Deze pagina afdrukken

Abdij van Herkenrode, Kuringen

Abdij van Herkenrode, Kuringen

Abdij van Herkenrode, Kuringen

Abdij van Herkenrode, Kuringen

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Abdij van Herkenrode (ID: 22246)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Voormalige cisterciënzerinnenabdij met abdijhoeve en bedrijfsgebouwen, gelegen op de zuidelijke Demeroever, temidden van een beschermd bos- en landbouwlandschap, en toegankelijk langsheen twee lindendreven.

HISTORIEK

De abdij werd gesticht in 1182, toen Geeraard, graaf van Loon, zijn goed Herkenrode schonk aan een zekere broeder Henricus om er een klooster voor vrouwen te bouwen; de graaf immers wenste een klooster in de onmiddellijke omgeving van zijn nieuwe burcht te Kuringen; de abdij diende tevens als officiële begraafplaats der grafelijke familie. Aldus werd zij het belangrijkste religieus centrum van het graafschap Loon, door de Loonse edelen en graven rijk begiftigd, en waarin de dochters van de vooraanstaande families van het graafschap werden opgenomen. In 1271 trad de kloostergemeenschap toe tot de orde van Cîteaux.

Vanaf 1317, befaamd bedevaartsoord door verwerving van het Heilig Sacrament van Mirakel. In 1366 volgen de prinsbisschoppen van Luik de graven van Loon op als beschermheren van de abdij.

Vernieuwd elan onder abdis Mechtildis van Lechy (1519-1548), af te lezen uit de bouwactiviteit in deze periode.

Eind 16de-begin 17de eeuw had de abdij sterk te lijden van de plunderende troepen van Oranje, en van de Conde en de hertog van Lorreinen (1654). Herstel en nieuwe bloei onder abdis Anne-Catherine de Lamboy (1653-1675)

18de eeuw: gekenmerkt door nieuwe bouwcampagnes, aanvankelijk beperkt tot classicistisch getinte invularchitectuur (abdis Barbe de Rivière d'Arschot, 1728-1744), een methode die in de tweede helft wordt opgegeven om te komen tot de planning van een volledig nieuwe abdij naar ontwerp van L.B. Dewez, die de bestaande abdij geleidelijk aan zou vervangen (abdis Anne de Croy, 1744-1771); van dit plan werd slechts een vleugel gerealiseerd.

Een tweede ontwerp voor een nieuwe abdij werd gemaakt door B. Digneffe, in opdracht van abdis Augustine van Hamme (1772- 1790); van deze plannen werd niets verwezenlijkt.

In 1796 wordt de abdij verbeurd verklaard en in 1797 publiek verkocht aan P. Libotton en G. Claes, die het complex inrichten als suiker- en lakenfabriek.

19de eeuw: gekenmerkt door de geleidelijke aftakeling van de abdij, waarbij een groot gedeelte der gebouwen (onder meer de kerk) verdween. In 1972, aankoop van de abdisverblijven door de Reguliere Kanunnikessen van het Heilig Graf van de priorij Sion te Bilzen om er hun klooster met bezinningsoord in onder te brengen. De overige, nog bestaande abdijgebouwen en de hoeve worden verpacht aan drie landbouwers.

In 1976 werd de beslissing getroffen tot rehabilitatie van de abdij en de uitbouw van het abdisverblijf tot klooster voor de zusters van het Heilig Graf. De studiegroep Haaldewijn (M. Bollen, L. Coolen, R. Cresens, C.G. De Dijn, E. François, J. Martens, L. Van Herck) maakte hiervoor de voorstudie, met bouwhistorisch overzicht, grondige architecturale analyse en onderzoek naar mogelijkheden van evolutie en uitbreiding van de huidige functies binnen de gegeven bouw- en leefomgeving. De hier gebruikte gegevens zijn uit deze studie afkomstig.

