Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteeldomein Borgwal (ID: 36181)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Het kasteel van Borgwal is een waterkasteel met 18de-eeuwse kern, aangepast midden 19de eeuw, staand te midden van een grote vijver met gemetste kaaimuren, deel uitmakend van de strakke 18de-eeuwse tuinaanleg. Het kasteeldomein telt een aantal aanhorigheden waaronder de monumentale toegangspoort, het staatsieplein en neerhof aangelegd voor het kasteel met karakteristieke opstelling in U-vorm en waar de verschillende nutsvoorzieningen van het kasteel gegroepeerd waren. Op het neerhof staat tevens een monumentale vierkante duiventoren, heropgericht in de 19de-eeuw naar een 17de-eeuwse voorloper. Het domein is voorzien van een bakstenen omheiningsmuur met ingebouwde kapel.

Historiek

De oudste vermelding van Borgwal vindt men terug in een verkoopakte van 1538 waarin het domein staat beschreven als "een goed omheind door een gracht met dammen, met nieuwe grote vijver, weide, kleine vijver en akker, genaemd Burchwal".

In 1543 was het goed eigendom van Floris de Martaigne, graaf van Potelles. In het register van belastingen van 1577 staat het opgetekend als "een huys met opperhof, neerhof ende boomgaerden ... met den huysen ende duyfehuys op 't neerhof" in het bezit van Jonkheer Cabeleau.

In de 17de eeuw zou het goed onder meer eigendom geweest zijn van bisschop Triest en tot midden de 18de eeuw behoorde het goed toe aan de familie de Preudhomme d'Hailly, baronnen van Poeke. Een aankondiging in de 'Gazette van Gendt' van 1775 vermeldde de verkoop van: "het schoon, groot en vermaerd goed van wijlen d' heer van Ongeval tot Vurste tussen de 2 en 3 mylen van de stad gelegen, strekkende tegen de kercke van hetzelfde Vurste ende omtrent de Schelde, bestaande in een kasteel ende hof, rondom in gemetste wallen, waarvoor ene schone bassecour, rondom in muren, ende daarachter ene gemetste spiegel ofte vijver (61 a 49 ca) hebbende in het midden ene hoog springende fonteyne, daernevens ene vijver, buitengemeyne druiftakken ofte wijngaerden, bosquien, wandelingen, gloriëtten, fonteynen ende andere vermaekelykheden, alsmede ene schone nieuwgebouwde hofstede, tesamen 15 bunder, alle't eene blokke ende besloten in nieuwgemaekte kloeke hoge muren". Deze beschrijving komt overeen met de weergave van het kasteel op de kabinetskaart van de Ferraris van 1770-1778. De heer Maelcamp, heer van Raveschoot, werd de nieuwe eigenaar. Zijn weduwe, A.S. van der Stichele, douairière Maelcamp, liet in 1807 door landmeter P.F. Van Lancker een landboek opmaken van haar bezittingen met onder meer een prachtig plan van het domein Borgwal. Hieruit blijkt dat de aanleg van het park, vermoedelijk uit de 18de eeuw, tot op heden ongewijzigd bleef.

Nadien werd Ed. Maes Newbery, gewezen beheerder der keizerlijke legers, eigenaar. Hij verkocht het domein in 1841 aan weduwe P. Malfait-Baertsoen. Door huwelijk van gravin Flora Malfait met Louis Goethals de Mude de Nieuwland kwam het kasteel in handen van laatstgenoemde familie en dit tot 1975. Sindsdien heeft de congregatie der broeders van Liefde het domein aangekocht als verblijf voor zwaar mentaal gehandicapten met onder meer nieuwe paviljoenen, ingeplant in het noorden en het zuiden van het kasteelpark.

Beschrijving

Het betreft een 18 hectare groot domein met onregelmatige vijfhoekige vorm, volledig omsloten door een bakstenen muur (circa 1700 meter), aansluitend bij de kerk met omringend kerkhof in de zuidwestelijke hoek. Ten westen, bij de splitsing van de Leenstraat en de Gentweg, staan de ingeplante gebouwen gegroepeerd rondom twee, met elkaar in verbinding staande binnenpleinen: ten noorden het neerhof met de verschillende dienstgebouwen gegroepeerd rondom een vierkant beplant binnenerf met centrale duiventoren en ten zuiden het volledig omsloten staatsieplein met monumentale toegangspoort ten westen en een brug naar het kasteel te midden van een gemetste vijver in het oosten.

De aanleg van het domein klimt zeker op tot de 16de eeuw, maar het huidige gebouwenbestand dateert hoogstens uit de 18de eeuw (zoals het rechterdeel van het kasteel). Het werd voornamelijk in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw vernieuwd en uitgebreid (met name het linkerdeel van het kasteel, het staatsieplein en het poortgebouw). Na de zware beschadiging tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het domein gerestaureerd.

