Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteel van Heers (ID: 32027)

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Gelegen ten noorden van de dorpskern, en onmiddellijk ten noorden van de kerk .

Waarschijnlijk bezat de eerste vermelde heer van Heers, Cuno van Hairs (1034), reeds een residentie ter plaatse. In 1328 wordt het kasteel van Heers expliciet vermeld, wanneer het verwoest wordt in het conflict tussen prinsbisschop Adolphe de La Marck en de ambachten.

Door huwelijk komt de heerlijkheid Heers in het bezit van de familie de Riviere (1362). Raes de Riviere, genaamd Raes van Heers, is één van de Luikse leiders van de opstand tegen de Bourgondiërs. Na de nederlaag van de Luikse milities in Brustem (1467) trekken Bourgondische troepen onder leiding van de heer van Ravenstein op naar Heers, plunderen het kasteel en steken het in brand. Raes van Heers wordt vogelvrij verklaard en zijn goederen geconfisceerd; hij vlucht naar Frankrijk. Na de dood van Karel de Stoute (1477) keert hij terug en zijn bezittingen worden hem door Maria van Bourgondië gerestitueerd. Volgens sommige bronnen wordt het huidige kasteel aan Raes van Heers en zijn echtgenote Peixte van Grevenbroek toegeschreven, en zou dan dateren van de heropbouw na 1477. Te oordelen naar de stijl van het gebouw situeert het zich echter eerder eind 15de - begin 16de eeuw.

Tijdens de oorlog van Lodewijk XIV met de Verenigde Provinciën, wordt op 24 januari 1676 een sterk Hollands garnizoen in het kasteel geplaatst. De markies d'Estrades valt het kasteel aan en bombardeert het gedurende twee dagen. De Hollanders krijgen versterking vanuit Hasselt, en het beleg wordt opgeheven. Op 29 september vallen de Fransen het kasteel opnieuw aan en veroveren het, maar worden er na twee dagen weer uit verdreven. Er wordt ook melding gemaakt van een bezetting van het kasteel door Duitse troepen in 1681.

Na de dood van Henri-Oger, laatste graaf van Heers, ca. 1682, wordt het kasteel waarschijnlijk niet meer bewoond, en verkeert na de hogervermelde oorlogsverrichtingen mogelijk in slechte staat. De abdij van St-Laurent komt in bezit van de goederen, en verkoopt ze bij het failliet van de familie de Rivière in 1757 aan de belangrijkste crediteur, Jan-Herman, baron de Stockem; deze maakt zijn rechten over aan zijn broer, Nicolas-Erasme, die het kasteel laat restaureren; de binneninrichting gebeurde door Charles, zoon van Nicolas-Erasme. Door huwelijk komen de goederen in 1859 in het bezit van de familie Desmaisières, thans nog eigenaars van het kasteel.

Het kasteel is een compact geheel in laat-gotische stijl met elementen die reeds verwijzen naar de renaissance, de vier vleugels gelegen rondom een vrijwel vierkante binnenplaats. Het dateert in zijn huidige vorm nog gr.m. volledig uit eind 15de- begin 16de eeuw. De verschillende iconografische bronnen, Remacle Leloup, de Ferrariskaart (1771-77), (zie inleiding) en de tekening van Ph. de Corswarem (begin 19de eeuw) tonen deze toestand op vrijwel identieke wijze. Op de tekening van de Corswarem merkt men dat de stenen kruisen uit de kruiskozijnen zijn verwijderd.

De hoevegebouwen bevinden zich in L-vorm ten westen en ten zuiden van het kasteel. Het oudste gebouw is hier de monumentale schuur, die waarschijnlijk opklimt tot de bouwperiode van het kasteel. In het derde kwart van de 17de eeuw wordt ze geïntegreerd bij de toen gebouwde hoeve: een gevelsteen op de schuur draagt het jaartal 1664, het poortgebouw van de hoeve is gedateerd 1671. Vanaf dat ogenblik is het kasteel bereikbaar via het poortgebouw van de hoeve, wat duidelijk zichtbaar is op de tekening van Remacle Leloup. Aangezien het kasteel voorzien was van een dubbel grachtensysteem -één gracht rondom het kasteel, een tweede rondom het geheel van kasteel en hoeve- vertrok vanuit het erf van de hoeve een brug met ophaalbrug naar het kasteel toe. Vóór het poortgebouw van de hoeve bevond zich een ommuurde boomgaard, de muren op defensie voorzien door middel van kantelen, en toegankelijk via een poortgebouw geflankeerd door twee torens. Rechts hiervan, en ten noorden van het kasteel bevinden zich de hovingen, ten westen opnieuw boomgaarden en vijvers gevoed door de Heerse beek. Ten zuiden bevindt zich de kerk.