BESCHRIJVING

Bij de beschrijving der gebouwen dient rekening gehouden te worden met twee verschillende toestanden: het gebouwenbestand in de 18de eeuw, door L.B. Dewez in 1768 opgetekend, toen de abdij haar grootste uitbreiding kende (hier zal ook het ontwerp van de nieuwe abdij van Dewez besproken worden); de huidige toestand, resultaat van het aftakelingsproces der 19de eeuw. Daarom zal elke fase afzonderlijk behandeld worden, waarbij in het eerste deel (de 18de eeuwse abdij) vooral de chronologie en de ligging der gebouwen zal besproken worden, in het tweede deel het huidige uitzicht der nog bestaande gebouwen.

De hoofdingang der abdij ligt ten zuiden van het complex; gotisch poortgebouw (1), in 1531 gebouwd in opdracht van abdis Mechtildis van Lechy.

Gelegen tussen het poortgebouw en de kerk, het gastenverblijf (2), gebouwd circa 1570, in de 19de eeuw afgebroken.

Hierachter lag het eigenlijke convent, met de oost-west-georiënteerde kerk waarop ten noorden twee naast elkaar gelegen kloosterpanden aansloten. De kerk (3) komt voor op een afbeelding van 1363 als een éénbeukig, gotisch gebouw van zes traveeën met bakstenen schip, natuurstenen koor met driezijdige sluiting, dakruiter, knapenkoor en met lessenaarsdak afgedekte galerij aan de zuidelijke zijde; in 1521 gaf Mechtildis van Lechy opdracht aan Coenrardt van Nurenbergh de kerk aan te passen en te overwelven; na de confiscatie van de abdij door P. Libotton als werkplaats ingericht, en na een brand in 1826 wordt het gebouw in 1843 door U. Claes gesloopt. De sacristie (4) werd gebouwd in 1661 in opdracht van abdis Anne-Catherine de Lamboy. De oostelijke (5) en westelijke kloosterpanden (6) (het zogenaamde Sint-Bernardkwartier) werden eveneens door Coenrardt van Nurenbergh gebouwd in opdracht van abdis Mechtildis van Lechy (1519-1548) en gesloopt in 1843 en 1846.

Aansluitend op het oostelijke kloosterpand, het L-vormig verblijf der zusters (7), opgesplitst in individuele cellen met achterbouw en tuintjes; hoewel de kern van dit gebouw ouder kan zijn, dateert het huidige uitzicht van 1610 toen Anna van den Blocquerye de structuur van het gebouw grondig liet wijzigen. Dit gebouw bleef grotendeels bewaard.

Een overdekte galerij (8), gebouwd onder het abbatiaat van Mechtildis van Lechy en in de 19de eeuw afgebroken, verbond het oostelijke kloosterpand met het abdisverblijf.

Het abdisverblijf (9) is afzonderlijk gelegen ten oosten van het verblijf der zusters, de vier vleugels gegroepeerd rondom een rechthoekige binnenplaats. De noordelijke, oostelijke en een gedeelte der zuidelijke vleugel werden eveneens gebouwd door abdis Mechtildis van Lechy; in 1538 wordt haar privé-kapel gewijd, een erkervormige uitbouw op een gotische sokkel in de oostgevel der oostvleugel. De westvleugel, daterend uit eerste helft 18de eeuw, vervolledigt het abdisverblijf, samen met het westdeel der zuidvleugel, gebouwd rond 1740 in opdracht van abdis Barbe de Rivière d'Arschot. In 1884 wordt de westelijke vleugel volledig en de oostelijke vleugel gedeeltelijk afgebroken door T. Claes. De erker van de privé-kapel werd in 1886 gesloopt.

Ten zuiden van het abdisverblijf lag het "Withuys" (10), vermoedelijk gebouwd in 1512 door Coenrardt van Nurenbergh in opdracht van abdis Gertrudis van Lechy, en gesloopt in 1812.

Ten noorden van het abdisverblijf, het washuis (11), in 1847 afgebroken. Tussen laatst genoemd gedeelte en het verblijf der zusters ligt de infirmerie (12), in 1658 gebouwd in opdracht van Anne-Catherine de Lamboy, in barokstijl; deze infirmerie was voorheen bereikbaar langs een brugje over de gracht die dit gebouw omringde.

