is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Controletoren
Deze vaststelling is geldig sinds
is aangeduid als beschermd monument Controletoren
Deze bescherming is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Controletoren
Deze vaststelling was geldig van tot
Duitse bakstenen toren, opgetrokken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Over de oorspronkelijke functie brengen de beschikbare bronnen momenteel nog geen duidelijkheid. Vaak werd de toren in Poperinge geïnterpreteerd als een observatie- of controletoren voor het nabijgelegen vliegveld, dat de Duitsers vanaf de zomer van 1940 hadden aangelegd. Deze interpretatie lijkt echter weinig waarschijnlijk. Een geloofwaardiger verklaring is dat de toren van de Peselhoek bedoeld was als Flugwache, als observatiepost om het luchtruim op geallieerde vliegbewegingen te controleren.
De toren is zichtbaar op luchtfoto’s van 20 december 1942 en 20 juli 1944. Aanpalend aan westelijke zijde was een (houten) barak opgetrokken van min of meer 17 meter lang, wellicht op een lage bakstenen voetmuur. Rond de toren waren er loopgraven aangelegd, in zigzagpatroon. Het geheel werd omsloten door een rechthoekige structuur met afgeschuinde hoeken (of achthoekige), wellicht een prikkeldraadversperring op een aarden omwalling. Boven de gelijkvloerse verdieping zijn er nog drie verdiepingen en een dakterras, waarop een cilindervormige bakstenen constructie was opgetrokken waarboven wellicht een (plexi)glazen structuur was geplaatst.
In Onkerzele, een gehucht ten noordoosten van Geraardsbergen, was tussen eind 1941/begin 1942 en augustus 1942 een identieke toren opgetrokken, met gelijke opbouw en afmetingen. Deze toren werd begin de jaren 1970 gesloopt. Op luchtfoto’s is te zien hoe er ook tegen deze toren een barak was opgetrokken, loopgraven aanwezig waren, evenals een meerhoekige prikkeldraadversperring en/of aarden omwalling.
Vaak werd de functie van de toren in Poperinge verklaard als een observatietoren voor het nabijgelegen vliegveld, dat de Duitsers vanaf de zomer van 1940 hadden aangelegd. Dit vliegveld, in Duitse bronnen aangeduid met “Flugplatz Peselhoe(c)k”, was aangelegd tussen de Poperingevaart (Vleterbeek) en de Westvleterseweg. Op en rond het vliegveld verscheen heel wat infrastructuur, waaronder vliegloodsen en een herstelloods, houten barakken, bunkers, waterputten en een schietstand. Volgens sommigen hoorde ook de bakstenen toren bij het vliegveld, als controletoren. Door de te grote afstand tussen de toren en het vliegveld lijkt deze interpretatie eerder onwaarschijnlijk. In de nabijheid van de toren in Onkerzele is bovendien geen vliegveld op de luchtfoto’s te bespeuren. Ook het gebruik van de toren voor het plaatsen van FLAK-artillerie (Flugabwehrkanone of luchtafweer) lijkt eerder onwaarschijnlijk. Wellicht tegen eind 1941 werd het vliegveld van de Peselhoek opgegeven en werden er groenten geteeld.
Een geloofwaardiger verklaring is dat de toren van de Peselhoek, net zoals de toren in Onkerzele, bedoeld was als Flugwache, als observatiepost om het luchtruim op geallieerde vliegbewegingen te controleren. In dat geval zou de toren bemand zijn door de 11. Kompanie van het Luftgau-Nachrichten-Regiment Belgien-Nordfrankreich, eerst verbonden aan de Flugwachkommando (Fluko) te Rijsel, en later aan de 10. Kompanie van de Flugwachkommando te Gent. De bemanning zou bestaan hebben uit tien man.
De bewaarde cilindervormige bakstenen structuur op het dak diende in dat geval wellicht als basis voor een koepel in plexiglas, ter bescherming van de personen die de wacht verzorgden. Dergelijke koepels in plexiglas komen namelijk ook voor bij andere Flugwachen. Veel van deze Flugwachen zijn echter lager en in hout of beton opgetrokken. De reden voor de bakstenen uitvoering en hoogte van de torens in Poperinge en Onkerzele is mogelijk te verklaren door de behoefte aan ruimtes voor technische uitrusting. Eén hypothese is dat de torens dienden als vaste locatie voor een schweres Leuchtfeuer, die als lichtbaken voor nachtvluchten fungeerde.
Na de Tweede Wereldoorlog werd de toren nog gebruikt door het Belgisch leger. Tussen juli 1951 en eind 1957 zou ze regelmatig bemand zijn door de Territoriale Wacht voor Luchtafweer. Een bewaarde ijzeren ladder zou uit deze periode dateren.
Bakstenen toren bestaande uit een kelder, een gelijkvloerse en drie hogere verdiepingen en een dakterras met deels bewaarde bakstenen constructie. Tegen de noordgevel was nog een tweede kelder aangebouwd, die met de kelder van de toren in verbinding stond. Op elke verdieping aan oostelijke en westelijke zijde en in de traphal zijn er muuropeningen, die oorspronkelijk met houten schrijnwerk waren afgesloten. De muuropeningen op de gelijkvloerse verdieping zijn rechthoekig uitgewerkt, op de hogere verdiepingen zijn ze bovenaan gebogen afgewerkt. Enkele muuropeningen van de tweede torenverdieping en de traphal werden later tot een schietgat omgebouwd. In de borstwering van het dakterras en op de tweede verdieping werden bijkomend openingen in het metselwerk gehakt om schietopeningen te creëren. Op de borstwering werden metalen bevestigingspunten voor machinegeweren (wellicht type MG34) geplaatst. In een latere fase (tijdens of na de oorlog) werden de vensteropeningen op de hoogste verdieping dichtgemetseld, net zoals de gecreëerde schietgaten op de tweede verdieping. Nog later, wellicht na de oorlog, werd de houten trap tussen de verdiepingen vervangen door een stalen ladder en werden de verdiepingsvloeren uit het gebouw gehaald.
Auteurs: Decoodt, Hannelore
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)