Deze pagina afdrukken

Kasteel Marnix de Sainte-Aldegonde, Bornem

Kasteel Marnix de Sainte-Aldegonde, Bornem

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteel Marnix van Sint-Aldegonde (ID: 1901)

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Dubbel omgracht kasteel, gelegen in het noordoosten van het grafelijk domein langs de Oude Schelde. De kasteelgronden omvatten vooral bossen, voornamelijk kweek van Canadapopulieren, bepaald door de aanwezigheid van waterrijke gronden, en weilanden.

Uniek op het domein is de eendenkooi op de Oude Schelde, waarvan de oorsprong opklimt tot 1318; een nieuwe werd opgericht door Th. Baradot in 1534, doch aanzienlijk verbeterd door Pedro Coloma in 1612. Ze werd opgericht om wilde eenden te vangen zonder schieten, oorspronkelijk voor consumptie, heden voor wetenschappelijke doeleinden. De constructie bestaat uit trechtervormige vangpijpen, overkoepeld met gaasdraad, die uitmonden in een fuik.

Volgens de overlevering zou de site opklimmen tot de Romeinse periode, toen een ronde wacht- of uitkijktoren werd gebouwd in een Scheldemeander, op de "Donk" (een zandige verhevenheid, die boven de omliggende poldergronden uitsteekt). Literaire bronnen gewagen van een feodale burcht uit de 9de-10de eeuw, opgevat als een verdedigingstoren tegen de invallen van de Noormannen en naderhand verblijfplaats van de heren van Bornem. Op een gravure van Sanderus in zijn Flandria Illustrata (1641) bemerkt men op de binnenkoer van de middeleeuwse burcht, nog de hoge ronde toren die boven de andere gebouwen uitsteekt. In 1586 aangekocht door Pedro Coloma, die het kasteel liet verbouwen tot een aangenaam lusthof in renaissancestijl. De hoger vermelde toren werd samen met een deel van de ringmuur gesloopt in 1687. Sedert 1773, officieel sedert 1780, eigendom van het geslacht de Marnix, vanaf 1881 de Marnix de Sainte-Aldegonde, naar een vroegere heerlijkheid die lange tijd in handen van de familie was.

Het oude, bouwvallig geworden slot van Pedro Coloma, eerder een grote kasteelhoeve, werd gesloopt in de jaren 1880 in opdracht van graaf Ferdinand Jozef (1837-1913). Plannen voor de volledige verbouwing van het kasteel en de bijgebouwen werden opgemaakt door architect H. Beyaert, doch na zijn dood in 1894 voltooid door E. Janlet, die lichte wijzigingen aanbracht. Waarschijnlijk kreeg H. Beyaert de opdracht in het begin van de jaren 1880. In een eerste fase kwamen vermoedelijk de bijgebouwen aan de beurt (zie jaartal 1883 in de schuur en mutatieschetsen van het kadaster). De oudst bewaarde, doch niet gerealiseerde plannen voor het middeleeuws geïnspireerde kasteel dateren echter van 1887; volgens deze plannen met opschrift "quatrième projet", bestond de bekommernis van Beyaert erin de zogenaamde "Grand Vestibule", een soort middeleeuwse ridderzaal (noordvleugel), te integreren in het algemene renovatieplan; hiervoor creëerde hij een sterk geaccentueerde noordgevel met aan oostzijde een cilindervormige toren, vervolgens een aantal in hoogte toenemende gevelvlakken en tenslotte een toren die de overgang vormde naar de middeleeuwse vestibule met zware steunberen; het ontwerp voorzag als eindpunt aan de westzijde een brug met overdekte galerij over de omgrachting. Het ontwerp werd echter niet uitgevoerd. Eén van de weinige elementen die wel uitgevoerd werden, is de uitbreiding van het bestaande halfcilindrisch massief van een laag torengebouw (westzijde middenvleugel) tot hoge toren met pagaddertoren. De volgende reeks plannen van 1890-1891 wijkt niet noemenswaardig af van de vorige; de wijzigingen betreffen vooral de binneninrichting en de gevelopeningen. De plannen van 1893, met vermelding "cinquième projet", verschillen echter grondig: voorzien werd: links de volledige afbraak van de noordvleugel op de binnenplaats en de vervanging door een nieuwe haakse vleugel; 2. de afbraak van de "Grand Vestibule"; 3. de verhoging met één verdieping van de oostgevel op de binnenplaats, wat een monumentaler uitzicht geeft. Uiteindelijk werd het kasteel nagenoeg volledig afgebroken en heropgericht met een totaal ander bouwvolume op de grondvesten van de middeleeuwse burcht in de periode 1890-1894. Van het oude slot resten enkel de ronde torentrap (westzijde), enkele muurgedeelten en de torenbasissen.