Ten westen van de eigenlijke abdijgebouwen ligt de abdijhoeve (13), aanvankelijk voorzien van twee hoektorens (14), en waarschijnlijk gebouwd onder het abbatiaat van Anne-Catherine de Lamboy, die in 1656 de nieuwe tiendschaar (15) bouwde; de pachterswoning (16), aansluitend bij het poortgebouw, en het paviljoen (17), centraal gelegen in de westvleugel der hoeve werden rond 1740 opgetrokken in opdracht van abdis Barbe de Rivière d'Arschot.

Ten noordwesten zijn de bedrijfsgebouwen (18) gegroepeerd: molens, bakkerij, brouwerij, huisvesting van het personeel; deze gebouwen dateren grotendeels uit de 16de eeuw, gebouwd in opdracht van abdis Mechtildis van Lechy. Dit gedeelte verdween in de eerste helft van de 19de eeuw; de molen (l9) werd iets meer zuidwaarts herbouwd.

De hoger beschreven gedeelten behoren tot een organisch gegroeid geheel. Abdis Anne de Croy (1744-1771) breekt met deze traditie, en wil een volledig nieuwe abdij, die de bestaande zou vervangen. Zij geeft opdracht aan L.B. Dewez een plan te maken voor deze nieuwe, ideale abdij. Dit plan beschrijft een ruime, noordzuid-georiënteerde kerk, ten oosten geflankeerd door twee rechthoekige kloosterpanden. Van dit plan werd alleen het abdisverblijf gerealiseerd, dat in het oorspronkelijke plan de oostvleugel zou uitmaken van het zuidelijke kloosterpand, en ten zuiden ligt van het oude abdisverblijf.

Poortgebouw Laat-gotisch gebouw van drie traveeën en twee bouwlagen onder twee elkaar kruisende zadeldaken (leien) met torenspits met peervormige bekroning op de kruising, gedateerd 1531 (wapenschild achtergevel), en gerestaureerd in 1907 (architect M. Rypens) en 1973. Bakstenen gebouw met gebruik van kalksteen voor de omlijstingen der muuropeningen, en mergelsteen voor de lijsten en hoekstenen; gesmeed ijzeren, S-vormige muurankers. Bakstenen sokkel met kalkstenen afschuining. Mergelstenen water- en kroonlijsten.

De zuidgevel is voorzien van een getrapte gevelverhoging, sterk geritmeerd door verticale banden van overhoeks geplaatste bakstenen. Op de eerste bouwlaag twee geprofileerde, rechthoekige venstertjes; op de tweede bouwlaag drie kruiskozijnen met negblokken en profilering, laatst genoemde accoladevormig op de latei, en dubbele ontlastingsboogjes van een rollaag met mergelstenen boogveld; onderaan de getrapte gevelverhoging twee gekoppelde, rechthoekige venstertjes met accoladevormige profilering op de latei. Een geprofileerde, centrale rondboogpoort met negblokken aan de posten, geeft toegang tot een voorportaal, overkluisd door een netgewelf met peerkraalprofiel voor de ribben; in dit portaal bevindt zich de inrijpoort met links ervan de voetgangersdoorgang, beide getoogd en in geprofileerde omlijsting; tussen beide een schroefzuiltje, bekroond met een sterk verweerde nis met pinakelbekroning en console met wapenschild van Erard van der Marck.

Noordgevel te vergelijken met de zuidgevel, behalve de twee rechthoekige venstertjes op de benedenverdieping, die hier vervangen zijn door kruiskozijnen, en de vensters in de gevelverhoging, die hier ontbreken.

Getrapte zijgevels, de oostelijke voorzien van drie kruiskozijnen van het hoger beschreven type; een breuk in het metselverband duidt de plaats aan waar de abdijmuur op het poortgebouw aansloot.

