Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kruisherenklooster van Colen (ID: 31968)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Het klooster van Kolen wordt gesticht door Maria van Colen, dochter van Abraham van Colen en Oda Roefs. Als weduwe van Jan van Mettekoven, heer van Gors-op-Leeuw, had ze zich teruggetrokken in het begijnhof van Sint-Truiden. Ze sticht in 1431 een eerste klooster van het Heilig Kruis in een huis in Borgloon. Reeds in 1430 schenkt ze een stuk grond te Kerniel aan de Kruisheren, waar zij in 1438 hun klooster stichten. Reeds het daaropvolgende jaar wordt de kerk gewijd, waarvan enkel het koor van steen was. Het klooster krijgt de naam Mariae Laudes of Mariënlof. In 1468 en 1483 worden de gebouwen geplunderd en beschadigd door rondtrekkende respectievelijk Bourgondische en Brabantse troepen. Ook in de burgeroorlog tussen de familie de La Marck en prins-bisschop Jean de Horne (1456-1505) wordt het klooster verschillende keren geplunderd. Naar aanleiding van dezelfde oorlogsomstandigheden wordt het beheer van de parochie Kerniel in 1486 opgenomen in het klooster.

In 1505 begint prior Henri Geystert met de bouw van een nieuwe kerk, ingewijd onder prior Franciscus Vaes in 1535; in 1516, eveneens onder Henri Geystert, wordt besloten de kloostergebouwen van vakwerk door stenen gebouwen te vervangen; de noordwestelijke vleugel van het klooster wordt voltooid in 1520 en in 1560 de noordoostelijke vleugel, waar thans nog de ingang is. Onder prior Vaes wordt er een rijke bibliotheek uitgebouwd, waarvan een inventaris van circa 200 nummers bewaard bleef. In 1636 wordt het klooster geplunderd door de troepen van Jan van Weert.

Het poortgebouw wordt opgetrokken in 1696. In 1721, bouw van de zuidwestelijke vleugel, die de kerk met de noordoostelijke vleugel verbindt; hieraan herinnert een ruitvormige gevelsteen, op naam van prior W.F. Le Fort. Dezelfde naam prijkt ook op de sluitsteen van de grafkelder (1721), vóór de trappen van het kerkkoor, waar de priors begraven werden. Restauratie en wijziging van de ordonnantie van noordwestelijke- en noordoostelijke vleugel in de 18de eeuw.

De kerk wordt in 1750 door een blikseminslag verwoest; er wordt een nieuwe kerk gebouwd met gedeeltelijk behoud van de oudere muren. In deze restauratiecampagne worden ook de rijke lambrisering, het sacristie-interieur en de schilderingen van M. Aubée gerealiseerd.

Het klooster wordt opgeheven in 1796, waarna de kruisheren het verlaten. Bij de verkoop als zwart goed, wordt het klooster voorgesteld als een recent gebouwencomplex met een kerk, stallen, een brouwerij, een bakkerij, een smidse onder leien dak en twee schuren onder strooien dak. Voorts waren er twee weides, een afgesloten boomgaard en een groentetuin. Dit is de toestand zoals weergegeven op de Ferrariskaart (1771-77). Buiten het eigenlijke kloosterdomein dat twee bunders omvatte, waren er nog bezittingen met een oppervlakte van 76 bunders. In 1797 wordt het klooster verkocht aan Henri van Langenacker, één van de kruisheren, samen met de andere religieuzen. In 1822 verkopen de kruisheren het klooster; het wordt ingericht als meisjeskostschool en bestuurd door voormalige cisterciënzerinnen uit Woutersbrakel. Zij vormen na 1831 het klooster om tot een bernardinessengemeenschap, later verheven tot abdij.

Circa 1840 wordt het rectoraat in de noordwestelijke vleugel van het neerhof gebouwd, tussen poortgebouw en kerk wordt een gebouw opgetrokken, waardoor het koor van de kerk wordt ingebouwd, de pachterswoning wordt met een verdieping verhoogd, en een galerij van 1586 wordt gedicht. Het pensionaat wordt in 1855 gesloten. In 1894 wordt er een lange ringwal rond de weide in de Colenstraat gebouwd. In 1915 wordt een thans verdwenen schoolgebouw opgetrokken. In 1944 valt een V-bom in de onmiddellijke omgeving, die zware schade aan de gebouwen toebrengt. De gebouwen worden gerestaureerd. De noordoostelijke vleugel van het neerhof verdwijnt en wordt vervangen door de huidige, lage dienstgebouwen.

