Tonen in Google Earth

De Inventaris van het Onroerend Erfgoed

Craet, Daniël

Details

Beschrijving

Daniël (Dan) Craet (°27-02-1926) groeide op in het West-Vlaamse, landelijke Wijnendaele bij Torhout. Nadien studeerde hij architectuur in Gent aan het Sint-Lucasinstituut. Het was binnen deze context dat hij kennis maakte met het modernisme, mede onder invloed van Frida Burssens, zijn latere echtgenote die hij in Gent leerde kennen. Craet studeerde in 1951 af als architect, op hetzelfde moment als onder meer Olivier Nowé en René Heyvaert. Deze studiegenoten volgden net als hem de internationale architectuurontwikkelingen op de voet. Vervolgens was hij stagiair van architect Moser in Zürich.

Het Gentse oeuvre van Craet

Vanaf 1954 bouwde Craet zijn oeuvre uit met een groot aantal ontwerpen in Mariakerke bij Gent, waarvan het eerste gebouwd werd voor De Mol aan de Amand Casier ter Bekenlaan (nummer 5). Het ontwerp was minder modern dan zijn latere ontwerpen, omwille van de terughoudendheid van de bouwheer. De woning is verbouwd. De familie van Frida Burssens woonde op dat moment vlakbij in een kasteeltje van de familie Nowé-Vanderstegen, ouders van architect Olivier Nowé. Nowé, die zich vanaf 1955 associeerde met Heyvaert, kreeg van zijn ouders de kans om zijn ideeën omtrent het moderne wonen gestalte te geven in een modelverkaveling op de familiegronden aan de Korte Rijakkerstraat. Het kasteel zou omstreeks 1958 worden gesloopt, dus de familie Burssens zocht in de loop van de jaren 1950 een ander onderkomen. Zowel Frida’s vader en broer, Amaat en Jan Burssens, kochten percelen grenzend aan de geplande verkaveling. In 1955 ontwierp Craet de woningen voor zijn schoonbroer, schoonvader en zichzelf en zijn echtgenote (respectievelijk Korte Rijakkerstraat 16, Verschansingsstraat 4 en 6). Daarnaast realiseerde Craet ook woningen in de modelverkaveling. In de bijzondere voorwaarden van de verkoopaktes van de gronden werden de kopers immers verplicht om de opmaak van de plannen en het toezicht op de bouwwerken toe te vertrouwen aan architecten Olivier Nowé en Daniël Craet. Deze verplichting stond garant voor de homogeniteit van het geheel. Hierdoor werkte Craet in 1955 samen met Nowé voor het ontwerp van de woningen De Maertelaere (Edgard Blancquaertstraat 16) en woning Lanclus (Korte Rijakkerstraat 20). Hij ontwierp op zijn eigen naam in datzelfde jaar ook de woningen Picard (Korte Rijakkerstraat 18) en Claeys-Verheughe (Edgard Blancquaertstraat 18), gelegen in deze verkaveling. Nadien, in 1959, ontwierp hij enkel nog de woning De Klerck-Dossche (Korte Rijakkerstraat 34) op de familiegronden Nowé. Wel ontwierp hij in dezelfde periode nog meerdere, kenmerkende woningen in de dichte omgeving van zijn eigen woning, onder meer in dezelfde straat (woning Ost, Verschansingsstraat 1, 1958; woning De Conynck-Buysse, Verschansingsstraat 3, 1959) of in een vlakbij gelegen nieuwe verkaveling aan de huidige Emiel Poetoustraat (woning Meeus-Andries, nummer 10, 1959; woning Saelens-Minnebo, nummer 21, 1960; beeldhouwerswoning Poetou, nummer 23, 1961).