Sacristie Vierkant gebouwtje onder tentdak (kunstleien). Baksteenbouw met verwerking van mergelsteen voor hoekbanden en plint; kalkstenen muurband. Bakstenen kroonlijst met rechte muizetandfries. Geprofileerde, bakstenen spitsboogvensters.

Tegen de oostzijgevel, portaal onder zadeldakje (kunstleien) met gebruik van ijzerzandsteen voor de plint; dit portaal vormde de verbinding met het koor der verdwenen abdijkerk.

Verblijf der zusters Oorspronkelijk L-vormig complex, ten oosten aansluitend bij het Sint-Bernardkwartier; beide vleugels zijn thans gescheiden, de oostvleugel ingericht als stal, de noordvleugel als dwarsschuur.

Oostvleugel van vier traveeën en twee bouwlagen onder steil, mank zadeldak (Vlaamse pannen). Rijk stijl- en regelwerk met witgekalkte lemen vullingen op een verhoogde bakstenen stoel; de oorspronkelijke ordonnantie der eerste bouwlaag is vrijwel volledig gewijzigd; recente muuropeningen; de tweede bouwlaag heeft gepikte stijlen (negentien), regels (zes) en symmetrisch geplaatste tussenstijlschoren (veertien); gedichte bolkozijnen. Blinde, bakstenen achtergevel.

Interieur: de negen dichtgemetselde arcaden der kloostergang zijn nog zichtbaar. Het gebint bestaat uit een dekbalkgebint met kopbalkgebint op de tweede bouwlaag, en een schaarspant met balk in het kapgebint. In de eerste zustercel, resten van het rococostucwerk.

Aangebouwd gedeelte onder zadeldak (Vlaamse pannen), tegen de noordzijgevel (19de eeuw). Overkalkt stijl- en regelwerk met lemen vullingen.

Noordvleugel onder steil zadeldak (kunstleien); alleen de oostgevel is oorspronkelijk. Trapgevel in baksteenbouw met verwerking van mergelsteen (speklagen, hoekbanden, vensteromlijstingen) en kalksteen (sokkel en deuromlijsting). Gedichte vensters: een drieledig kalkstenen kruiskozijn vlak boven het centrale poortje; negblokken en druiplijst, waarboven een gebroken fronton met de leus van Anna van den Blocquerye: CARITAS OMNIA SUFFERT; hierboven een getoogde nis. Mergelstenen bolkozijn, rechts drieledig, onder dubbele ontlastingsboogjes van een rollaag en een platte laag, en een overspannende boog van twee rollagen en een platte laag. Hierboven twee rechthoekige venstertjes met negblokken, deels vervangen door recente muuropeningen onder houten latei. In de geveltop, boven de geprofileerde, mergelstenen waterlijst, vier ronde, mergelstenen uilegaten. De overige gevels zijn volledig aangepast.

Verblijf der abdis noordvleugel. Twee bouwlagen en oorspronkelijk acht traveeën, in 1718 in opdracht van abdis Catherine de Mombeek de Habroeck (datering op de schoorsteen: CDMH/1718), met twee traveeën aan de westzijde vergroot. Baksteenbouw met verwerking van mergelsteen (hoekstenen en kroonlijst) en kalksteen (omlijstingen der muuropeningen). S-vormige muurankers. In 1836 tot stal omgebouwd.

De noordgevel werd, op de twee westelijke traveeën na volledig aangepast; alleen een gedicht rechthoekig venstertje in geprofileerde omlijsting met mijtervormige latei bleef bewaard op de bovenverdieping der eerste travee; mergelstenen waterlijst tussen beide bouwlagen. De twee westtraveeën zijn voorzien van zes vensters: gotische benedenvensters (zie poortgebouw) van herbruikt materiaal, hierboven twee bolkozijnen, en op de bovenverdieping twee kruiskozijnen.

