterk geïsoleerd in hun nederzettingen en stonden bloot aan malaria en moeraskoorts. Bovendien waren deze zogenaamde Broeken van oudsher een natuurlijke barrière en vormden op die manier een feitelijke scheiding tussen het Maasland en de Kempen. Uit de Ferrariskaart (1771-77) blijkt dat bouwlanden en bewoning volledig geconcentreerd waren in een gordel tegen de plateaurand. De grens van de beteelde oppervlakte viel ongeveer samen met de 38 meter-hoogtelijn. Dit was blijkbaar de grenslijn waar het rivierstelsel in staat was het glacis nog enigszins te draineren. Dit tweevoudige bodemgebruik is ook thans nog terug te vinden. De heide en moerassen zijn evenwel grotendeels vervangen door weiland. Bij Koninklijk Besluit van juli 1865 immers werden de betreffende gemeenten verplicht om hun uitgestrekte moerasgebieden droog te leggen. De betrokken gemeenten Bocholt, Bree, Beek, Tongerlo, Opitter, Molenbeersel, Kinrooi, Ophoven en Kessenich waren financieel niet in staat deze opdracht uit te voeren en verkochten de bewuste gronden aan het Rijk, dat voor drooglegging en herbeplanting zou zorgen. In 1865 werden 2 727 hectare moerasgebied aangekocht door de Engelse bank "Banque générale pour favoriser l'Agriculture et les Travaux Publiés" met zetel te Brussel. De bank had de opdracht het betreffende gebied binnen tien jaar droog te leggen. Een eerste plan tot verdieping en indijking van de Itter- en Abeek stuitte op verzet van de Nederlandse regering. Daarom werd een nieuw plan ontworpen: er zou een kanaal gegraven worden vanuit de moerasgebieden naar de Maas. De werken vingen aan in 1865. De Lossing begint op het grondgebied van Lozen (Bocholt), doorkruist het Stramprooierbroek, gaat door Molenbeersel en Kinrooi, om dan in Ophoven in de Maas te vloeien. Dit met de hand gegraven kanaal kwam gereed in 1888. Het heeft een lengte van 24 kilometer en kruist op twee plaatsen de Abeek. De werken leidden echter tot het faillissement van de bank. Om de schade te beperken eigenden sommige beleggers zich stukken grond toe in het gebied: Charles de Bellaing (eigenaar van Ommerstein in Rotem), 't Kint de Roodenbecke et d'Aumalle, de Grunne, von Gameren, Borre, Barreel, de Theux, Wauters. In 1877 werd een vereniging opgericht onder de naam "De Watering van het Grootbroek" en in 1888 verkocht de Engelse bank de Lossing met dijken en kunstwerken aan deze vereniging. De drainage van het moeras was een stimulans voor de turfuitbating en leidde tot de omvorming ervan tot bos. De landbouw won terrein aan de randen ervan, en binnenin het moeras werd loof- en naaldhout aangeplant. Door de specialisatie van de landbouw naar veeteelt en zuivelproductie waren circa 1890 het grootste gedeelte van de ontgonnen stukken omgezet in weilanden. Vanaf 1956 begonnen de grootschalige ontginningen van de bossen en de nog resterende heide. 70 tot 80 % van het gebied werd toen op zeer korte tijd voor de landbouw ontgonnnen. circa 1971 werd het gebied grondig ontwaterd, zodat grote delen van het moeras verdwenen en vervangen werden door weilanden en maïs-akkers. Slechts een paar gebieden behielden hun oorspronkelijk moeraskarakter, onder meer het Stramprooierbroek en het Grootbroek, beide thans reservaten, en waarin gepoogd wordt het landschap in zijn toestand van vóór 1950 te herstellen. Dit centrale broekengebied wordt nu gekenmerkt door laagveenmoerassen, wilgenstruwelen, enkele vochtige en thans meestal verruigde weidepercelen, elzenbroekbossen op de nattere delen en eikenbossen op de drogere en hoger gelegen delen. De rand van het broekengebied wordt gekenmerkt door weilanden die steeds meer door de landbouw worden verlaten en bijgevolg verruigen.

Het grootste gedeelte van dit traditionele landschap is dus op landschappelijk gebied een relatief jong cultuurlandschap, daterend van de ontginningen uit de tweede helft van de 19de eeuw en de tweede helft van de 20ste eeuw, en gekenmerkt door een intensieve veehouderij - rund- en melkvee, en in mindere mate hokdieren - met bijhorende gewassen en weilanden. Vanaf eindjaren 1970 nam de akkerbouw met teelt van raaigras en maïs drastisch toe ten koste van de weilanden.

Wat betreft het Kempisch Plateau, komen in het bestudeerde gebied twee eenheden voor, met name de Limburgse heide, ook Limburgs heide- en bosgebied genoemd, en, over een klein gedeelte van het gebied in het noordwesten, het Land van Peer-Meeuwen.

Het Kempisch plateau, dat behoort tot de Kempen, vangt spitsvormig aan bij Gellik en kent een waaiervormige verbreding naar het noorden, die haar breedste punt bereikt ter hoogte van de lijn Houthalen-Neeroeteren, waarna de breedte weer afneemt. Het plateaukarakter komt het duidelijkst tot uiting in het oostelijk gedeelte en verdwijnt geleidelijk in noordelijke richting. Een abrupte plateaubegrenzing is er tussen Bree en Gellik in het oosten en noordoosten. Tussen Gellik en Neeroeteren in het oosten bereikt de plateaubegrenzing haar maximale hoogte van 40 meter. Ook in het zuidwesten op de lijn Gellik-Genk-Houthalen kent het plateau een steile begrenzing. De zuidelijke plateaurand bij Gellik is 15 meter hoog en circa 2 kilometer lang. De noordoostrand van Opitter is 7 kilometer lang, de zuidwestrand van Genk is 27 kilometer lang. Ten noorden van de lijn Houthalen-Bree strekt het Kempisch plateau zich in een meer noordwestelijke richting uit. Hier vervaagt de plateaurand; alleen de westelijke begrenzing kan nog vrij goed in het landschap gevolgd worden, maar de hoogte vermindert geleidelijk en de rand verdwijnt ten noorden van Postel. De noordoostelijke plateaurand ter hoogte van Bree is complex, de rand verbrokkelt er in drie componenten (van zuid naar noord): de rand van Grote-Brogel, de rand van Reppel-Kaulille en de rand van Bocholt. De eerste component ligt buiten het bestudeerde gebied. De rand van Reppel-Kaulille vertoont een bochtig tracé over Bree, Gerdingen, Reppel en Neerpelt en heeft een denivellatie van 6 tot 4 meter De rand van Bocholt is het minst uitgesproken met een maximale denivellatie van 2 meter. Deze rand loopt ongeveer parallel met de Zuid-Willemsvaart. Door de geringe hellingswaarden van deze randen, wordt het plateau hier vrijwel niet meer als dusdanig in het landschap ervaren.

Het landschap wordt gekenmerkt door grootschalige compartimenten, gevormd door de vegetatie. Het is een overwegend vlak plateau waarin grote heidevlakten met begroeiing van erica (droge heide) en dop- of hommelheide (natte heide), vennen op bodems met een moeilijk doorlaatbare ijzeroerlaag, naaldhoutaanplantingen en landduinen voorkomen. De bodem kent een pleistoceen fluviatiel hoogterras, en zeer droge zandgronden met grindbijmenging. Op gebied van de landbouw treft men hier vooral veeteelt aan - hokdieren en in mindere mate rundvee - met weiden en maïsaanplantingen als bijhorend bodemgebruik. Op fytogeografïsch gebied behoort dit gebied tot het Kempisch district. Dit wordt onderverdeeld in het Laagkempisch onderdistrict en het Hoogkempisch onderdistrict. Het Laagkempisch onderdistrict omvat het grootste deel van de Kempen. De zeer arme zandgronden zijn hier gedurende eeuwen gebruikt voor een extensieve landbouw, die het oorspronkelijke oerbos, bestaande uit eikenberkenbos met veel zomereik, door brand, begrazing door vee en houtkap degradeerde tot heide. Het Hoogkempisch onderdistrict ligt binnen het Laagkempisch onderdistrict en omvat ongeveer het oostplateau van 80-100 meter hoog. Dit plateau wordt gekenmerkt door een zeer droog substraat. De droge heide gelijkt hier op die van het Laagkempisch onderdistrict, maar de bosrelicten vertonen een relatief continentaal karakter, daar zij gedeeltelijk behoren tot het wintereiken-berkenbos. Naast vochtige heiden, laagveen, en elementen van hoogveen komen in de Hoge Kempen ook veel vijvers voor.

De heidebegroeiing in de Kempen is dus secundair en het resultaat van een prehistorisch degeneratieproces en van het ingrijpen van de mens sinds het late steen tijdperk. Aan dit laatste proces, dat ook tijdens de middeleeuwen voortduurde, konden de zandleemgronden en hun vegetatie beter weerstand bieden dan de zandgronden en hun armere plantentypes. Naar het oerbos verwijzen nog een groot aantal plaatsnamen. De rode- en bosnamen wijzen op ontboste complexen, en zijn gewoonlijk in verband te brengen met laatmiddeleeuwse en latere rooiingsactiviteiten. Zo was het Roderbos (bos van Gruitrode) een uitgestrekt bos van ongeveer 5000 hectare op het grondgebied van de gemeenten Gruitrode, Opitter, Neeroeteren en Opoeteren en bestond na de bovenbeschreven degeneratieprocessen uit heide, kreupelhout en moerassen.

De Kempen vertoont op de Ferrariskaart (1771-77) dan ook een zeer open landschap. De herbebossing, in functie van de houtwinning, begint op zeer bescheiden schaal ten tijde van Maria-Theresia met gebruik van de grove den. De belangrijkste bebossing neemt echter rond het midden van de 19de eeuw een aanvang, en vloeide vooral voort uit het de wet van 1847 die de gemeenten verplichtte, op straf van onteigening, om hun gronden productief te maken. Na 1830 werd de grove den massaal aangeplant, in eerste instantie op de uitgestrekte gemeentelijke heidevelden.

De heide wordt onderverdeeld in soorten naargelang de bodemvochtigheid, dus naar de diepte van de grondwaterstand. Dit gaat van droge heide naar de vochtigere soorten: vochtige en venige heide, moerassig laagveenstruweel en laagveen. Soms ontstaan door winderosie actieve landduinen. Op dit ogenblik is het grootste gedeelte van deze heiden ontgonnen: tot landbouwgronden door het gebruik van kunstmest, of tot naaldhoutakkers.

De voornaamste beken van het gebied hebben hun brongebied op het Kempisch Plateau, in het huidige vennengebied ten oosten van Houthalen, een gebied dat gekarakteriseerd wordt door een hoge grondwaterstand. De Itterbeek, de Abeek en de Bosbeek met hun zijbeken behoren tot het stroomgebied van de Maas. De Abeek wordt ook wel de Molenbeek genoemd, aangezien zich op haar loop 16 watermolens bevonden. In de Kempische beekvalleien werden van oudsher vochtige beemden als hooi- en weiland in cultuur gebracht. Tot het begin van de 20ste eeuw werd er ook turf gestoken, waarbij de turfputten zich ontwikkelden tot moerassige plaatsen. Na de Tweede Wereldoorlog raakte veel hooiland in ongebruik, werd aangeplant met populieren, verruigde tot rietland of evolueerde terug tot elzenbroekbos of laagveen. Op de hogere valleiflanken en de plateaurand komen oude loofbossen en recentere naaldhoutbossen voor.

De beekvalleien geven het algemeen stramien aan waarlangs de vestigingen in dit gebied plaatsvonden, en verklaren de lineaire vorm van deze nederzettingen.

BODEM EN STREEKEIGEN MATERIAAL

Tot het oudste bouwmateriaal, aangewend in de Romaanse bouwkunst van de streek, horen de verschillende soorten breuksteen, die afkomstig zijn uit de plaatselijke ondergrond. Hiertoe behoren vooral de keien van het Maasterras. Dit zijn oude alluviale afzettingen van de Maas, die voorkomen in de bodem van de Kempen tot ongeveer de lijn Genk-Houthalen-Leopoldsburg. De keien zijn onregelmatig van vorm, en werden als dusdanig gebruikt. In de gemeente Opoeteren bleven deze Maaskeien voor de hoevenbouw in gebruik tot in de 19de eeuw.

Vanaf de 14de eeuw wordt dit lokaal ontgonnen materiaal verdrongen door de ingevoerde mergelsteen, een materiaal dat een belangrijke rol in de traditionele bouwkunst speelt tot het midden van de 17de eeuw. Het is een zeer zacht gesteente, wit tot geel van kleur, hoofdzakelijk bestaande uit CaCO3, al dan niet met bijmengingen. In Limburg worden drie soorten mergel ontgonnen. De "tuffeau van Maastricht" (Maastrichtiaan) is een zachte, witgele steen, met groeven te Zichen-Zussen, Kanne en Sint-Pietersberg; er zal verder steeds als "mergelsteen" naar verwezen worden. Tuffeau van Lincent (Midden-Landiaan) en Heersiaan (Onder-Landiaan) werden in het bestudeerde gebied niet gebruikt; zij komen alleen voor in het zuiden van de provincie. De mergelsteen afkomstig uit de groeve van Sibbe bij Valkenburg (Nederland), de enige groeve die nog wordt uitgebaat, wordt thans hoofdzakelijk gebruikt voor restauraties.

De Naamse kalksteen werd reeds vroeg in beperkte mate ingevoerd, doch vanaf de tweede helft van de 17de eeuw verdringt hij de mergelsteen vrijwel volledig. Hij kende een zeer ruim verspreidingsgebied, dat de huidige provincies Luik en Limburg omvat, doch ook buiten de grenzen in het hele Maasland gebruikt werd. Hij onderscheidt zich van de andere hardstenen door het ontbreken van fossielen en de mooie, egale zilvergrijze verweringskleur. Deze steen werd vanuit het zuiden van België via de Maas ingevoerd; de meest noordelijke groeve is die van Visé, 15 kilometer ten zuiden van Maastricht. Het was tot het midden van de 19de eeuw de enige gebruikte natuursteen; daarna verdwijnt hij als bouwmateriaal, om plaats te maken voor natuursteen van diverse, dikwijls buitenlandse oorsprong.

De vakwerkwerkbouw, die zich in midden-Limburg tot het begin van de 20ste eeuw wist te handhaven, verdween als bouwwijze in het bestudeerde gebied vrijwel volledig na het midden van de 19de eeuw.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Vroegste tijden

Het bestudeerde gebied is vanaf de prehistorie bewoond. De tot nog toe best gekende nederzettingen zijn die op de hoogten en de hellingen van de Maasterrassen en het Kempisch Plateau. Aangezien de Maas in deze periode nog niet haar definitieve bedding gevonden heeft, en de huidige alluviale vlakte, aan de voet van het Kempisch Plateau, een zeer breed, moerassig gebied was, voortdurend onderhevig aan overstromingen, is men er steeds van uitgegaan dat dit gebied toen onbewoond was, of in ieder geval geen continue bewoning heeft gekend. Toch is hierover nog te weinig onderzoek gedaan om zekerheid te hebben. De sporen van menselijke aanwezigheid klimmen op tot het paleolithicum. Ook het mesolithicum is met enkele vondsten vertegenwoordigd. Neolithische vondsten zijn over heel het gebied overvloedig. Merkwaardig zijn de ringwalheuvels met graven uit de Bronstijd in Gruitrode en Meeuwen.

Tussen 1200 voor Christus en 900 voor Christus heeft een grote invasie plaats, die in onze streken proto-Keltische volksstammen brengt, en waarbij men kan spreken van echte kolonisatie, met werkelijke dorpsstichtingen. Ook de ijzertijd, die in deze streken begint circa 600 voor Christus gaat gepaard met een volkereninvasie uit Midden-Europa. In de La Tène-periode, de laatste fase van de ijzertijd, trekken Germaanse stammen over de Rijn het gebied binnen. In Limburg en de omliggende streken zijn dit de Eburonen, die echter ook Keltische elementen omvatten. ijzertijdvondsten komen voor over een groot gedeelte van het bestudeerde gebied.

De Romeinse tijd

De Romeinen verschijnen in 57 voor Christus in Noord-Gallië. Nadat de Eburonen zich aanvankelijk aan Caesar onderwerpen, komt de stam in 54 voor Christus onder leiding van Ambiorix in opstand, wat in 51 voor Christus leidt tot hun vrijwel volledige uitroeiing. Hun plaats wordt ingenomen door een Germaanse volksstam, de Tungri, die zich met de goedkeuring van de Romeinen in de streek vestigen, en hun hoofdstad hebben in Atuatuca Tungrorum, het huidige Tongeren. Binnen het Romeinse staatsbestel maakt de Civitas Tungrorum deel uit van de provincie Gallia Belgica, vanaf eind 3de eeuw van de provincie Germania Secunda. Er breekt een tijd van rust en relatieve welvaart aan voor de streek. Dit heeft mede te maken met het feit dat Limburg als hinterland fungeert voor de strategisch zeer belangrijke Rijngrens, waardoor het gebied voorzien wordt van een uitgebreid wegennet. Deze wegen bevorderen in aanzienlijke mate het handelsverkeer, waarin weldra ook de grote rivieren, Rijn en Maas een rol gaan spelen. Knooppunt van deze wegen zijn het castellum Maastricht, gebouwd ter bescherming van de Maasovergang, en de belangrijke stad Tongeren. Voor het bestudeerde gebied is de heirbaan Tongeren-Nijmegen langs de linker Maasoever belangrijk. Het is een aftakking van de heirbaan Boulogne-Bavais-Tongeren-Keulen, en wordt aangelegd in het eerste kwart van de 1ste eeuw. Andere bronnen spreken van de jaren 69-70. Het tracé is over het hele gebied bekend en valt grosso modo samen met de huidige Rijksweg N 78 Tongeren-Maaseik. De weg is aangelegd op de rand van de laagterassen, zo dicht mogelijk bij de oude afgesneden meanders die de alluviale vlakte aan de westzijde begrenzen. Hij kon dus niet overstroomd worden en lag toch zo dicht mogelijk bij de vruchtbare vlakte. De weg geeft dus een indicatie over de loop van de rivier in deze periode, die aanzienlijk westelijker was dan tegenwoordig. De burgerlijke nederzettingen aan deze heirbaan ontstaan voornamelijk in de 2de eeuw. Waarschijnlijk wordt de streek niet zo intensief gekoloniseerd als het zuiden van de provincie Limburg, maar er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de vruchtbare Maasvlakte, die toch waarschijnlijk een vrij dichte bewoning kende, en de eigenlijke Kempen. Toch komt ook in het Maasland het grote type Romeinse villa, de zogenaamde villa urbana, vrijwel niet voor. Veel talrijker zijn de kleinere villae rusticae, met een bijhorend landbouwareaal van 500 tot 3000 hectare. In vrijwel alle Limburgse Maasdorpen worden sporen van dergelijke villae aangetroffen.

Van de eerste Frankische invallen in de tweede helft van de 3de eeuw, die de vorm hebben van destructieve plundertochten en het einde betekenen van vele villae, getuigt onder meer het feit dat in Kaulille verscheidene ontginnings- en bewoningsplaatsen in deze periode worden verlaten om pas in de Middeleeuwen opnieuw ontgonnen te worden. Waarschijnlijk wordt in deze periode ook de Rijngrens ten dele prijsgegeven en begint de Maas als versterkte verdedigingslinie een rol te spelen, waarbij slechts een beperkt aantal nederzettingen ten oosten van de rivier als vooruitgeschoven posten in stand worden gehouden. De heerschappij van de Romeinen in het bestudeerde gebied neemt met de val van Keulen rond het midden van de 5de eeuw een einde.

De vroege middeleeuwen

De twee eeuwen na de val van het Romeinse rijk bieden zeer weinig gegevens. In 561 worden zowel Belgisch als Nederlands Limburg ingedeeld bij Austrasië, het oostelijk deel van het Frankische rijk. Reeds tijdens de Romeinse periode bestond een bisdom Tongeren met de stad Tongeren als zetel. Mogelijk is deze zetel in de tweede helft van de 6de eeuw in Maastricht gevestigd, tot in circa 717 definitief Luik als bisschopszetel gekozen wordt. Vóór de 7de eeuw mag men echter met zekerheid aannemen dat het christendom in de Limburgen een stedelijk fenomeen was, dat zich beperkte tot Tongeren en Maastricht.

De meeste nog bestaande nederzettingen in het Maasland ontstaan waarschijnlijk tijdens en kort na de Frankische landname van de 5de en 6de eeuw. Typisch is hun nederzettingspatroon in T-vorm tussen de Maas en de ermee parallel lopende Romeinse heirbaan: één hoofdweg loopt parallel met de Maas en leidt naar de akkers, haaks hierop staat de weg die, de Romeinse heirbaan kruisend, naar de heide en de gemene weidegronden leidt. Alle kerken van deze nederzettingen lagen oorspronkelijk vlak bij het water, en meestal raakte het kerkhof aan de stroom, wat vanuit strategisch oogpunt een goede verdediging vormde. De Kempische dorpen zijn meestal van jongere datum, en klimmen op tot de Merovingisch-Karolingische periode. Deze dorpen met hun vrij groot grondgebied zijn in feite een late samenvoeging van verschillende kleine nederzettingen, die als gehuchten in het latere dorp blijven voortbestaan, en elk dikwijls even belangrijk of belangrijker was dan de eigenlijke dorpskern. Deze laatste ontstaat in de periode van de parochiestichtingen, rondom de nieuw gebouwde kerk. De dorpskerk heeft dus centraliserend gewerkt, onder haar invloed worden verscheidene en dikwijls ver van elkaar gelegen nederzettingen tot één parochie en gemeente gefuseerd. Dit fusieproces heeft meestal niet vóór de llde-12de eeuw plaatsgevonden, aangezien de parochiekerken niet ouder zijn. Deze Kempische gehuchtennederzettingen zijn vrijwel alle van het rivierdalnederzettingstype: de bewoning concentreert zich op de dalwand van een beek of riviertje, op de overgang van de hoge naar de lage gronden, wat steeds een soort lintbebouwing met zich meebrengt. De vochtige valleigronden worden als weilanden en hooilanden gebruikt, de hoger gelegen dalwanden als akkers. Elk gehucht heeft, boven op het plateau, een zogenaamde heerdgang, de uitgestrekte vroente of gemene heide, waarop een buurtschapherder het vee hoedt. De oudste van deze gehuchten ontstaan waarschijnlijk in de 7de en 8ste eeuw. De ontginning van de heidegronden boven op het plateau gebeurt pas vanaf de 11de eeuw.

In Austrasië spelen een aantal machtige geslachten van grootgrondbezitters een belangrijke rol. Hiertoe behoren Arnulf van Metz en Pepijn I van Landen, die tot de leiders van de Austrasische aristocratie behoren. Door het huwelijk van Ansegisel, zoon van Arnulf van Metz met Begga, dochter van Pepijn I, verwerft hun zoon Pepijn II een geweldig grondbezit. Hierdoor komen de streken aan de Maas in het machtscentrum van bet Frankische rijk te liggen. De Pepiniden, die in de 8ste eeuw ook formeel het koningschap verwerven zijn voor het zuiden van Limburg een inheems geslacht.

Vanaf het midden van de 7de eeuw kan men spreken van een eerste grote missioneringsactie in de beide Limburgen. De uit Aquitanië afkomstige missionaris Amandus wordt volgens de overlevering in 646 bisschop van het bisdom Tongeren in Maastricht, van waaruit hij de streek kerstent. Hij zou in Maastricht de Sint-Servaaskerk en de Onze-Lieve-Vrouwekerk gebouwd hebben, die beide een belangrijke rol spelen in de kerkenstichtingen in het bestudeerde gebied. De grote christianisatie-periode speelt zich voor het bestudeerde gebied echter hoofdzakelijk af in de 8ste eeuw. Dit proces wordt sterk gestimuleerd door de plaatselijke grootgrondbezitters, waaronder de Pepiniden zelf. In deze context situeert zich de stichting van de abdij van Aldeneik (Maaseik) in circa 720, voor de twee dochters van de Frankische edelman Adelard, waarschijnlijk een lid van de Arnulfingers-Pepinidenstam. Aan de basis van de stichting ligt het missioneringswerk van de Angelsaksische Willibrordus, die in het bestudeerde gebied, en vooral in de Kempen een belangrijke rol speelt. De kerken en kapellen, door hem gesticht of aan hem toegewijd, behoren tot de oudste stichtingen in het gebied. De abdij van Aldeneik daarentegen heeft slechts een beperkte uitstraling. Het grootste aantal parochiestichtingen in het Kempische gedeelte van het bestudeerde gebied zijn lekenstichtingen, voornamelijk door de graven van Loon, nadat deze gebieden in de 11de eeuw in hun bezit zijn gekomen. Zij dateren dus meestal uit een vrij late periode.