De chronologisch volgende voorstelling is de Atlas van de Buurtwegen (1843). Het grachtensysteem en de ommuurde boomgaard is verdwenen, het park in landschapsstijl met vijvers vervangt de traditionele inrichting met boomgaarden en hovingen. Een weg verbindt de poort van het kasteel met de straat, de gracht tussen het kasteel en de hoeve is in het erf opgenomen. Hierdoor verliest het poortgebouw van de hoeve haar betekenis; de poort wordt dan ook, waarschijnlijk in de loop van de 19de eeuw gedicht, en het noordelijk gedeelte van het poortgebouw verdwijnt. Het kasteel wordt door een muur van het erf van de hoeve gescheiden, de hoeve krijgt een ingang in de zuidelijke stalvleugel. Deze situatie blijft behouden tot heden.

Het park, aan straatzijde afgesloten door een ijzeren hek tussen hardstenen pijlers, is thans volledig verruigd.

Het kasteel bestaat uit vier bakstenen vleugels van twee bouwlagen onder zadeldaken (leien, op verschillende plaatsen vervangen door recent materiaal). Plint van silex. Mergelstenen speklagen en hoekbanden. Boven de bovenverdieping van de zuid- en oostvleugel bevindt zich een bakstenen boogfries op mergelstenen consooltjes; de bogen boven de vensters zijn voorzien van bakstenen visblaasmotieven. De vensters zijn hoge, voormalige kruiskozijnen, waaruit eind 18de- begin 19de eeuw de stenen kruisen werden verwijderd, en die naar onderen toe vergroot werden; mergelstenen omlijsting met sponningbeloop en negblokken in onregelmatig verband.

De zuidvleugel is het poortgebouw, aan weerszijde voorzien van een inzwenkende hoektravee. De voorgevel is voorzien van drie getrapte dakvensters, de rechter hoektravee heeft een gelijkaardig venster. Poort aangebracht door de familie Desmaisières in de tweede helft van de 19de eeuw, en voorzien van hun wapenschild: spitsboogpoort in een geprofileerde, hardstenen omlijsting. Aan de zijde van de binnenplaats is deze vleugel versierd met een boogfries op mergelstenen consooltjes, die ook als ontlastingsboog fungeert voor de bovenvensters; de vensters behielden hun stenen kruisen.

De oost- en noordvleugel vormen het corps de logis; op de hoek bevindt zich de zware, rechthoekige donjon onder schilddak met smeedijzeren bekroning; in de oksel met de oostvleugel geflankeerd door de polygonale traptoren met tentdakje van bak- en mergelsteen en versierd met mergelstenen hogels; de smeedijzeren bekroning is verdwenen. Centraal in de oostvleugel bevond zich een thans verdwenen, kleine uitbouw, waarschijnlijk de latrine. Een tweede toren bevindt zich op de noordwestelijke hoek. De noordgevel werd in de 17de eeuw, mogelijk bij de verbouwing van de hoeve, voorzien van een krulgevel met aediculabekroning, en voorzien van oculi en een rondboogvenster. Deze gevel bezit ook een centrale uitbouw met driezijdige sluiting op de benedenverdieping. De dakkapellen, die op de tekening van Leloup op alle daken voorkwamen, bleven alleen boven de noordgevel en op de donjon bewaard.

Aan de zijde van de binnenplaats zijn beide vleugels voorzien van een galerij: een bakstenen stompe spitsboogarcade op bakstenen zuilen met mergelstenen imposten en dito sluitstenen. De oostvleugel heeft bovendien op de tweede bouwlaag een tweede galerij: kalkstenen stompe spitsboogarcade, geprofileerd, op kalkstenen zuilen met sokkel en bladkapiteel. Beide galerijen werden gedicht, met in de boogvelden vensters die het hoger beschreven type imiteren.

De westvleugel is een dienstgebouw, en heeft aan de buitenzijde een meer gesloten uitzicht met kleine vensters, onder meer kloosterkozijnen. Aan de zijde van de binnenplaats een behouden galerij op de benedenverdieping.

Interieur: zoals vermeld werd de binneninrichting uitgevoerd door Charles de Stockem de Borchgrave d'Altena beschrijft de zogenaamde Groene en Grijze salons in Lodewijk XVI-stijl (circa 1780-90) en op de eerste verdieping een ruime zaal in overgangsstijl tussen Lodewijk XV en XVI. Trap met smeedijzeren leuning in dezelfde stijl. Er zou zich ook een kapel uit de 18de eeuw bevinden met Lodewijk XV en XVI stucwerk. Volgens Dusar klimmen de kelders op tot de 14de eeuw; zij werden in het eerste kwart van de 20ste eeuw opgevuld.