De zuidgevel vertoont sporen van een thans verdwenen gang en galerij, die via de eveneens verdwenen westvleugel het hier beschreven gedeelte met de zuidvleugel verbond (zie aldaar). Op de eerste bouwlaag van links naar rechts, een bakstenen rondboognis, thans venstertje, een geprofileerd korfboogpoortje met negblokken, en een rechthoekig venstertje met mijtervormige latei (gedicht). Boven de waterlijst die de beide bouwlagen scheidt, vijf gedichte kruiskozijnen met geprofileerd beloop, negblokken aan het benedengedeelte, en mijtervormige latei, het rechtse venster wijkt in enkele details van dit type af.

Blinde westgevel, voorzien van muurankers met gekrulde uiteinden. Tegen de oostzijgevel, sporen van de verdwenen oostvleugel. Haaks op de noordgevel, stallingen van 1836; langgestrekt bakstenen gebouw onder gebogen zadeldak (Vlaamse pannen); halfronde vensters, rechthoekige deuren en een gedichte rondboogpoort.

Oostvleugel. Van deze vleugel bleef enkel de centrale traptoren (zonder bedaking) bewaard, en de kelder van het zuidgedeelte.

Bakstenen traptoren van drie bouwlagen op kalkstenen plint, met mergelstenen hoekstenen; waterlijst tussen de tweede en derde bouwlaag Twee korfboogdeuren in een rechthoelige, geprofileerde omlijsting van kalksteen; erboven, centrale, laatgotische nis. Rechthoekige vensters met mijtervormige latei, op de bovenverdieping voorzien van accoladevormige profilering.

Interieur: troggewelven met geprofileerde ribben op gebeeldhouwde consoles. In het zuidelijke gedeelte bleef de sokkel bewaard van de laat-gotische erker van de privé-kapel der abdis. De kelder van dit gedeelte vertoont kruisribgewelven op twee zuilen met bladkapiteel.

Zuidvleugel. Deze vleugel bestaat uit twee onderscheiden delen. Ten oosten, een laat-gotisch breedhuis van vier traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (leien) met klokkeruitertje. Bakstenen gebouw met gebruik van mergelsteen voor de hoekstenen, en kalksteen voor de vensteromlijstingen. De zuidgevel telt vier kruiskozijnen, een kloosterkozijn en twee rechthoekige venstertjes van het hoger beschreven type, met mijterboogvormige lateien, al dan niet voorzien van accoladevormige profilering.

De noordgevel vertoont op de bovenverdieping dezelfde vensters (een kruiskozijn en twee rechthoekige vensters). Tegen de eerste bouwlaag werd een bijgebouw geplaatst van één bouwlaag onder lessenaarsdak (kunstleien); rechthoekige muuropeningen in een geprofileerde, kalkstenen omlijsting op neuten. Getrapte zijgevels.

Het westelijke deel is een classicistisch poortgebouw op L-vormige plattegrond. Bakstenen gebouw onder mansardedak (kunstleien). Gebruik van kalksteen voor de hoekbanden, plint en omlijsting der muuropeningen.

De zuidelijke gevel is voorzien van een met hoekbanden afgelijnd risaliet in de derde travee, rechthoekige vensters, op de benedenverdieping met hanekamvormige latei, en een hoge rondboogpoort in een rechthoekig geblokte omlijsting met sluitsteen, neuten, imposten en druiplijst. Al deze muuropeningen zijn thans gedicht.

De noordgevel is sterk aangepast (1836): halfronde en ronde vensters, rondboogvormig laadvenster en dito deur. In de uiterste rechter travee is de dakhelling zichtbaar van de thans verdwenen galerij die noord- en zuidvleugel via de verdwenen westvleugel met elkaar verbond; een eiken zuil, half ingewerkt in de huidige muur, is het enig overblijfsel van de colonnade.

Infirmerie Imposant gebouw, d.m.v. muurankers gedateerd 1658 (fig. 236). Breedhuis van het dubbelhuistype, zeven trav. en twee bouwl. onder hoog schilddak (kunstleien) met dakkapellen en fraaie, gesmeed ijzeren windvanen. Bakstenen gebouw met gebruik van mergelsteen voor kroonlijst, muur- en hoekbanden, en kalksteen voor de omlijstingen der muuropeningen. Lage bakstenen sokkel met kalkstenen afschuining.