De uitstraling van Aken, residentie van Karel de Grote, speelt voor het zuiden van Limburg een belangrijker rol dan voor het bestudeerde gebied. Er is weinig bekend over de bestuurlijke indeling van het Frankische rijk onder de Merovingers en Karel de Grote. Er bestond een gouw Masau (Maasgouw, pagus Mosariorum), waartoe het oostelijke-, Maaslandse gedeelte van het bestudeerde gebied behoort. Het is een zeer oud graafschap, dat reeds in de eerste helft van de 7de eeuw vermeld wordt. In deze gouw bevond zich de belangrijke plaats Cassalum, vermeld in 950, en waarvan de identificatie nog steeds onzeker is. Kessenich, Kessel onder Rotem, Kessel bij Roermond, Neeroeteren en Thorn worden allen als mogelijkheden naar voren geschoven. Het westelijk, Kempische gedeelte van het bestudeerde gebied behoorde tot de gouw Taxandria.

Door het verdrag van Verdun (843) komt het bestudeerde gebied te liggen in het Middenrijk, dat toegewezen wordt aan Lotharius I. In het verdrag van Meerssen (870) wordt de Maas de grens tussen West- en Oost-Francië, maar deze regeling wordt in 880 ongedaan gemaakt, en het hele bestudeerde gebied komt te liggen in Oost-Francië, waardoor het tot de Franse Revolutie deel gaat uitmaken van het Duitse rijk.

De Maasgouw, waarvan de omvang moeilijk kan geschat worden, is reeds vóór 870 verdeeld in een Opper- en Neder-Maasgouw. Bij het verdrag van Meerssen worden deze gouwen nog verder verdeeld: een noordelijk deel links van de Maas, rondom Maaseik en Cuijk (Nederland) wordt afgesplitst, evenals een zuidelijk deel aan de rechterzijde van de Maas rond Susteren (Nederland) en Wassenberg (Nederland).

Terwijl men voor het zuiden van de provincie vrij goed is ingelicht over de invallen en plundertochten van de Noormannen, die vooral tussen 879 en 884 een grote impact hadden, is voor het Maasland en de Kempen hierover weinig bekend. De ondergang van de vrouwenabdij Aldeneik is een tijdlang toegeschreven geweest aan activiteiten van de Noormannen, maar deze thesis wordt thans niet meer gevolgd.

De verzwakking van het centrale koninklijke gezag in de 9de eeuw leidt tot de erfelijkheid van ambten, beneficia en lenen, en luidt de feodale periode in. Hoewel de Duitse koningen en later keizers er aanvankelijk beter in slagen hun centrale gezag te handhaven dan de Franse koningen, kennen zij toch ook geduchte tegenstanders, vooral in het geslacht van Reinier Langhals (877-915), waarvan de leden als hertogen van Lotharingen een grote onafhankelijkheid weten te verwerven. Hieraan komt een einde door het optreden van Otto I de Grote (936-973), die hiervoor onder meer gebruikt maakt van het Rijkskerkensysteem, waarbij aan bisschoppen en abten de wereldlijke macht wordt toegekend in hun gebied. Bisschoppen worden op die manier prins-bisschoppen en zijn, aangezien de erfelijkheid in hun opvolging geen rol speelt, veel nauwer gebonden aan de macht van de keizer. In deze context situeert zich de omvorming van het bisdom Tongeren-Luik naar het prinsbisdom Luik, waarbij de prins-bisschop een tegelijk wereldlijke en geestelijke heerser is, en tot de keizer in een verhouding staat van leenman-leenheer. Het is bisschop Notger (972-1008) die door de Duitse keizer als eerste prins-bisschop wordt aangesteld en van hem de immuniteit in zijn bisdom verkrijgt.

Een voor het bestudeerde gebied in deze periode belangrijk geslacht is dat van de Ansfrieds. De eerste Ansfried zou vijftien graafschappen bezeten hebben, waarvan voorts niets is geweten. Zijn neef, Ansfried de Jonge is vanaf 950 graaf van de Maasgouw. Hij wordt in 995, op aandringen van bisschop Notger, bisschop van Utrecht. Deze Ansfried, die een neef is van Otto I en hem op zijn Italiaanse expedities vergezelt, sticht in 992 voor zijn vrouw en dochter de abdij van Thorn (Nederland), vlak bij Kessenich. Deze abdij zal een rol gaan spelen in verschillende gemeenten van het bestudeerde gebied. Van hieruit worden ook de kerken van Beek, Neeroeteren en Heppeneert gesticht.

De middeleeuwen

In de 11de eeuw vormt zich het graafschap Loon, dat gedurende drie eeuwen een staatkundige eenheid zal bieden aan het grootste gedeelte van de huidige provincie Belgisch Limburg. De graven, vazallen van de Duitse keizer, vormen hun graafschap vanuit twee kernen, de 10de-eeuwse graafschappen Hocht met kern in Lanaken, en Avernas, ten westen ervan. Dit oorspronkelijke kerngebied strekt zich dus uit vanaf het zuidelijk deel van het Kempisch plateau tot in Haspengouw, met als grafelijke residentie de burcht van Borgloon. Reeds in 1008 wordt het Maasland, een deel van de oude Maasgouw, door de Duitse keizer aan de graven van Loon in leen gegeven. In de loop van de 11de en 12de eeuw weten de graven hun gebied nog uit te breiden met onder meer Taxandria, waartoe het westelijk deel van het bestudeerde gebied behoort. Circa 1200 heeft het graafschap Loon zijn grootste uitgestrektheid bereikt, grosso modo overeenkomend met de huidige provincie Belgisch Limburg. Alleen langsheen de linkeroever van de Maas blijft een brede strook buiten het graafschap. Hier bevinden zich een aantal vrije rijksheerlijkheden, onder meer Kessenich, in het bestudeerde gebied.

Aangezien deze gebiedsuitbreiding ten koste gaat van de territoriale ambities van zowel de prins-bisschop van Luik als van de hertog van Brabant, staat het graafschap dan ook onder constante druk vanwege deze machtige buren.

Het graafschap Horn, Horne of Hoorn, thans gelegen in Nederland, aan de noordgrens van het graafschap Loon, speelt een bescheiden rol in de geschiedenis van het bestudeerde gebied. De gemeenten Ophoven en Geistingen maken deel uit van dit graafschap. De heer van Horn is leenman van de graaf van Loon en voogd van de abdij van Thorn. De familie van Horn levert een prins-bisschop, en de laatste graaf van Horn, Filips de Montmorency wordt in 1568 samen met Lamoraal van Egmont in opdracht van de hertog van Alva te Brussel onthoofd; zijn tweelingbroer Floris wordt in 1570 tijdens zijn gevangenschap in Spanje gewurgd. Het graafschap Horn wordt daarna door de prins-bisschop van Luik ingelijfd.

Een andere noordbuur van het graafschap Loon is het graafschap Gelre, vanaf 1339 hertogdom. De Gelderse graven zouden uit Vlaanderen afkomstig zijn, en worden in het begin van de 11de eeuw door de Duitse koning beleend met goederen en ambten in de streken tussen Maas en Rijn. Gerard I van Wassenberg, die zich in 1104 graaf van Gelre noemt, is één van hun afstammelingen. Door gebiedsuitbreiding in de 12de en 13de wordt het graafschap een belangrijk machtscentrum.

Het grootste gedeelte van de in deze studie beschreven gemeenten gaan tijdens de vorming van het graafschap Loon deel uitmaken van het persoonlijk domein van de graven. Een aantal van deze gemeenten waren oorspronkelijk kerkelijk bezit, onder meer van het Sint-Servaaskapittel van Maastricht. Beek, Neeroeteren en Heppeneert, door Ansfried in 992 aan de door hem gestichte abdij van Thorn geschonken, blijven eigendom van de abdij gedurende het hele ancien régime. Tongerlo en Elen behoren tot het zogenaamde "patrimonium van Sint-Adelardus", neef en minister van Karel de Grote. Ze komen na zijn dood in het bezit van de abdij van Corbie in Picardië. Reppel behoort tot het patrimonium van Sint-Willibrordus. Hij schenkt het in 725 of 726 aan de door hem gestichte abdij van Echternach. Een vrij groot gedeelte van het persoonlijke domein van de graven van Loon, vooral in de Kempen, wordt nooit beleend en gaat in 1366 rechtstreeks over naar de prins-bisschop van Luik, die in deze gemeenten, zoals de graven van Loon vóór hem, de heerlijke rechten uitoefent. De grote uitgestrektheid van sommige van de heerlijkheden in de Kempen, en het vermelde feit dat een aantal nooit beleend worden, wijst erop dat dit gedeelte van het gebied door zijn onvruchtbare bodemgesteldheid onaantrekkelijk was, en een heel andere ontwikkeling kende dan het vruchtbare Haspengouw, dat versnipperd raakte in een zeer groot aantal kleine gemeenten.

De gemeenten Stokkem, Dilsen en Rotem raken in de geschiedenis bekend als de "Drie Banken", de gemeenten Bree, Beek, Gerdingen en Reppel als de "Vier Crispelen", terwijl Kessenich, Neeritter en Thorn de "Drie Eygen" genoemd werden. Het Maasland bezat een eigen leenhof, gevestigd in Maaseik.

In het bestudeerde gebied ontwikkelen Bree, Stokkem en Maaseik zich tot steden. Maaseik behoort tot de speciale categorie steden die door een landsheer gesticht worden vanuit een onbetekenende nederzetting omwille van financiële, economische of strategische redenen; de nederzetting Nova Eycke ontwikkelt zich met de steun van de graaf van Loon ten koste van het oudere, Maaslandse centrum Aldeneik, dat al zijn invloed verliest. In Stokkem en Maaseik richten de graven van Loon een burcht op. Al deze steden blijven echter, in tegenstelling tot Maastricht, Sint-Truiden en Tongeren, kleine centra met een beperkte marktfunctie en een vooral agrarisch karakter. Toch komt er, vooral in Maaseik, een beperkte lakennijverheid tot bloei.

Ook de Maashandel, die uitvoerig besproken wordt in het hoofdstuk over de economie, zorgt voor inkomsten en werkgelegenheid.

De Kruistochten hebben voor Limburg als belangrijkste repercussie de vestiging van de Duitse Orde in de landcommanderij van Alden Biesen (1220). In Gruitrode, binnen het bestudeerde gebied, wordt in 1417 een commanderij van de Duitse Orde opgericht, waardoor deze orde zich tot één van de grootgrondbezitters in dit gebied ontwikkelt.

Het begin van de 13de eeuw wordt gekenmerkt door de Brabantse expansiedrang naar het oosten, aanvankelijk geconcentreerd op Maastricht, door de brug over de Maas één van de belangrijkste punten aan de handelsweg van Vlaanderen naar Keulen, en een potentiële basis voor bezitsuitbreiding ten oosten van de Maas. Deze ambities worden gedwarsboomd door de graven van Loon, de graven van Gelre, de bisschop van Luik en de aartsbisschop van Keulen. In de eerste helft van de 13de eeuw heeft er ook een beperkte gebiedsuitbreiding van de graaf van Gelre plaats, die in het bestudeerde gebied allodia verwerft in Kessenich. Ook de graaf van Gulik weet in de 13de eeuw zijn gebied uit te breiden en zijn macht te stabiliseren. Het graafschap Gulik, later hertogdom, strekt zich uit ten noorden en oosten van Aken; de gebiedsuitbreiding bereikt in de 14de eeuw de oostelijke oever van de Maas. De aanhoudende Brabantse agressie geeft in 1318 aanleiding tot een oorlog om Valkenburg, waarbij de hertog van Brabant de graven van Gulik, Gelre en Loon en de prins-bisschop van Luik tegenover zich vindt. In deze context situeert zich de verwoesting van de burcht van Stokkem door Brabantse troepen.

De ondergang van het graafschap Loon wordt reeds in 1246 voorbereid, wanneer het Luikse kapittel door de hogere rijksinstanties laat bevestigen dat elk kerkelijk leen naar de suzereine kerk moet terugkeren wanneer de vazal zonder mannelijke opvolger sterft. Vanaf het einde van de 13de eeuw begint het kapittel het leenheerschap over heel het graafschap op te eisen, niet alleen op de oorspronkelijke kerkelijke goederen. Wanneer Lodewijk IV, graaf van Loon, in 1336 kinderloos sterft, worden de Luikse annexatieambities nog een tijdlang gedwarsboomd door het aanduiden, met steun van de rijksinstanties, van Dirk van Heinsberg, neef van Lodewijk, als opvolger, en door de toenadering van de Loonse gravenfamilie met de familie de la Marck. Aangezien Dirk van Heinsberg de moeilijkheden met het Luikse kapittel voorziet, keurt hij verscheidene leningen goed om de stad Maaseik te omwallen. Bij de kinderloze dood van van Heinsberg in 1361 wordt het Haspengouwse gedeelte van het graafschap zonder noemenswaardige tegenstand door Luikse troepen bezet. Op 5 april van dat jaar wordt prins-bisschop Engelbert de la Marck uitgeroepen tot graaf van Loon, en het Maasland wordt in de loop van mei bezet. De burcht van Stokkem is het toneel van de laatste fase van de Loonse Successieoorlog. Godfried van Dalenbroeck, de laatste pretendent, trekt zich terug in de burcht, die 25 dagen weerstand biedt. Daarna capituleren ook de steden Maaseik en Bree. Hoewel vanuit het Rijk bij monde van Karel IV principiële protesten worden geuit tegen de gang van zaken, komt het enige effectieve verzet van de adel en de steden van het Maasland. Dit schijnt te wijzen op het bestaan van een zekere vorm van Maaslands nationaliteitsgevoel. In 1366 wordt het graafschap Loon officieel een deel van het prinsbisdom Luik.

De 14de eeuw schijnt voor het bestudeerde gebied een vrij rustige periode, met een zekere welstand tot gevolg. De rust wordt slechts verstoord door een aantal conflicten over gemeentegrenzen in de heide. Gezien het grote economische belang van de gemene heidegronden voor de Kempische landbouw, is het onvermijdelijk dat er betwisting zou ontstaan over de moeilijk af te bakenen grenzen. Deze heidetwisten zijn vaak gewelddadig. De bekendste is de strijd van de Drie Eygen -Kessenich, Neeritter en Thorn- met de inwoners van Bree, Tongerlo en Beek. In 1441 komt de Hasseltse militie ten voordele van deze laatste gemeenten gewapenderhand tussenbeide en richt samen met de inwoners veel schade aan in het Maasland. Dit soort conflicten geeft aanleiding tot soms eeuwenlange processen, waarvan de laatste pas in de tweede helft van de 19de eeuw hun beslag vinden.

De Bourgondische oorlogen

De grote internationale en nationale conflicten van de 15de eeuw maken een einde aan de rust. Het prinsbisdom Luik, en daarmee ook het Land van Loon, raken betrokken bij de Europese politiek, die Frankrijk tegenover Bourgondië, later Habsburg-Bourgondië stelt. De Luikse bisschoppen Jean de Bavière (1390-1417), Jean de Heinsberg (1419-1455) en vooral Louis de Bourbon (1456-1482) zijn, om zich tegenover de Luikse volkspartij te handhaven, steeds meer aangewezen op Bourgondische steun. De volkspartij daarentegen zoekt steun bij de Franse koning. De Luikse milities worden in 1408 door hertog Jan zonder Vrees verslagen te Othée. De opstand wordt in 1456 algemeen wanneer Filips de Goede zijn neef, Louis de Bourbon, tot prins-bisschop laat benoemen. De Luikse en Loonse milities worden in 1456 verslagen te Montenaken. Na de dood van Filips de Goede komen de steden opnieuw in opstand, maar ze worden in 1467 door Karel de Stoute verslagen te Brustem. Na een laatste opstand wordt Luik in 1468 door Karel de Stoute belegerd en met de grond gelijk gemaakt. Jan de Wilde, vrijheer van Kessenich, is één van de leiders in de strijd tegen de Bourgondiërs. Hij sneuvelt bij het beleg van Luik als aanvoerder van één van de laatste, wanhopige uitvallen.

De strijd kent zijn repercussies in het bestudeerde gebied. De steden Maaseik en Bree moeten zich in 1467 aan de hertog van Bourgondië onderwerpen en worden verplicht hun omwalling af te breken, een bevel dat echter waarschijnlijk nooit volledig uitgevoerd wordt. Wel verdwijnt vanaf deze periode elke vermelding van de burcht van Maaseik.

Na de dood van Karel de Stoute in 1477 kan Luik zich van de Bourgondische overheersing bevrijden en haar zelfstandigheid herwinnen. In 1469 heft prins-bisschop Louis de Bourbon het onafhankelijke leenhof van Maaseik op en laat het samensmelten met het prinselijk leenhof van Kuringen. Hiermee verdwijnt elke herinnering aan een zelfstandig Maasland.

Het bestudeerde gebied heeft ondertussen zwaar te lijden onder de dertig jaar durende burgeroorlog tussen de familie de la Marck en de prins-bisschoppen Louis de Bourbon en Jean de Hornes (van Horn, 1483-1505). Gesteund door de Franse koning komt Guillaume de la Marck, bijgenaamd het Everzwijn van de Ardennen, in 1482 tegen Louis de Bourbon in opstand, verslaat het bisschoppelijk leger en doodt de prins-bisschop. Hierop grijpt aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk in. Guillaume de la Marck wordt verslagen en in 1485 terechtgesteld. Zijn broer, Erard de la Marck, zet de strijd voort. De burcht van Stokkem en de vesting Maaseik spelen een belangrijke rol in dit conflict, terwijl het platteland krijgt af te rekenen met rovende en plunderende troepen. Bovendien woedt er in de jaren 1470 een pestepidemie in het gebied. De gevolgen van het conflict zijn bijzonder zwaar voor het Land van Loon: volgens sommige bronnen zou twee derden van de bevolking er het leven bij verloren hebben en het grootste gedeelte van de akkers bleven gedurende lange tijd braak liggen. De vrede van 1492 brengt vanwege Frankrijk en Maximiliaan van Oostenrijk een erkenning van de Luikse neutraliteit mee. Zij maakt ook een einde aan de macht van de gilden en ambachten van de Luikse en Loonse steden, en luidt een periode in van absolutistisch bewind vanwege de prins-bisschoppen.

De strijd in en om het hertogdom Gelre om de onafhankelijkheid (1477-1543), aanvankelijk ten opzichte van de Bourgondiërs, later van hun erfgenamen, de Habsburgers Maximiliaan van Oostenrijk en Karel V, heeft beperkte repercussies in het bestudeerde gebied. Gelre wordt gesteund door de Franse koning, die van het Maasland en Gelre een operatiebasis wil maken en een territoriale wig wil drijven tussen de Nederlanden en het Duitse rijk. De strijd eindigt in 1543 met de overgave van Gelre aan Karel V, en de inlijving van het hertogdom bij de Habsburgse Nederlanden. De plunderende en rovende Gelderse troepen, vooral die onder de beruchte Marten van Rossum, en de tegenactie door de troepen van landvoogdes Maria van Hongarije, zijn op bepaalde momenten een zware last voor het Land van Loon, vooral voor de kwartieren Maaseik, Bree en Stokkem. Toch is de eerste helft van de 16de eeuw, en vooral het episcopaat van Erard de la Marck (1506-38) voor het hele gebied een periode van relatieve voorspoed, die nadien tijdens het ancien régime niet meer geëvenaard wordt.

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de Dertigjarige Oorlog (1618-1648)

Het Lutheranisme heeft in de landen van Luik en Loon weinig aanhang. De anabaptisten echter weten een vrij grote aanhang te verwerven in het noorden van het gebied. Door de tolerante houding van de hertog van Gulik kan de leer vanuit het hertogdom in het aangrenzende Maasland, en vooral in Maaseik gemakkelijk verspreid worden. In Maaseik, Hasselt en Maastricht raken de katholieken in 1566 zelfs in de verdrukking, waardoor prins-bisschop Gerard van Groesbeek verplicht is troepen te sturen. Hasselt en Maastricht geven zich over, Maaseik capituleert in 1567. Over het algemeen is de vervolging van ketters in het Land van Luik gematigd.

De Tachtigjarige Oorlog (1567-1648) maakt een einde aan de periode van rust. De opstand tegen het Spaanse gezag breekt los wanneer de hertog van Alva landvoogd der Nederlanden wordt (1567). Willem van Oranje, die zich had teruggetrokken in zijn Duitse bezittingen, steekt in 1568 met zijn leger de Maas over te Stokkem.

Hoewel het prinsbisdom in de conflicten neutraal is en niet aan de vijandelijkheden deel neemt, zijn er een aantal elementen dat maakt dat Luik en Loon toch zwaar door de strijd worden getroffen. Om te beginnen vormt het gebied een barrière tussen Duitsland, waar Willem van Oranje zijn bezittingen heeft en zijn legers verzamelt, en Brabant, met de regering in Brussel, die het uiteindelijke doel van zijn acties zijn. Een tweede element is de hevige strijd die gevoerd wordt om het bezit van Maastricht, de belangrijkste Maasovergang en de verbinding tussen Nederland en Duitsland. De voortdurende strijd om Maastricht is vooral voor het noordoostelijk deel van het Land van Loon, waartoe het bestudeerde gebied behoort, bijzonder zwaar, zoals Maaseik aan den lijve ondervindt. De verovering van Maastricht in 1579 door Alexander Farnese, hertog van Parma, maakt het daaropvolgende Spaanse offensief tegen de opstandige gewesten vanuit het oosten en het zuiden mogelijk, waarbij de Maas als belangrijke noord-zuidverkeersweg voor legertransporten fungeert. In 1632 gaat Maastricht door de verovering van Frederik Hendrik van Nassau in Staatse handen over, en de daaropvolgende periode van de oorlog wordt gekenmerkt door een nieuw Staats offensief tegen de Zuidelijke Nederlanden. Een gevolg van de oorlog, waar de lokale bevolking steeds weer mee geconfronteerd wordt, is de muiterij van onbetaalde troepen, die zich op de onbeschermde plattelandsbevolking verhalen. Dit is minder een probleem voor de Staatse troepen, die vrij regelmatig en goed betaald worden, maar des te meer voor de Spaanse troepen, waar het uitblijven van soldij een haast jaarlijks gegeven is. Deze verschillende elementen maken dat het Land van Luik, en vooral Loon, gedurende de hele periode het toneel is van militaire aanwezigheid en troepenbewegingen.

Eén van de meest geduchte plagen zijn de winterkwartieren van vreemde troepen. Tussen eind oktober en begin april wordt niet gevochten, vooral omwille van het gebrek aan bevoorrading. De troepen worden daarom bij de bevolking ondergebracht. In principe gebeurt dit mits schadeloosstelling voor de gemaakte onkosten, maar in de praktijk gebeurt dit vrijwel nooit. Het gevolg is dat de toch al beperkte plaatselijke voorraden volledig verbruikt worden, waardoor de bevolking aan hongersnood blootstaat. Zeer geducht zijn de kleine groepen soldaten, die meer weg hebben van rovers dan van krijgslieden. Het verteer van vier officieren, twee wachtmeesters en 48 ruiters in 1697 kost de gemeente Bocholt op een week tijd bijna een vierde van het jaarlijks gemeentebudget. Een gebruikelijke manier om aan inkwartiering te ontsnappen is het afkopen ervan, de zogenaamde "sauvegarde". Doch ook hierdoor geraken vele gemeenten diep in de schulden. Vele dorpelingen zijn niet meer in staat hun gemeentebelastingen te betalen, zijn verplicht hun goederen te verkopen en vervallen in armoede. Op het platteland en vooral in de Loonse Kempen zijn tijdelijke vlucht voor de krijgsverrichtingen, achtergelaten erven en vooral definitieve uitwijking een algemeen verschijnsel. De meeste gemeenten zijn vanaf het einde van de 16de eeuw verplicht zware leningen aan te gaan om hun schulden te betalen, een last die tot het einde van de 18de eeuw blijft drukken.

Ondertussen heeft het gebied ook te lijden van verschillende grote pestepidemieën. In 1579 woedt de al geruime tijd sluimerende pest in volle hevigheid. De epidemie van 1579-80 decimeert de bevolking van de Bank van Pelt, waartoe de gemeente Kaulille behoort. Een groot gedeelte van de bevolking van Maaseik sterft tijdens de epidemie van 1586-87.

Ook het eerste decennium van de 17de eeuw is een onrustige periode. Het grootste onheil wordt berokkend door de troepen van Albrecht en Isabella. In de winter van 1599 laten zij zich in Hamont neer, waardoor deze plaats het centrum wordt van de grote Spaanse muiterij van de jaren 1601-02. In 1600 overvallen en plunderen zij Maaseik, twee jaar later het Land van Thorn. In 1604 worden Beringen en Bree met de naburige dorpen overvallen en geplunderd. Het jaar 1604 is bovendien bijzonder onvruchtbaar, zodat ook hongersnood heerst. Het Twaalfjarige bestand brengt een merkelijke verbetering van de toestand, en de Spaanse huurlingen verdwijnen uit het Land van Luik.