Al deze woningen vertonen sterke gelijkenissen in hun algemeen concept, vormgeving en materiaalgebruik, en zetten de trend voor het latere oeuvre van Craet. Een typisch element is een dynamische planindeling op basis van verspringende niveaus, die zich ook duidelijk in de gevel vertaalt. Het gebruik van split-levels geeft vaak aanleiding tot asymmetrische, strak vormgegeven volumes onder lessenaars- of vlinderdaken, waarbij de gevelindeling aangepast is in overeenstemming met de oriëntatie. Bijkomend had hij aandacht voor de privacy van de bewoners, dit door een weloverwogen schikking van de muuropeningen en leefruimtes, in combinatie met de inplanting van de woning – indien mogelijk – dieper op het perceel. Hoewel in de verordeningen omtrent de wijk aan de Korte Rijakkerstraat was bepaald dat de perceelsgrenzen niet mochten afgesloten worden door betonnen of stenen muren, en de wijk dus een relatief open karakter had, werd de privacy toch gegarandeerd dankzij onder meer het groene, beboste karakter van de percelen. De materialiteit van de woningen heeft een sterk gelijkaardig karakter en combineert over het algemeen witgeschilderde bakstenen buitenmuren met geaccentueerde delen in zichtbare, vaak ruwe baksteen, contrasterend met donker geschilderd metalen of houten schrijnwerk. Ook gevelvlakken afgewerkt met houten beplankingen komen voor. De architectuur van Craet grijpt hoofdzakelijk terug naar traditionele bouwmaterialen en -methodes, in de lijn van de Scandinavische, moderne architectuur. De combinatie van verschillende materialen verhoogt het sculpturale effect van de panden, dat mede wordt bepaald door de dynamiek van de gevels voorzien van overkragende daken, verspringende volumes bijvoorbeeld tussen vooruitspringende zijgevels en de algemene asymmetrie. Afhankelijk van de oriëntatie en in relatie tot de planindeling, voorzag Craet rechthoekige vensters van een gevarieerde grootte of werkte hij de wanden eerder gesloten uit, bijvoorbeeld enkel geopend met glasdallen. Typische details, die verspreid in de vroege ontwerpen zijn bewaard gebleven, zijn bijvoorbeeld de metalen toegangsdeuren in een opengewerkte, beglaasde toegangstravee en de opvallende metalen, strak uitgewerkte klinken van de oorspronkelijke garagepoorten. Eveneens kenmerkend en vaak terugkerend in zijn oeuvre zijn het gebruik van balkons en uitkragende vensters, onder meer bedoeld voor het plaatsen van planten in het interieur en aangeduid op sommige plannen als ‘bloemenraam’.

Craet werkte in het merendeel van zijn ontwerpen samen met zijn echtgenote Frida Burssens, die als vormgeefster instond voor interieurontwerpen en kleurenschema’s. Hun ontwerpen kunnen zo beschouwd worden als totaalconcepten. Craet ontwierp bijvoorbeeld ook vast en los meubilair voor zijn realisaties. In de beginperiode en voor het merendeel van de woningen ontworpen in 1955 liet hij dit houten meubilair vervaardigen door de Gentse firma Van den Berghe-Pauvers. Deze ontwerpen omvatten hoofdzakelijk de typische doorgeefkasten tussen keuken en living, vaak in combinatie met keukenkasten in een gelijkaardige stijl, en ingemaakte kasten die voorzien waren in slaapkamers. Craet maakte alleszins ontwerpen voor zijn eigen woning, woningen Burssens, Claeys en Lanclus. In de woning Claeys werd de volledige keuken vernieuwd, terwijl in de architectenwoning ook de oorspronkelijke keuken verdween, op de beschilderde doorgeefkast na. Voor deze woningen was bovendien een breder ensemble meubilair voorzien, eveneens bedden en ander los meubilair. Voor woning De Klerck ontwierp hij ook het vaste meubilair, waaronder de gaaf bewaarde keuken met doorgeefkast voorzien van een fel gekleurde schildering in geel en rood, en meubilair in onder meer de living. In dit geval werd het meubilair door de bouwheer vervaardigd naar Craets ontwerp. Deze woning vormt samen met woning Burssens één van de meest representatieve, bewaarde interieurontwerpen van Craet in Gent, voor zover gekend. Ook woning Saelens bewaarde in 2015 een doorgeefkast. Een ander typisch element van het meubelontwerp van Craet, dat in verschillende ontwerpen is bewaard, zijn houten zitbanken, die vaak functioneel boven de verwarmingselementen werden geplaatst. Deze banken werden vaak gecombineerd met ander meubilair in de leefruimtes.

