Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Benedictijnenabdij (ID: 22701)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Thans Klein Seminarie; de hoeve van de abdij, gelegen aan Stenaartberg, is thans Heilig Hartschool en College. Het complex beslaat het stadsgedeelte afgezoomd door de Diesterstraat ten zuiden en zuidwesten, de Abdijstraat ten noordwesten, Stenaartberg ten noorden en de Plankstraat ten oosten.

Historiek

De stichting van de abdij door Trudo, zoon van graaf Wicbolde, klimt op tot circa 655; deze stichting bestond waarschijnlijk uit een kerk met enkele houten kloostergebouwen. Het klooster was afhankelijk van de bisschop van Metz. In de 8ste, begin 9de eeuw, mogelijk onder abt Drogo, nam de orde de regel van Benedictus aan. In 883 vielen de Noormannen Haspengouw binnen en verwoestten kerk en klooster, die verscheidene jaren in puin bleven. Met hulp van Otto I, koning van het Duitse rijk, werden kerk en klooster in 938 opnieuw bewoond en werd een aanvang gemaakt met de wederopbouw. De ottoonse kerk werd kort voor 964 gebouwd onder abt Adalbero I. Onder abt Guntram (1035-1055) werd begonnen met de bouw der abdijtoren; de huidige onderbouw dateert nog uit deze periode. In 1056 vergrootte abt Adelardus II de abdijkerk. Na verschillende branden en plunderingen door de graven van Duras en de hertogen van Leuven, die elkaar het voogdijschap der stad betwistten, werden de kloostergebouwen door abt Wiric van Staepel (1155-1180) heropgericht; dezelfde abt liet in de kruising der abdijkerk een grafkapel optrekken boven de graven van Sint-Trudo en Sint-Eucherius; de abdij was, door de aanwezigheid van deze relieken een belangrijke bedevaartplaats geworden. Onder abt Wiric werd de grens getrokken tussen het gebied van de stad dat aan de abdij toebehoorde, en het gebied dat afhankelijk was van het bisdom van Metz. Vanaf 1178 kregen de abten de pauselijke toelating de mijter en de herderlijke ring te dragen.

In de 12de eeuw, onder de abten Rodulfus en Wiric, werden de kloostergebouwen voltooid. Uit deze periode dateerde ook de oprichting van de muntslagerij der abdij, circa 1560 opgeheven.

In de eerste helft van de 14de eeuw stortte de abdijtoren gedeeltelijk in en werd hersteld. In 1520 werd de abdij door abt Willem van Brussel grondig hersteld; uit deze periode dateert de volledige ommuring van de abdij. Mogelijk was de abdij reeds vroeger voorzien van een verdedigingssysteem met wallen en poorten. Abt Willem liet eveneens het abtskwartier bouwen met behouden kelders onder de huidige Keizerszaal. In de ommuring van de abdij bouwde abt Hubrecht van Sutendael in 1655 het barok portaal.

In 1769 werd begonnen met de bouw van het staatsieplein naar ontwerp van L.B. Dewez; het poortgebouw werd gebouwd onder leiding van architect J.B. Renoz in 1779; aanpassing van het abtskwartier in classicistische stijl.

Tijdens de Franse bezetting werd de abdij verkocht, en de kerk, op de toren na, afgebroken. In 1802 kocht Leo de Menten de goederen en schonk ze terug aan de benedictijnen. In 1834 werd de abdij seminarie: uit deze periode dateren de gebouwen rondom het staatsieplein (behalve het hoger vermelde poortgebouw en abtskwartier), de gebouwen rondom de tweede binnenplaats, en de Academiezaal. De seminariekerk dateert van 1845. In 1975 werden de neoclassicistische seminariegebouwen door brand geteisterd; de kerk werd grondig vernield en zal niet heropgebouwd worden; de van 1779 daterende torenspits, die in 1953 gerestaureerd werd, ging eveneens verloren. Onder leiding van het Gallo-Romeins museum van Tongeren zullen weldra de opgravingen van de oude abdijkerk aangevat worden.