De gebouwen in hun huidige vorm beschrijven een vierkant kloosterpand met de kerk in de zuidwestelijke vleugel; dit kloosterpand ligt in de zuidhoek van het rechthoekige erf van het neerhof, dat aan de noordwestelijke-, noordoostelijke- en zuidwestelijke zijde door hoevegebouwen is omringd. Het erf van het neerhof is gekasseid, met voormalige mestvaalt aan de noordoostzijde. Deze toestand verschilt slechts in details van die welke weergegeven is op de Ferrariskaart (1771-77) en in de Atlas van de Buurtwegen (1844). Op de Ferrariskaart is het klooster omgeven door een grote, omhaagde boomgaard; de ommuurde moestuin ligt nog steeds op dezelfde plaats, achter de zuidwestelijke vleugel.

De site werd gekozen omwille van de aanwezigheid van de bron van de Herkebeek, die in noordelijke richting stroomt en daarbij een diepe depressie uitsnijdt in de steilrand van Borgloon; het klooster ligt op de westelijke valleirand.

Het kloosterpand is een vierkante ruimte met verschillende aangebouwde vleugels en met de kloosterkerk aan de zuidoostzijde. Witgeschilderde bakstenen gebouwen onder zadeldaken (leien). De noordoostelijke- en noordwestelijke vleugel dateren in kern respectievelijk van 1560 en 1520, toen de oorspronkelijke, 15de-eeuwse vakwerkgebouwen vervangen werden door stenen gebouwen. Door de restauraties in de 18de eeuw bleven van deze oorspronkelijke gebouwen behalve een aantal smeedijzeren ankers en mogelijk de volumes en de getrapte zijgevel van de noordwestelijke vleugel, geen resten behouden. De laatclassicistische ordonnantie dateert uit eind 18de - begin 19de eeuw.

De noordoostelijke vleugel telt acht traveeën en twee bouwlagen op sterk verhoogde begane grond. Smeedijzeren muurankers, S-vormig en met krullen. Drie gevelstenen met kruis (teken van de kruisheren), de middelste met datering 1560. Rechthoekige vensters in een omlijsting van hergebruikt, kalkstenen materiaal. Rechthoekige deur in een kalkstenen omlijsting van hergebruikt materiaal, met kalkstenen tussendorpel; oorspronkelijk houtwerk; bovenlicht met fraaie, houten roedeverdeling; recente trap met smeedijzeren leuning. De noordwestelijke vleugel heeft ankers. Gevelsteen met kruis en datering 1516. De vensters van de twee linkse traveeën en de eerste bouwlaag zijn dezelfde als die van de noordoostelijke vleugel; de bakstenen korfboogvensters met afgeschuinde neg van de bovenverdieping zijn moeilijk te dateren. Trapgevel als zijgevel aan de noordwestelijke zijde.

De zuidwestelijke vleugel dateert van 1721; gebouw in late Maasstijl. Gevelsteen met opschrift F/ FRANCISCUS/ LE FORT/HUIUS DOMUS/ PRIOR HOC/ EDIFICIUM POSUIT/ ET 1721; smeedijzeren jaarankers A 1721. Vier traveeën en twee bouwlagen onder wolfsdak. De oorspronkelijke muuropeningen zijn de kruiskozijnen in vlakke kalkstenen omlijsting van de bovenverdieping. Laatclassicistische benedenvensters uit eind 18de - begin 19de eeuw.

De gevels aan de binnenplaats van het kloosterpand zijn op de benedenverdieping voorzien van bakstenen rondboogvensters met metalen roedeverdeling. Gevelsteen met datering 1784, verwijzend naar een niet te bepalen verbouwing. De meeste muuropeningen schijnen te dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw, behalve de bovenvensters van de zuidwestelijke vleugel: rechthoekig, onder een geprofileerde, bakstenen ontlastingsboog.

Kloosterkerk. De oorspronkelijke kerk dateert van 1505. Deze kerk wordt in 1750 door brand verwoest en heropgebouwd, met behoud van een gedeelte van de bestaande muren. In haar huidige vorm is het een zaalkerk van zes traveeën, met vijfzijdig koor. Klokkenruiter boven de westelijke travee. Bakstenen gebouw onder zadeldak (leien), de zuidoostelijke gevel voorzien van hoge spitsboogvensters in een mergelstenen omlijsting met afgeschuinde neg, en steunberen in elke travee. De noordwestelijke gevel is opgenomen in het kloosterpand.