Vanaf de latere jaren 1950 verschenen ook talrijke ontwerpen van Craet buiten Mariakerke. Voorbeelden hiervan zijn de typische woningen De Facq in Sint-Denijs-Westrem (James Ensorlaan 11, 1959) en Augustyn in Wondelgem (Vroonstallestraat 44, 1959). Een opmerkelijke realisatie anderzijds is een ensemble woningen in Sint-Denijs-Westrem aan de Armand Bourdonlaan, waarbij Craet net zoals zijn collega’s Nowé en Heyvaert zocht naar een alternatief voor de traditionele verkaveling. Hoewel de woningen tijdens de jaren 1960 en vroege jaren 1970 over een ruime tijdsperiode en voor meerdere eigenaars werden gebouwd, kaderen ze toch binnen een algemeen ontwerpplan en totaalvisie voor de straat, en maakte Craet reeds bij aanvang plannen voor het volledige ensemble. Ook was er een kleurenschema met een Mondriaans palet voorzien voor de afwerking van het exterieur. De woningen variëren van eenlaagse bungalows aan de ene kant van de straat, tot grotere meerlaagse woningen er tegenover. De functioneel opgevatte, witgeschilderde bakstenen woningen sluiten aan bij de vroegere ontwerpen van Craet: het ontwerp was aangepast aan de karakteristieken van het terrein, het architecturale programma en de oriëntatie. Ook andere kenmerken van zijn oeuvre zijn aanwezig, zoals de logische relatie tussen interieur en exterieur, de geleidelijke overgang tussen private en publieke ruimte, waarbij privacy gegarandeerd wordt, maar de bewoners toch een goed zicht bewaren op hun tuin en op de straat, evenals een gebruik van lokale materialen.

De architectuur van Craet evolueerde tijdens de jaren 1960 steeds meer tot een herkenbaar systeem, waarin hij de kenmerken van zijn vroeg oeuvre assimileerde. De witte bakstenen volumes, vaak asymmetrisch uitgebouwd onder lessenaarsdaken, komen in verschillende, toch heel gelijkaardige ontwerpen terug, zoals de woningen Pauwels (Paul Van Tieghemlaan 19, 1963), Verbeke (Verschansingsstraat 42, 1964) en Bonte (Kollebloemstraat 32, 1964-1965). De woningen Goemaere (De Campagne 28, 1968) en De Clercq (Sierheesterlaan 26, 1970) combineren de typische elementen, en worden bijkomend verrijkt met enkele sculpturale details, eigen aan de architectuurtendensen van dat moment. Voorbeelden hiervan zijn een ommuurde patio bij beide woningen, en bij laatst genoemde woning een betonnen waterspuwer, waarbij water via een stalen ketting van het dak wordt afgeleid, evenals een sculpturaal vormgegeven buitenbarbecue.

Invloeden op het oeuvre

Hoewel Craet een heel persoonlijke en herkenbare vormentaal ontwikkelde, valt een duidelijke parallel op te merken met de Scandinavische architectuur, zoals het werk van architecten Alvar Aalto en Arne Jacobson. Giedion benoemde de stroming die ontstond op internationaal vlak vanuit de invloed van de Noord-Europese architectuur, als ‘Nieuw Regionalisme’. Craets oeuvre vertoont zo op nationaal vlak gelijkenissen met het werk van tijdgenoten als bijvoorbeeld Jul De Roover, Jacques Dupuis, Isia Isgour, en Jean-Pierre Blondel, Lucien Baucher en Odette Filippone. Deze naoorlogse architectuur getuigt van een combinatie van de moderne vormentaal met een herwaardering van lokale materialen en bouwmethodes, zonder te vervallen in traditionalisme. Craets combinatie van witgeschilderde, lokale baksteen met ruwe steen en het gebruik van hout, is een goed voorbeeld van deze verzoening en leidt tot een warme, lokaal verankerde architectuur. Ook de relatie tot de omgeving komt in Craets werk terug door het vrij inspelen op niveauverschillen in het terrein door het gebruik van split-levels en een maximaal contact tussen het interieur en de omgeving. Moderne technieken konden binnen deze stroming worden ingezet in functie van het creëren van een aangenaam leef- en woonklimaat, maar waren geen doel op zich, zoals wel het geval was in de internationale stijl. In de architectuur die zich spiegelde aan het Scandinavische modernisme stond de mens immers centraal in zijn relatie tot de natuur. Craets aandacht voor de privacy van de bewoners en de oriëntatie, sluiten hier bij aan. De soberheid en eerlijke structurering van de gevels in relatie tot de planindeling, laten de woningen integreren in tuinen die eveneens getuigden van een menselijke schaal en een organisch karakter.