De laatste fase van de Tachtigjarige Oorlog vloeit in het bestudeerde gebied samen met de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), die in Duitsland woedt en waarin ook Spanje, Zweden en Frankrijk betrokken zijn, terwijl de Republiek de protestanten van het Rijnland steunt. In Luik woedt van 1613 tot 1649 de strijd tussen de bisschopsgezinde en door Spanje gesteunde Chiroux, en de Grignoux, de volkspartij, die zich verzet tegen de absolutistische maatregelen van de bisschop en de steun krijgt van Frankrijk. Prins-bisschop Ferdinand van Beieren treft de noodlottige maatregel de hulp in te roepen van Jan van Weert, die in de Dertigjarige Oorlog aan de zijde van de keizer vocht, en die van februari tot juni 1636 met zijn troepen, 4000 voornamelijk croaten (licht bewapende ruiters), plunderend en rovend door het Land van Luik trekt.

Toch wordt er naar maatregelen gezocht om de plattelandsbevolking te beschermen. De prins-bisschop heeft van de Staten nooit de toelating gekregen tot het oprichten van een echt nationaal leger. Een eerste poging tot het vormen van een zekere defensieve macht op het platteland is de oprichting van de huyslieden in 1577. Tot de huyslieden behoren alle weerbare mannen tussen 18 en 59 jaar, onder bevel van een kapitein. Zij zijn verplicht zich bij het luiden van de stormklok te bewapenen en te verzamelen. Ook de omringende dorpen zijn verplicht in geval van nood hulp te bieden. Slecht bewapend en slecht getramd hebben deze huyslieden tegen beroepssoldaten echter bijzonder weinig kans.

De plattelandsbevolking zoekt ook naar middelen om zichzelf te beschermen. In de middeleeuwen bestond de bescherming van een dorp uit de hagen rondom de huisweiden en boomgaarden, die het dorp omringden; de toegangswegen tot het dorp werden met een slagboom afgesloten. Wanneer er aan het einde van de 16de eeuw voor het eerst sprake is van grote troepenbewegingen doorheen het hele gebied, en de Spaanse soldaten aan het muiten slaan, blijkt dat deze bescherming absoluut onvoldoende is. Er kon ook gevlucht worden in de kerken, wat in Haspengouw en het Maasland geregeld gebeurde, en, eveneens in Haspengouw, soms in de hoeven van de grote boeren. Waarschijnlijk dateert de ommuring van de kerkhoven uit deze periode. Voor de verspreid wonende bevolking van de Kempen is de situatie echter totaal verschillend. Hier zien we dan ook bij het begin van de 17de eeuw een nieuw verschijnsel ontstaan: de schansen. Buurtgemeenschappen en gehuchten gaan zich organiseren om voor zichzelf een versterkt schuiloord te bouwen. De toelating dient gevraagd te worden aan de plaatselijke heer, de gronden zijn meestal gemene gronden. De vorm van de schans wordt bepaald door de vorm van het land waarop ze wordt gebouwd. Er worden grachten gegraven en de uitgegraven grond dient voor de met palen en gevlochten houtwerk verstevigde, aarden wallen. Om de grachten van water te voorzien worden de schansen gebouwd bij een beek of in een van nature drassig gebied. De schans is voorzien van een poort en een ophaalbrug. De aandeelhouders, die zich zowel financieel als door hun diensten engageren in een schans, krijgen het recht op het gebruik van één hut, waar zijzelf en hun vee kunnen schuilen. Het is een volledig privaat initiatief, en vooral hierdoor verschillen de Limburgse schansen van die in andere streken. De grootte van de schans hangt af van het aantal schansgezellen. Dit schommelt tussen de 20 en 50, en de schansen zijn van 1 hectare tot 2 hectare groot. Over de doelmatigheid van de schansen kan weinig gezegd worden. Ze zijn zeker niet geschikt om aanvallen van geregelde troepen af te slaan; daarvoor zijn ze ook niet bedoeld. Het zijn veeleer schuiloorden, wat ook blijkt uit het feit dat de toegangsweg zoveel mogelijk gecamoufleerd wordt. Bovendien wordt er steeds gepoogd om eerst met de aanvallers te onderhandelen. De eerste grote periode van schansbouw is de jaren 1594-1609, wat in direct verband staat met de muiterijen van de Spaanse troepen. Mogelijk heeft het ontstaan van de schansen ook te maken met het feit dat de kerkelijke overheid na het concilie van Trente (1545-63) verbiedt de kerken nog als schuilplaats te gebruiken. Wanneer het Twaalfjarig Bestand een periode van rust brengt worden geen nieuwe schansen meer gebouwd, en de bestaande vervallen; wanneer de oorlog in 1621 opnieuw begint worden er weer nieuwe schansen gebouwd en de oude in staat van paraatheid gebracht. In het bestudeerde gebied beschikten de meeste Kempische gemeenten over één of meerdere schansen.

De Vrede van Westfalen in 1648 maakt een einde aan de Dertigjarige en Tachtigjarige Oorlog, maar brengt het Land van Luik geen rust. Afgedankte huurtroepen en condottieri zonder opdrachtgever blijven in het gebied rondzwerven en de plattelandsbevolking terroriseren. De hertog van Lotharingen, Karel IV, sinds 1633 door Richelieu uit Frankrijk gezet en van zijn hertogdom beroofd, stond reeds in 1635 in dienst van het Spaans, Gouvernement in Brussel. Zijn onbetrouwbaarheid heeft echter tot gevolg dat hij geen opdrachten meer krijgt, noch van Brussel, noch van de Republiek, Gullik of Luik. Bij de ondertekening van de vrede in 1648 mislukt hij in zijn poging het hertogdom Lotharingen terug in zijn bezit te krijgen. Hij houdt zijn troepen in dienst, maar omdat hij niet meer betaald wordt, laat hij ze zich verhalen op de plattelandsgemeenten, ondanks het verzoek van de prins-bisschop om het land te verlaten. In de winter van 1652-53 gaan zijn troepen aan het muiten, vallen de Kempen binnen en plunderen en branden in Hamont, Peer, Beringen, Bilzen en Herk-de-Stad. Ook Gruitrode heeft in 1652 te lijden. De Lorreinse troepen roven daar en in het naburige Opsolt 40 huizen leeg en richten voor circa 100 gulden schade aan. De Lorreinen blijven in het gebied tot 1654. Dan wordt Karel van Lotharingen ten slotte op bevel van Spanje aangehouden, en in Spanje gevangen gezet. In deze context situeert zich de rampzalige slag van Sint-Nikolaasdag 1648, wanneer de huislieden van de dorpen van de Loonse Kempen en het ambt Stokkem, onder leiding van hun kolonel, jonker Kyverberge of Keverberg, slaags raken met Lorreinse troepen op de Donderslagheide te Meeuwen, wat aan de huislieden 376 doden en 294 gewonden kost.

Tot de gevolgen van deze oorlogen mag zeker een sterke achteruitgang van de welvaart van de plattelandsbevolking gerekend worden: door onder meer de voortdurende opeisingen, teloorgang van oogsten en vee, en winterkwartieren zijn de gemeenten verplicht grote sommen te lenen. De steden worden in de 16de eeuw dan weer getroffen door de volledige ondergang van de lakennijverheid. Dit gaat ten voordele van een nieuw soort kapitalistische bedrijfsorganisatie, waarbij de wol gedurende heel het productieproces in handen blijft van de koopman, die voor de productie een beroep doet op de plattelandsbevolking. Dit brengt een tijdelijke bloei van de textielnijverheid in Weert en omgeving met zich mee, waaraan een groot aantal dorpen rond Maaseik en in de Kempen deel hebben. Deze nijverheid wordt in de loop van de 17de eeuw echter overvleugeld door de opkomende textielindustrie in en rond Verviers.

Eveneens een gevolg van de oorlogen is het feit dat verscheidene adellijke geslachten gedurende de eerste helft van de 17de eeuw hun rijkdom aanzienlijk weten te vergroten - door dienst te nemen in de legers van de aartshertogen en de Spaanse koning, of van de keizer en de Katholieke Liga in Duitsland, en waarschijnlijk ook door financiële transacties, in de hand gewerkt door de voortdurende geldnood van de regering van Brussel. Hierdoor kunnen ambten, rechten en heerlijkheden met de daaraan verbonden inkomsten, en hoge adellijke titels verworven worden. De bouw en herbouw van vele kastelen vanaf het tweede kwart van de 17de eeuw is hiervan vrijwel zeker een gevolg.

Tweede helft van de 17de eeuw en de oorlogen van Lodewijk XIV (1672-1713)

Vanaf het midden van de 17de eeuw verbetert de toestand en keert de rust terug. Kenmerkend voor deze periode is een nieuwe bouwactiviteit, zowel in de stad als op het platteland. Dit heeft niet enkel te maken met het herstel van de rust, maar ook met het feit dat gelden, zoals hoger vermeld vergaard in de oorlogsjaren, nu beschikbaar worden. Steeds meer rijke stedelingen, stadsmagistraten en kooplieden gaan landerijen aankopen, waarop ze kasteelhoeven bouwen. Vooral kooplieden en fabrikanten uit Luik, ondertussen uitgegroeid tot het belangrijkste centrum van mijnbouw en metaalnijverheid, konden, mede door de neutraliteitspolitiek van het prinsbisdom, tijdens de oorlog grote winsten maken door het exporteren en verhandelen van oorlogsmateriaal.

De oorlog van Frankrijk tegen de Republiek (1672-78) maakt een einde aan de rust. Prins-bisschop Maximiliaan van Beieren, tevens keurvorst en aartsbisschop van Keulen, brengt de Luikse neutraliteit in gevaar door de Franse zijde te kiezen. Opnieuw is Maastricht één van de belangrijkste doelwitten van het Franse leger. De Franse troepen trekken Luik binnen en bezetten onder meer Tongeren en Maaseik. De hoofdmacht van het leger, onder de persoonlijke leiding van Lodewijk XIV, gaat over tot de blokkade van het zwaar versterkte Maastricht, waarbij Maaseik als één van de steunpunten van de blokkade wordt uitgebouwd. Maastricht capituleert in 1673 na zware gevechten. De gevechten zijn voor de steden in het land van Loon, vooral Tongeren, Maaseik en Sint-Truiden, rampzalig. Ondanks de neutraliteit van het prinsbisdom behandelen de strijdende partijen het land als vijandig gebied. Hasselt en Maaseik blijven tot 1681 door de Fransen bezet. De Vrede van Nijmegen van 1678 tussen Frankrijk enerzijds en de Republiek en Spanje anderzijds, en de vrede tussen Frankrijk en de keizer van 1679, herstellen de situatie van vóór 1672. Toch duurt de overlast door de aanwezigheid van vreemde troepen nog tot 1681.

Op bestuurlijk gebied wordt de periode na de Vrede van Nijmegen gekenmerkt door een verder doorgedreven beknotting van de ambachtelijke macht in de steden door de autocratische prins-bisschop Maximiliaan van Beieren.

In de Negenjarige Oorlog (1688-97) staat Frankrijk tegenover een coalitie van de Republiek, Spanje, Engeland, de Duitse keizer en een aantal Duitse keurvorsten. Tot die vorsten behoort ook die van Beieren, waardoor de prins-bisschop zich nu aan de zijde van de vijanden van Frankrijk bevindt. Het gevolg hiervan is dat het Land van Loon door de Fransen beschouwd wordt als vijandig gebied, en als dusdanig behandeld wordt. Bovendien negeert het Luikse kapittel bij de keuze van een nieuwe prins-bisschop de Franse kandidaat, en kiest voor Jean-Louis d' Elderen. Een Franse poging in 1691 om Luik in te nemen mislukt, maar de blijvende aanwezigheid van troepen in het gebied betekent een zware last voor het hele land.

In 1702 breekt de Spaanse Successieoorlog uit (1702-13). Lodewijk XIV met als bondgenoot Spanje, staat nu tegenover de Republiek, Engeland, de Duitse keizer en de keurvorst van Brandenburg, die pas koning van Pruisen geworden is. Na de mislukking van zijn neutraliteitspolitiek schaart prins-bisschop Clemens van Beieren zich aan de Franse zijde. Aanvankelijk boeken de Fransen winst, maar dan wordt het tegenoffensief van de geallieerden ingezet onder leiding van de hertog van Marlborough, ondersteund door een Pruisisch leger. In 1703 staan de legers tegenover elkaar tussen Tongeren en Maastricht, tot de Fransen door Marlborough verdreven worden. De geallieerde legers blijven in 1703 en 1704 in het Land van Loon, waar zij een zware belasting vormen voor de bevolking. Ook nadat de oorlog zich naar elders verplaatst, blijven zij er hun winterkwartieren houden. Misoogsten en hongersnood maken de toestand dramatisch. De Vrede van Utrecht (1713) maakt een einde aan de krijgsverrichtingen.

Terwijl deze vrede voor de rest van Vlaanderen een belangrijke staatkundige wijziging met zich meebrengt - de Zuidelijke Nederlanden, voor zover Spaans bezit, gaan over van een Spaans bewind naar de Oostenrijkse lijn van het Habsburgse huis - betekent zij voor het Land van Luik een terugkeer naar de toestand van vóór de oorlog. De Hollandse troepen ontruimen Luik, en de vreemde troepen verlaten het land.

De 18de eeuw

De textielnijverheid van Weert begint in deze periode steeds meer de concurrentie te voelen van de nieuwe centra Verviers, Burtscheid en Eupen; na 1700 blijft van deze nijverheid slechts weinig over. Er kan voor deze periode over het algemeen gezegd worden dat de stedelijke nijverheid een neerwaartse lijn vertoont. Dit wordt echter ten dele gecompenseerd door het toenemende belang van de lokale consumptie, die bedrijven als bierbrouwerijen, jeneverstokerijen, meubelmakerijen maar ook bakkers; slagers, schoenmakers en dergelijke stimuleert.

Hoewel de periode van vrede na 1715 de mogelijkheid biedt om enigszins de schulden en lasten van de voorbije oorlogsjaren te verminderen, blijft het land toch sterk verarmd. Vooral de Kempen beleeft in de 18de eeuw moeilijke tijden, waardoor de bevolking verplicht is buiten de landbouw werk te zoeken. In deze context ontstaat de teutenhandel, een opmerkelijk Kempens fenomeen, dat zijn wortels heeft in de late middeleeuwen. Rondreizende kooplieden bieden goederen en diensten aan, onder meer ketellappen, textielproductie en -handel, veehandel en -lubben. De goedkope en bruikbare diensten en waren, door de zogenaamde "buitengaanders" op regelmatige tijdstippen aangeboden in meer welvarende Nederlandse gewesten, maken deze kleinschalige handel tot een succes, waardoor de actieradius zich steeds verder uitbreidt. Voor vele Kempense gezinnen was het "buiten winnen" een onontbeerlijke bijverdienste. Toch verdienen zij er zelden genoeg mee om de zekerheid van het familiaal landbouwbedrijf op te geven en uitsluitend van de handel te leven.

Hoewel de Maashandel reeds in de eerste helft van de 18de eeuw achteruitging, is het eigenlijke verval vooral in de tweede helft van de eeuw te situeren. Waarschijnlijk hebben aan het einde van de eeuw de meeste lokale Maasschippers hun bedrijf opgegeven, en is hun plaats ingenomen door de Maasvissers. De voornaamste oorzaken zijn de steeds toenemende tollen, en het feit dat de Maas slechts bevaarbaar is voor betrekkelijk kleine schepen. Voor het reizigersvervoer wordt in de 18de eeuw vooral gebruik gemaakt van de landwegen. Deze hadden het nadeel zeer onveilig te zijn. Het reisverhaal van Matheus Brouérius van Nideck, bekend Nederlands historicus en topograaf, beschrijft een reis in circa 1700, waarbij hij in de Kempen wordt overvallen door rovers, en waarin een afspanning in Bocholt wordt vermeld. Ook het postvervoer maakt in de 18de eeuw gebruik van de verbindingen over het land. In dit verband dient het ontstaan van de regelmatige postwagendiensten vermeld te worden, met als belangrijkste vertegenwoordiger de Rijkspost van de octrooihouder von Turn und Taxis.

Het platteland, en vooral de meer onherbergzame streken, is in de 18de eeuw de operatieplaats voor verschillende groepen misdadigers, die leven van diefstal en roof en verantwoordelijk zijn voor een algemeen klimaat van onveiligheid. In de eerste helft van de eeuw zijn dit vooral de zigeuners, die na strenge vervolgingen grotendeels uit de Republiek worden verdreven, en vervolgens in onze streken, vooral in de Kempen, actief zijn. Deze benden zijn gewapend en hun vervolging vereist een uitgebreide samenwerking tussen de verschillende gemeenten. Ook ontslagen krijgsvolk blijft in de beide Limburgen rondtrekken. Daarnaast krijgt het gebied vanaf 1730 te lijden van een tot dan toe ongekende golf van criminaliteit vanwege grote groepen van de autochtone bevolking. Dit verschijnsel wordt aangeduid met de benaming Bokkenrijders, hoewel die pas voor het eerst in 1771 wordt gebruikt en niet in de processtukken van deze periode voorkomt. De bendes komen voor in het Land van Overmaas, het Land van Loon en het zuidelijk deel van het Gelders overkwartier.

In 1740 breekt de Oostenrijkse Successieoorlog uit (1740-48), wanneer keizer Karel VI zijn dochter Maria Theresia niet alleen in de Oostenrijkse erflanden laat opvolgen, maar ook als keizerin van het Duitse Rijk. De oorlog plaatst Frankrijk - onder Lodewijk XV -, Pruisen en de keurvorst van Beieren tegenover Oostenrijk, Engeland en de Republiek. De vesting Maastricht is voor de Fransen opnieuw het belangrijkste doelwit in onze streken, waardoor het voor beide partijen praktisch onmogelijk is om de neutraliteit van het Land van Luik te respecteren, en het opnieuw één van de strijdtonelen van een internationale oorlog wordt. De Fransen willen bij Maastricht de Maaslinie forceren om een verbinding met hun bondgenoten Pruisen en Saksen tot stand te brengen. Belangrijk in deze campagne zijn de veldslagen van Haccourt (1746) en Lafelt (Vlijtingen, 1747). De eigenlijke strijd om Maastricht vindt plaats in 1748. Hoewel de Fransen er ten slotte in slagen de stad in te nemen, zijn de vredesonderhandelingen, die zullen leiden tot de Vrede van Aken reeds begonnen. De Fransen ontruimen de stad in 1749. Op het platteland wordt in de periode 1745-48 vooral de zuidoostelijke hoek van het Land van Loon getroffen. Opnieuw vormen de winterkwartieren een plaag voor de bevolking. Verschillende steden worden door Hollandse en Oostenrijkse troepen bezet, zoals Stokkem, Maaseik en Bree, en talrijke dorpen, waaronder Reppel, Tongerlo, Gruitrode en Bocholt krijgen een vrijwel permanente inkwartiering. Na de oorlog verbetert de situatie duidelijk: in 1756 sluiten Frankrijk en Oostenrijk een alliantie, die stand houdt tot aan de Franse revolutie, terwijl de Republiek der Verenigde Nederlanden door een vermindering van invloed in Europa, zich in de internationale conflicten neutraal houdt. Hierdoor wordt het prinsbisdom in de tweede helft van de 18de eeuw gespaard van verder oorlogsgeweld.

Het platteland is ook in de tweede helft van de 18de eeuw onveilig. Het zijn nu vooral de hogervermelde autochtone bendes die de bevolking terroriseren. Zij worden in de jaren 1770 voor het eerst Bokkenrijders genoemd. De merkwaardige, occulte sfeer die deze bendes omgeeft, wordt grotendeels door henzelf gecreëerd. Een ander opmerkelijk feit is dat de bendeleden geen marginalen zijn, maar over het algemeen ambachtslieden, met een gevestigde, hoewel dikwijls lage plaats in de maatschappij. De vraag rijst dan ook of deze toenemende criminaliteit te maken heeft met extreme armoede in deze periode, of reeds een vorm is van sociale onvrede en bewust verzet tegen de gevestigde orde, die tot uitbarsting zal komen tijdens de Franse revolutie. Feit is dat de repressie vanwege het gezag uiterst gewelddadig is.

De Franse periode

In 1789 breken in Brabant en het prinsbisdom Luik gelijktijdig onlusten uit. Anders dan de Brabantse opstand is de Luikse duidelijk geïnspireerd door de Franse revolutie en gericht op de vervanging van het aristocratische bestuur door een democratisch bewind. Prins-bisschop Contstantin de Hoensbroeck (1784-92) is verplicht naar het buitenland te vluchten. Hij richt zich tot het Rijkskamergerecht, waarna de Westfaalse Kreits, waaronder Luik ressorteert, een expeditie beveelt door de troepen van de keurvorst van de Palts. Zij bezetten Maaseik. De Luikse patriotten vinden vooral aanhang op het Loonse platteland. De beide partijen komen niet tot een definitief treffen, en in 1790 trekken de troepen van de keurvorst zich terug over de Maas. Ondertussen is het enthousiasme voor de revolutie geluwd, en wanneer keizer Leopold II in 1791 een leger naar Luik zendt, onderwerpt de stad zich.

In 1792 dringt een Frans leger de Oostenrijkse gebieden binnen. In hetzelfde jaar verslaat Dumouriez het Pruisische leger te Valmy. Kort daarop behaalt hij de overwinning op de bondgenoten te Jemappes, waardoor België in zijn handen valt. Prins-bisschop Francois-Antoine de Méan (1792-94) vlucht naar Duitsland, en Luik, Hasselt, Sint-Truiden en Maaseik worden bezet. In 1793 wordt Dumouriez door de Oostenrijkse troepen verslagen te Neerwinden en is verplicht de veroverde gebieden te ontruimen. In hetzelfde jaar nog verslaat Jardon de coalitie te Fleurus, waardoor België definitief in handen van de Fransen komt. In het bestudeerde gebied begint de Franse tijd met de capitulatie van Maastricht op 5 november 1794. De opeisingen die volgen op de bezetting brengen de gemeenten in diepe schulden. Bovendien mislukt de oogst van 1794 en is de daaropvolgende winter de strengste van de eeuw, zodat de gemeenten ook moeten lenen om de hongersnood te bedwingen.

Het Franse bewind voert een volledig nieuwe bestuurlijke en administratieve indeling in. De heerlijkheden met hun specifieke juridische systemen worden opgeheven. Het huidige Belgisch Limburg wordt aanvankelijk ondergebracht in het arrondissement Maastricht. In 1795 worden de veroverde gebieden ten westen van de Rijn onderverdeeld in negen departementen. Het departement van de Nedermaas vervangt in grote lijnen het arrondissement Maastricht. Het prinsbisdom Luik houdt op te bestaan, en het gebied gaat deel uitmaken van de Franse republiek, rechtstreeks vanuit Parijs bestuurd.

Eén van de eerste maatregelen van de Franse bezetting is de verbeurdverklaring van het grootste deel van de kerkelijke goederen. Het gebruik van "bons de restraite", die aan de geestelijken worden uitgereikt en waarmee zij een deel van de kloosterbezittingen kunnen verwerven, leidt tot conflicten en misbruiken. Door de verkoop van genationaliseerd kerkelijk bezit ontstaat er een klasse van nieuwe rijken, die een uitgebreid grondbezit kunnen vergaren en de rol van de adel op het platteland ovenemen. Een zeer onpopulaire maatregel is de verplichting voor priesters, vanaf 1797, van de zogenaamde "eed van haat", waarin de haat tegen het koningschap gezworen wordt. Zeer veel geestelijken weigeren deze eed af te leggen, waardoor ze het verbod krijgen hun ambt uit te, oefenen. Onbeëdigde priesters worden gevangen genomen en gedeporteerd.

Terwijl de Fransen in de steden vanaf het begin reeds enige aanhang hebben, is dit anders op het platteland, waar het verzet algemeen is. Dit geldt de rekwisities en plunderingen van de eerste jaren, het betalen met vrijwel waardeloze assignaten, de duidelijke verzwaring van de lasten, vooral in het prinsbisdom Luik, waar de belastingen steeds miniem waren, de toenemende werkeloosheid, maar vooral de maatregelen tegen de Kerk en de verplichte militaire dienst in de Franse legers na 1798, wanneer de conscriptiewet wordt ingevoerd. In de Vlaamse gewesten breekt de opstand uit. Deze Boerenkrijg situeert zich aanvankelijk in Vlaanderen en Brabant, later in Belgisch Limburg. Hij heeft het karakter van een guerrillaoorlog gevoerd door grotendeels ongeorganiseerde bendes. Op 4 december 1798 bezetten de opstandelingen Hasselt. De volgende dag reeds worden zij uit de stad verdreven, waarbij zij zware verliezen lijden. Hiermee is de opstand gebroken.

In 1799 wordt het Directoire opgevolgd door het Consulaat, in 1804 door het Keizerrijk. In 1799 wordt een nieuwe grondwet gemaakt, en in hetzelfde jaar wordt de vervolging van de onbeëdigde geestelijken stopgezet. De kerken worden heropend. Het Concordaat van 15 juli 1801 tussen Napoleon en paus Pius VII regelt de onderlinge betrekkingen tussen kerk en staat, de godsdienst kan weer in volle vrijheid uitgeoefend worden en de spanningen nemen af, waardoor voor onze streken een periode van rust wordt ingeluid. De wet van 17 februari 1800 regelt de bestuurlijke indeling: de departementen blijven behouden en worden onderverdeeld in arrondissementen en municipaliteiten. Het Departement van de Nedermaas omvat de arrondissementen Maastricht, Hasselt en Roermond. Op 18 maart 1800 wordt het gerecht hervormd: er is een hof van cassatie voor het hele land, beroepshoven op verschillende punten in het land, koophandels- en strafrechtbanken in de departementen of arrondissementen en een vredegerecht in elk kanton. In 1802 wordt het kadaster opgericht, en vanaf 1807 wordt het verplicht de opmetingen voor elke gemeente en perceelsgewijze te doen. Ook op gebied van het onderwijs voert de Franse regering hervormingen door. Elk departement dient te beschikken over een "école centrale", een school voor secundair onderwijs, en alle kantons dienen te beschikken over "écoles primaires". De "école centrale" van Maastricht wordt geopend in 1798. Zij wordt in 1804 vervangen door de gemeentelijke "écoles secondaires".