Bepleisterd interieur. Overdekking door middel van kruisribgewelven op brede ribben tussen brede, rondboogvormige gordelbogen, gedragen door vlakke pilasters met lijstkapiteel. Alle deze elementen zijn versierd met beschilderd rococostukwerk. De restauratie van het gebouw is aan de gang naar ontwerp van H. Van Meer, het mobilair is tijdelijk uit de kerk verwijderd.

Mobilair. Beeld van Christus op de Koude Steen, eik, Leuven, Meester van Christus op de Koude Steen (1500-1510). Houten hoofdaltaar en zijaltaren (18de eeuw); dienstaltaar (18de eeuw; aangekocht in 1971); merkwaardig koorgestoelte van 1764, versierd met schilderijen van M.Aubée, met voorstelling van de legende van Sint-Odilia; biechtstoel in Lodewijk XV-stijl; lambrisering in het koor (1760). Doksaal, steen, laatgotisch (1530-1535). Orgel van J.J. Delhaye, Antwerpen (eerste helft 19de eeuw). Romaanse stoel, zogenaamd van Sint-Lutgardis, afkomstig van de abdij Nonnenmielen bij Sint-Truiden. In de sacristie, merkwaardig reliekschrijn van Sint-Odilia, van 1292. Schildering op doek van acht taferelen uit het leven van Christus door M. Aubé (1777). Sacristiekasten (1777). Grafsteen van: jonker Jan van Gutschoven (✝ 1460) en zijn vrouw (✝ 1442); kruisheer F.W. Lefort (✝ 1742).

Het neerhof heeft het poortgebouw in de zuidoostelijke vleugel. Deze hele vleugel dateert van 1690, behalve het gedeelte tussen poortgebouw en koor van de kerk, dat circa 1840 werd toegevoegd. Witgeschilderd bakstenen gebouw onder zadeldaken. Het poortgebouw is hoger dan de flankerende gebouwen, de zijgevels afgewerkt met brandgevels. Overhoekse muizentandfries en dropmotief onder de dakrand. Aan de zuidoostelijke zijde, rondboogpoort in een rechthoekige kalkstenen omlijsting met schijnvoegen, afgelijnd met een druiplijst; in de sluitsteen het kruis van de kruisheren en de datering 1690. Erboven een getoogde nis met Onze-Lieve-Vrouwebeeldje, en twee smalle muuropeningen in kalkstenen omlijsting. Aan de noordwestelijke zijde, rondboogpoort in een omlijsting van kalksteenblokken; sluitsteen met kruis; erboven de behouden, houten duiventil. De aansluitende vleugel is een stal met hooizolders erboven. In het midden van het gebouw een brandgevel. Zolderluiken in een kalkstenen omlijsting met negblokken; kleine, rechthoekige benedenvensters in een gelijkaardige omlijsting met een bakstenen ontlastingsboog van een platte laag en een rollaag. Rondboogdeuren in een rechthoekige kalkstenen omlijsting met negblokken.

De noordwestelijke vleugel omvat van links naar rechts een dienstgebouw, het voormalige rectoraat, de pachterswoning, een poortgebouw, stallen en een dwarsschuur. Het poortgebouw dateert van 1788; het is aan de zijde van het neerhof voorzien van een rondboogpoort in een omlijsting van kalksteenblokken met negblokken in regelmatig verband; erboven een gevelsteen met het kruis van de kruisheren en de datering 1788; erboven een kalkstenen bolkozijn, voorheen beluikt, en een driehoekig fronton met oculus; aan de noordwestelijke zijde, een rondboogpoort in een geprofileerde, kalkstenen omlijsting met sluitsteen met kruis, schijnbaar van hergebruikt materiaal; erboven een rechthoekig venster in kalkstenen omlijsting; dubbele overhoekse muizentandfries onder de dakrand. De aansluitende vleugel met stal en dwarsschuur schijnt te dateren uit dezelfde periode. Rechthoekige vensters en deuren in een hergebruikte, kalkstenen omlijsting. Schuurpoort onder houten latei, met posten van hergebruikte kalksteen. Aan de andere zijde sluit de pachterswoning bij het poortgebouw aan; ze wordt vergroot en met een verdieping verhoogd circa 1840, waarbij een galerij, resterend van de oorspronkelijke stenen gebouwen van 1516 verdwijnt; alleen twee gesculpteerde, kalkstenen zuilen bleven bewaard, in laatgotische stijl met renaissance-inslag, één met mascarons in het kapiteel, de andere met het kruis van de kruisheren; twee bakstenen ontlastingsbogen. Drie vensters in kalkstenen omlijsting, waarvan twee bolkozijnen op de bovenverdieping; rechthoekige deur in hergebruikte, kalkstenen omlijsting; oorspronkelijk houtwerk en bovenlicht van circa 1840. De ordonnantie van de achtergevel dateert uit midden 19de eeuw: rechthoekige venters met hardstenen latei en lekdrempel. Het aansluitende rectoraat dateert uit dezelfde periode; het is een breedhuis van twee bouwlagen, voorzien van rechthoekige vensters met hardstenen lekdrempels en lateien, en een rechthoekige deur in hardstenen omlijsting op neuten. Aansluitend bij dit gebouw, een dienstgebouw uit de tweede helft van de 17de eeuw onder zadeldak; bakstenen gebouw, voorzien van smeedijzeren muurankers met krullen; het oorspronkelijke venster is het rechthoekig in een kalkstenen omlijsting met negblokken, getralied en voorzien van een ontlastingsboog van twee rollagen en een platte laag; de overige vensters zijn aanpassingen; twee rondboogdeuren in een omlijsting van kalksteenblokken; ertussen een gedichte, rondboogvormige muuropening kleine poort) onder een ontlastingsboog van een platte laag, een rollaag en een platte laag. Zijgevel met aandak en vlechtingen.