De kasteelhoeve is thans een vrijwel gesloten geheel. Dit uitzicht is een evolutie - vanaf de 19de eeuw - van het oorspronkelijke, grosso modo L-vormige complex, dat onstond in het derde kwart van de 17de eeuw; de reeds bestaande schuur, waarschijnlijk daterend uit de bouwperiode van het kasteel, werd in de nieuwe hoeve opgenomen.

Het erf is bereibaar via een poortgebouw aan de oostzijde, gedateerd 1671. Bakstenen gebouw van twee en een halve bouwlaag onder tentdak. De voorgevel is voorzien van een kruis- en een bolkozijn, boven elkaar geplaatst, beide in kalkstenen (?) omlijsting met negblokken. De huidige poort is rondboogvormig, in een kalkstenen omlijsting met negblokken in regelmatig verband; dit schijnt een latere aanpassing van de oorspronkelijke poort, die op de tekening van Remacle Leloup afgebeeld staat als rondboogvormig, in een geblokte, rechthoekige omlijsting; op de tekening van de Corswarem is reeds de huidige poort aangeduid. De poort aan erfzijde is identiek, doch thans gedicht. Het poortgebouw was oorspronkelijk geflankeerd door twee lagere vleugels, waarvan thans alleen de zuidelijke rest.

De zuidvleugel omvat de stallen en de pachterswoning, laatst genoemde in de vijf oostelijke traveeën. Bakstenen gebouw onder wolfsdak (Vlaamse pannen en verschillende soorten recentere dakbedekking), de gevel aan veldzijde voorzien van drie mergelstenen banden. Het is niet duidelijk wanneer het oorspronkelijke poortgebouw haar functie verloor; de hoeve is thans bereikbaar via een later aangebrachte rondboogpoort in een hardstenen omlijsting met negblokken in regelmatig verband in de zuidvleugel, naast de pachterswoning. Het dak aan erfzijde is voorzien van dakkapellen. De oorspronkelijke muuropeningen zijn de rondboogvormige staldeuren in een omlijsting van kalksteen met negblokken in onregelmatig verband (derde kwart van de 17de eeuw). Vensters waarschijnlijk daterend uit de tweede helft van de 19de eeuw. Aan veldzijde, kleine asemgaten in kalkstenen omlijsting. De vleugel aan de westzijde van het erf werd in de tweede helft van de 19de eeuw grondig aangepast: alle muuropeningen dateren uit deze periode. Zadeldak (leien) met dakkapellen.

Aansluitend bij deze vleugel, de imposante langsschuur. Zoals vermeld dateert ze van circa 1500, periode van de bouw van het kasteel. Ze werd verbouwd in 1664, bij de integratie in de toen opgerichte hoeve: jaartal en wapenschild van de Rivière op het ronde, mergelstenen uilengat in de voorgevelpunt. Het gebouw is 18 m hoog en heeft een dakoppervlakte van 0,5 ha. Mank zadeldak (leien aan erfzijde, Vlaamse pannen aan de westzijde). Bakstenen gebouw met mergelstenen speklagen. De zijgevels zijn zeer laag. De voorgevel is voorzien van twee bakstenen rondboogpoorten met mergelstenen negblokken aan de boog; gelijkaardige deur rechts. De gevel was waarschijnlijk voorheen van een aandak voorzien, waarvan de muurvlechtingen resten. Smeedijzeren ankers.

De schuur is driebeukig, waarbij de westbeuk veel smaller is dan de oostelijke; zij was ingeschakeld bij het verdedigingssysteem van het kasteel, en diende als verbindingsgang tussen dit gedeelte en de westvleugel van het kasteel; op het defensief karakter van deze westzijde wijst ook de kleine, vierkante toren op de noordwestelijke hoek van de schuur, en de kleine muuropeningen aan deze zijde. Monumentaal eiken gebint van het ankerbalktype.

  • Kasteel, in Annuaire des châteaux de Belgique, 1897, p. 43.
  • BORCHGRAVE J. d'ALTENA, Décors anciens d'intérieurs mosans, Liège, 1930, p. 115-117.
  • GENICOT L.F., ed. Het groot kastelenboek van België, [1976], [Brussel], vol. 2, p. 142-144.
  • DARIS J., Histoire du Diocèse et de la Principauté de Liège pendant le XVe siècle, Liège, 1887, p. 388.
  • DUSAR A., Limburgs kunstbezit. Van prehistorie tot classicisme, Hasselt, 1970, p. 165.
  • HANSSEN M.- SCHEPERS S, Het unieke kasteel van Heers (Belg. Limburg), in De Band, 3 (2) 1973, p. 6-7.

Bron: Pauwels D., Schlusmans F. met medewerking van Muyldermans E. & Rombouts J. 1999: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kanton Borgloon, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N4, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Schlusmans, Frieda

Relaties