Beschrijving

Hoewel op verschillende plaatsen grondig aangepast, blijft het complex een indrukwekkend geheel, dat de scenografie der hogervermelde straten en een gedeelte van het stadsbeeld domineert; de gebouwen, vanaf de straat gezien, bieden een vrij gesloten uitzicht, met enkele monumentale of pittoreske accenten: de abdijtoren, het portaal en de inrijpoort in de Diesterstraat, de zijgevel van de molen in de Abdijstraat, en het poortgebouw der hoeve op Stenaartberg; het geheel is nog steeds volledig ommuurd (Plankstraat); binnen de muren bieden de ruimten, omsloten door de gebouwen, interessante en verrassende perspectieven.

Abdijtoren (1). Het complex wordt beheerst door de imposante abdijtoren; de huidige toren is eigenlijk slechts een gedeelte van het oorspronkelijke, romaanse westblok; de onderbouw dateert uit de eerste helft van de 11de eeuw; de bovenbouw is het resultaat van verschillende restauraties en herstellingen onder meer uit de eerste helft van de 14de eeuw; de traptorens zijn gotisch; de bovenste geleding met de galmgaten is classicistisch en dateert mogelijk uit dezelfde periode als de spits (1779), die thans door brand vernield is; mogelijke gewelven of zolderingen binnen in de toren zijn bij de brand in 1975 eveneens verdwenen.

Vierkante toren van vijf geledingen, geschraagd door haaks op elkaar geplaatste hoeksteunberen met vier versnijdingen; constructie van kwartsietblokken met zandstenen speklagen; sokkel met zandstenen afzaat; de steunberen zijn afgewerkt met zandstenen hoekbanden; zandstenen waterlijsten markeren de geledingen; op sommige plaatsen zijn bakstenen restauraties zichtbaar; gesmeed ijzeren muurankers. De bovenste geleding is van baksteen, met kalkstenen hoekbanden, steigergaten en kroonlijst op modillons; op elke zijde een rondboogvormig kalkstenen galmgat met vlakke sluitsteen, imposten en neuten.

De westgevel is voorzien van rechthoekige venstertjes in een zandstenen omlijsting, het bovenste onder mijtervormige latei. De oostzijde is van bak- en zandsteen, met enkele ijzerzandstenen blokken; bovenaan tekenen zich de sporen af van de verschillende dakhellingen der verdwenen kerkgebouwen. Het benedengedeelte behield de resten van een voornamelijk gotische constructie, met geprofileerde rond- en spitsbogen; twee haakse steunberen met gotische pinakels. Twee galmgaten op deze zijde.

De beide zijgevels zijn als de voorgevel, doch blind; aan weerszij een vijfzijdige traptoren van zes geledingen; baksteenbouw met zandstenen banden, hoekbanden en waterlijsten, die de geledingen markeren; geometrische motieven van gesinterde baksteen; spleetvormige, zandstenen muuropeningen.

Portaal (2). Naast de toren, ten zuiden, barok portaal, bestaande uit twee identieke, haakse op elkaar geplaatste gevels van zandsteen; steunberen van twee versnijdingen haaks op de hoeken van elke gevel; zandstenen sokkel met afzaat. Sterke horizontale geleding der gevels door middel van de architraaf en het entablement met zware geprofileerde druiplijsten; op het entablement een paneel, afgewerkt met klauwstukken (?) en voorzien van een medaillonvormende krans. Rechthoekige poort met afgeschuinde hoeken in een geblokte omlijsting met Ionische pilasters op de posten, die een entablement met zware druiplijst dragen; rijk versierde, kalkstenen sluitsteen met twee cornucopiae en het wapenschild van abt Hubrecht van Sutendael, bouwer van het portaal, met devies OMNIA SUAVITER; de sluitsteen der westgevel vertoont enkele lichte verschillen (onder meer de mijter, hier vervangen door een hoofdje). Boven de poort een rechthoekig venster in een geprofileerde omlijsting met voluten en rankwerk; op de latei een paneel met opschrift ANNO.1655.; bekroning door middel van een gebogen fronton Afwerking door middel van rankwerk boven het fronton, met op de architraaf een gevelsteen met moeilijk leesbaar opschrift. In de hoek tussen het portaal en de toren, zandstenen rondboognis met schelpmotief in een rijk gesculpteerde omlijsting. De binnenzijde van het portaal vertoont resten van een gotisch kruisribgewelf.