Op gebied van de nijverheid is, als gevolg van de toegenomen graanproductie, een opmerkelijk bloei te constateren van de jeneverstokerijen en bierbrouwerijen.

De staatkundige versnippering van de 18de eeuw was de oorzaak van een verwaarloosd en inadequaat wegennet. De enige wegen die vrij goed bruikbaar waren, waren de weg van Luik via Tongeren, Hasselt en Hechtel naar 's-Hertogenbosch, en de weg van Luik naar Sint-Truiden en verder naar Brussel. Het Franse bestuur levert inspanningen om het wegennet te verbeteren. Er komt een weg van Maastricht naar Hasselt, en, belangrijk voor het bestudeerde gebied, een weg van Maastricht naar Roermond via Maaseik (1812-13), de huidige Rijksweg N 78. De weg van Venlo naar Maaseik draagt nog steeds de naam "Napoleonsweg".

Napoleon geeft in 1806 ook opdracht tot het ontwerpen van plannen voor een kanaal dat Schelde, Maas en Rijn met elkaar moet verbinden. Hoewel er een begin gemaakt wordt met de werken, wordt dit "Grand Canal du Nord" nooit volledig uitgevoerd. Toch geven de plannen later onrechtstreeks aanleiding tot de aanleg van de Zuid-Willemsvaart.

Tijdens de Franse tijd worden ook voor het eerst volkstellingen gehouden. Hieruit blijkt dat Belgisch Limburg in 1815 een vrij dun bevolkt gebied is, met een totale bevolking van 135.000 personen. De verstedelijking is gering: Maastricht telt als grootste stad ongeveer 18.000 inwoners, Sint-Truiden als tweede stad 7.000. Uit de volkstellingen blijkt ook dat de bevolkingstoename, zoals dat waarschijnlijk ook in de 18de eeuw het geval was, gering is en waarschijnlijk minder dan 1 % per jaar bedraagt.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830)

In 1814 komt een einde aan de Franse tijd. Het Verdrag van Wenen van 1815 maakt van Willem van Oranje koning der Nederlanden; deze omvatten de voormalige Verenigde Provinciën, de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Binnen dit koninkrijk wordt in hetzelfde jaar de provincie Limburg opgericht, die bestaat uit het hele voormalige Departement van de Nedermaas. In 1815 aanvaardt de eerste gouverneur, Charles de Brouckère, zijn ambt. Willem I kiest voor deze provincie persoonlijk de naam Limburg, naar het middeleeuwse hertogdom, dat op geen enkele wijze een binding heeft met de nieuwe provincie. Maastricht wordt de hoofdstad van Limburg, dat verdeeld wordt in de arrondissementen Maastricht, Roermond en Hasselt. In 1829 wordt de eerste Luikse bisschop, C. van Bommel, benoemd.

Bij de Belgische omwenteling wordt in 1830 de overgelopen Nederlandse generaal Daine commandant van het Belgische Maasleger en bezet in november van dat jaar Maaseik, Roermond en Venlo. Zeer snel is de provincie, met steun van de bevolking, in Belgische handen. Toch blijft de toestand ook na 1831 voor Limburg onduidelijk. Een verdeling van de provincie wordt door Leopold I aanvaardt, maar door Willem I verworpen. Na de Tiendaagse Veldtocht wordt voor de provincie een status quo bereikt, waarbij in afwachting van een definitieve regeling, de hele provincie, met uitzondering van Maastricht, onder Belgisch bestuur blijft. Hierbij dient opgemerkt dat de bevolking van de hele provincie, en ook van Maastricht, sterk pro-Belgisch gezind is, voornamelijk vanwege de politieke vrijheid, de gematigde belastingen, en de oplossing van de kerkelijke problemen.

Ondertussen blijven de steeds terugkerende overstromingen van de Maas een ware plaag voor de Maaslandse dorpen, onder meer omdat ze grote schade aanrichten aan de landbouwgronden, zoals de overstroming van de winter van 1816-17. Het eerste officiële ingrijpen is het prinselijk mandement van 1545, waarbij een begin wordt gemaakt met het menselijk ingrijpen in de loop van de stroom. De bouw van dijken komt echter pas vanaf het midden van de 18de eeuw goed op gang. Evenals het onderhoud van de oevers valt dit ten laste van de dorpsbewoners: een typisch voorbeeld is de Pastoorsdijk te Elen, in de tweede helft van de 18de eeuw gebouwd onder leiding van pastoor Meulenbergh. Pas tijdens de Hollandse periode wordt van staatswege aandacht geschonken aan de waterwerken, die nu gecoördineerd worden tussen de gemeenten, en waarbij de kosten over de verschillende gemeenten worden verdeeld. Pas in 1842 gebeuren de eerste herstellingen van de dijken op staatskosten. Toch kent het jaar 1880 nog de grootste overstroming van de eeuw.

Landbouwcrisissen vormen tot het midden van de 19de eeuw een steeds terugkerende bedreiging voor de bevolking. Wanneer de oogst mislukt komt de gezondheid en zelfs het leven van een gedeelte van de bevolking in gevaar. Dit is het geval in 1816-17, de laatste grote hongersnood in onze gewesten, waarbij het sterftecijfer zelfs het geboortecijfer overschrijdt. De industrialisatie die in Luik en omgeving in deze periode steeds belangrijker wordt, speelt in de beide Limburgen geen enkele rol. De winter van 1844 is zeer streng, gevolgd door overstromingen en een slechte oogst; de aardappeloogst mislukt volledig. In 1846 mislukt de graanoogst opnieuw. De verzwakte bevolking heeft in 1849 te lijden van een cholera-epidemie. Vanaf 1850 verbetert de toestand geleidelijk aan. Epidemieën komen nog tot ver in de 19de eeuw voor als gevolg van vervuiling van het oppervlaktewater en daardoor op termijn van het grondwater.

Opmerkelijk voor de Maasvallei in de eerste helft van de 19de eeuw, is dat het onderlinge contact tussen de dorpen, zoals vanouds, beperkt blijft tot de beide Maasoevers, en dat dit contact onder meer in de zin van migratie en huwelijken zeer intensief is. Contact met de nochtans naburige dorpen van de Kempen is er vrijwel niet. De woeste heidegronden en moerasgebieden tussen beide streken vormen een effectievere barrière dan de Maas. Dit gebrek aan beïnvloeding uit zich in de verschillende taal, zeden, gewoonten en landbouwgebruiken.

De steeds gebrekkigere bevaarbaarheid van de Maas in de eerste helft van de 19de eeuw, doet Willem I besluiten tot de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, een kanaal dat Maastricht via Maasmechelen, Bree, Bocholt, Weert en Helmond, lopende over de oostrand van de Kempen, met 's-Hertogenbosch en het mondingsgebied van Maas en Rijn verbindt. Het idee dateert van de tijd van Napoleon, de voltooiing gebeurt in 1826. De verbinding van Maastricht met Luik komt er pas in de jaren 1840 en 1850. In Bocholt sluit het kanaal aan op het kanaal Bocholt-Herentals, dat gegraven wordt tussen 1843-46 en via de Maas en de Zuid-Willemsvaart de verbinding vormt van Luik met de Kleine Nete, de Rupel, de Schelde en Antwerpen. Onder Willem I wordt ook aandacht besteed aan het wegennet. Zo wordt onder meer de straatweg van Maastricht naar Sint-Truiden aangelegd in 1817. Op dit gebied blijft de Limburgse Kempen een achtergesteld gebied. Tot circa 1850 is de oude weg van Hasselt naar 's-Hertogenbosch hier de enige grote verkeersweg.

De nijverheid functioneert in de eerste helft van de 19de eeuw op een ambachtelijk niveau. Tot de belangrijkste bedrijven behoren de bierbrouwerijen, schoenmakerijen, meubelmakerijen, smederijen, molens, kleermakerijen, zelfstandige linnenweverijen, timmerwerkplaatsen en bakkerijen. Zij stellen slechts een gering aantal arbeiders tewerk. Het belang van de jeneverstokerijen loopt in deze periode wat terug door de concurrentie van de grote bedrijven in Zuid-Holland. Bovendien zijn de lonen in deze streken, vergeleken met bijvoorbeeld Luik, bijzonder laag.

Scheiding van de beide Limburgen en recente ontwikkelingen

In 1839 komt het dan ten slotte, onder hevig protest, tot de scheiding van de beide Limburgen. Het huidige Belgische Limburg heeft geen problemen met de aanpassing in de Belgische Staat. De continuïteit, ook op religieus gebied, blijft bewaard. In vergelijking hiermee verloopt de integratie van Nederlands Limburg veel moeizamer. De Luikse bisschop is een grote voorstander van de Belgische onderwijswetgeving van 1842, die het principe van openbaar lager onderwijs onder staatscontrole invoert, steunend op een tweeledig compromis: de katholieken aanvaarden het staatsonderwijs, de liberalen het wettelijk erkend godsdienstonderricht. Als gevolg van deze wet neemt het aantal gemeentescholen tussen 1842 en 1875 met bijna de helft toe, zodat het analfabetisme in deze periode vrijwel volledig verdwijnt. Rond het midden van de 19de eeuw ontstaan in de verschillende steden, onder meer in Maaseik, ook middelbare scholen.

Tot het einde van de 19de eeuw blijft Limburg een agrarische provincie. De bedrijven zijn, vooral in het noordelijke deel van de provincie, traditioneel en meestal zeer klein. De meeste boeren leven juist boven het bestaansminimum. Hierdoor blijft het gemengde bedrijf overwegen. Bovendien wordt steeds gezocht naar ambachtelijke bezigheden om het gezinsinkomen wat te vergroten. Dit heeft echter een negatieve invloed op het landbouwbedrijf en is, samen met de sterke bevolkingsgroei vanaf 1840, de oorzaak van een toenemende verpaupering van het platteland. Ontginning van woeste gronden is voor de kleine boeren een te gewaagde en dure onderneming, en de grote ontginningen, die rond 1840 beginnen komen hen dus niet ten goede. In het N. van de provincie worden tussen 1846 en 1870 ongeveer 20.000 ha ontgonnen. Afwatering en bemesting vergen grote technische kennis en kapitaalkracht. Bovendien blijken de ontgonnen gronden meestal slechts geschikt voor bebossing, wat een investering op lange termijn is. In dezelfde periode wordt het kanaalwater gebruikt voor de zogenaamde "wateringen", vloeiweiden, die voor de productie van hooi dienen. Op andere plaatsen worden moerassige gronden drooggelegd en omgevormd tot bouwland. Deze ondernemingen gebeuren door consortia en met kapitaal van buiten de streek.

Limburg blijft weinig verstedelijkt, en de oude steden groeien niet. Maastricht blijft de grootste stad, en pas vanaf 1870 begint Hasselt in inwonersaantal Sint-Truiden te overtreffen. Toch blijft de bevolkingsaangroei, in vergelijking met andere landsdelen, laag. Bovendien is er een vrij hoge migratie, zelfs naar de Verenigde Staten. Ook Luik bezit als industriegebied een grote aantrekkingskracht voor Limburgse werkkrachten. Uit migratie en seizoenstrek blijkt de langdurige structurele werkloosheid van de provincie in de 19de eeuw. Rond 1850 leeft in Limburg 69 % van de bevolking van de landbouw, het hoogste percentage in België.

Het industrialisatieproces komt in Limburg bijzonder langzaam op gang en beperkt zich tot het derde kwart van de 19de eeuw uitsluitend tot het kleinbedrijf, waarbij voor de Noorder-Kempen de sigarenfabrieken van onder meer Bree dienen vermeld te worden.

De Belgische opstand heeft tot gevolg dat de pas gegraven Zuid-Willemsvaart tot 1837 vrijwel onbevaarbaar is, aangezien er in Maastricht onvoldoende water in het kanaal gelaten wordt. In 1837 openen de Belgen in Hocht (Lanaken) een "prise d'eau" waardoor water uit de Maas getapt wordt. In 1846 wordt het hoger vermelde Kempisch Kanaal van Bocholt naar Antwerpen gegraven. Hierdoor wordt zoveel water aan de Maas onttrokken, dat deze in de zomer volledig onbevaarbaar wordt, wat het einde betekent van de scheepvaart op de Maas. Vanaf het midden van de 19de eeuw wordt de aanleg van spoorwegen aangevat. In 1856 komt de lijn Hasselt-Maastricht tot stand, en Hasselt wordt vanaf de jaren 1860 een knooppunt van spoorwegen. In 1870 wordt de spoorweglijn Hasselt-Maaseik over Genk en As aangelegd, die doorheen het bestudeerde gebied liep.

De periode 1875-1895 wordt gekenmerkt door een economische crisis. De prijzen van de inheemse producten dalen, en men probeert dit probleem op te lossen door een verlaging van de lonen. Bovendien heeft men in de landbouw steeds minder werkkrachten nodig. De werkeloosheid neemt dus toe, en de koopkracht vermindert. De opkomst van de nieuwe, grote fabrieken brengt een zware slag toe aan de huisnijverheid, vooral op het platteland. In de twee helft van de 19de eeuw is de provincie een nog steeds overwegend agrarisch gebied, met 47 % van de bevolking werkzaam in de landbouw. Ook de landbouw maakt in de jaren 1870 een zware crisis door, die ze pas aan het einde van de eeuw begint te boven te komen.

De jaren 1870 en 1880 worden gekenmerkt door de zogenaamde "schoolstrijd". In 1878 treedt het liberale ministerie Frère-Orban aan. Het stelt zich tot doel het onderwijs te onttrekken aan de invloed van de kerk en de scholen vrij van godsdienst te maken. Er wordt slechts één onderwijs erkend, het openbare door de gemeente betaalde onderwijs, waarin geen godsdienstonderwijs voorkomt. Onmiddellijk rijst er van katholieke zijde hevig verzet, en op aansporen van de Belgische bisschoppen worden door priyé-initiatief overal vrije scholen opgericht. De openbare scholen trekken steeds minder leerlingen. In 1884 wordt het liberale ministerie vervangen door een katholiek, en nog hetzelfde jaar wordt een nieuwe schoolwet ingevoerd, die de vrije scholen toelaat, en het mogelijk maakt openbare scholen te sluiten als daar geen behoefte meer aan bestaat, wat dikwijls het geval blijkt.

Eén van de elementen die in belangrijke mate bijgedragen heeft in de ontwikkeling van het huidige aanzicht van de provincie, is het ontstaan van de steenkoolindustrie in midden- en Oost-Limburg. In 1893 ontdekt de Leuvense hoogleraar André Dumont, dat het steenkoolbekken van Nederlands Limburg, toen reeds in volle ontginning, zich ook uitstrekt over Belgisch Limburg. In 1902 haalt hij bij proefboringen in As de eerste steenkool naar boven. De vrees voor concurrentie voor de verouderde en slecht renderende Waalse mijnen doet de Belgische regering echter tot 1911 talmen met het verlenen van concessies. Pas aan het einde van de Eerste Wereldoorlog komt de mijn van Winterslag als eerste in productie. Tussen deze periode en 1930 ontwikkelt de mijnbouw zich als de belangrijkste industrietak in Limburg. In het bestudeerde gebied was in de periode 1930-1960 een groot deel van de bevolking, periodisch tot 30 % tewerkgesteld in de steenkoolmijnen. Aan deze industrie komt een einde aan het einde van de jaren 1980, met de sluiting van de verschillende zetels.

In het noorden van de Kempen komen in de laatste decennia van de 19de eeuw een aantal belangrijke bedrijven tot stand in de sectoren chemie en metaal. Inzonderheid zijn te vermelden de belangrijke buskruitfabriek van Kaulille, opgericht in 1880, de arsenicum-fabriek van Reppel (1888), en de zinkfabriek van Rotem (1911). Deze zeer ongezonde industrieën zijn geen onverdeelde zegen voor het gebied. Er doen zich zeer veel gevallen van vergiftiging voor, en in 1914 lijden 34 % van de werknemers in de zinkfabrieken aan loodvergiftiging. Deze bedrijven zorgen bovendien door hun vervuiling voor een geweldige overlast voor de omgeving.

Na 1918 verdwijnt de sigarenproductie in de Kempen, omdat de ondernemers niet tot mechanisering willen overgaan.

De industrialisatie heeft tot gevolg dat de huisnijverheid en de oude ambachten vrijwel volledig verdwijnen. Toch blijft Limburg een overwegend agrarische provincie. De industrialisatie zet zich pas werkelijk door in het tweede en derde kwart van de 20ste eeuw. De verbetering van de toestand in de landbouw vanaf het einde van de 19de eeuw en de toenemende industrialisatie, vooral de opening van de steenkoolmijnen, ging voor het bestudeerde gebied gepaard met een geweldige bevolkingstoename in een historisch steeds dun bevolkt gebied. Hierdoor kwamen traditionele structuren en patronen onder zware druk te staan en zorgden voor ingrijpende wijzigingen in het uitzicht van de streek.

De specifieke geschiedenis van de landbouw zal in het hoofdstuk over de landelijke architectuur in detail behandeld worden.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Het bisdom Tongeren ontstond in de 4de eeuw door afscheiding van de zetel Keulen. In 384 zou de bisschopszetel naar Maastricht overgebracht zijn, in 718 ten slotte naar Luik.

Deze vroege christianisatie ging na de Frankische invallen volledig verloren, op een kleine kern in Tongeren en Maastricht na. De herkerstening gebeurde in de loop van de 7de eeuw, in het bestudeerde gebied vooral door het missioneringwerk van Willibrordus en Bonifacius, die ook aan de basis lagen van de stichting van de abdij van Aldeneik in 720, als steunpunt voor de verdere missionering van het Maasland. Toch schijnt de uitstraling van deze abdij in de daaropvolgende periode van kerken- en parochiestichtingen beperkt. De kerkelijke organisatie in parochies komt tot stand onder Karel de Grote. De oudste parochiestichtingen dateren tussen 800 en 1000 en situeren zich vooral in Haspengouw en het Maasland. De Kempen is hierin duidelijk later. Bovendien is het opvallend dat waar elders het vooral de religieuze instellingen zijn die tot kerkenstichting over gaan, het in de Kempen zeer dikwijls stichtingen van de heer waren, vooral van de graven van Loon. Zij stichten bij de vorming en consolidatie van hun graafschap onder meer de kerken van Bocholt, Gruitrode, Meeuwen, Neerglabbeek en waarschijnlijk ook Bree, Opitter en Opoeteren. Deze stichtingen situeren zich in de 11de en 12de eeuw. Ook de kerk van Kessenich is een stichting van de plaatselijke heer, terwijl de kerk van Lanklaar een lekenstichting is door de heren van Leut. De kerk van Ophoven is waarschijnlijk een stichting van de heer, de graaf van Horn. Na de verordeningen van paus Alexander III (1159-1181) tegen de lekenpatronaten en de eigenkerken, gaan veel van deze kerken over naar religieuze instellingen, en verwerven bijvoorbeeld de abdijen van Herkenrode en Averbode, evenals een aantal Luikse instellingen een groot aantal kerken met hun tienden en parochierechten.

Tot de stichtingen door kerkelijk instellingen behoren de kerken van Kaulille, Gerdingen en Dilsen, alle waarschijnlijk stichtingen van het Sint-Servaaskapittel van Maastricht. De kerk van Wijshagen is een oude stichting door het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Maastricht. De kerk van Reppel wordt gesticht door de abdij van Echternach. Vanuit de abdij van het aan Kessenich grenzende Thorn, gesticht in 992, worden de kerken van Beek, Heppeneert en Neeroeteren gesticht. De kerk van Elen en haar filiaal Tongerlo worden gesticht door de abdij van Corbie. De kerken van Geistingen en Ellikom behoren tot de weinige stichtingen van de abdij van Aldeneik.

Tot de oudste parochies van het gebied behoren Gerdingen, Dilsen en Kessenich, die alle zeer grote, primitieve parochies waren, waaruit in latere perioden verschillende parochies werden afgesplitst.

Het bestudeerde gebied behoorde op kerkelijk gebied tot het bisdom Luik. Het primitieve bisdom Luik kwam overeen met de Romeinse civitas Tungrorum, en strekte zich uit van 's Hertogenbosch tot Bouillon. Het bestond uit acht aartsdiaconaten: Luik, Haspengouw, Brabant, Kempen, Condroz, Famenne, Ardennen en Henegouwen. Het bestudeerde gebied behoorde tot het aartsdiaconaat Kempen of Taxandria, dat zich uitstrekte van de Scheldemonding tot de scheidingslijn tussen Maas- en Rijnbekken, en van de beneden Maasoever tot aan de Demer. De oprichting ervan gebeurde later dan die van Haspengouw, dat reeds in de Karolingische tijd gesticht werd, omdat de kerstening in Taxandria veel later op gang kwam. Elk aartsdiaconaat was onderverdeeld in landdekenaten of conciliën. Het aartsdiaconaat Kempen bestond uit zeven landdekenaten: Hilvarenbeek (Nederland), Cuyck (Nederland), Eycke, Beringen, Susteren (Nederland) en Wassenberg (Nederland). Het bestudeerde gebied viel onder het landdekenaat Eycke, dat nagenoeg overeenstemde met de Merovingische gouw of pagus Masau, zoals vermeld in de verdelingsakte bij het verdrag van Meerssen in 870.

Aan vrijwel alle kerken in het bestudeerde gebied gingen één, soms meerdere oudere gebouwen vooraf. We beschikken over inlichtingen betreffende de primitieve kerken van een aantal gemeenten. De primitieve abdijkerk van Aldeneik was een houten gebouw, dat circa 870 vervangen werd door een stenen. In Gruitrode-Muisven werd het houten missiekerkje opgegraven, waarschijnlijk daterend uit de 8ste eeuw, en de voorganger van de huidige kapel. In vrijwel alle gemeenten heeft een Romaans gebouw bestaan, meestal klein en met een zeer eenvoudig grondplan, opgetrokken uit breuksteen, vooral Maaskeien. Uit eind 10de - begin 11de eeuw dateerden de kerken van Beek en Gerdingen. In de 11de eeuw werd de Romaanse kerk van Reppel gebouwd (midden 11de eeuw). Uit de 12de eeuw zijn de kerken van Bocholt en Tongerlo (tweede helft 12de eeuw). De primitieve kerk van Kessenich, een oude stichting uit de Karolingische periode, werd in de eerste helft van de 12de eeuw vervangen door een Romaans gebouw. Uit de 12de eeuw dateert mogelijk ook de Romaanse.kerk van Neerglabbeek. Uit de 12de-13de eeuw dateerde de kerk van Kaulille. Aan de oude kerk van Dilsen, in de Oude Kerkstraat gingen vier gebouwen vooraf, waarvan het oudste waarschijnlijk van hout was, maar waar pas gegevens voorhanden zijn van de derde kerk, een Romaanse kerk van Maaskeien van 1250. De primitieve kerken van Elen, Rotem, Stokkem, Neeroeteren, Opoeteren, Gruitrode en Wijshagen waren Romaanse gebouwen van Maaskeien, voorlopig nog niet onderzocht. Ook Ellikom, een zeer oude kerkstichting uit de 9de eeuw, had een Romaanse kerk van Maaskeien en silex.

Een aantal huidige kerken staan op een andere plaats dan die van de primitieve kerk; dit is onder meer het geval in Dilsen, Lanklaar, Rotem en Geistingen. Wat betreft de eerste drie gemeenten heeft dit te maken met een grondige wijziging in het nederzettingspatroon gedurende de tweede helft van de 19de eeuw, waardoor het centrum van het dorp bij de nieuwe woonwijken kwam te liggen, en de nieuwe kerk in dit nieuwe centrum werd gebouwd.

Van al deze Romaanse kerken blijven weinig resten behouden. De belangrijkste overblijfselen zijn te vinden in de kerken van Beek, Gerdingen en Aldeneik.