Gekanteelde poort uit de tweede helft van de 17de eeuw in traditionele stijl, gebouwd in opdracht van Jean-François Coloma (1630-1700), vierde baron en eerste graaf van Bornem van 1656 tot 1700; later ingebracht wapenschild. Baksteenbouw met zandstenen speklagen en rondboogpoort in arduinen omlijsting. Ten oosten van de poort: ingebouwde traditionele kern, zie steile dakhelling, aandaken, zandstenen steigergaten en muurbanden.

Toegangsbrug tot het kasteel van 1895 naar ontwerp van E. Janlet, met twee cilindrische wachttorentjes onder piramidaal dak.

Massief aandoend kasteel met verticaal accent en asymmetrisch U-vormig ingeplante vleugels onder leien bedaking; vrij gesloten buitengevels van natuursteen, met neogotische reminiscenties; rijker uitgewerkte binnenplaatsgevels met neorenaissance-uitzicht en open karakter, opgetrokken uit bak- en natuursteen. De typische eigenschap van H. Beyaert, namelijk de creatie van asymmetrische ontwerpen, komt sterk tot uiting, vooral door het gebruik van torens, topgevels en onregelmatige travee-indelingen met overwegend rechthoekige muuropeningen. De vrije vormgeving wordt aan de binnenplaats het best geïllustreerd door de oostgevel, waar een asymmetrisch geplaatste topgevel uitspringt deze gevel wordt bovendien voorafgegaan door een terras met smeedijzeren borstwering met typisch "Beyaertiaans karakter", door het gebruik van motieven die ook elders in zijn oeuvre voorkomen.

Vrij sober opgevat interieur, doch met rijke verzameling kunstschatten, waaronder schilderijen, meubelen, kantwerk en Chinees porselein. De gerestaureerde bibliotheek bevat onder meer een mooie collectie handgeschreven boeken.

De bijgebouwen, gelegen binnen de eerste omgrachting, zijn volledig opgetrokken uit baksteen en bestaan uit paardenstallen, zadelmakerslokaal, conciërgewoning, hovenierswoning en schrijnwerkerij. Ze zijn ingeplant op een driehoekig terrein ten westen van het poortgebouw en zijn opgevat als een landelijk "mini-dorpje" met meerdere binnenplaatsen als ruimtelijk verbindingselement. Vrij asymmetrisch geheel, benadrukt door het gebruik van verschillende bouwhoogten, langs- en dwarsvleugels met soms asymmetrische gevels en de decoratieve verwerking van baksteen, onder meer configuraties in visgraatverband, afgewisseld met boogfriezen. Verspreide sierankers onder meer een M, verwijzend naar Marnix; schuur met jaarankers 1883. Deze bijgebouwen zijn nu gedeeltelijk ingericht als museum voor Europese en Amerikaanse koetsen, evenals alle mogelijke attributen voor het optuigen van paarden.

  • Kadaster Antwerpen, Mutatieregisters Bornem, schetsen 1885/4, 1899/5.
  • Gegevens verstrekt door lokale gids W. De Man.
  • ARREN P., Van kasteel naar kasteel 4, Kapellen, 1991, p. 61-72.
  • GIJPEN L., Krans van kastelen in de provincie Antwerpen, Antwerpen, 1960, p. 124-132.
  • Het Graafschap en de Oude Schelde, Brochure uitgegeven door het gemeentebestuur in het kader van de "Dag van het Park", 31 mei 1992.
  • Heemkundig Jaarboek opgedragen aan L. Mees, X, 1975, p. 88.
  • Kasteel Marnix de Sainte Aldegonde Bornem, Bezoekersbrochure, Bornem, 1990.
  • L'Emulation, XXVII, 1902, platen 41-45.
  • ROCHTUS L., Bornem in oude prentkaarten,Zaltbommel, 1976, nummer 12.
  • VICTOIR J. en VANDERPERREN J., Hendrik Beyaert. Van Classicisme tot Art Nouveau, St.-Martens-Latem (Deurle), 1992, p. 208-209, 224-230.

Bron: De Sadeleer S., Kennes H., Plomteux G. & Steyaert R. 1995: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kanton Puurs, Klein Brabant, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 13N3, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Kennes, Hilde

Alle teksten

Relaties