Seminariekerk (3). Aansluitend bij de abdijtoren, op de plaats van de in de Franse tijd afgebroken romaanse kerk, de voormalige seminariekerk van 1845, opgetrokken in neoclassicistische stijl, thans volledig door de brand van 1975 verwoest.

Pseudo-basiliek waarvan het grondplan een driebeukig schip van vijf traveeën beschrijft, met een koor van één rechte travee met vlakke sluiting. Bakstenen gebouw met kalkstenen rondboogvensters en dito halfronde bovenlichten.

Dak en overwelving zijn bij de brand verdwenen. Het interieur was volledig bepleisterd. De traveeën der zijbeuken zijn door haakse muurtjes, voorzien van brede rondboogvensters, gemarkeerd; pilasters, zuilen en pijlers op kalkstenen sokkels. Tegen de oostgevel van het koor, groot paneel dat in stucwerk de Hemelvaart van Maria voorstelt (Geefs).

Voormalig seminarie. Gebouwen gegroepeerd rondom twee binnenplaatsen, met ingang in de Diesterstraat, en enkele losstaande delen op de koer van het seminarie, aan de Plankstraat.

Gebouwen gelegen rondom het staatsieplein, met gekasseide oprit en siertuin. Ten westen, poortgebouw (4) van 1779; U-vormige constructie van twee bouwlagen en negen traveeën in de centrale vleugel en telkens twee travee in de haakse vleugels ten noorden en ten zuiden; mansardedak (leien) met dakkapellen; torenachtige verhoging boven de inrijpoort. Bakstenen gebouw met verwerking van kalksteen onder meer voor de plint, hoekband en omlijstingen der muuropeningen. De straatgevel is voorzien van een hoge plint; hoekband aan de linkerzijde. Geprofileerde kroonlijst. Kleine spleetvormige muuropeningen aan de linkerzijde; vier getoogde vensters met korte druiplijst aan de sluitsteen; gelijkaardige deur aan de voetgangersdoorgang, links van de poort; rechts, een rechthoekig venster in een geblokte omlijsting. Monumentaal opgevatte poorttravee, met rondboogvormige inrijpoort in een geprofileerde omlijsting met imposten, gesculpteerde sluitsteen en guirlande boven de booglijst; aan weerszij dubbele Toscaanse pilasters, de buitenste afgelijnd met een geblokte, verticale band; op de architraaf, boven de pilasters, een lambrekijn, met ertussen een fries van gestileerde bladmotieven en trigliefen. Tussen de architraaf en de sluitsteen der poort bevindt zich een gevelsteen met opschrift: TEMPUM DEO TRUDO SANCTUS PUER VOVERAT TYPUM JECERAT/ SACERDOS ILLUD CONDIDIT CUM COENOBIO ANNO DCLVII/ TEMPLI PROLUDIUM EVERTENS MULIER PETULANS CACITATE PLECTITUR/ UNIVERSAM HANC OPERIS E FUNDO NOVI COMPAGEM SUB JUBILAEUM/ SECULARE UNDECIMUM AUSPICATUS JOSEPHUS ABBAS PERDUXIT/ AD FASTIGIUM ANNO MDCCLXXIII. Boven de architraaf een gebogen fronton, waarin een reliëf dat de genezing van een blinde vrouw door Sint-Trudo voorstelt, een werk van Viroux.