De abdijkerk van Aldeneik, gesticht circa 720, was oorspronkelijk een houten gebouw, dat circa 870 vervangen werd door een stenen, waarover we geen gegevens bezitten. In de 12de-13de eeuw bouwt het kapittel een nieuwe kerk, het schip daterend tussen 1150 en 1200, de westbouw van circa 1220-30. Het koor is gotisch en dateert uit de tweede helft van de 13de eeuw. Het romaanse gebouw was van hardsteen. Wanneer het kapittel in 1570 Aldeneik verlaat om zich in Maaseik te vestigen dient de munsterkerk als parochiekerk voor Aldeneik, dat zijn religieuze centrumrol verliest en verwordt tot een kleine rurale gemeenschap, zonder enig belang. De abdijkerk is voor deze gemeenschap veel te groot, en vervalt geleidelijk aan: de zijbeuken verdwijnen of worden afgebroken, en in de 19de eeuw is ook de westpartij vrijwel volledig verdwenen. De restauratie en de reconstructie van het gebouw - in 1854-57 van het schip door H. Jaminé, in 1890 van de westpartij door meter Christiaens - roepen dan ook twijfels op betreffende de authenticiteit. Wel authentiek zijn de belangrijke Romaanse torens van Beek en Gerdingen, waarbij Beek interessanter is aangezien de toren van Gerdingen na een brand in 1881 sterk werd gerestaureerd. Beide torens hebben een vroeg-romaanse onderbouw uit eind 10de, begin llde eeuw, en een romaanse bovenbouw uit de 12de eeuw. Het zijn vrij lage, massieve en gesloten torens, opgetrokken uit breuksteen, voornamelijk Maaskeien, met in het vroeg-romaanse gedeelte visgraatmotieven.

De kerk van Neerglabbeek behield resten van het romaanse gebouw in de onderbouw van de toren, eveneens van breuksteen met Maaskeien, en dateert mogelijk uit de 12de eeuw. De bovenbouw is in overgangsstijl, waarschijnlijk uit de 14de eeuw. De oude kapel van Muisven te Gruitrode behield haar ronde, romaanse absis van Maaskeien. Fragmentarische romaanse resten zijn terug te vinden in de oude kerk van Dilsen (13de eeuw) en de kerk van Kessenich (eerste helft 12de eeuw).

In de 13de eeuw werd in het bestudeerde gebied dus nog overal in romaanse stijl gebouwd. Er is in het hele Maasland trouwens een duidelijk conservatisme te bespeuren bij de overgang naar de gotische stijl, waaruit blijkt dat met moeite van de romaanse traditie afstand kon worden gedaan.

Pas vanaf de 14de eeuw kan men in het bestudeerde gebied werkelijk van vroeggotiek spreken. Een mooi voorbeeld is het koor van de munsterkerk van Aldeneik. De Onze-Lieve-Vrouwekapel van Opitter werd aan het einde van de 14de eeuw gebouwd in overgangsstijl, terwijl het koor dateert van circa 1500; toch vertoont ook dit nog alle kenmerken van de vroeggotiek. De massieve, mergelstenen westtoren van de Sint-Laurentiuskerk van Bocholt situeert zich eveneens op de overgang van de Romaanse naar de gotische stijl.

Het grootste gedeelte van de kerken van het bestudeerde gebied behoort tot de stijlgroep van de Maaslandse gotiek. Deze stijl wordt gekenmerkt door een eenvoudig grondplan, het inheemse bouwmateriaal mergelsteen, het gedrukte kruisribbengewelf, de hoge, grote koorvensters, het schijntriforium in de blinde benedenhelft van de lichtbeukvensters, de zuilen van Naamse kalksteen, voorzien van het zogenaamde Maaskapiteel versierd met een krans van lis- en irisbladeren, de boogfriezen op kraagsteentjes, in het interieur dikwijls in de vorm van maskerkopjes - een Romaanse reminiscentie die in het hele Maasland gebruikelijk blijft -, en de volledig gesloten westtoren zonder westelijke ingang. Deze stijl ontwikkelt zich in de loop van de 14de eeuw en er is tot ver in de 16de eeuw vrijwel geen evolutie in te bespeuren. De stijl is terug te vinden in de kerken van het gebied op de beide Maasoevers, van Dinant-Namen in het zuiden tot 's-Hertogenbosch in het noorden. In westelijke richting is Hasselt het verste verspreidingspunt. Waar in het zuidelijk Maasland duidelijke Franse invloeden te bespeuren zijn is dit in het noordelijke gedeelte niet het geval. In het bestudeerde gebied behoren vrijwel alle gotische kerken tot deze stijl, meer bepaald tot de noordelijke, Belgische groep: de Sint-Martinuskerk van Dilsen (tweede helft 16de en begin 17de eeuw), waarvan alleen de toren bewaard bleef; de Sint-Martinuskerk van Kessenich, waarvan de toren/en een Maaskapiteel resten; de Sint-Hubertuskerk van Neerglabbeek, met koor en middenschip van 1459; de zeer mooie Sint-Martinuskerk van Beek (schip en koor), een homogeen geheel uit de 15de eeuw; de kerk van Gerdingen uit het begin van de 16de eeuw, hoewel minder belangrijk omwille van de zware restauratie na de brand van 1881; de Sint-Trudokerk van Opitter met haar schip uit eind 14de, begin 15de eeuw en haar koor van circa 1400; de Sint-Willibrorduskerk van Reppel, waar van de gotische kerk slechts de toren (waarschijnlijk 14de eeuw) en het koor (16de eeuw) resten; de in de 19de eeuw sterk verbouwde Sint-Michielskerk van Bree (midden 15de en begin 16de eeuw); de Sint-Pieterskerk van Tongerlo; de Sint-Lambertuskerk van Neeroeteren, de mooiste Maasgotische kerk uit Belgisch-Limburg, daterend uit de eerste helft van de 14de eeuw met afwerking uit het begin van de 16de eeuw; de fragmentarisch behouden Sint-Dionysiuskerk van Opoeteren, waarvan het middenschip (waarschijnlijk 15de eeuw), de toren en de noordelijke kapel (beide 1571) resten; en de Sint-Gertrudiskerk van Gruitrode met een schip van circa 1420 en transept en koor uit het tweede kwart van de 16de eeuw.

De meer westelijk gelegen, bakstenen kerken van Kaulille en Meeuwen behoren tot een andere stijlgroep, de Brabants-Kempische gotiek. Beide behielden hun bakstenen toren, de kerk van Meeuwen ook haar middenschip, terwijl de gedeeltelijk bakstenen, gedeeltelijk mergelstenen Sint-Laurentius van Bocholt een grensgeval is, waarin Brabantse invloed te bespeuren is. Merkwaardigerwijze hadden ook de Maasgemeenten Ophoven en Geistingen bakstenen kerken, doch aangezien hiervan vrijwel geen resten bewaard bleven - in Ophoven een gedeelte van de toren, in Geistingen het tot kapel omgevormde koor - is het moeilijk om ze aan een bepaalde stijlgroep toe te wijzen.

De 16de eeuw luidt voor het bestudeerde gebied een periode in van oorlogsgeweld, onveiligheid en armoede, en dit weerspiegelt zich in de kerkenbouw. Vanaf deze periode wordt nog weinig gebouwd, en uit de visitatieverslagen blijkt dé slechte staat waarin vele kerkgebouwen zich bevinden.

Pas in de relatief rustige periode, die begint vlak voor de Vrede van Westfalen (1648) en duurt tot het begin van de oorlog tussen Frankrijk en de Republiek in 1672, is er weer sprake van bouwactiviteit. In de 17de eeuw wordt verder gebouwd aan de kerk van Dilsen en in 1668 wordt het schip van de kerk van Neerglabbeek verbouwd. In de stad Maaseik worden in de loop van de 17de eeuw een aantal kloosterkerken gebouwd bij de nieuw gestichte kloosters: de minderbroederkerk in 1637, de capucienenkerk in 1635-38, beide in een sobere barokstijl, en waarschijnlijk ook de kerk van het in 1654 gestichte capucienessenklooster, thans verdwenen. In het naburige Wurfeld wordt in 1640 de thans verdwenen kapel gebouwd.

Ook de 18de eeuw is geen periode van grote bouwactiviteit. In 1719 wordt de vervallen romaanse toren van de Sint-Lambertuskerk van Neeroeteren door de huidige vervangen. In 1714-20 wordt de barokke kloosterkerk van het augustijnenklooster van Bree gebouwd. In 1767 wordt de kerk van het kruisherenklooster van Maaseik gebouwd, een zeldzaam voorbeeld van een religieus gebouw in Lodewijk XV-stijl.

Pas de 19de eeuw luidt opnieuw een bloeiperiode in voor de kerkelijk architectuur. In de jaren 1831-1839 worden onder impuls van Leopold I een groot aantal kapellen onafhankelijk van hun moederkerk, een noodzakelijke aanpassing die tijdens de jaren van de Franse bezetting en het Nederlandse bewind achterwege was gebleven. Samen met het feit dat de meeste kerken als gevolg van eeuwenlange noodgedwongen verwaarlozing in zeer slechte staat verkeren, schijnt dit een impuls geweest te zijn voor een nieuwe bouwactiviteit in de eerste helft van de 19de eeuw. In Elen wordt de Romaanse toren van de Sint-Pieterskerk afgebroken en vervangen door de huidige, neoclassicistische westpartij. In Rotem wordt in 1834-36 een nieuwe kerk gebouwd bij het nieuwe centrum van de gemeente. In 1846-48 bouwt J. Dumont (Brussel) de huidige, neoclassicistische kerk van Stokkem. Geistingen krijgt in 1837-39 eveneens een nieuw kerkgebouw, in neo-romaanse stijl, op een andere plaats dan de oorspronkelijke kerk. In 1840-45 bouwt Leemans de huidige, neoclassicistische Sint-Catharinakerk van Maaseik. De romaanse kerk van Ellikom wordt in 1844 door L. Jaminé vervangen door een nieuw, thans verdwenen gebouw.

De plotse en sterke bevolkingstoename in het noorden van Limburg in de tweede helft van de 19de eeuw geeft aanleiding tot vernieuwde activiteit in de kerkenbouw. Tussen 1879 en 1901 worden in de provincie door bisschop Doutreloux meer dan 150 nieuwe kerken ingewijd. Waar de eerste helft van de 19de eeuw gekenmerkt wordt door het gebruik van de neoclassicistische stijl, geldt dat voor de neogotiek in de tweede helft van de eeuw. Een beperkt aantal architecten treedt hierbij op de voorgrond, en tekenen voor vrijwel alle kerken uit deze periode: de architectenfamilie Jaminé (Hasselt), die drie generaties provinciale architecten leveren, meter Christiaens (Tongeren), en het team H. Martens (Stevoort) en V. Lenertz (Leuven). Christiaens bouwde de kerken van Elen (1888), Wurfeld (1900), Ophoven (1905), Kaulille (1930), en de thans op de toren na verdwenen kerk van Wijshagen (neoromaans, 1887-88). H. Jaminé tekende voor de kerk van Kinrooi (1852-53), de toren van de Sint-Catharinakerk van Maaseik (1859), de kerk van Molenbeersel (neoromaans, 1860-72) en van Heppeneert (neoromaans, 1871-86). L. Jaminé bouwde de neogotische toren bij de kerk van Opitter (1864-76). H. Martens en V. Lenertz bouwden de kerk van Dilsen (1908-12).

Deze architecten voeren in dezelfde periode ook vrijwel alle restauraties van kerken uit, onder meer de eerder vermelde restauratie van de kerk van Aldeneik, die eerder kan bestempeld worden als een zeer vrije reconstructie.

Toch zijn de beste voorbeelden van religieuze architectuur uit deze periode in het bestudeerde gebied niet van hun hand. Een zeer mooie, neogotische kerk, vooral wat het - gaaf bewaarde - interieur betreft, is de Sint-Martinuskerk van Kessenich, van J. Tonnaer (Delft), een leerling van P.J.H. Cuypers. Een ander zeer merkwaardig gebouw, de Sint-Benedictuskerk van Lozen (Bocholt, 1887) van J. Kaijser (Venlo), een andere leerling van Cuypers, werd spijtig genoeg door latere ingrepen gewijzigd, zodat de oorspronkelijke eigenschappen grotendeels verloren gingen. De kerk was gebouwd in de voor Kaijser typische Noord-Duitse baksteengotiek. Van dezelfde architect is de nabijgelegen pastorie van Lozen (1886).

Het grootste gedeelte van de overige religieuze architectuur van het bestudeerde gebied is te vinden in de stad Maaseik. Dit geldt vooral de kloosters.

Maaseik bezat naast verschillende kloosters ook een begijnhof. Laatst genoemde werd gesticht in 1256 onder impuls van de graaf van Loon, maar er bleef na de 15de eeuw niets meer van bewaard. Voor verschillende kloosters was de wet van 1 september 1796 betreffende de opheffing van de kloosters fataal. Het agnetenklooster, gesticht in het extra muros gelegen begijnhof, werd in 1483 naar zijn huidige plaats in de Sionsstraat overgebracht. Er bleven slechts fragmenten van bewaard, waarvan het meest monumentale de voormalige tiendschuur is. Het kruisherenklooster, gesticht in 1474 verdween, op de kloosterkerk in de Bosstraat na. Het sepulchrienenklooster in 1495 uit Kinrooi overgebracht, verdween volledig; de huidige gebouwen zijn die van het kruisherenklooster, daterend van 1866. Het capucienessenklooster, gesticht in 1654 verdween volledig. Wel bewaard bleef het minderbroederklooster gesticht in 1626, met gebouwen in Maasstijl uit de eerste helft van de 17de eeuw, in 1882 vergroot met de vleugels die de ursulinen lieten bouwen, waarschijnlijk door meter Christiaens, toen zij het klooster in de 19de eeuw betrokken. Het capucienenklooster, gesticht in 1626 behield, naast de kloosterkerk, slechts fragmenten van de oorspronkelijke gebouwen, die omgeven zijn door de 19de-eeuwse vleugels, gebouwd in de tweede helft van de 19de eeuw nadat de Zusters van Liefde van Tilburg het klooster in 1840 overnamen. De eens belangrijke abdij van Aldeneik, later kapittel, verdween, op de kerk na, na de verhuis van het kapittel naar Maaseik in 1570. Van de abdij Sint-Jansberg, een stichting van de abdij van Averbode, rest alleen het koor van de laat-romaanse kapel, gebouwd in 1332.

Ook Bree bezat een aantal kloosters. Het franciscanessenklooster, gesticht in 1464 buiten de wallen, overleefde de Franse tijd niet. Wel bewaard bleef het augustijnenklooster en -college, gesticht in 1652-57, met kloostergebouwen in Maasstijl. Het refugiehuis van de abdij van Postel, gesticht in 1631-39, en ooit een belangrijk complex, behield één, vrij sterk verbouwde vleugel.

Ook het penitentenklooster van Stokkem verdween circa 1800; de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand, opgericht in 1818 op een andere plaats, bewaart de herinnering aan de kloosterkerk naar welk voorbeeld ze werd gebouwd, met hergebruik van een deel van het afbraakmateriaal.

De cisterciënzerinnenabdij van de Godsberg te Neeroeteren, gesticht onder impuls van de graaf van Loon circa 1240, was slechts een zeer kort leven beschoren: zij werd in 1275 opgeheven, er bleven geen sporen van bewaard.

Een late kloosterstichting is het karmelietenklooster Gerkenberg te Gerdingen, gebouwd door architect Pauwels (Brussel) in 1914-19, waarvan de kloosterkerk een gaaf bewaard interieur bezit in neogotische stijl.

De Franse bezetting was ook de oorzaak van het verdwijnen van de meeste kapellen. De huidige kapellen dateren dan ook voor het grootste gedeelte uit de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. De grotere exemplaren zijn over het algemeen eenvoudige, bakstenen gebouwtjes van één travee onder zadeldak. Soms vervangen zij een verdwenen oudere kapel. De oudste voorbeelden dateren van vlak na de Franse periode, uit het begin van de 19de eeuw. Dit is onder meer het geval voor de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand van Stokkem, die in 1818 gebouwd werd op de plaats van een kapel die door de Fransen was afgebroken, en met hergebruik van de afbraakmaterialen van de kapel van het penitentenklooster. De Sint-Antoniuskapel van Meeuwen is eveneens een oud voorbeeld daterend uit het einde van de 18de of het begin van de 19de eeuw. De Sint-Brigidakapel van Meeuwen dateert van 1830. Er bevinden zich in het gebied ook een vrij groot aantal wegkapellen, meestal in de vorm van een nis in een bakstenen pijler.

Eén van de weinige kapellen die de Franse periode overleefde was de belangrijke kapel van Veldhoven (Bocholt), gesticht in de tweede helft van de 16de eeuw, heropgebouwd in de 18de eeuw. Ze werd echter verwoest in 1944 en vervangen door een recente kapel. Ook de Sint-Antoniuskapel van Bree overleefde de revolutie, maar werd in 1952 afgebroken. De Sint-Antoniuskapel van Opitter, een stichting van de commanderij van Gruitrode dateert mogelijk uit de 18de eeuw; het is een eenvoudige, wat grotere bakstenen kapel. De kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Rust in Elen is eigenlijk het koor van een thans verdwenen, veel grotere kapel, waarvan de datering onduidelijk is, maar de stichting opklimt tot vóór de 14de eeuw.

Ongetwijfeld de belangrijkste kapel in het bestudeerde gebied is de zeer mooie, mergelstenen kapel van Onze-Lieve-Vrouw Troosteres der Bedrukten van Opitter, die besproken werd bij de kerkgebouwen: zij heeft een schip in overgangsstijl uit de 14de eeuw, en een koor in gotische stijl van circa 1500. Ook de Sint-Willibrorduskapel van Muisven (Gruitrode), werd hoger besproken. Deze zeer oude kapel gaat terug op een missiekerkje uit de 8ste eeuw, en behield een Romaans koor van Maaskeien. Een andere zeer oude kapel, de Sint-Janskapel van Mulheim, verdween bij het graven van de Zuid-Willemsvaart in 1827. Ook hier ging het om een missiekerkje uit de 8ste eeuw, in de 11de of 12de eeuw vervangen door een stenen gebouw. De kapel van Boyen (Stokkem), van 1887, dient vermeld omwille van haar mooie, landelijke ligging. De kapel van Kinrooi, opgericht in 1470, bleef bewaard in een sterk gehavende vorm, naast de nieuwe parochiekerk, die haar functie overnam nadat Kinrooi in 1842 een parochie werd. Een mooie en gaaf bewaarde kapel is de Sint-Harlindis en Relindiskapel van Aldeneik (Maaseik), daterend uit de 18de eeuw. De neogotische Sint-Laurentiuskapel van Wurfeld (Maaseik), van 1900, vervangt een oudere kapel uit de 17de eeuw. De Sint-Donatuskapel van Dorne (Opoeteren) behield een oud gedeelte, mogelijk daterend uit de 17de eeuw.

Wat geldt voor de kapellen geldt ook voor de graf- en wegkruisen: vrijwel allemaal verdwenen zij tijdens de Franse periode, op last van de regering. De huidige wegkruisen zijn vooral smeed- of gietijzeren kruisen uit het laatste kwart van de 19de eeuw en het eerste kwart van de 20ste eeuw.

Naast de hoger vermelde pastorie van Lozen (Bocholt) bevinden zich in het bestudeerde gebied nog een paar andere vermeldenswaardige pastorieën. De pastorie van Reppel was afhankelijk van de abdij van Echternach. Ze behield een oude kern, die mogelijk opklimt tot de tweede helft van de 17de eeuw, maar belangrijker is haar ligging op een omgracht kavel met inrijpoort. De pastorie van Opitter, gebouwd in 1726 door de abdij van Averbode, is een mooi huis in Maasstijl, dat sterke gelijkenis vertoont met andere pastorieën van deze abdij in Limburg, zoals Batsheers (Heers) en Brustem (Sint-Truiden). De oude pastorie van Dilsen dateert van 1784; ook de voormalige kapelanij hier, gebouwd in 1740 is een interessant, vrij goed bewaard gebouw.

De meeste pastorieën echter zijn eenvoudige gebouwen van het dubbelhuistype met twee verdiepingen uit de 19de eeuw. Er schijnen twee grote bouwcampagnes voor de pastorieën geweest te zijn: het derde kwart van de eeuw, met gebouwen in neoclassicistische stijl (Kaulille, Beek, Kinrooi, Molenbeersel, Opoeteren) en de eeuwwisseling, met gebouwen in eclectische of neotraditionele stijl (Ellikom, Meeuwen, Gruitrode, Neerglabbeek, Stokkem). Een monumentaler voorbeeld is de dekenij van Bree, gebouwd in 1864-72 door H. Jaminé (Hasselt).

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Algemeen kan gesteld worden dat het overgrote deel van de burgerlijke architectuur, die in deze inventaris is opgenomen, bestaat uit hoeven. Het bestudeerde gebied is immers van oudsher een bij uitstek landelijk gebied, waar de landbouw tot de tweede helft van de vorige eeuw de belangrijkste economische activiteit was. De belangrijke uitzondering is de stad Maaseik, die omwille van haar specifieke historische situatie, een grote rijkdom aan traditionele burgerhuizen wist te bewaren, uniek voor de provincie.

Algemene kenmerken

De burgerlijke architectuur in de culturele entiteit, gevormd door het territorium van het voormalige prinsbisdom Luik, vertoont een aantal specifieke karakteristieken. Of zij voldoende uitgesproken zijn om van een "Maaslandse stijl" te kunnen spreken blijft een open vraag. Wij zullen hier in het kort de evolutie van het burgerhuis in dit Maaslandse gebied schetsen. Het is duidelijk dat de vermelde kenmerken niet alleen gelden voor het stedelijke burgerhuis, maar ook voor de woonhuizen van hoeven, voor plattelandswoningen, pastorieën, gemeentehuizen en kastelen.

De periode vóór circa 1400 wordt gedomineerd door de houtbouw, behalve voor de kerkenbouw en de burchten en versterkte herenhuizen van de adel. Deze worden - zeker vanaf de 11de eeuw -, opgetrokken uit Maaskeien, een materiaal dat overal in de streek in de ondergrond aanwezig is. Het enige voorbeeld hiervan in het bestudeerde gebied is de burcht van Kessenich, waarvan de resten van de onderbouw werden opgegraven. Later, waarschijnlijk vanaf de 14de eeuw, domineert de mergelsteen als bouwmateriaal in de stenen gebouwen. De burgerhuizen blijven vakwerkgebouwen, en dit geldt zeker voor de landelijke architectuur.

Het bestudeerde gebied is echter geen typisch vakwerkgebied, zoals andere streken in Limburg. De verstening zette vroeg in en was rond het midden van de 19de eeuw vrijwel volledig voltooid, ook op het platteland. Eén van de drijvende krachten achter het versteningsproces van de stedelijke vakwerkbouw waren de stedelijke verordeningen ter bestrijding van het brandgevaar. Maaseik kent in de 17de eeuw een aantal grote branden, die hele stadswijken in de as legden, waardoor van gebouwen, ouder dan de 17de eeuw, vrijwel geen sporen bewaard bleven. Toch bleven ook in Maaseik resten van de vakwerkbouw bewaard.

Vanaf de 16de eeuw worden ook burgerhuizen van steen gebouwd. Voor het bestudeerde gebied, zoals voor de rest van Limburg, wordt nu gebouwd in de combinatie baksteen-mergelsteen, laatst genoemde materiaal afkomstig uit de mergelgrotten in de omgeving van Maastricht. De eerste helft van de 16de eeuw wordt gekenmerkt door de laatgotische stijl, maar reeds in deze periode dringen renaissance-elementen door, die zich echter beperken tot de decoratie, en de onderliggende gotische structuur onaangeroerd laten. De tweede helft van de eeuw wordt gekenmerkt door de definitieve doorbraak van de renaissancestijl. In deze periode wordt het breedhuis het dominante type in de stedelijke architectuur van het land van Luik, dat sterk bepalend zal zijn voor het stadsbeeld.

Er dient opgemerkt te worden dat noch de renaissance, noch de barok in het Luikse ooit de rijkelijk gedecoreerde, uitbundige stijl was die de andere streken der zuidelijke Nederlanden kenmerkte. Vanaf deze periode begint zich de invloed van Frankrijk te doen gelden, die tot in de 19de eeuw de architectuur van Luik en haar afhankelijkheden zal bepalen, voelbaar in de strakke, droge en rationalistische vormentaal, eigen aan de Franse architectuur vanaf het midden van de 16de eeuw.

De architectuurstijl van de 17de en eerste helft van de 18de eeuw wordt in Limburg traditioneel aangeduid met de term "Maaslandse renaissance". Er zijn allerlei bezwaren tegen het gebruik van deze terminologie. In eerste instantie houdt zij een duidelijk anachronisme in als de term "renaissance" wordt toegepast op een stijl die doorloopt tot het midden van de 18de eeuw. Het epitheton "Maaslands" kan daarenboven verwarring doen ontstaan met de specifieke Maaslandse kunst van het jaar 1000 tot 1250. Bovendien blijkt bij nader onderzoek dat ook in het Maasland, in Limburg en Luik, in de zogenaamde "Maaslandse renaissance" een duidelijke evolutie is waar te nemen van renaissance over barok naar Lodewijk XIV-stijl en classicisme. We hebben dus vanaf het begin, naar het voorbeeld van de Luikse inventaris, geopteerd voor de term "Maasstijl" voor de traditionele bouwstijl van de 17de en eerste helft van de 18de eeuw.