  • Laat-gotische beeldsnijkunst uit Limburg en Grensland, Sint-Truiden, 1990, nummers 78-79.
  • Rijn en Maas 800-1400. Tentoonstellingscatalogus, Keulen-Brussel, 1972, nummer 24.
  • BELLEFROID J., Mariënlof te Coolen , De Tijdspiegel, 20, 1965, pagina 74.
  • BORCHGRAVE J. d'ALTENA, Décors anciens d'intérieurs mosans, Liège, 1930, pagina's 83-84.
  • DARIS J., Histoire du Diocèse et de la Principauté de Liège pendant le XVe siècle, Liège, 1887, pagina 277.
  • DARIS J., Histoire de la ville, de l'église et des comtes de Looz, dl. 2, Luik, 1865, pagina's 42-54.
  • DIDIER R., In Rhin-Meuse. Art et Civilisation. 800-1400 ,Tentoonstellingscatalogus, Keulen-Brussel, 1972, pagina's 422-423.
  • HAAS R., Die Kreuzherren in den Rheinlanden, Bonn, 1932.
  • KUBACH H.E. - VERBEEK A., Romanische Baukunst an Rhein und Maas, Berlin, 1976, pagina 453.
  • LIESHOUT H. VAN, Rond het reliekschrijn van Sint-Odilia , Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundige Studiekring te Hasselt, 11, 1935, pagina's 1-159.
  • MARCUS A.F., Klooster Mariënlof Kolen-Kerniel , De Tijdspiegel, 27, 1972.
  • Monasticon Belge. Tome VI. Province de Limbourg, Prieuré de Kolen, à Kerniel, Liège, 1976, 253 en volgende
  • PAQUAY J., A propos de la châsse de Sainte Odile à Kerniel Leodium, 25, 1932, pagina's 62-68.
  • RASKIN L., Museumgids voor Limburg, De Tijdspiegel, 27,(3), 1972.
  • ROOSE P., Onuitgegeven nota's in verband met het orgel.
  • SMETS L., Koorstoel van Lutgardis, in Benedictus en zijn monniken in de Nederlanden, Gent, 388, 1980, pagina's 398-399.
  • STEINMETZ J., De verering van Odilia in de loop der eeuwen , Maaslandse Sprokkelingen, 3,(6), 1979-80, pagina's 1-34.
  • TIMMERS J.J.M., De kunst van het Maasland. Deel II. De Gotiek en de Renaissance, Assen, 1980, pagina's 53-255.
  • VANDEPLAS E., De Luikse schilder Martin Aubée in ballingschap te Borgloon , Album Dr. M.Bussels, Hasselt, 1967, pagina's 565-569.
  • VAN DE VELDE C., Onbekend Kunstenaar (einde XIIIe eeuw). Reliekschrijn van de H. Odilia. Klooster Marienlof Kolen (Kerniel), Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 2,(26),1964.

Bron: Pauwels D., Schlusmans F. met medewerking van Muyldermans E. & Rombouts J. 1999: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kanton Borgloon, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N4, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Schlusmans, Frieda

Relaties