De oostgevel is voorzien van rondboogvormige dakkapellen, en een oculus in een houten omlijsting met voluten in een torenachtige verhoging boven de poort. De lage benedenverdieping heeft een kalkstenen parement, geritmeerd door licht uitspringende pilasters, waartussen de rondboogvormige vensters; drie gelijkaardige deuren, waaronder de voetgangersdoorgang; de vensters zijn zoals de deuren voorzien van een tot de grond doorlopende, geprofileerde omlijsting met neuten. De bovenverdieping is van baksteen, met kalkstenen pilasters op de penanten, die een zware, gekorniste kroonlijst dragen; hoge, rechthoekige vensters met oren, neuten en sluitsteen. In de middentravee, eenvoudige rondboogpoort met geprofileerd beloop, vlakke imposten en sluitsteen; erboven een ovale oculus in een geriemde omlijsting met gesculpteerde sluitsteen en een guirlande die de boogrug volgt. De twee haakse gedeelten zijn opgetrokken in dezelfde stijl; zij bevatten twee zij-ingangen, die aan de noord- en zuidzijde toegang tot het staatsieplein verlenen; poorten van het hoger beschreven type met eenvoudige, ovale oculus erboven. De noordelijke ingang is voorzien van een overwelving van twee kappen op rondboogvormige gordelbogen; de gekasseide oprit loopt eronder door en geeft via een smalle doorgang tussen de gebouwen toegang tot het noordelijk gedeelte waar zich de hoevegebouwen bevinden. De zuidelijke ingang is identiek, doch afgesloten met een poort.

Het voormalige abtskwartier (5) bevindt zich in de noordvleugel van het plein. Langgestrekt gebouw van zeventien traveeën en twee bouwlagen onder schilddak (leien) met dakkapellen als hoger beschreven. De kern van dit gedeelte klimt op tot de eerste helft van de 16de eeuw, doch hiervan resten alleen de kelders; het huidig uitzicht schijnt te wijzen op twee bouwfasen; de negen linkse traveeën op de benedenverdieping dateren mogelijk uit de periode van de bouw van het poortgebouw; het overige gedeelte, evenals de deur vertoont sterke gelijkenis met de overige vleugels en kan daarom gedateerd worden tussen 1843 en 1845. Bakstenen gebouw met afwerking van kalksteen; verhoogde begane grond en plint. De eerste negen traveeën der benedenverdieping zijn afgewerkt met kalkstenen pilasters, als het poortgebouw; de laatste pilaster is bekroond met een siervaas. De tweede bouwlaag is aan de linkerzijde afgelijnd met een hoekband en bekroond met een natuurstenen mezzanino en zware kroonlijst. Rechthoekige vensters van het hoger beschreven type. De deur dateert uit de eerste helft van de 19de eeuw; rondboogdeur in een geprofileerde, hardstenen omlijsting met neuten, imposten en zware, gesculpteerde sluitsteen; een guirlande volgt het beloop der boogrug; kalkstenen steektrap.

Interieur: zogenaamde "Keizerszaal" met muurschilderingen door Caldelli, voorstellende "Jozef ontvangt zijn broeders in Egypte".

De overige twee vleugels zijn identiek van opvatting, op het pilastermotief na; ze zijn echter zwaar beschadigd door de brand. Beide dateren van 1843. De oostvleugel telt zeven traveeën, en is in de middentravee voorzien van een monumentale rondboogpoort in een rechthoekige kalkstenen omlijsting met pilasters op de posten, en bekroond met een driehoekig fronton. De zuidvleugel telt zeventien traveeën en heeft dezelfde deur als de noordvleugel.

De gevels aan de buitenzijde zijn gelijkaardig qua opvatting. De verlenging van het poortgebouw in noordelijke richting, bereikbaar via de noordelijke toegang van het staatsieplein, schijnt te dateren uit een vroegere periode (eerste helft 18de eeuw ?); de gevel is voorzien van drie kalkstenen bolkozijnen en drie rechthoekige kalkstenen venstertjes; getoogde kalkstenen deur uit de tweede helft van de 18de eeuw.

Ten oosten van het staatsieplein bevindt zich een tweede binnenplaats (6), waarvan de gebouwen, daterend van 1843, eveneens zwaar door de brand zijn geteisterd. Het uitzicht der gevels aan de buitenzijde komt grosso modo overeen met dat der buitenzijdegevels van de hoger vermelde gebouwen; de oostvleugel heeft een hardstenen rondboogpoort met geprofileerde booglijst en gesculpteerde sluitsteen, in een rechthoekige omlijsting met pilasters op de posten, bekroond door een entablement. De gevels aan de zijde van de binnenplaats tellen elk zeven traveeën; kalkstenen, rondboogvormige benedenvensters, en dito deuren; rechthoekige, kalkstenen bovenvensters.