De eerste periode in deze Maasstijl, die nog met de term renaissance zou kunnen omschreven worden begint aan het einde van de 16de eeuw, maar situeert zich vooral in de eerste helft van de 17de eeuw. De gebouwen worden gekenmerkt door een sterk horizontalisme, een overvloedig gebruik van mergelsteen, vooral aangewend voor de talrijke gevelornamenten in renaissancestijl en de fijne profileringen van de kroonlijsten. In deze periode komt de trapgevel voor als gevelafsluiting. Maaseik kent in deze periode nog de overkraging van de bovenverdieping, een duidelijk op de vakwerkbouw geïnspireerd element.

De tweede helft van de 17de eeuw kent in Maaseik twee stromingen. Een aantal huizen, vooral de grotere burgerwoningen, vertonen in deze periode een duidelijk doordringen van de barok in een overvloedig gedecoreerde stijl, waarvan elders in het Land van Luik geen voorbeelden van bestaan. De tweede stroming is de gebruikelijke in het Land van Luik. Hierin is reeds vroeg sprake van een algemene versobering van de gevel. De mergelsteen wordt spaarzamer gebruikt en wordt voor de omlijstingen van de muuropeningen en de kruisen van de kozijnen vervangen door de uit het Luikse ingevoerde Naamse kalksteen. Met de mergelsteen verdwijnt ook alle decoratie uit de gevel.

De zogenaamde "Maaslandse krulgevel" (zie Thiels, 1971) komt vanaf het einde van de 16de eeuw in Maaseik voor, en evolueert van een typische renaissance- naar een barokornamentiek. Hij komt voor tot het einde van de 17de eeuw.

De eeuwwisseling (circa 1690-1710) brengt een plotse toevloed van nieuwe elementen in de gevelarchitectuur. Er wordt voor het eerst gestreefd de gevel als een geheel te behandelen, waarbij muuropeningen en decoratie ingepast worden in een symmetrisch geconcipieerd totaalbeeld, dit alles onder invloed van de in onze streken doordringende Lodewijk XIV-stijl. Dit is ook de vormentaal van de in de gevels voorkomende decoratie. Naar het voorbeeld van Luik wordt voorbijgegaan aan de meer gedecoreerde barokstromingen en geopteerd voor de classicerende richting.

Deze rijker geornamenteerde gevelarchitectuur kent geen navolging in de 18de eeuw. De eerste helft van de eeuw wordt gekenmerkt door een algemene versobering. De vensters worden, in een streven om meer licht in het interieur binnen te laten, soms zeer groot en hoog, en zijn gevat in vlakke rechthoekige omlijstingen van kalksteen. De negblokken, de mergelstenen kroonlijsten en de ver uitstekende houten consoles onder de dakrand verdwijnen. Er is een nieuwe tendens tot verticaliserende gevelritmering. Een voor het bestudeerde gebied regionaal kenmerk, dat vanaf deze periode door voorbeelden gedocumenteerd is, is het gebruik van het houten kruiskozijn in een bakstenen gevel.

De jaren 1740-1750 worden gekenmerkt door een geveltype dat vanaf het einde van de 17de eeuw frequent voorkomt en beschouwd wordt als een zeer eigen uiting van de kleine Maaslandse privé-architectuur. Het wordt gekenmerkt door een aaneenschakelen van vensters in horizontale stroken, zodat de gevel herleid wordt tot een natuurstenen skelet waaruit vrijwel alle baksteenvlakken geweerd zijn. Dit huistype is gewoonlijk bescheiden van afmetingen. Elke versiering ontbreekt, en het gebruik van het zogenaamde Franse raam, zonder stenen onderverdeling, komt nu geregeld voor.

Na 1750 komt het gebied, via Luik, onder uitgesproken Franse invloed. De belangrijkste kenmerken worden ontleend aan de Lodewijk XV-stijl, wat vooral tot uiting komt in de symmetrische gevelindeling en de typische geloogde muuropeningen in een kalkstenen omlijsting met sluitsteen. In zeldzame gevallen zijn deze sluitstenen gedecoreerd, en kan men er de evolutie van de régence-stijl naar de zuivere rococo in terugvinden.

De rococostijl was in het Land van Luik, in navolging van Frankrijk, vooral een interieurstijl. Hij wordt daarom vooral in de binnenhuisarchitectuur aangetroffen.

De laatste decennia van de 18de eeuw worden gekenmerkt door een streven naar strenge, klassieke vormen onder invloed van de Lodewijk XVI-stijl. De gebouwen uit deze periode evolueren opnieuw naar een grote soberheid, gekenmerkt door de rechthoekige muuropeningen in kalkstenen omlijsting, met als enige decoratie de smalle, geprofileerde druiplijst. Later verdwijnt ook dit decoratie-element, en het zijn deze sobere huizen met hun rechthoekige kalkstenen vensters en deuren die het eerste kwart van de 19de eeuw kenmerken en in deze studie aangeduid worden onder de benaming laatclassicisme. De zuivere empirestijl bleef in Limburg slechts in een zeer beperkt aantal voorbeelden behouden.

Van het historicisme dat de toenmalige internationale stromingen van het ogenblik kenmerkt, is in het bestudeerde gebied in de eerste helft van de 19de eeuw weinig te merken. Rond het midden van de eeuw ontwikkelt zich een sober geveltype met rechthoekige muuropeningen en een spaarzaam gebruik van hardsteen: voor de lateien en lekdrempels van de vensters en de omlijsting van de deur. Het tweede kwart van de eeuw wordt bovendien gekenmerkt door het spaarzame gebruik van neoclassicistische ornamentiek.

Een regionale karakteristiek in de tweede helft van de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw, is het gebruik van het houten kozijn voor de muuropeningen in deze periode, vooral in de eenvoudigere woningen en woonhuizen van hoeven.

Pas de tweede helft van de eeuw kent een echte aansluiting met de internationale stijlstromingen. Aanvankelijk beperkt tot neoclassicisme en in mindere mate neogotiek evolueert de gevelarchitectuur naar steeds meer bewogen, meer spectaculaire vormen naar het einde van de eeuw toe. Een uitgesproken eclecticisme beheerst de architectuur van de eerste decennia van de 20ste eeuw. Hierbij dient echter onmiddellijk gesteld te worden, dat deze stijlkenmerken slechts te constateren zijn bij de grotere burgerwoningen en herenhuizen. De kleine woningen evolueren in de tweede helft van de 19de eeuw naar een zeer sober geveltype, dat ook kenmerkend zal zijn voor de woonhuizen van de kleine hoeven. Alle natuursteen is nu verdwenen, en de muuropeningen zijn eenvoudige geloogde deuren en vensters. Dit is een geveltype dat tot ver in de 20ste eeuw zal gebruikt worden.

De daaropvolgende moderne stijlstromingen van art deco naar nieuwe zakelijkheid kennen in het bestudeerde gebied weinig toepassing, en de voorbeelden zijn zelden van hoge kwaliteit Enkele uitzonderingen zijn een aantal villa's en woningen in Bree (Malta 20, 25) en Lanklaar.

De stedelijke architectuur van het bestudeerde gebied beperkt zich tot de drie historische steden: Maaseik, Bree en Stokkem. Hiervan is Maaseik ongetwijfeld de belangrijkste. Ze ontstond als een nova villa, een geplande stadsstichting door de graaf van Loon, in het tweede kwart van de 13de eeuw, vermoedelijk met als doel de stabilisatie van het grafelijk gezag in de streek, en om redenen van fiscale en economische aard. Waarschijnlijk werd bij de stichting weinig rekening gehouden mei economische aspecten zoals de aanwezigheid van een ondersteunend hinterland, want de stad groeide nooit uit tot een echt groot centrum, maar bleef een klein marktcentrum mei regionale uitstraling. Bovendien was hel door zijn positie als grensstad aan de Maas meer dan andere steden blootgesteld aan oorlogsgeweld. De beperkte bloei van de stad, en vooral de grote armoede in de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw, waarbij ook de afsplitsing in 1839 van Nederlands Limburg, hel natuurlijke hinterland van de stad, een rol speelde, had een stagnatie lot gevolg waardoor de stad weinig ingrijpende wijzigingen onderging en als gaafst bewaarde Limburgse stad, met het grootst aantal intact behouden burgerhuizen uil de 17de en 18de eeuw, tot ons kwam.

Bree ontstond als een klein regionaal marktcentrum in de 13de eeuw, en kende evenmin een belangrijke expansie. Nog kleiner was Stokkem, dal zijn belang vooral ontleende aan de aanwezigheid van één van de belangrijke burchten van de graven van Loon, en dat als vestigingsstadje zijn deel had in de verschillende conflicten en oorlogen waar het Land van Loon in betrokken was.

Het tot het begin van de 20ste eeuw dunbevolkte gebied mei zijn gestrekte heidegebieden en naaldbossen kende vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw een beperkte toeristische activiteit. Getuigen hiervan zijn onder meer het hotel Beau Séjour met de aansluitende villawijk Tivoli te Lanklaar.

Openbare gebouwen

Het stadhuis van Bree is ongetwijfeld het mooiste openbare gebouw van het bestudeerde gebied. Het kreeg zijn huidige uitzicht in 1754-55. Het stadhuis van Maaseik is een voormalig burgerhuis, dat in 1824 en 1870 zijn huidig uitzicht kreeg. Het stadhuis van Stokkem is een eenvoudig gebouw, waarin na een aantal verbouwingen nog slechts fragmenten van het oorspronkelijke neoclassicistische concept bewaard bleven.

Vele landelijke gemeenten in het bestudeerde gebied behielden hun gemeenteschool annex gemeentehuis. De onderwijswet van Nothomb van 1842 verplichtte elke gemeente een school te hebben. De eigenlijke scholenbouw kwam pas rond het midden van de eeuw op gang, aangezien aanvankelijk vele schooltjes in lokalen van bestaande gebouwen werden ondergebracht. De oudste voorbeelden dateren uit de jaren 1850 (Reppel, Dilsen, Aldeneik) en reeds vanaf het begin hebben sommige het T-vormige grondplan, dat in de loop van de tweede helft van de eeuw standaard zal worden voor dit type gebouwen: onderwijzerswoning en gemeentehuis in een alleenstaand dubbelhuis, met aansluitend bij de achtergevel de klaslokalen in een min of meer lange vleugel. De meeste landelijke gemeentescholen dateren uit de jaren 1860-70. Een merkwaardig schoolgebouw, dat afwijkt van het gebruikelijke type, is de voormalige gemeentelijke jongensschool van Bocholt, gebouwd in 1868-73 door H. Jaminé en uitgebreid in 1918 en 1932 door K. Gessler, waarvan de kern bestaat uit een centraalbouw - de overdekte speelplaats - die geflankeerd wordt door twee langgestrekte vleugels, waarin de klaslokalen zijn ondergebracht, terwijl de onderwijzerswoning vóór de centraalbouw is geplaatst.

De bevolkingstoename in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw luidt een nieuwe periode van scholenbouw in in het laatste decennium van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Vele scholen worden nu als meisjesscholen opgericht, waarvoor de gemeente zeer dikwijls probeert vrouwelijke religieuzen aan te trekken om onderwijs te geven. Met dit doel bouwen vele gemeenten zelf een woning, een soort van klein klooster, voor de religieuzen. In deze categorie vallen de scholen van Opitter, Meeuwen, Elen, Lanklaar, Rotem, Stokkem, Kessenich, Kinrooi, Molenbeersel en Opoeteren. Hoewel bij dit soort scholen ook dikwijls geopteerd wordt voor het T-vormige grondplan, zijn de ontwerpen hier toch gevarieerder.

Een beperktere periode van scholenbouw situeert zich in het interbellum (Bree, Gruitrode, Neeroeteren).

Landelijke architectuur

De landelijke nederzetting

De oppervlakte van een gemeente wordt dikwijls in hoofdzaak bepaald door de bodemgesteldheid. De vruchtbare leemgronden van het Haspengouws plateau werden reeds vroeg ontgonnen en kregen een grote nederzettingsdichtheid, waardoor de oppervlakte van de territoria klein bleef. De weinig vruchtbare zandgronden van de Kempen werden laat ontgonnen en uitgestrekte oppervlakten waren nodig om de bevolking in stand te kunnen houden.

Het landelijke nederzettingspatroon kent, binnen het bestudeerde gebied, duidelijke regionale verschillen.

Zeer typisch is de aanleg van de Maasdorpen, de dorpen die ontstonden als nederzetting op de Maasoever (Kessenich, Elen, Rotem, Dilsen). Deze nederzettingen dateren van de Frankische landname en weerspiegelen in hun patroon nog steeds het oeroude landbouwsysteem waarop zij geënt waren. De kern lag oorspronkelijk op de Maasoever, bij de akkers en velden op de vruchtbare gronden van de alluviale vlakte. Door de beddingverschuiving van de stroom naar het oosten toe ging deze oeverligging verloren. In dit patroon loopt de dorpsstraat van noord naar zuid, parallel met de Maas, of met een oude bedding ervan; dit is de oudste kern van het dorp, deze straat gaf toegang tot het landbouwgebied. De vruchtbaarste gronden werden als akkergrond gebruikt: het waren gronden die niet of zelden aan de Maasoverstromingen waren blootgesteld, dus achter de dijken lagen. De overige gronden dienden als weidegronden. De percelen vlak aan de Maas en in de uiterwaarden werden en worden nog steeds als hooiland gebruikt. Haaks op de dorpsstraat loopt een tweede straat die het dorp verbindt met de westelijk gelegen Romeinse heirbaan -grosso modo in tracé overeenkomend met de huidige N 78 - en de ten westen hiervan gelegen woeste heidegronden. Langs deze weg werd het vee naar de gemene gronden geleid. De ontginning van deze heidegronden in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw gaf het ontstaan aan bewoning in dit gebied, met een bebouwing die zich in verschillende gevallen geleidelijk aan ontwikkelde tot een nieuw centrum, dat aan het einde van de 19de eeuw het oude centrum overvleugelde. Visueel komt dit tot uiting door de verplaatsing van de parochiekerken naar het nieuwe centrum, in de loop van de 19de en 20ste eeuw (Dilsen, Rotem).

De Kempische dorpen waren vrijwel allemaal van het type "rivierdalnederzetting". Hierbij bevindt de eigenlijke nederzetting zich op één van de valleiwanden van een beek of rivier, wat een straatdorppatroon tot gevolg heeft. In de beekvalleien werden van oudsher vochtige beemden als hooi- en weiland in cultuur gebracht (Ferrariskaart, 1771-77). Tot 1940 werd het merendeel van de vallei op deze manier gebruikt. Het akkerareaal was gelegen aan weerszijde van de vallei, op de hoger gelegen gedeelten. Op de plateaus bevonden zich de gemene heidegronden, die vooral vanaf de 19de eeuw geleidelijk aan ontgonnen werden of bebost. Na de Tweede Wereldoorlog raakten veel van de hooilanden in de beekvalleien in onbruik; ze werden aangeplant met populieren, verruigden tot rietlanden of evolueerden terug tot elzenbroekbossen of laagvenen.

Een traditionele nederzetting bestond uit verschillende concentrische zones: tuinbouw vlak rond het dorp, vervolgens akkerbouwlanden, dan graasgronden, en ten slotte de woeste gebieden - het oorspronkelijke bos. De oudste ontginningen op de beste gronden komen voor in de onmiddellijke omgeving van het dorp; het aanwezig zijn van deze goede gronden bepaalde trouwens het ontstaan van het dorp op die plaats. Deze gronden zijn dan ook meestal open akkerland. Minder goede, natte grond in de buurt van het dorp werd gebruikt als hooiland. Latere ontginningen op minder vruchtbare gronden worden gekenmerkt door geïsoleerde hoeven. Nog latere systematische ontginning op slechte gronden geeft aanleiding tot rijbewoning met langgerekte ("opstrekkende") percelen, het ontstaan van gehuchten en individueel verspreide hoeven. Grote graasgronden op slechte, meestal gemene gronden geven het ontstaan aan keuterbedrijfjes en latere herbebossing. De tuinen en/of weiden met fruitbomen achter de woonhuizen van het dorp waren aan de achterkant, en meestal ook aan weerszijde afgeboord met meidoornhagen. Die meidoornhagen vormden aldus een natuurlijke defensieve wal rondom het dorp.

Alle gemeenten, maar vooral de Kempische gemeenten met hun onvruchtbare bodems, waren voor de landbouw in hoge mate afhankelijk van het gebruik van gemene gronden, met name de heidegebieden, die elke nederzetting omringden. Dit gebruik stond vrijwel gelijk met een eigendomsrecht. Vóór de landbouwers de beschikking hadden over kunstmest waren zij voor het bemesten en vruchtbaar houden van hun akkers voor het grootste gedeelte aangewezen op de mestproductie van hun eigen bedrijf. De oppervlakte goede landbouwgrond die men kon bewerken, was afhankelijk van de hoeveelheid mest waarover men kon beschikken, en die hoeveelheid mest was op haar beurt rechtstreeks evenredig met de hoeveelheid vee (koeien en schapen) waarover men de beschikking had. Het aantal stuks vee dat een boer kon houden was niet onbeperkt, en voor het voedsel van zijn veestapel was hij in hoge mate afhankelijk van de woeste gronden, gebruikt als natuurlijke weiden, waarover zijn dorp gemeenschappelijk beschikte. Hoe meer woeste gronden, hoe meer vee, hoe meer mest, hoe meer goede landbouwgrond. Om een bepaalde oppervlakte bouwland met goed resultaat te kunnen bewerken, moest men over een drie tot zevenmaal grotere oppervlakte aan wilde gronden kunnen beschikken. De heidegebieden waren bovendien nog belangrijk om de heide die gekapt werd als veevoeder wanneer het vee op stal stond, en de plaggen, die in de stal gespreid werden en zo de beschikbare hoeveelheid mest vergrootte. Op vochtige plaatsen werd turf gestoken, terwijl het lage kreupelhout als sprokkelhout verzameld werd. De bijenteelt speelde op de heide ook een belangrijke rol. In de vijvers werd vis gekweekt, en de dorpelingen konden er hun vee laten grazen en drinken. De veel voorkomende, in de historische inleiding besproken heidetwisten gingen niet alleen over de juiste grenzen van de gemeenten binnen dit heidegebied, maar dikwijls over het turven van de heide: hierdoor werd de gemeenschappelijke weidegrond beschadigd of zelfs vernietigd, wat ten nadele van de hele gemeenschap was.

Om de mestproductie te optimaliseren werd het systeem van de potstal ontwikkeld, een diep uitgegraven stal, waar de koeien constant in gehouden werden. Twee maal per jaar werd het mest uit de stal gehaald. De koeien werden in de stal gevoed, in de zomer voornamelijk met groenvoer, in de winter werd tweemaal per dag een gekookte brij gegeven van wortelen, rapen, bieten, kaf van haver en rogge, aardappelen, en dergelijke.

In het bestudeerde gebied mogen we stellen dat, binnen een traditionele landbouwersgemeenschap zoals die bestond tot het midden van de 19de eeuw, ongeveer de helft van de gezinshoofden zelfstandig landbouwer was. Ongeveer 35 % van de bevolking bestond uit dagloners, terwijl zelfstandige beroepen meestal door circa 15 % van de bevolking werden uitgeoefend. Dienstknecht was zelden een vast beroep, omdat de meest jongeren, zowel jongens als meisjes van ongeveer 15 jaar af ergens gingen dienen tot hun huwelijk. Ook koeheerd was geen echt beroep, en werd meestal door kinderen of door een jonge dienstknecht uitgeoefend. Schaapherder daarentegen was wel een echt beroep, waarvoor men opgeleid werd en dat men zijn hele leven uitoefende.

In de eerste helft van de 19de eeuw, en we mogen aannemen dat dat in vroegere eeuwen ook het geval was, telde een gezin in het Maasland gemiddeld circa 5 personen, ouders, inwonende knechten en meiden, vaak familieleden, inbegrepen. Het aantal kinderen was beperkt, circa 2, 5, als gevolg van het groot aantal kinderen dat doodgeboren werd, en het zeer hoog percentage - rond 1850 is dit 40, 54 % - dat stierf vóór het tiende jaar. Hierdoor bleef het bevolkingsaantal zeer stabiel. Pas vanaf 1840 en vooral vanaf de eeuwwisseling kan men spreken van een duidelijke bevolkingsgroei.

Landbouw en landbouwgeschiedenis

Algemeen kan gesteld worden dat de landbouw tot het midden van de 19de eeuw een autarkisch, op eigen verbruik gericht bedrijf was. De overschotten voor de markt waren gering. In het traditionele teeltplan legde men zich voornamelijk toe op het telen van granen -tot circa 1870 met circa 70 % van het landbouwareaal -, waarbij rogge de eerste plaats innam, over het algemeen met iets minder dan de helft van het areaal. Rogge was immers het hoofdbestanddeel van de eigen voeding in de vorm van "zwart brood". Tarwe kwam steeds slechts op de derde plaats. Het was meestal niet voor eigen consumptie bestemd, maar voor de markt. Rogge had minder goede grond nodig en minder bemesting, terwijl tarwe de grond verarmde. Na rogge werd vooral boekweit en haver geteeld. Ook deze culturen hadden minder goede gronden nodig. Boekweit vormde in de vorm van pap en pannenkoeken een belangrijk onderdeel van de voeding. Haver werd gebruikt voor de paarden en kippen. Hoewel reeds aanwezig vanaf de 17de eeuw kwam de aardappelteelt sterk op vanaf de eerste helft van de 19de eeuw, doch schijnt eerder in de Kempen dan in het Maasland vaste voet aan grond gekregen te hebben. In de loop van de tweede helft van de 19de eeuw neemt de teelt overal drastisch toe.

De traditionele veestapel van een dorp bestond hoofdzakelijk uit schapen, gevolgd door melkkoeien (ongeveer de helft van het aantal schapen), iets minder varkens, een aantal trekpaarden en trekossen, meestal één dekstier en een aantal geiten. Het bezit van een paard tegenover dat van een trekos gaf een belangrijk verschil aan in status; de rijkste boeren bezaten twee paarden. Rundvee werd zoals gezegd hoofdzakelijk gehouden in functie van de mestproductie. Voor de eigen vleesconsumptie werd jaarlijks één varken geslacht. De schapenteelt is in de Kempen steeds een belangrijke bron van inkomsten geweest. Leverden de magere zandgronden minder grote landbouwopbrengsten, de uitgestrekte heidegronden in gemeen gebruik leenden zich uitstekend voor de schapenfokkerij. De Kempische dorpen waren in oorsprong zelfs ingedeeld in heerdgangen, waar een scheper, heerd of schaapherder met de gemeenschappelijke kudde van het gehucht de dagelijkse weide- of rondgang deed. De benaming heerdgang werd bij uitbreiding zelfs synoniem voor nederzetting, gehucht of buurtschap. De textielindustrie in de Kempen was in hoofdzaak een huisnijverheid waarbij de landbouwersgezinnen in de winteravonden voor eigen gebruik stoffen vervaardigden. Regelmatig wordt echter in de bronnen ook gewag gemaakt van verkoop van wol, wat wijst op overschotten voor de markt. Wol werd door plaatselijke en vreemde wolkopers opgekocht en/of uitgevoerd naar de markt van Weert of van Bree, vanwaar ze allicht ook Weert bereikte. De belangrijkste bijdrage van de Loonse Kempen in het hele textielproductieproces was waarschijnlijk gelegen in de levering van wol. Zo bood in Kaulille tenminste één derde van de gezinnen wol te koop aan. De Kempische wol had geen hoge kwaliteit. Daartegenover stond dat zij kon verwerkt worden tot goedkope producten, wat haar concurrentiepositie versterkte.

Algemeen kan gesteld worden dat de periode vóór de 18de eeuw in de geschiedenis van de landbouw een zeer stabiele periode is: door de minieme bevolkingsaangroei komen bedrijfssplitsingen weinig voor, en door de lage prijzen van de landbouwproducten bestaat er weinig interesse in investeringen van de kant van de burgerij.

In de 18de eeuw worden belangrijke vernieuwingen doorgevoerd, die leiden tot meer intensieve landbouwmethodes. Technische ontwikkelingen verhogen de productiviteit in de akkerbouw en een daarmee samenhangende vergroting van de veestapel. Het gebruik van een verbeterd type ploeg en het invoeren van een oogstschema zonder braakligging van gronden zijn belangrijke verbeteringen. Er wordt een betere bemesting bereikt, wat resulteert in een intensivering van de akkerbouw. Als stimulans werken een verhoging van de consumptie en de opkomende industrialisatie. In de loop van de 18de eeuw beginnen ook de eerste bezwaren te rijzen tegen het gebruik van gemene gronden, omdat dit een intensivering van de landbouw in de weg staat. Toch is de privatisering van gemene gronden in deze periode beperkt, en dit zeker in de Kempen, waar de gemene gronden voor de kleine boeren van levensbelang blijven.