Vormelijke gelijkenissen tussen het meubelontwerp van Craet en internationale ontwerpen werden nog niet eerder onderzocht. Een beperkte studie laat echter al toe om opvallende gelijkenissen te vinden met internationale designiconen, voornamelijk het werk van Charlotte Perriand en Le Corbusier, zeker wat betreft de aandacht voor het ontwerp van de keuken met doorgeefkast. De aanzet voor de naoorlogse keukens van Perriand dateerde reeds uit het interbellum, waaronder de keuken met doorgeefkast voor ‘Equipement intérieur d’une habitation’, een paviljoen voor het Salon d’Automne in 1929. Daarnaast zijn er ook duidelijke parellellen op het vlak van vormgeving en het gebruik van schuifdeurtjes met driehoekige, gestroomlijnde handvaten, bijvoorbeeld terug te vinden in meubilair ontworpen door Perriand en Jeanneret en vervaardigd door ‘L’Equipment de la Maison’ in 1946. Het komt ook terug in werk van tijdgenoten van Craet, zoals het Tubax-meubilair naar ontwerp van Willy Vander Meeren uit de jaren 1950. Dé belangrijkste vormelijke inspiratiebron voor Craets oeuvre zijn vermoedelijk de keukens en modelinrichtingen die Perriand ontwierp voor de Unité d’Habitation van Le Corbusier, onder andere in Marseille (1945-1952). Ondanks dat Perriands doorgeefkast lager is en ook dienst kan doen als bar, zijn er sterke vormelijke gelijkenissen: het gebruik van schuifdeurtjes, de typische (houten) driehoekige handvaten, een polychrome afwerking, de aanwezigheid van uitschuifbare snijplanken en de algemene, compacte omvang van de keuken in functie van efficiëntie, comfort en functionaliteit.

De verdere carrière van Craet

Volgens Frida Burssens bouwde haar echtgenoot Dan Craet in het hele land, en maakte hij ook enkele internationale ontwerpen, bijvoorbeeld in Götingen. Anno 2017 is de totaliteit van het oeuvre echter nog niet in kaart gebracht en is het archief van Craet nog niet geïnventariseerd en niet raadpleegbaar. Wel zijn realisaties in Ronse gekend, waar Craet samenwerkte met architect Albert Lequesne. Van hun hand is het functionele ontwerp van de Stedelijke Openbare Bibliotheek van Ronse, gedateerd 1959/1962-1963 en geopend in 1965. Met Lequesne ontwierp hij eveneens vanaf de vroege jaren 1960 de sociale woonwijk Floréal in Ronse in opdracht van de sociale huisvestingsmaatschappij Le Nouveau Foyer Renaisien (vanaf 1968 De Nieuwe Haard). Craet werkte ook later nog samen met hem voor deze opdrachtgever, bijvoorbeeld bij de renovatie en omvorming van een herenhuis tot sociale appartementen (Franklin Rooseveltplein 11, Ronse).