Ten oosten en ten zuiden van laatstgenoemd gedeelte, de koer van het seminarie , aan de oostzijde, aan de Plankstraat, door een muur afgesloten; hier bevindt zich, haaks op de oostvleugel der tweede binnenplaats, een neoclassicistisch gebouw (7) van zeven traveeën en twee bouwlagen onder schilddak, afgewerkt zoals de overige gebouwen, doch waarschijnlijk uit een latere periode.

Ten noorden van de tweede binnenplaats, en ermee verbonden door een verlenging van de oostvleugel, de infirmerie (8), daterend uit de tweede helft van de 18de eeuw. Het noordelijk gedeelte is een vierkant gebouw van vijf traveeën en twee bouwlagen met kelderverdieping, waarvan het dak door de brand is verdwenen. Bakstenen gebouw op een kalkstenen plint; kalkstenen hoekbanden en kordonlijst. Risaliet in de middentravee (benedenverdieping), afgelijnd met geblokte hoekbanden, met op de bovenverdieping een rondboognis in een rechthoekige, natuurstenen omlijsting; in de nis een omkranst kruisbeeld, eronder het wapenschild van een abt met devies: EX FRUCTU NOSCITUR ARBOR. Rondboogvormige, kalkstenen keldervensters, rechthoekige bovenvensters. De overige gevels zijn soberder van opvatting; kalkstenen hoekstenen en rechthoekige, kalkstenen vensters.

Hetzelfde geldt voor het inspringende gebouw rechts, dat voorzien is van een kordonlijst en geblokte hoekbanden langs de middentraveeën.

Tegen de noordgevel der infirmerie bevindt zich een kalkstenen zuil met fraai, gesculpteerd bovengedeelte in classicistische stijl.

Op de koer van het seminarie, aan de Plankstraat, de zogenaamde "Academiezaal" (9), gebouwd tussen 1843 en 1845; onregelmatig grondplan; bakstenen gebouw van twee en een halve bouwlaag op een hardstenen plint; hardstenen hoekbanden en dito omlijstingen. De drie middentraveeën der noordzijde zijn met een driehoekig fronton bekroond; rechthoekige vensters en deuren; oculi op de bovenverdieping.

Interieur: rotonde; fraai, achtzijdig zaaltje, waarvan het mobilair en de rijke stucwerkversiering dateren uit de periode der bouw.

Hoeve en molen van de abdij. Langgestrekte gebouwenreeks, ten noorden en ten westen van de seminariegebouwen, aan Stenaartberg en de Abdijstraat; tussen de hoevegebouwen en de seminariegebouwen wordt aldus een erf gevormd met onregelmatige vorm. Het noordelijk gedeelte, waarin thans klaslokalen zijn ondergebracht, werd sterk aangepast; het westelijk gedeelte bleef vrij gaaf bewaard.

De reeks wordt geopend door het poortgebouw (10), ten noorden. Bakstenen constructie onder mansardedak (leien), met uitzicht uit de tweede helft van de 18de eeuw, doch mogelijk oudere kern (poortje). Overhoekse muizentandfries onder de kroonlijst. In de noordgevel werd de eigenlijke inrijpoort wat vooruit geplaatst ten opzichte van het poortgebouw, hier voorzien van twee recente vensters; hoge, kalkstenen rondboogpoort in een rechthoekige, geblokte omlijsting. Binnenin werd het bodemniveau verlaagd; overwelving door middel van bakstenen kappen met rondboogvormige gordelbogen op geprofileerde kraagstenen; de oorspronkelijke muuropeningen zijn op één na alle gedicht: rechthoekige deuren en vensters in een vlakke kalkstenen omlijsting; een verankerd rondboogpoortje in een rechthoekige omlijsting met vlakke imposten en neuten. De zuidgevel heeft een kalkstenen hoekband, links, twee gedichte, rechthoekige vensters van kalksteen en twee recente vensters; van de rondboogvormige inrijpoort (zie noordgevel) is alleen het bovenste gedeelte zichtbaar. Van het gebouw ten oosten van de inrijpoort bleven alleen sporen van de oude kern bewaard.