Z.-voorgevel voorzien van een driehoekig fronton boven de drie middentrav. Kruiskozijnen met kwartholle neg, negblokken en een geprofileerde druiplijst; gelijkaardig bolkozijn in het fronton. Rondboogpoortje met verzorgde profilering, sluitsteen met diamantkop, en uitspringende booglijst met gestrekte uiteinden; erboven een verweerde gevelsteen met wapenschild van abdis AnneCatherine de Lamboy. Kroonlijst met consooltjes.

De N.-gevel is gelijkaardig van opvatting doch het aantal vensters (type cf. supra) werd sterk gereduceerd; geen ingang.

Rechth., geprofileerde deur, in 1865 voorzien van een bordes met trap en balustrades.

O.-zijgevel met hetzelfde venstertype, en voorzien van een thans gedichte driehoekige nis met rankwerk, bloemen en druiplijst. De W.-zijgevel heeft een gedichte rondboogdeur met negblokken en sluitsteen met korte druiplijst; erboven een fraai gesculpteerde rondboognis met schelpmotief, gebroken fronton en bolbekroning.

Interieur: ruime hal met altaar tussen twee kwartslagtrappen. In elk vertrek een renaissanceschouw (916).

Nieuw abdisverblijf Langgestrekt, classicistisch gebouw met haakse vleugel aan de O.-zijde. Dubbelhuis van vijftien trav. en twee bouwl. Onder zadeldak (kunstleien) met recente dakkapellen (1974). Witgeschilderde baksteenbouw met verwerking van kalksteen voor plint, hoekbanden, kordons en de omlijstingen der muuropeningen. W.-gevel voorzien van rechth. vensters in vlakke omlijsting met sluitsteen, neuten en oren, en geprofileerde, kordon vormende lekdrempels (fig. 237).

Rechth., centraal geplaatste deur in een geprofileerde omlijsting met neuten, oren, sluitsteen en druiplijst.

Gelijkaardige 0. -gevel, hier echter met gecementeerde vensteromlijstingen. Z.-zijgevel wederopgemetst in 1974; een originele deur en venster, voorts recente muuropeningen.

Tegen de N.-zijgevel, recent bijgebouw (1974). Haakse vleugel van zeven trav. en één bouwl. onder schilddak (kunstleien). Vensters van het hoger beschreven type (cf. O.-gevel). Tegen de Z.-gevel, aanbouwsel onder licht gebogen lessenaarsdak; kalkstenen hoekbanden.

Interieur: salon met muurschilderingen, uitgevoerd i.o.v. abdis Augustine van Hamme (1772- 1790).

Ten Z., twee koetshuizen, tegen de abdij muur aangebouwd . Witgeschilderde bakstenen gebouwen onder schilddak (kunstleien). Rondboogvensters, -deur en -poorten met waaiervormige bovenlichten, en halfronde, waaiervormige zoldervensters (917).

Tuinhuisjes Op de N.- en Z.-hoek van de vroegere abdijtuin. Het Z.-tuinhuisje werd in 1860 omgebouwd tot romantische torenruïne.

Het N.-tuinhuisje bleef in zijn oorspronkelijke toestand bewaard: vierkant, bakstenen gebouwtje in classicistische stijl, thans witgeschilderd, onder gebogen schilddak (kunstleien). Mergelstenen hoekbanden. Geprofileerde rondboogvormige muuropeningen met volutevormige sluitsteen en bovenlicht met waaier.

Interieur: rococostucwerk met in het gewelf het wapenschild van abdis Barbe de Rivière d'Arschot (918).

Abdijhoeve U-vormige hoeve in kern daterend van 1656, doch in het midden der XVIII aangepast in classicistische stijl (muuropeningen), met toevoeging van de pachterswoning en het centraal paviljoen. Gebouwen gegroepeerd rondom een rechth. erf, open aan de O.-zijde.