Enkele verspreide voorbeelden van residentiële architectuur binnen het ruimere oeuvre van Craet in Vlaanderen werden eerder toevallig ontdekt op basis van het archief van Van den Berghe-Pauvers. Zo bestelde Craet bij deze firma zes doorgeefkasten voor woningen in Wenduine (1957). Ook ontwierp hij alleszins het buitenverblijf voor de familie Burssens in Koksijde (Sint-Idesbald). In het archief van de meubelfirma waren daarnaast documenten bewaard van meubels die Craet bestelde voor de woning Valcke in Kortrijk (Beverlaaihof 5, 1961). Daarnaast zijn enkele andere ontwerpen gekend, waaronder een woning in Lendelede (Groenstraat 2, 1961), een villa in Deurle bij Sint-Martens-Latem (Philippe de Denterghemlaan 51, 1962) en de woning Vanhoutryve in Brugge (Stijn Streuvelsstraat 16). Deze vormen echter slechts een fractie van zijn volledige oeuvre.

Architect Craet bleef actief als architect tot ongeveer tien jaar voor zijn overlijden (†26-08-2013). Naast zijn ontwerppraktijk was hij ook sterk aanwezig binnen professionele architectuurorganisaties. Hij werd vanaf 1971 voorzitter van de Nationale Raad van de Orde van Architecten. Daarnaast was hij onder andere medeoprichter van het Informatiecentrum voor Architectuur, Stedenbouw en Design (ICASD) dat uitgever werd van het door Craet in 1973 opgerichte tijdschrift A+, van de organisatie Cobaty International België (1974), en van Archinter (1984). Van 1996 tot 2003 was hij ook voorzitter van de Koninklijke Federatie van Architectenverenigingen van België (FAB).

  • Stadsarchief Gent, Fonds Van den Berghe-Pauvers, nummer 504, Dossier inzake de productie van meubels naar ontwerp van architect Craet-Mariakerke (1956-1959).
  • COLLIERS G. 2013: In memoriam Dan Craet, A+ 244, 18.
  • DELPORTE R. (red.) e.a. 1993: Architectuur in de provincie. Realisaties in Oost-Vlaanderen 1963-1993, Gent, 77-78.
  • VAN DE PERRE D. 2003: Op de grens van twee werelden: beeld van het architectuuronderwijs aan het Sint-Lucasinstituut te Gent in de periode 1919-1965/1974, Gent, 178.
  • Mondelinge informatie verkregen van Frida Burssens (15 juni en 30 augustus 2017).

Ontwerper van

Neo-Vlaamse-renaissancehuis

Franklin Rooseveltplein 11, Ronse (Oost-Vlaanderen)

Imposant neo-Vlaamse-renaissancehuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder leien zadeldak tussen zijtrapgevels en schilddak achteraan, in de top gedateerd 1895, volgens literatuur met kern uit 1850. Naar verluidt gebouwd door E. Cuvelier. Thans eigendom van "De Nieuwe Haard", gerenoveerd in 1984 en gesplitst in acht appartementen.

Geen afbeelding beschikbaar

Woning Burssens

Verschansingsstraat 6 (Gent)

Deze bescherming betreft woning Burssens met achterliggend museumgebouw en tuin (volledig perceel), alsook de bijhorende cultuurgoederen.

Woning Burssens met museum

Verschansingsstraat 6, Gent (Oost-Vlaanderen)

De woning van Amaat Burssens is gebouwd volgens een bouwaanvraag van 1955 naar ontwerp van Burssens’ schoonzoon, de Gentse architect Daniël Craet, die gelijktijdig op het aanpalende perceel zijn eigen woning bouwde. Volgens een aanvraag van 1959 werd een klein museum toegevoegd achteraan in de tuin, eveneens ontworpen door Craet.

Geen afbeelding beschikbaar

Stedelijke Openbare Bibliotheek en zonnewijzer

De Biesestraat 4, Ronse (Oost-Vlaanderen)

Modern en zeer functioneel gebouw naar ontwerp van 1959/ 1962-63 van de architecten D. Craet en A. Lequesne op de plaats van het in 1962 gesloopte weeshuis.

Sociale woonwijk Floreal

Floréal (Ronse)

Woonwijk, gerealiseerd tussen 1962 en 1973 door de sociale huisvestingsmaatschappij De Nieuwe Haard naar ontwerp van architecten Albert Lequesne en Dan Craet