Ten westen van de inrijpoort, voormalige stal (?), met kern uit de tweede helft van de 18de eeuw, in 19de en 20ste eeuw grondig aangepast; beschilderd bakstenen gebouw van acht traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (kunstleien) met recente dakverdieping; gepikte kalkstenen plint; kalkstenen hoekband aan de rechterzijde. Aangepaste, bakstenen vensters. Rechthoekige deur in een vlakke kalkstenen omlijsting. Noordgevel uit de tweede helft van de 19de eeuw, met getoogde, bakstenen vensters.

Tegenover de zuidgevel van dit gebouw, in de maar die de seminariegebouwen omsluit, korfboogpoortje, thans omgevormd tot nis, in een geprofileerde kalkstenen omlijsting met negblokken. Ten westen van het hogervermelde gebouw, voormalige tiendschuur (11), uitspringend ten opzichte van de andere gebouwen; langsschuur uit de 18de eeuw, onder steil zadeldak, thans volledig aangepast en met één bouwlaag verhoogd. Beschilderd bakstenen gebouw op een kalkstenen plint; enkele gesmeed ijzeren muurankers. In de oostgevel, hoge kalkstenen rondboogpoort, thans gedicht, met vlakke neuten en imposten; hanenkamvormige boog. In de westgevel, eveneens gedichte rondboogpoort in een (waarschijnlijk) rechthoekige omlijsting met uitgespaarde zwikken en imposten. De noordgevel is volledig recent. Ten westen van de schuur, gebouw van zes traveeën en twee bouwlagen, zie het hogervermelde gebouw. Sterk aangepaste noordgevel.

Zich uitstrekkend in westelijke richting, aansluitend bij het hierboven vermelde gedeelte, voormalige neogotische (?) kapel, thans eveneens omgevormd tot klaslokalen; bakstenen gebouw van zes traveeën onder zadeldak (leien); onder de daklijst bleven de geprofileerde en onderling verbonden bakstenen booglijsten der voormalige spitsboogvensters bewaard; recente muuropeningen. Hierop aansluitend, twee traveeën, die iets meer in zuidelijke richting afbuigen, van dezelfde hoogte als de kapel.

Ten westen hiervan, dienstgebouwen (12) (stallingen en schuren), uit de tweede helft van de 18de eeuw, die in hun oorspronkelijke toestand bewaard bleven; bakstenen gebouwen onder zadeldaken (leien) met dakkapellen; lage kalkstenen plint.

Het eerste gedeelte telt twaalf traveeën en anderhalve bouwlaag; overhoekse muizentandfries en smalle spleten onder de kroonlijst; rechthoekige muuropeningen in een kalkstenen omlijsting met vlakke sluitsteen. Kalkstenen rondboogpoort met sluitstenen, imposten en neuten, in de eerste travee links, thans verkleind tot een rechthoekige deur onder houten latei. Zijgevel met aandak en vlechtingen. De volgende tien traveeën zijn iets lager, en voorzien van een holronde, natuurstenen kroonlijst; muuropeningen zoals in de vorige vleugel; de rechterdeur draagt op de sluitsteen het jaartal 1767.

De noordwestelijke muur van dit gedeelte is blind, op de recente vensters na.

Molen (13). Het laatste gedeelte der dienstgebouwen (ten zuiden) is vrijwel haaks op de vorige vleugel geplaatst, met de voorgevel naar het zuiden toe; deze gevel, opgevat als de hoger beschreven gedeelten, is als een scherm opgetrokken voor een ouder gebouw, zijnde de voormalige watermolen van de abdij, gelegen op de Cicindria; L-vormig gebouw, waarvan de hoofdvleugel (nok evenwijdig aan Abdijstraat) uit de 17de eeuw dateert, terwijl het haakse gedeelte (nok loodrecht op Abdijstraat) mogelijk een nog oudere kern heeft. De hoofdvleugel telt vijf traveeën en twee bouwlagen onder steil zadeldak (leien) met dakkapel; verankerd bakstenen gebouw; geprofileerde natuurstenen kroonlijst en steigergaten; aangepaste, rechthoekige vensters. Noordelijke zijgevel met aandak en vlechtingen; twee houten kozijnen in de geveltop.