Ten Z., aangebouwd tegen de W.-gevel van het poortgebouw, pachterswoning. Dubbelhuis van drie trav. en twee bouwl. Onder steil zadeldak (leien) met dakkapellen. Baksteenbouw met gebruik van kalksteen voor hoekbanden, plint en omlijsting dermuuropeningen. Verhoogde begane grond. De N.-gevel is voorzien van twee bolkozijnen als keldervensters; kruiskozijnen en getoogde deur met licht uitspringende sluitsteen met korte druiplijst; pui met dubbele steektrap en gesmeed ijzeren hek. Identieke Z.-gevel, doch zonder keldervensters en pui; de deur werd omgevormd tot venster. W.-zijgevel met golvend aandak; getoogde kelderdeur (cf. voordeur) en twee kloosterkozijnen.

Centraal in de W.-vleugel, classicistisch paviljoen van drie trav. en twee bouwl. Onder mansardedak (kunstleien) met dakkapellen (fig. 238). De O.-voorgevel is voorzien van blinde rondboogarcaden in een geblokte kalkstenen omlijsting met imposten; in de boogvelden zijn rondboogdeuren uitgespaard; op de penanten, vlakke pilasters met lijstkapiteel. Getoogde, kalkstenen vensters met licht uitspringende sluitsteen met korte druiplijst; de pilasters der eerste bouwl. werden hier doorgetrokken tot aan de kroonlijst. Driehoekig fronton boven de middentrav. met in het timpaan het wapenschild van abdis Barbe de Rivière d'Arschot. De achtergevel is voorzien van mergelstenen banden, op de tweede bouwl. kalkstenen hoekbanden, en vensters als in de voorgevel.

Z.-hoektoren (de N.-hoektoren stortte in en werd in de loop van XIX B verder afgebroken) van vier bouwl. onder klokvormig dak met barokke lantaarn (leien). Baksteenbouw met verwerking van mergelsteen voor de hoek- en muurbanden, en de kroonlijst. Gesmeed ijzeren ankers. Massief gebouw op een breukstenen sokkel, op de N.-zijde voorzien van twee boven elkaar geplaatste mergelstenen duiventillen.

Stallingen op de drie zijden van het erf. Langgestrekte gebouwen van anderhalve bouwl. onder gebogen zadeldaken (leien en kunstleien) met dakkapellen. Bakstenen gebouwen met verwerking van kalksteen voor de omlijstingen der XVIII-muuropeningen. Rechth. vensters, zoldervensters en bolkozijnen in vlakke omlijstingen. Getoogde deuren met licht uitspringende sluitsteen met druiplijst. Rondboogpoorten van verschillend formaat, met imposten, twee vlakke en een centrale uitspringende sluitsteen met korte druiplijst. Blinde veldgevels, voorzien van mergelstenen banden en kalkstenen asemgaten.

Ten N. van het erf, ruime tiendschuur (langsschuur) van negen trav. onder steil, gebogen zadeldak (Vlaamse pannen), met renaissance-inslag (fig. 239). Bakstenen gebouw met gebruik van mergelsteen voor ornamenten, hoeken muurbanden. Kalkstenen plint. Gesmeed ijzeren muurankers. Mergelstenen kroonlijst met rechte muizetandfries. O.-puntgevel met aandak, schouderstukken met spiraalmotief, en topstuk; de geveltop is onderaan afgelijnd door een geprofileerde waterlijst. Verankerde kalkstenen rondboogpoort met sluitsteen en negblokken; in de geveltop drie getoogde venstertjes van mergelsteen, en een gevelsteen met het wapenschild van abdis Anne-Catherine de Lamboy en opschrift: PIE.ET.PROVIDE / ANNA CATHARINA DE / LAMBOY ABATISSA / 1656 / L'ABONDANCE / DE DIEU. Z.-gevel voorzien van steunberen, rechth. kalkstenen venstertjes met negblokken en een rondboogdeur in rechth. kalkstenen omlijstingen met negblokken en sluitsteen. Blinde N.-gevel met een steunbeer (919, 920, 921).