Kasteel

Het huidige kasteel bestaat uit drie duidelijk te onderscheiden en verschillend te dateren delen: de vierkante, hoogoplopende bakstenen toren achteraan, vermoedelijk de oude traptoren van het vroegere goed waarvan de geschreven bronnen opklimmen tot de 16de eeuw; de bepleisterde en thans grotendeels begroeide rechtervleugel met 18de-eeuwse kern en aanpassingen uit het midden van de 19de eeuw en het links aangebouwde paviljoen in een eclectisch, neogotisch geïnspireerde stijl uit de tweede helft van de 19de eeuw.

Het hoofdgebouw heeft een voorgevel van zeven traveeën en drie bouwlagen onder een leien schilddak waarvan de nok evenwijdig loopt met de straat. In zijn huidige vorm dateert dit onderdeel uit het derde kwart van de 19de eeuw. De bepleisterde en beschilderde, thans haast volledig begroeide lijstgevel wordt gemarkeerd door het markant middenrisaliet van drie traveeën onder een driehoekig fronton. De onderbouw (rechtstreeks in het water) van kalkzandsteen wijst op de oude kern. Verder is er een bepleisterde plint en zijn er imitatiebanden tot het horizontaliserend kordon van de bovenvensters. Verticale accenten worden gevormd door geblokte pilasters op de hoeken en ter aflijning van het risaliet. De rechthoekige benedenvensters en licht getoogde bovenvensters zijn voorzien van rolluikkasten en zonneblinden en hebben bewaard 19de-eeuws houtwerk. Het aflijnend hoofdgestel en driehoekig fronton met wapenschild maken de voorgevel gevel af. De achtergevel is volledig begroeid en heeft een vijfhoekig uitgebouwde erker over twee verdiepingen en een ingebouwde vierkante toren in de rechtertravee. De vijf geledingen hoge bakstenen toren is voorzien van spitsboogdoorbrekingen en een oculus gevat in een ondiepe spitsboognis, onder een leien peerspitsbekroning.

De linkervleugel van het kasteel, met de zogenaamde grote zaal, dateert eveneens uit het derde kwart van de 19de eeuw en werd toegevoegd aan het eerder verbouwde rechtergedeelte uit de 18de eeuw. De uitgewerkte voor- en linkerzijgevel zijn rechtstreeks in het water gebouwd. Ze hebben een vermoedelijk gecementeerd parement met rijke eclectische en neogotisch geïnspireerde decoratie. Het betreft een paviljoen met drie en één traveeën en één hoge bouwlaag boven een souterrain, onder een leien mansardedak met hanenkam en dakvensters. De lagere, terugwijkende travee vormt de verbinding met het oudere gedeelte rechts. De gevels zijn sterk horizontaal geaccentueerd door de talrijke geprofileerde lijsten en uitgewerkte friezen onder de overstekende houten kroonlijst op klossen. Het verticaal accent wordt eveneens verkregen door de geprofileerde pilasters die nog uitsteken boven de kroonlijst en bekroond worden met cilindrische pinakels. Het paviljoen heeft hoge rondboogvensters en geprofileerde omlijsting, onder druiplijst met bekronende kantelenrij, met balusterborstwering in de voorgevel. Op het souterrain is het voorzien van getoogde getraliede vensters. In de overgangstravee zit het trappenhuis, verlicht door een gekoppeld rondboogvenster met gecanneleerd Korinthisch deelzuiltje gevat in een rechthoekige geprofileerde omlijsting. De achtergevel van de linkervleugel is verbouwd.

In het interieur bleef het rijkelijk uitgewerkt stucplafond en het trappenhuis in neo-Lodewijk XIV-stijl bewaard.

Achter het kasteel, dat de volledige westzijde van het eiland beslaat, strekt zich een rechthoekige tuin uit met grasperk en centraal vijvertje, vroeger met hoogspuitende fontein.

Staatsieplein en brug

Het staatsieplein met axiaal gelegen toegang tot het kasteel leidt naar de boogbrug met balusterborstwering met siervazen. Links en rechts wordt de brug geflankeerd door fonteinen, respectievelijk met griffioen- en leeuwenbekroning en gevoed via een buizensysteem vanaf de natuurlijke bronnen.

Ingangspoort

De westelijke zijde van het staatsieplein wordt van de straat afgesloten door een bepleisterde muur met centrale monumentale toegangspoort in een neobarokke stijl, eveneens daterend uit het derde kwart van de 19de eeuw. De hoge rondboogpoort is vervat in een geprofileerde omlijsting met bekronend wapenschild en zware arduinen bol. De poort wordt links en rechts geflankeerd door rondboogdeurtjes tussen pilasters met bekronende leeuwenkopjes en siervazen.