Het haakse gedeelte is aan de noord- en zuidzijde vrijwel volledig ingebouwd; de geprofileerde mergelstenen kroonlijst is nog aan beide gevels zichtbaar. Getrapte westgevel, waarvan de verschillende bouwnaden verwijzen naar de respectievelijke aanpassingen; bakstenen plint met zandstenen afzaat; mergelstenen banden; vensters uit verschillende perioden: links, een gedicht rechthoekig venster in een kalkstenen omlijsting met negblokken; ontlastingsboog van een rollaag en een platte laag; rechts hiervan, een getoogd venster in een rechthoekige kalkstenen omlijsting met vlakke sluitsteen en diefijzers (tweede helft 18de eeuw); ernaast een getralied, kalkstenen kruiskozijn met negblokken; in de geveltop een rechthoekig venster onder houten latei met accoladevormige ontlastingsboog van een rollaag, afgewerkt met mergelstenen sluitstenen. De muur met de twee poorten dateert van 1940.

  • BOES G., De archeologische opgravingen in de voormalige abdij (thans seminarie) te Sint-Truiden, in Verzamelde Opstellen, 16, 1941, p. 33-54.
  • BOES G., De abdij van Sint-Truiden tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan, in Ons Geestelijk Erf, 21, 1947, p. 66-73.
  • CLAES F., De voormalige abdij van Sint-Truiden en haar invloed tot het einde van de dertiende eeuw , in Limburg, 38, 1959, p. 221-227, 245-259, 273-281.
  • COENEN J., L'abbatiale de Saint-Trond , in Verzamelde Opstellen, 2, 1926, p. 31-32.
  • DE DIJN C.G., Monumentenroutes 1975 , in Kunst en Oudheden in Limburg, Hasselt, 1975, p. 87-88.
  • GENICOT L., L'oeuvre architecturale d'Adélard II de Saint-Trond et ses antécédents , in Revue Belge d'Archéologie et d'Histoire de l'Art, 39, 1970, p. 3-91.
  • KESTERS H., De abdij van Sint-Truiden, in Limburgs Haspengouw, Federatie der Limburgse Geschied- en Oudheidkundige Kringen, 1951, p. 93-111.
  • KESTERS H., De abdij van Sint-Truiden, in Limburg, 30, 1951, p. 61-74, 81-91.
  • KESTERS H., De abdij van Sint-Truiden in de cultuurgeschiedenis der Nederlanden , in Het Oude land van Loon, 8, 1953, p. 213-216.
  • KUBACH H.E. - VERBEEK A., Romanische Baukunst an Rhein und Maas, Berlin, 1976, p. 1028-1034.
  • ROGGEN D., De grafkapel van HH. Eucherius en Trudo in de oude Abdijkerk te Sint-Truiden, in Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, V, nr. 1, Klasse der Schone Kunsten, Antwerpen, 1943.
  • SIMENON G., L'église abbatiale de Saint-Trond, in Leodium, 4, 1906, p. 77-82.
  • SIMENON G., Le plan de l'ancienne abbaye de Saint-Trond , in Leodium, 19, 1926, p. 43-44.
  • THIJS A., Doorheen het aloude Sint- Truiden, 11, Sint-Truiden, 1959.
  • WEISE G., Die ehemalige Abteikirche von St.-Trond , in Zeitschrift fur Geschichte der Architektur, IV, Heidelberg, 1910-1911, p. 124-137.

Bron: Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.

Auteurs: Schlusmans, Frieda

Aanvullende informatie

De poort werd door Dewez ontworpen, drie ontwerptekeningen van zijn hand staven deze bevindingen.

  • Zorgmonumenten en Monumentenzorg in Sint-Truiden, Open Monumentendag 2009, p. 41.

Boekstal, Petra (15-02-2010 )

Relaties