Paardenstal Langgestrekt gebouw tegen de Z.kloostermuur, ten O. van het poortgebouw, daterend uit XVII B. Negen trav. en één bouwl. onder gebogen zadeldak (mechanische pannen). Bakstenen gebouw op een sokkel met natuurstenen afschuining. S-vormige muurankers. Dakvenster (laadvenster) boven de middentrav., voorzien van een mergelstenen druiplijst met dito gevelsteen (sterk verweerd) erboven. Rechth. kalkstenen venstertjes met negblokken en ontlastingsboog van een rollaag en een platte laag. Gelijkaardige deuren, behalve de middenste (later toegevoegd?), onder houten latei. Geprofileerd en verankerd mergelstenen laadvenster met ontlastingsboog van een platte laag, een rollaag en een platte laag. Zijgevels met aandaken, vlechtingen, top- en schouderstukken.

Aangebouwde varkensstal onder lessenaarsdak tegen de W.-zijgevel (XIX B). Tot woning verbouwd interieur; behouden bakstenen troggewelfjes (922).

Abdijmolen Langgestrekt gebouw, thans acht trav. en één bouwl. onder schilddak (Vlaamse pannen), (fig. 240). Oudste kern bij de Demer (XVI A), in 1838 naar het Z. toe vergroot. Bakstenen gebouw op ijzerzandstenen en kalkstenen plint, en voorzien van kalkstenen hoekbanden. Rechth. vensters met kalkstenen onderdorpels (XIX). In de Z.W.-gevel, halfronde zoldervensters met waaiermotief en een rechth. deur met kalkstenen posten (herbruikt materiaal) onder houten latei. Blinde N.O.-gevel.

In de twee laatste trav. der Z.O.-gevel, ijzerzandstenen boog waaronder de Demer stroomt.

N.W.-gevel met S-vormige muurankers, drie verbouwde kruiskozijnen in kalkstenen omlijsting, en gedichte rondboogdeur in een rechth., kalkstenen omlijsting.

Zijgevel van de waterwielkamer van ijzerzandsteen, met gedichte, laat-gotische korfboogdeur.

Overbouwd buitenwerk. Metalen waterrad: plaatijzeren schoepen op ijzeren velg (T-ijzer); spaken (U-balken) met schroefbouten bevestigd op gelaste bevestigingsplaat aan velg, en op gietijzeren vlakke askop; ijzeren as op kogellagers. Het huidige asgat is lager aangebracht dan het oorspronkelijke, bestemd voor een houten molenboom.

Interieur niet bezocht, doch van buitenaf drie (?) maalstoelen merkbaar op houten maalzolder. Eenvoudige horizontale asoverbrenging, via kamwielen (?) verdeeld op verticale assen naar maalstoelen. Gaande binnenwerk is, aldus molenbouwer Asnong, afkomstig uit de dorpsmolen van Genk.

Bouwnaden in muur op r.oever der Demer lijken te wijzen op de mogelijkheid dat het hier vroeger eveneens een dubbelmolen betrof.

  • BOLLEN M., COOLEN L., CRESENS R., DE DIJN C.G., FRANCOIS E., MARTENS J., VAN HERCK L., Abdij Herkenrode. Voorstudie van de rehabilitatie van de voormalige abdij in haar geheel en het 16e ecuwse abdisverblijf in het bijzonder als klooster voor de Reguliere Kanunnikessen van het H. Graf (Kunst en Oudheden in Limburg, manuscript, publicatie voorzien).
  • BUSSELS M., Herkenrode (Tijdspiegel, 1, 1946/1, p. 11-14).
  • BUSSELS M., Over het ontstaan der abdij van Herkenrode (Het Oude Land van Loon, 1, 1946, p. 20-26).
  • HABETS A., Restaurations importantes d l'Abbaye et au Refuge de Herckenrode (L'ancien pays de Looz, XVII, 1907, p. 22-24).

Bron: Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N1 (A-Ha), Brussel - Gent.

Auteurs: Schlusmans, Frieda