In de Franse tijd bereikt de landbouw een redelijk peil. Akkerbouw is nog steeds de hoofdactiviteit, veeteelt nog steeds van secundair belang en dient zoals vroeger voornamelijk voor de mestvoorziening voor de akkerbouw. De oogst is meestal voldoende voor een beperkte export en voor de jeneverstokerij. De productie van aardappelen krijgt in deze periode voor het eerst echt belang en gaat een rol spelen in de voedselvoorziening. Hoewel door de Franse regering gestreefd wordt naar de ontginning van woeste gronden, gebeurt dit aanvankelijk slechts op zeer kleine schaal, zodat de kleine boeren nog steeds de voordelen van de gemene gronden kunnen genieten. Door de sinds 1770-80 toegenomen verbouw van klaver en voederbieten is de mogelijkheid geboden voor versterkte stalvoedering, waardoor het vee langer op stal kan worden gehouden en de mestproductie geoptimaliseerd. De zuivelproductie, behalve voor eigen gebruik, is nog steeds zo goed als onbestaand. Door de verbetering van de ploeg neemt het aantal ossen af, en het aantal paarden toe. Bovendien neemt in de Franse tijd de schapenteelt aanzienlijk toe, en door de verbetering van de rassen kan de kwaliteit van de wol verbeterd worden. Landbouwcrisissen vormen tot het midden van de 19de eeuw een steeds terugkerende bedreiging voor de bevolking. Wanneer de oogst mislukt komt de gezondheid en zelfs het leven van een gedeelte van de bevolking in gevaar. Dit is het geval in 1816-17, de laatste grote hongersnood in onze gewesten, waarbij het sterftecijfer zelfs het geboortecijfer overschrijdt. Na 1820 heeft men te kampen met een overproductie van graan, met als gevolg een instorting van de graanprijzen. Bovendien zijn er sinds het einde van de 18de eeuw vrijwel geen investeringen in de landbouw gebeurd, bouw en verbetering van boerderijen, stallen en schuren hebben vrijwel stilgelegen, de veestapel werd met moeite op peil gehouden, en talrijke boeren hebben zware schulden.

De bedrijven zijn, vooral in het noordelijk deel van de provincie, traditioneel en meestal zeer klein. De meeste boeren leven juist boven het bestaansminimum. Hierdoor blijft het gemengde bedrijf overwegen. Bovendien wordt steeds gezocht naar ambachtelijke bezigheden om het gezinsinkomen wat te vergroten. Dit heeft echter een negatieve invloed op het landbouwbedrijf en is, samen met de sterke bevolkingsgroei vanaf 1840, de oorzaak van een toenemende verpaupering van het platteland. In tegenstelling met het vruchtbare Haspengouw blijven de kleine bedrijven in het bestudeerde gebied dus gericht op de zelfvoorziening, aangevuld met huisnijverheid. Over heel de provincie is trouwens de helft van de bedrijven kleiner dan 5 hectare. Bovendien is er in de loop van de 19de eeuw een tendens tot opsplitsing van bedrijven. De overschotten voor de markt zijn gering, waardoor een agrarische middenklasse ontbreekt. Ontginning van woeste gronden is voor de kleine boeren een te gewaagde en dure onderneming, en de grote ontginningen, die rond 1840 beginnen komen hen dus niet ten goede. Rond 1850 leeft in Limburg 69 % van de bevolking van de landbouw, het hoogste percentage in België.

In het Maasland is de grond vóór de Franse revolutie in het bezit van kerkelijke instellingen of adellijke eigenaars: voor Elen bijvoorbeeld, gold dit voor 8 van de 10 grootste landbouwcomplexen. Na de confiscatie in de Franse periode raken de gronden in handen van grote opkopers, meestal uit Maastricht. In de loop van de eerste helft van de 19de eeuw raken ze dan in handen van de plaatselijke bevolking, dikwijls van de pachters die deze bedrijven reeds gedurende het ancien régime uitbaatten. In de Kempen liggen de verhoudingen anders. De onvruchtbare bodem maakte de gronden daar weinig aantrekkelijk voor grootgrondbezitters, waardoor het percentage kleine eigenaars van oudsher veel groter was. Hoewel bij de landbouwtelling van 1846 dus blijkt dat veel boeren eigenaar zijn van hun gronden, dient geconstateerd dat de bedrijven zeer klein zijn; de meeste, circa 60 % bereiken geen 2 hectare, wat de minimumgrootte lijkt voor een zelfstandig bedrijf. Nicolaas Meulenberg van Elen is in staat zich met circa l ha eigen grond en circa l ha pachtgrond, een werkos en een koe als zelfstandig landbouwer te handhaven. Slechts 12 % van de landbouwers hebben een bedrijf dat groter is dan 10 hectare. De landbouwers met te weinig gronden, in eigendom of gepacht, moeten als dagloners op de grote hoeven bijverdienen. Na het midden van de eeuw schijnt de toestand te verslechteren: hoewel er nu meer gronden door eigenaars worden uitgebaat, zijn deze bedrijven zo klein geworden dat circa 70 % onder de grens zit van 2 hectare.

Ook in de tweede helft van de 19de eeuw is de provincie een nog steeds overwegend agrarisch gebied, met 47 % van de bevolking werkzaam in de landbouw.

De landbouw maakt in de jaren 1870 een zware crisis door. Door de concurrentie van goedkope Amerikaanse granen komen de meeste boeren in ernstige problemen. De inheemse landbouw had zich immers tot 1870 voornamelijk op verbouw van granen toegelegd, waarvoor bijna 70 % van het landbouwareaal gebruikt werd. Hierdoor is er aanvankelijk geen verweer tegen de concurrentie, ondanks een aantal protectionistische maatregelen. Eén van de eerste succesvolle maatregelen is de*oprichting, vanaf de jaren 1880, van landbouwcoöperaties, waardoor het onder meer mogelijk wordt de dure kunstmeststoffen aan te kopen waarmee de productie in de akkerbouw kan opgevoerd worden. Een ander succes van de coöperatieve aanpak is de zuivelnijverheid: er kunnen nu mechanische centrifuges aangeschaft worden voor het afromen van melk waardoor een aanvang kan gemaakt worden met de kaasproductie. Bovendien zijn de boeren via deze zuivelcoöperaties veel meer in staat invloed uit te oefenen op de prijzen. In 1889 wordt in Bree de eerste zuivelfabriek van Limburg geopend.

In deze periode wordt ook voor het eerst het belang onderkend van de voorlichting voor de boeren. Hierin speelt de in 1890 in Peer opgerichte Belgische Boerenbond, samen met de overheid een grote rol. Eén van de belangrijkste maatregelen van de bond zijn de coöperatieve veeverzekeringen, ontstaan in 1891 en 1892 in onder meer Meeuwen, Bocholt en Elen. Geleidelijk aan komt men tot het besef dat om te overleven er moet afgestapt worden van het traditionele, gemengde bedrijf, en dat de enige werkelijke oplossing voor de crisis de specialisatie is. Daardoor begint in het laatste kwart van de 19de eeuw een ware revolutie in het landbouwbedrijf. De graanbouw wordt geleidelijk aan ingekrompen, en men gaat zich steeds meer toeleggen op de productie van slachtvee en op de tuinbouw. De akkerbouw is geen prioriteit meer. Het areaal voor graangewassen vermindert in deze periode met meer dan 7 000 hectare. De verbouw van voedergewassen daarentegen neemt toe, en vele akkers worden omgezet in weidegronden. Voor het eerst in de geschiedenis wordt de akkerbouw dienstbaar gemaakt aan de veeteelt. Geleidelijk aan wordt de veeteelt de belangrijkste bedrijfstak, gevolgd door de boterproductie, varkensmesterij en kippenhouderij. De toename van de rundveestapel en het aantal varkens is spectaculair: het stuks rundvee stijgt tussen 1880 en 1910 met 12 000, het aantal varkens met 85 000. Het stuks pluimvee verviervoudigt. De schapenteelt anderzijds, gaat sterk achteruit wanneer begonnen wordt met de ontginning van de uitgestrekte heidegebieden. In deze periode daalt het aantal schapen van 33.851 tot 13.205. Door het steeds meer algemeen gebruik van kunstmest kunnen de heideontginningen nu niet alleen meer voor bosbouw gebruikt worden maar als volwaardig cultuurareaal. Tijdens en na de eerste wereldoorlog zorgt de behoefte aan mijnhout voor de verdere ontbossing van deze gebieden. In het zuiden van de provincie groeien Sint-Truiden, Tongeren en Borgloon uit tot centra van fruitteelt. De opgang van het kunstmest verstoort de traditionele structuur en nederzettingspatroon van de dorpen, met enerzijds de vruchtbare gronden voor de akkerbouw, anderzijds de woeste gronden voor gemeenschappelijk gebruik, aangezien nu ook de woeste gronden in cultuur kunnen worden gebracht.

De hoeven

Door deze landbouwrevolutie, waarbij het traditionele autarkische bedrijf vervangen wordt door een op de markt gerichte landbouw, gekenmerkt door specialisatie, bedrijfsvergroting, mechanisatie, technologische innovatie en instabiliteit, zijn rond het midden van de 20ste eeuw het grootste gedeelte van de elementen, die herinneren aan het traditionele bedrijf verdwenen.

Dit uit zich aanvankelijk nog niet in de verdwijning van gebouwen, maar in de grondige wijzigingen in de inrichting van de bedrijfsruimten en vervolgens ook in die van het woonhuis. De geweldige toename van de veestapel blijkt in de meeste hoeven uit de toename van stallen vanaf het midden van de 19de eeuw. Vele hoeven evolueren nu van hoeve met losstaande bestanddelen naar gesloten hoeve, terwijl langgestrekte hoeven evolueren naar hoeven met losstaande bestanddelen. Het verdwijnen van de schapenteelt bracht met zich mee dat vrijwel geen schaapsstallen bewaard bleven. De toename van de varkensteelt brengt de typische lage varkensstallen op het erf. De mechanisatie van het bedrijf leidt tot het verdwijnen van de trekpaarden en hun stallen. De hoger geschetste evolutie zette zich het vroegst door in de grote bedrijven, het duurde tot het begin van de 20ste eeuw voor de kleine landbouwbedrijven zich bij deze nieuwe tendensen aansloten. Sommige van de traditionele functies bleven in het huidige gebouwenbestand van de hoeven bestaan of zijn er nog uit af te lezen, bij andere zijn zij vrijwel volledig gewijzigd. Het zijn vooral de hoeven die in bedrijf bleven die deze wijzigingen het duidelijkst weerspiegelen, en daardoor dikwijls onherkenbaar veranderd zijn. Ook de schaalvergroting, nodig voor de leefbaarheid van een modern landbouwbedrijf, droeg hiertoe bij. Gaaf bewaarde voorbeelden van een traditioneel bedrijf zijn dus uiterst zeldzaam. Bovendien blijkt uit het historische kaartenmateriaal dat vele kleine hoeven in de loop van de 20ste eeuw verdwenen.

Kenmerkend voor het soort van landbouwgemeenschappen met voornamelijk kleine bedrijven, is de langgestrekte hoeve, een hoevetype waartoe het overgrote gedeelte van de hoeven in het besproken gebied behoort. In dit type zijn alle functies - dienstgebouwen en woonhuis - in één gebouw ondergebracht, weliswaar met soms kleine alleenstaande elementen, zoals bakhuis en vanaf de tweede helft van de 19de eeuw, varkensstallen. De typische indeling van een dergelijk gebouw is die, waarbij het woonhuis aansluit bij de stal, en de schuur zich naast de stal bevindt. Deze hoeven zijn dikwijls zo klein, dat schuur en stal niet naast elkaar liggen, maar in dezelfde ruimte, waarbij de staldeur zich niet in de voorgevel bevindt, maar in de zij- of achtergevel. Het woonhuis heeft twee woonvertrekken: het ene wordt in de winter het andere in de zomer bewoond. Het zomervertrek is de woonkeuken met open haard, een soort gemetselde kachel of een kachel. Het aanpalende vertrek is de goede kamer. De oudste opstelling is die waarbij beide kamers naast elkaar liggen, met een centrale haard en schoorsteen in de scheidingswand, die beide vertrekken bedient. Een meer geëvolueerde versie, vanaf het midden van de 19de eeuw algemeen in gebruik, is die met centrale gang tussen de beide vertrekken, waardoor elke kamer van een haard moest voorzien zijn. Achter deze beide kamers bevinden zich één of meerdere slaapkamers voor ouders en dochters, terwijl ook de goede kamer, door het aanbrengen van een alkoof, kan dienst doen als slaapvertrek. De zonen en de eventuele knechten slapen op zolder of boven de paardenstal.

Vast aan het woonhuis en meestal onder dezelfde nok ligt de koestal, die gewoonlijk ook vanuit het zomervertrek te bereiken is, aangezien het stalvoeder hier klaargemaakt werd. Daarnaast, soms hoger van dak en soms voorzien van een brandgevel, ligt de schuur. Meestal ligt de schuurpoort in de voorgevel van de hoeve (dwarsschuur), maar soms, om het moeilijke wenden van de geladen oogstkarren te voorkomen, is de schuur breder dan woonhuis en stal en heeft men in de uitsprong de schuurpoort voorzien (langschuur). De verstening zet zich in het Maasland en de Kempen sterk door vanaf de 19de eeuw. Rond het midden van de eeuw zijn vrijwel alle gebouwen van baksteen, ook de kleine hoeven en daglonerswoningen. De enkele lemen hutten die nog bestonden, worden meestal beschreven als woonplaats voor de behoeftigen. De meeste kleine hoeven zijn in deze periode nog met stro gedekt. Een groot aantal hoeven in het bestudeerde gebied zijn nieuwe stichtingen bij de ontginningen uit de tweede helft van de 19de eeuw. Zij worden steeds onmiddellijk in baksteen gebouwd. Om deze redenen komen in het bestudeerde gebied, op een paar fragmentarische resten na, geen vakwerkgebouwen meer voor.

Het gebruikelijke type van de langgestrekte hoeve is dus van baksteen, onder - thans pannen - zadeldak. De muizentandfries onder de dakrand is een decoratie die doorheen heel de 19de eeuw en het eerste kwart van de 20ste eeuw wordt aangewend, en één van de weinige decoratieve elementen is in de voor het overige zeer sobere gevels. De vensters van de oudste hoeven, daterend van vóór de 19de eeuw, zijn de houten kruiskozijnen. Waarschijnlijk reeds op het einde van de 18de eeuw, maar zeker tot het midden van de 19de eeuw komen de rechthoekige muuropeningen met strekse ontlastingsboog voor. Vanaf het midden van de 19de eeuw zijn de geloogde muuropeningen en de vensters met lekdrempel gebruikelijk, wat een standaardgeveltype oplevert dat blijft voortleven tot het midden van de 20ste eeuw. Een voor de Kempische hoeve van het bestudeerde gebied regionaal kenmerk is de lage stalpoort onder gebogen houten latei, waarvoor een houten balk gebruikt werd met een min of meer regelmatige, gebogen vorm.

Wat betreft de opname van de langgestrekte hoeven, die in sommige gemeenten in grote aantallen voorkomen, werden alleen die voorbeelden weerhouden in een nog vrij gave staat van bewaring, zonder al te veel verbouwingen, en de gedateerde voorbeelden.

De grotere hoeven in het bestudeerde gebied liggen vrijwel alle in het Maasland. Een voor het hele bestudeerde gebied typisch hoevetype, dat opklimt tot vóór de 19de eeuw, is de tweeledige hoeve, waarbij aan de ene zijde van het erf woonhuis en stal in één vleugel gegroepeerd zijn, aan de overzijde van het erf dwarsschuur en soms bijkomende stal in de tweede vleugel. Bij grote landbouwbedrijven ontwikkelt dit type zich, soms reeds in de 18de eeuw, door toevoeging van een verbindingsvleugel achter aan het erf, tot een U-vormige hoeve. Enkele zeldzame voorbeelden, vrijwel allemaal op de vruchtbare alluviale gronden van de Maasvlakte gelegen, doorlopen de volledige evolutie tot gesloten hoeve.

Kastelen

Zoals blijkt uit het historische overzicht waren de onvruchtbare gronden van de Kempen en de grote moerasgebieden op de grens van de Kempen met het Maasland weinig in trek als heerlijkheid, en bleven vele gemeenten hier rechtstreeks eigendom van de graven van Loon en hun opvolgers de prins-bisschoppen van Luik. Er komen dan ook vrijwel geen kastelen voor in dit gedeelte van het bestudeerde gebied, en indien een heerlijkheid toch beleend wordt, zoals Bocholt, richt de leenman zich hier zelden een residentie op. Damburg in Bocholt, gebouwd door de vrouwe van Bocholt en haar echtgenoot graaf de Lannoy in 1715 was slechts een herenhoeve, door de heren verpacht en af en toe gebruikt als jachtpaviljoen. Ook de Schans te Opoeteren, gebouwd in 1667 door de familie de Selys, die in 1619 heren van Opoeteren werden, was nooit een permanente residentie, maar werd voornamelijk als jachtpaviljoen gebruikt. Het kasteel van de heren van Opitter werd in 1900 vervangen door een kasteel in neogotische stijl, dat in 1980 werd afgebroken.

De Viggel in Bree is een klein kasteel/landhuis, gebouwd door E. Jaminé in 1895. De Oude Kuil in Neeroeteren is een gelijkaardig gebouw, daterend van 1898.

Het belangrijkste kasteel van het bestudeerde gebied is zonder twijfel de commanderij van de Duitse Orde te Gruitrode, een waterburcht gebouwd in de loop van de 16de eeuw in laatgotische stijl, nadat de Orde de heerlijkheid en een bestaand kasteel in 1417 had gekocht van de afstammelingen van de graven van Loon. Spijtig genoeg bleef van de imposante burcht slechts de noordoost-vleugel bewaard, terwijl de hoeve ruïneus is.

De vruchtbare gronden van de Maasvallei waren wel aantrekkelijk als heerlijkheden, en vanaf de Frankische landname worden hier gronden verworven door heren die er in vele gevallen ook verblijven.

Het kasteel Ter Motten in Dilsen is een bescheiden gebouw van 1725, dat mogelijk een ouder gebouw vervangt.

Het kasteel Sipernau in Elen is een zeer oude stichting, mogelijk reeds vermeld in het testament van Sint-Adela van 732. Het huidige kasteel klimt in kern op tot de eerste helft van de 18de eeuw en werd verbouwd in neogotische stijl rond het midden van de 19de eeuw. Het kasteel is nog in het bezit van zijn dienstgebouwen en hoeve. Het kasteel Ommerstein te Rotem is eveneens een oude stichting, met in het huidige gebouw de resten van een gebouw uit het begin van de 16de eeuw, verbouwd in classicistische stijl in 1786 en opnieuw aangepast in de loop van de 19de eeuw. Het is gelegen in een fraai park. Vlakbij liggen de resten van een mergelstenen donjon, daterend uit de 14de of de eerste helft van de 15de eeuw.

Van de burcht die de graven van Loon in Stokkem bouwde, bleven slechts een paar resten bewaard in de tuin van het kasteeltje Carolinaberg. De mergelstenen burcht, die waarschijnlijk dateerde van circa 1036, werd in 1702 door een beschieting zodanig vernield dat hij niet meer opgebouwd werd, en geleidelijk aan verdween.

Een belangrijke burcht was ook die van Kessenich, de hoogteburcht van de heren van de vrijheerlijkheid Kessenich, voor het eerst vermeld in 1155. De resten van de achtkantige burchttoren uit deze periode werd op de motheuvel opgegraven. Binnen de heerlijkheid Kessenich bevonden zich nog verschillende andere kastelen. Vlak bij de burchtheuvel en de kerk bevond zich nog een tweede burchtheuvel, waarover geen gegevens voorhanden zijn, en die thans volledig weggegraven is. In de buurt van de dorpskern werden onlangs de fundamenten opgegraven van een mergelstenen toren, donjon of statustoren uit de 14de of 15de eeuw, bij het Stokbroekhof. De burcht van Bronshorn in Hunsel, nu Nederland, verdween in de eerste helft van de 15de eeuw. Alleen het kasteel van Borgitter bleef behouden, omdat de heren van Kessenich er vanaf de 17de eeuw hun residentie van maakten. Het kasteel wordt voor het eerst vermeld in 1546, maar in de huidige constructie is het oudste element de resterende hoektoren van 1610 in Maasstijl. De rest van het gebouw is een landhuis in classicistische stijl uit het laatste kwart van de 18de eeuw. Bij het kasteel hoorde steeds een banmolen, die nog steeds bestaat.

Het Vroenhof te Geistingen zou de residentie van de Frankische edelman en grootgrondbezitter Adelard geweest zijn. Er bleven geen resten van bewaard. Ook van de burcht of het kasteel van de graven van Loon in Maaseik bleef niets bewaard, evenmin als van het Prinsenhof, het jachtkasteel dat prins-bisschop Jean-Théodore de Bavière in 1753 op dezelfde plaats liet bouwen door de bekende Akense architect J.J. Couven. Het ontstaan en de geschiedenis van het kleine kasteel Nieuwenhof met hoeve en pachterwoning in de buurt van Maaseik is nog niet duidelijk. Het huidige gebouw dateert waarschijnlijk uit de tweede helft van de 18de eeuw, met mogelijke aanpassingen uit de 19de eeuw.

Het kleine kasteel/buitenverblijf van Wurfeld (Maaseik) vervangt een ouder buitenhuis uit de eerste helft van de 17de eeuw, gebouwd door twee kanunniken van het kapittel van Maaseik. In zijn huidige uitzicht is het vrijwel volledig recent.

Het fenomeen van de schansen, waarvan vrijwel elke gemeente in het besproken gebied, behalve de echte Maasdorpen, er één of meerdere bezat, werd uitvoerig besproken in de historische inleiding. Zij ontstonden in het begin van de 17de eeuw, verloren hun functie in de loop van de 18de eeuw, werden verlaten en verdwenen. Nu wijzen alleen nog vage terreinsporen of kadasterpercelering op hun bestaan.

ECONOMIE, INDUSTRIEEL EN PRE-INDUSTRIEEL ERFGOED

Tot ver in de 19de eeuw was het grootste gedeelte van de bevolking in het bestudeerde gebied tewerkgesteld in de landbouw. Voor een bespreking hiervan en van het erbij horende gebouwenpatrimonium verwijzen we naar het hoofdstuk over de landelijke architectuur. Naast de landbouw, en gebruik makend van de producten ervan, bestonden van oudsher een aantal kleine traditionele bedrijven, zoals de brouwerijen, waarvan élke gemeente er één of meerdere bezat, en huisnijverheid. Hiervan bleven vrijwel geen materiële sporen bewaard. Alleen de brouwerij Martens in Bocholt, opgericht in 1757, wist zich tot op heden te handhaven.

De enige traditionele nijverheidstak die in het gebied nog zeer sterk in het gebouwenpatrimonium vertegenwoordigd is, is het molenaarsbedrijf. Op de verschillende beken die het gebied doorkruisen komen een groot aantal watermolens voor.

Op de Abeek zijn dit in Bocholt de Voorste Luysmolen, voor het eerst vermeld in 1515, en met behouden kern uit de 18de eeuw, en de Neermolen of Clootsmolen, met recent uitzicht doch een oude stichting, voor het eerst vermeld in 1456. In Reppel liggen de Binkenmolen, voor het eerst vermeld in 1437 met huidig gebouw van 1906, en de Molen van Reppel, reeds vermeld in 856 en met huidige oudste kern uit de eerste helft van de 18de eeuw. De Abroxmolen, voor het eerst vermeld in 1775, met huidig gebouw van 1910, de Genamolen, vermeld in 1296 met huidig uitzicht uit 1882 en 1912, en de molen van Schoot of Mariëndaal, vermeld in 1126, met huidig uitzicht uit het einde van de 19de eeuw, liggen op de Abeek te Beek. In Ellikom liggen de Koogmolen, voor het eerst vermeld in 1500, met huidige gebouwen van 1828, en de Neermolen, voor het eerst vermeld in 1637, waarvan slechts resten bewaard bleven; de Slagmolen van dezelfde gemeente dateert van 1702, doch bevindt zich thans in het Openluchtmuseum van Bokrijk. In Meeuwen bevinden zich de Berenheidermolen, voor het eerst vermeld in 1744, met huidige gebouwen waarschijnlijk daterend uit de eerste helft en het midden van de 19de eeuw, en de Dorpmolen, voor het eerst vermeld in 1757, met grondig gewijzigde gebouwen waarschijnlijk opklimmend tot de eerste helft van de 19de eeuw.

Op de Itter liggen in Opitter de Pollismolen, reeds vermeld in 1139, de huidige gebouwen daterend uit het begin van de 20ste eeuw, de Slagmolen, vermeld in 1666 met huidige gebouwen uit het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw, en de Vinckemolen of Kasteelmolen, reeds afgebeeld op de Ferrariskaart, met huidig uitzicht uit de tweede helft van de 19de eeuw. In Gruitrode ligt de Rooiermolen, reeds aangeduid op de Ferrariskaart, met huidig gebouw uit het midden van de 19de eeuw. In Tongerlo, op dezelfde beek, ligt de Keyartmolen, voor het eerst vermeld in 1139, met huidig uitzicht uit de 19de eeuw, en de Dorpsmolen of Galdermansmolen, voor het eerst vermeld in 1633, met woonhuis van 1735 en molenhuis van circa 1841.

Ook de Bosbeek telt een dichte concentratie van watermolens. De Bosmolen in Maaseik werd opgericht als banmolen door de graaf van Loon bij de stichting van de stad, en de huidige gebouwen hebben een oude kern opklimmend tot 1715, grondig gewijzigd in de tweede helft van de 19de eeuw. De Aldeneikermolen in Aldeneik (Maaseik), wordt voor het eerst vermeld in 1244, doch alleen het sluiswerk bleef bewaard. De Wurfeldermolen in Wurfeld (Maaseik), wordt voor het eerst vermeld in 1437, de huidige gebouwen dateren, ondanks de in details nog zichtbare oude kern, uit de tweede helft van de 19de eeuw. De Langerenmolen in Neeroeteren wordt voor het eerst vermeld in 1551, en dateert in zijn huidig uitzicht uit de tweede helft van de 19de eeuw. In dezelfde gemeente bevinden zich de Leverenmolen, aangeduid op de Ferrariskaart, met huidige gebouwen uit de tweede helft van de 19de eeuw, de Kleeskensmolen, voor het eerst vermeld in 1545, met huidig uitzicht waarschijnlijk uit het begin van de 20ste eeuw, de Neermolen, voor het eerst vermeld in 1330, met huidig gebouw van 1859, en de thans verdwenen Gebruggenmolen, voor het eerst vermeld in 1446, waarvan alleen het sluiswerk rest. In Opoeteren liggen de Dorpermolen, voor het eerst vermeld in 1530, met huidig gebouw van 1859, de Volmolen, voor het eerst vermeld in de 17de eeuw, met huidige gebouwen uit het einde van de 19de of het begin van de 20ste eeuw, en de Houbenmolen, thans vrijwel volledig verbouwd.

In het bestudeerde gebied bevonden zich van oudsher ook een aantal windmolens, hoewel een deel hiervan nu verdwenen is. Dit is onder meer het geval met de twee windmolens van Bocholt, de windmolen van Bree, de windmolen van Kessenich, en die van Maaseik. Wel bewaard bleven de windmolens van Kaulille (1891), van Dilsen (1871, alleen de molenromp), van Elen, en de thans ruïneuze molen van Ophoven. De mooiste en best bewaarde windmolens zijn die van Kinrooi en Molenbeersel: "Lemmensmolen" (1856), "Zorgvlietmolen" (1919), en "Keyersmolen" (1869).

Van de mandenmakerij waarvan Stokkem van oudsher een centrum was, en waarvoor materiaal van de wilgen van de Maasoevers gebruikt werd, bleven weinig sporen bewaard. Reeds vanaf het einde van de 18de eeuw waren een groot aantal gezinnen in deze huisnijverheid werkzaam. De bloeitijd van de Stokkemse korverij was de 19de eeuw, toen de stad het centrum van deze nijverheid in Limburg was. In de tweede helft van de 19de eeuw werd de grootste productie bereikt met massaverpakkingen voor margarine en Haspengouws fruit. De nijverheid verdween volledig na de Tweede Wereldoorlog. Eén van de weinige materiële resten is een voormalig mandenmakerbedrijf in de Rechtestraat te Stokkem.

Een voor de streek belangrijke traditionele nijverheid was de Maashandel. De Maas was vanaf de vroegste tijden een belangrijke verkeersader en mag als de belangrijkste primitieve handelsweg van het gebied beschouwd worden. Door haar typische karakter kent de rivier echter geregeld terugkerende laagwaterstanden in de zomer en plotse hoogwaterstanden in de winter, wat voor de scheepvaart te vaak onvoldoende diepgang in de zomer en te veel drift en wateroverlast in de winter betekent. De stroomverplaatsingen als gevolg van de steeds weer terugkerende overstromingen maakten bovendien het oprichten van blijvende aanlegplaatsen uitermate moeilijk. Pas ten noorden van Maaseik wordt de stroom rustiger. Ondanks haar gebreken vervulde de Maas toch een belangrijke rol. Reeds tijdens de vroegste nederzettingsperioden van het neolithicum oefent de stroom aantrekkingskracht uit op de menselijke vestiging in de regio. Vanaf 1600 vóór Christus schijnt de handel over grote afstand over de stroom toe te nemen. In de Romeinse periode speelde de Maas waarschijnlijk een belangrijke rol bij het begin van de kolonisatie, maar zeker tijdens de laatste periode, vanaf het midden van de 4de eeuw, toen grote bressen geslagen waren in de Rijnlinie.

Er werd in België, in tegenstelling tot Nederland, nog weinig onderzoek gedaan naar de scheepvaart op de Maas. De oudste gegevens dateren van 1370. De stroom kende vanaf de middeleeuwen een levendige handel tussen Luik en Venlo. Hout werd in vlotten vanuit de Ardennen getransporteerd; ook vis en natuursteen waren belangrijke elementen in deze handel. Naamse kalksteen en mergelsteen uit de omgeving van Maastricht werden druk verhandeld, de mergel niet alleen als bouwmateriaal maar ook als meststof. Hiernaast werden ook laken, leien, houtskool, steenkool, metaal, granen, wijn, zout, zuivel en aardewerk getransporteerd. Er was een vaste bootdienst met Visé. De grilligheid van de stroom en de opkomst van een beter wegennet waren, naast een aantal andere factoren, oorzaken dat de scheepvaart op de Maas reeds vanaf de middeleeuwen geleidelijk aan begon achteruit te gaan. Vanaf de 17de eeuw evolueerde de Maashandel voor een groot deel tot een direct handelsverkeer tussen Luik en Dordrecht. Maastricht en de steden en dorpen van het Land van Loon namen er geen rechtstreeks deel meer aan, maar bleven wel nog een belangrijke rol spelen in het transport van de handelswaar als Maasschippers. Aangezien de landwegen nog steeds zeer slecht waren, bleef het transport over water belangrijk, en was de Maas in de hele 17de eeuw voor het grootste gedeelte van het gebied de belangrijkste handelsweg. Schepen tot 270 ton konden stroomopwaarts tot Venlo geraken, waarna men moest overladen op kleinere vaartuigen om Roermond, Maaseik, Maastricht of Luik te bereiken. Bij de stroomopwaartse tocht werd gebruikt gemaakt van trekpaarden. Twee tot vier paarden waren in staat een schip tot 100 ton te trekken, vijf tot zeven paarden werden gebruikt om boten tussen de 100 en 140 ton te slepen. De paarden liepen op een lijnpad langs de Maas. De achteruitgang van de Maashandel vanaf het begin van de 18de eeuw is onder meer toe te schrijven aan het steeds groter wordend aantal tollen en heffingen, waardoor de Luikse producten duur werden, en aan de verbetering in deze periode van de landwegen. In het Land van Loon hadden alleen Maaseik en Stokkem een - bescheiden - aandeel in het Maasverkeer. Vanaf het laatste decennium van de 18de eeuw boette de Maas nog meer in als handelsweg. Waarschijnlijk werden in die periode nog alleen kolen en kalk getransporteerd en was het overige handelsverkeer grotendeels verdwenen. De Belgische opstand had tot gevolg dat de pas gegraven, en nu op Belgisch grondgebied gelegen Zuid-Willemsvaart tot 1837 vrijwel onbevaarbaar was, aangezien er in Maastricht onvoldoende water in het kanaal gelaten werd. In 1837 openden de Belgen in Hocht (Lanaken) een "prise d'eau" waardoor water uit de Maas getapt werd. In 1846 werd het Kempisch Kanaal van Bocholt naar Antwerpen gegraven. Hierdoor werd zoveel water aan de Maas onttrokken, dat deze in de zomer volledig onbevaarbaar werd, wat het einde betekent van de scheepvaart op de Maas. Ook de toename van de tonnenmaat en de motorisatie maakten de stroom volledig ongeschikt voor de moderne scheepvaart. Vanaf 1822 was de Maas niet meer bevaarbaar van Maastricht tot Kessenich. Ter hoogte van Stokkem bleef de Maas bevaarbaar tot ongeveer 1850, echter alleen voor de schepen van de Maasvissers, die de vrachtschippers hadden vervangen. Bovendien had de Zuid-Willemsvaart ondertussen de rol van de Maas als handelsweg overgenomen. De palingvisserij bleef tot het midden van de 19de eeuw een belangrijke bron van inkomsten. De belangrijkste Maashavens in het bestudeerde gebied waren Maaseik en Stokkem. Beide gemeenten behielden enkele restanten van hun kades. De belangrijkste materiële resten die getuigen van de economische bedrijvigheid op en rond de Maas, zijn de verschillende schippersherbergen, waar kon overnacht worden, en waar trekpaarden gehuurd en vervangen werden. De belangrijkste van deze herbergen bleven, meestal echter in een sterk gewijzigde vorm, bewaard: de Damiaan in Elen, resten van de voormalige schippersherberg op de Maaskade van Stokkem, het belangrijke Houbenhof in Kessenich, de thans volledig verbouwde herberg Het Wit Paard of De Spaanjerd te Ophoven, de Krauw, de Leeuwerik en de thans sterk verbouwde Labaer in Maaseik.

Alle veerponten die van oudsher in het bestudeerde gebied op de Maas functioneerden, zijn thans verdwenen, vooral omdat zij hun nut verloren door de bouw van de Maasbrug te Maaseik in 1889.

Een met de stroom gerelateerde industrie is de grindwinning. Het bodemmateriaal van de Maas bestaat uit grind en zand, voorkomend van de uitgebreide afzetting die zich in de vallei heeft voorgedaan gedurende het Kwartair. De leemlaag aan het maaiveld heeft een wisselvallige dikte. De onderliggende laag bestaat uit grind. Van Stokkem tot Maaseik is ze 6 tot 11 meter dik, van Maaseik tot Kessenich 10 tot 15 meter en zelfs meer. De grindwinning begon in de 19de eeuw om in de groeiende behoefte aan beton te voorzien. De exploitatie begon in de bedding van de stroom zelf en vanaf het begin van de 20ste eeuw speelde deze grindwinning een steeds belangrijkere economische rol in het Maasland. Tot 1949 gebeurden de baggerwerken steeds op de rivier, als grindwinning en als rivierverbetering. Tussen 1933 en 1945 zouden 3 miljoen ton kiezel zijn opgebaggerd. De rivierbedding raakte echter geleidelijk aan uitgeput. In 1949 werden in Kessenich de eerste grindwinningen op private terreinen langs de rivier aangevat. Het vervoer te water gebeurt vanaf Aldeneik via Kessenich op de rivier. Vervolgens gaat het via Maasbracht, Nederweert, Weert en Bocholt naar Antwerpen of via het Julianakanaal en het Albertkanaal naar het binnenland.

De metersdikke leem- en kleilagen van de uiterwaarden werden verwijderd en op de dijk opgeslagen tot de circa 10 meter dikke grindlagen waren bereikt en uitgegraven. De voorwaarde voor deze exploitatie, gesteld bij het verlenen van de vergunningen, was dat de gaten terug zouden gevuld worden en de oorspronkelijke landbouwwaarde hersteld. Toch werd dit doorgaans niet nageleefd en bleven vele groeven onopgevuld. Dit had grote gevolgen op het landschap, dat op vele plaatsen herschapen werd tot een gebied van grote waterplassen.

Het feit dat het Kempisch plateau een dunbevolkte streek was met uitgestrekte woeste gronden, maakte het gebied in de tweede helft van de 19de eeuw aantrekkelijk voor een aantal grootschalige, gevaarlijke en sterk vervuilende industrieën. In Kaulille wordt in 1881 de belangrijke buskruitfabriek Cooppal, later P.R.B, opgericht, dat in 1990 verdween zonder veel sporen na te laten. Er bleven geen sporen bewaard van de grote arsenicumfabriek van Reppel, die in 1970 werd gesloten. Op het grondgebied van Rotem en Dilsen werd in 1912 de grote zinkfabriek van de Société Anonyme de Rothem opgericht. Zij verdween in 1966, op de schoorstenen na.

De Zuid- Willemsvaart. Het idee om de drie grote Noord-Europese rivieren, Maas, Rijn en Schelde door een kanaal te verbinden was reeds zeer oud. Plannen voor een kanaal door de Limburgse Kempen bestonden reeds in het ancien regime. Vaste vorm kreeg dit idee toen Napoleon in 1799 bevel gaf het Grand Canal du Nord te graven. Hij wilde hiermee, van Venlo via Weert en Lier naar Antwerpen, de Maas met de Schelde verbinden. Eén van de grote moeilijkheden bij dit project was de watervoorziening van dit 140 kilometer lange kanaal.

Alleen de Maas was daartoe in staat. Te Hocht bij Smeermaas (Lanaken) bleek de waterstand van de Maas, zelfs bij grote droogte voldoende hoog te zijn om het kanaal op zijn hoogste punt bij Lozen-Bocholt te voeden. Om dit te realiseren moest er een tweede kanaal gegraven worden van Hocht doorheen de Maaslandse dorpen tot in Lozen. De Fransen noemden dit voedingskanaal de Rigole Nourricière of Rigole Navigable. Het kanaaltje had een bodembreedte van 13 meter, was 20, 4 meter breed aan het wateroppervlak en had 7 meter dijk. Om over voldoende oppervlakte te beschikken onteigende de Franse staat een strook van 60 meter breed doorheen de verschillende dorpen. In 1811 werden de graafwerken stilgelegd bij gebrek aan geld. De val van Napoleon betekent het einde van de werkzaamheden. Aangezien er geen enkele brug over het kanaal lag konden de boeren hun gronden aan de overkant ervan niet meer bereiken, zodat op sommige plaatsen veerponten moesten gebruikt worden. Na 1815 zag koning Willem I mogelijkheden in het Franse project. Door het kanaal uit te bouwen kon hij een goede verbinding maken tussen het Luikse industriegebied en de Nederlandse zeehavens. Het traject werd verlengd vanuit Hocht tot Maastricht, het kanaal werd verbreed en verdiept, en doorgetrokken tot 's Hertogenbosch. In 1822 werd de eerste steen gelegd voor de verbinding van 's Hertogenbosch met Maastricht. De werken duurden tot 1826 en in augustus van dat jaar werd het kanaal onder de naam Zuid-Willemsvaart geopend. Wegens het grote verval op het kanaal was men genoodzaakt 20 sluizen te voorzien, waarvan er twee in Bocholt liggen. De jaren 1930-34 waren de laatste periode van de kanaalwerken. Aangezien de binnenvaartschepen steeds groter werden was een verbreding en rechttrekking op bepaalde plaatsen nodig.

Van de oorspronkelijke infrastructuur van de Zuid-Willemsvaart bleven in het bestudeerde gebied verscheidene resten bewaard: een brugwachterwoning in Opitter, één in Lanklaar, een dijkwachterwoning, een brugwachterwoning en een pakhuis in Neeroeteren.

In Bocholt sluit het kanaal Bocholt-Herentals op de Zuid-Willemsvaart aan. Het werd gegraven tussen 1843 en 1846 en vormde de verbinding van Luik via de Maas en de Zuid-Willemsvaart, de Kleine Nete en de Rupel, met de Schelde en Antwerpen.

In de tweede helft van de jaren 1930 werden verschillende bunkerlinies gebouwd. De verst vooruitgeschoven was die langs de zuidelijke grenzen van de verbrede Kempische kanalen. Deze betonnen bunkers bleven vrijwel alle behouden langsheen de Zuid-Willemsvaart en het kanaal Bocholt-Herentals.

De uitgestrekte, onontgonnen gebieden van de Kempen waren vanaf de vroegste industrialisatieperiode een bron voor speculatie. Reeds in de tweede helft van de 18de eeuw hadden grootschalige dennenaanplantingen plaats, in het bestudeerde gebied alleen geconstateerd rondom Damburg in Bocholt, en vanaf de Franse periode hadden regelmatig verkopen plaats van beperkte delen van deze gemene gronden aan particulieren. De hoge technologie en de grote investeringen die nodig waren voor de exploitatie van deze woeste gronden, en het feit dat ze slechts voor bebossing of hooilanden konden gebruikt worden, zodat rendement maar op lange termijn kon verwacht worden, maakte dit soort grondontginning weinig aantrekkelijk voor kleine boeren. De ontginningen bleven daarom tot het midden van de 19de eeuw zeer beperkt. Dit verandert drastisch wanneer de wet van 25 maart 1847 de gemeenten verplicht woeste gronden te ontginnen, of te verkopen voor ontginning. De overheid wilde de toenemende bevolkingsdruk verminderen door de oppervlakte geschikte landbouwgrond te vergroten, en dacht hierbij vooral aan de uitgestrekte en nauwelijks in cultuur gebrachte heidevelden tussen Maas en Schelde.

Bij Koninklijk Besluit van juli 1865 werden de betreffende gemeenten verplicht om hun uitgestrekte moerasgebieden droog te leggen. De betrokken gemeenten Bocholt, Bree, Beek, Tongerlo, Opitter, Molenbeersel, Kinrooi, Ophoven en Kessenich waren financieel niet in staat deze opdracht uit te voeren en verkochten de bewuste gronden aan het Rijk, dat voor drooglegging en herbeplanting zou zorgen. In 1865 werden 2 727 ha moerasgebied aangekocht door de Engelse maatschappij "Banque générale pour favoriser l'Agriculture et les Travaux Publiés" met zetel te Brussel. Het grote probleem in deze moerassige heidegebieden was de ontwatering. De bank had de opdracht het betreffende gebied binnen tien jaar droog te leggen. Een eerste plan tot verdieping en indijking van de Itter- en Abeek stuitte op verzet van de Nederlandse regering. Daarom werd een nieuw plan ontworpen: er zou een kanaal gegraven worden vanuit de moerasgebieden naar de Maas. De werken vingen aan in 1865. De Lossing begint op het grondgebied van Lozen (Bocholt), doorkruist het Stramprooierbroek, gaat door Molenbeersel en Kinrooi, om dan in Ophoven in de Maas te vloeien. Dit met de hand gegraven kanaal kwam gereed in 1888. Het heeft een lengte van 24 kilometer en kruist op twee plaatsen de Abeek. De maatschappij begon met de bebossing van het gebied, aanvankelijk met succes: in 1870 waren reeds 1.095 ha bebost, voornamelijk met naaldbomen. Daarna kreeg de maatschappij te kampen met moeilijkheden. De Lossing kon het aangevoerde water niet kwijt in de Witbeek, aangezien Nederland slechts water aanvaardde op een peil, vastgelegd in de scheidingsakkoorden van 1839. De Lossing moet daarom verder gegraven worden tot Ophoven, waar hij zich in de Maas kon storten. Na verschrikkelijke.overstromingen in 1880 en 1881 kwamen de eerste klachten. De bank moest in vereffening gaan. Om de schade te beperken eigenden sommige beleggers zich stukken grond toe in het gebied: Charles de Bellaing, eigenaar van Ommerstein in Rotem, 't Kint de Roodenbecke et d'Aumalle, de Grunne, von Gameren, Borre, Barreel, de Theux, Wauters. Deze eigenaars verenigen zich in de "Watering van het Grootbroek", opgericht bij Koninklijk Besluit van 6 juni 1877, met de bedoeling de gronden vooralsnog te laten renderen en in 1888 verkocht de Engelse bank de Lossing met dijken en kunstwerken aan deze vereniging.

Eén van de aandeelhouders was de Antwerpse advocaat Charles Wauters, die een belangrijke rol ging spelen in het bestuur van de watering, en zich als enige eigenaar met succes op zijn gronden vestigde, die hij van moeras omvormde tot landbouwgronden. De drainage van het moeras was een stimulans voor de turfuitbating en leidde tot de omvorming ervan tot bos. De landbouw won terrein aan de randen ervan, en binnenin het moeras werd loof- en naaldhout aangeplant.

De heidegronden van Voorshoven en Geisteren te Neeroeteren werden in 1865, ondanks grote weerstand bij de plaatselijke bevolking, verkocht aan de Luikenaren E. Claes en W. Flechet, die de gronden trachtten vruchtbaar te maken met stads- en straatmest, een onderneming die echter mislukte.

Materiële resten van deze grote ontginningen zijn de hoeve Mariahof in Beek, de gaaf bewaarde hoeve in het Grootbroek in Molenbeersel, die tevens fungeerde als boswachtershuis bij het gedeelte van het Grootbroek dat eigendom was van baron de Bellaing van Rotem, en de hoeve met herenhuis "Grootbroek" van Charles Wauters, eveneens in Molenbeersel.

In de droge heidegebieden, met name de Schootsheide op het grondgebied van de gemeenten Stokkem, Dilsen, Rotem, Opoeteren, Niel, Lanklaar, Elen en Neeroeteren, had de aanleg van de Zuid-Willemsvaart de mogelijkheid doen ontstaan om de arme, zure zandbodems te bevloeien met het voedselrijke kanaalwater en zodoende te bemesten. Bij Koninklijk Besluit van 6 november 1847 werd de toelating gegeven om het kanaalwater voor bevloeiing te gebruiken. Het grootste gedeelte van de gronden, circa 125 ha heide, werd verkocht in 1849 aan een consortium, de "Société Liègeoise", bestaande uit L.J.H. Hermans, rechter van instructie, Tongeren, J.M.B. Schaetzen, rechter, Tongeren, H. Simon, weduwe van F. Terwagne, Luik, V. Terwagne, bankier, Luik, V. Bellefroid, advocaat, Luik, en C. Dessain, drukker en uitgever, Luik. Dit consortium begon met de wateringen, waarbij een Waals ingenieur het aanleggen van de besproeiingswerken leidde, en waarbij de ontgonnen landen als hooilanden werden gebruikt. Nadien kocht een zekere Nagant nog 60 hectare heide in Neeroeteren, die eveneens werden omgezet tot wateringen.'Aan de Zuid-Willemsvaart in Neeroeteren bevinden zich nog steeds verscheidene tapsluizen, die het grachtenstelsel van de wateringen voedden. Tot 1930 was hooi de enige opbrengst vah de wateringen. Het leger in Leopoldsburg, de zoo van Antwerpen en de paardentram waren regelmatige afnemers. Behalve sporen in het landschap bleef van deze watering het huis van de opziener van de irrigatie bewaard, het zogenaamde "Luikerhuis in de heide" in Elen.

Transportinfrastructuur. In 1870 kreeg de "Banque générale pour favoriser l'Agriculture et les Travaux publiés" de aanleg- en exploitatievergunning voor de spoorweglijn Hasselt-Maaseik over Genk en As; dit tracé werd ten slotte gekozen boven de omweg over Lanaken en de Maasvallei. De lijn werd geopend in 1874. Omdat de lijn niet werd doorgetrokken naar Roermond en Venlo, zoals gepland, had zij voor de ontsluiting van het gebied slechts een beperkt belang. De voornaamste bestaansreden van de lijn was het goederenvervoer, voornamelijk van grind, kiezel en hout. Pas bij opening van de Kempische steenkoolmijnen werd de lijn belangrijk voor aansluitingen met de mijnzetels van Genk en Eisden. De Duitsers lieten in 1941 de lijn Genk-As opbreken. Pas in 1979 werd de verbinding Hasselt-Genk hersteld. In hetzelfde jaar werd de exploitatie van het baanvak Genk-Maaseik stopgezet, en in 1988 werd de lijn volledig opgebroken. Er bevonden zich stations in Dilsen (Driepaal), Elen en Maaseik, thans verdwenen.

Belangrijker voor de ontsluiting van het gebied was de tramlijn Leopoldsburg-Bree, die in 1890 werd doorgetrokken tot Maaseik. In 1898 werd de verbinding met Maastricht gemaakt, in 1900 met Kessenich en in 1910 met Weert. Deze tramlijn werd opgeheven kort na de Tweede Wereldoorlog.

In 1811 verscheen het eerste decreet van Napoleon over de wegen. Hierin werd ook de verbinding Parijs-Hamburg voorzien: de weg zou via Maastricht, Venlo en Wezel-aan-de-Rijn lopen. Het gedeelte Maastricht-Venlo, de zogenaamde "Napoleonsweg" werd uitgevoerd in 1811-12, door Franse ingenieurs, plaatselijke werklieden en vooral Spaanse krijgsgevangenen. Het was eigenlijk een rechttrekking van de weg, die op de Ferrariskaart (1771-77) aangeduid wordt als "Grand Chemin de Mastricht à Maseyck", en die het tracé van de Romeinse heirbaan Tongeren-Nijmegen op de linkeroever van de Maas volgde. Deze "Napoleonsweg" werd in 1971 gemoderniseerd en verbreed, en is de huidige N 78. De weg Maasseik-Weert via Kinrooi en Molenbeersel werd kort voor de Franse inval aangelegd. Hij werd in 1868-72 door de huidige steenweg vervangen.

In 1846 verving een nieuwe weg de oude verbinding van Maaseik over Neeroeteren met Bree.

Toch is de economische bedrijvigheid, die de grootste impact had op het bestudeerde gebied, niet binnen dit gebied zelf gelegen. Wanneer na de Eerste Wereldoorlog de Limburgse mijnen in productie komen, zorgen zij voor het eerst in deze traditioneel arme streek voor voldoende werkgelegenheid, die in de jaren 1930-1960 periodisch tot 30 % van de bevolking tewerk stelt. De spectaculaire bevolkingstoename die onder meer hiervan het gevolg was, drukte voorgoed haar stempel op het uitzicht van dit gedeelte van de provincie.

Bron: Schlusmans F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kantons Bree - Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N1, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Schlusmans, Frieda

Datum: 2005

Relaties