Pachtershuis en oranjerie

De noordelijke vleugel van het plein bestaat links uit de achtergevel van het pachtershuis (hier onder leien dakschild met houten, met leien bezette dakvensters met drielob) en rechts uit de voormalige oranjerie. Er is een centrale korfboogdoorrit met sporen van zandstenen hoekblokken aan de linkerdagkant. De rechtertravee is voorzien van twee rechthoekige vensters met sponning, duimen en sporen van zandstenen hoekblokken (van de 17de-eeuwse kern) en vijf opengewerkte traveeën van de voormalige oranjerie (uit de eerste helft van de 19de eeuw), oorspronkelijk voorzien van een beglaasde zuidelijke zijde tussen houten raamwerk met plantenrekken. Het interieur is ingedeeld in twee beuken door gemarmerde zuilen op hoge vierkante sokkel en met een acanthusbladkapiteel. Tussen twee rondboogvormige deurvensters in de oostelijke gevel zit een behouden stucpaneel in empirestijl met gevleugelde griffioenen. Er zitten restanten van het verwarmingssysteem onder de beglaasde wand.

Koetshuizen

De zuidelijke vleugel van het plein bevat de voormalige koetshuizen met brede korfboognissen en -poorten en doorrit aan de erekoerzijde. Het gebouw wordt gekenmerkt door penanten met hoge sokkels waarop vroeger beelden prijkten van de Gentse beeldhouwer Karel van Poucke, uit eind 18de eeuw (door de vroegere eigenares meegenomen naar het kasteel Nieuwenhove te Zwijnaarde).

Neerhof met dienstgebouwen en duiventoren

Ten noorden van het kasteel en van het staatsieplein ligt het neerhof met U-vormige aanleg en toegang in de westelijke vleugel. Het betreft een centraal grasperk met fontein, rondgang en met struiken beplante hoeken. De huidige aanleg en het gebouwenbestand dateert uit de 18de eeuw met begin 20ste-eeuwse aanpassingen doch mogelijk nog resten uit de 16de en 17de eeuw (zie bouwgeschiedenis en jaartallen 1652 en 1913 op een luifeltje van de noordvleugel).

Het neerhof wordt omgeven door bakstenen, lichtgeelgeschilderde gevels met één bouwlaag onder pannen zadeldaken.

De westelijke vleugel met blinde verankerde gevel aan de Leenstraat heeft een leien dakje op geprofileerde, begin 20ste-eeuwse consoles boven de centrale doorrit. Links en rechts zitten getoogde staldeuren en kleine venstertjes met luiken (geel- en roodgeschilderd houtwerk).

De noordelijke vleugel behield zijn erfgevel van de vroegere stallingen en koetshuizen. In de gevel zitten getoogde en rechthoekige deuren en vier korfboogpoorten in zware bakstenen omlijstingen in rechtertravee. Erachter werden nieuwe keukens gebouwd.

De zuidelijke vleugel met pachtershuis van negen traveeën en één bouwlaag zit onder een zadeldak van Vlaamse pannen met houten klokkenstoel. Het gebouw is voorzien van houten kruiskozijnen met roedeverdeling en halve luiken (bruin-, geel- en roodgeschilderd houtwerk) en hoger geplaatst bolkozijn van de opkamer in rechtertravee. De centrale korfboogdeur onder leien zadeldakje met windveren en uitgesneden houten consoles, werd toegevoegd in het eerste kwart van de 20ste eeuw. De linkse aansluitende korfboogdoorrit naar het ereplein is gevat tussen zwarte bakstenen pilasters op een hoge sokkel en de zes traveeën brede achtergevel van de oranjerie die uitziet op het ereplein, is voorzien van hooggeplaatste venstertjes met luiken. De linkerzijpuntgevel vertoont sporen van muurvlechtingen en twee rondboogvensters en een oculus, uitziend op de vijver.

Een lage bakstenen muur met centrale rondboog van de aanlegsteiger verbindt de twee puntgevels van de haakse neerhofvleugels.

Het binnenerf is beplant met fruitbomen en gras, gedomineerd door een vrij imposante vierkante duiventoren met verschillende verdiepingen onder een leien tentdak met dakkapelletjes. De gekalkte en deels begroeide bakstenen constructie rust op een gepikte plint. Het heeft nissen en luiken op de benedenverdieping, een graanzolder en zes rijen van tien vluchtgaten in de oostelijke, westelijke en zuidelijke gevel (slechts twintig in noordelijke gevel) op de bovenverdieping onder de overstekende houten kroonlijst op klossen. De huidige constructie dateert vermoedelijk slechts uit de tweede helft van de 19de eeuw (staat niet op het plan van 1807) en werd gedeeltelijk gereconstrueerd na de beschieting in 1918. Toch was er reeds een vermelding van een "duivekete" in de 17de eeuw.

Ten westen, aan de voet van de duiventoren, bevindt zich een ommuurde mestvaalt met lage bakstenen muur afgezet met geprofileerde (vermoedelijk gerecupereerde) zandstenen dekstenen.

Voor het pachtershuis staat een arduinen waterpomp met twee sproeiers en vergaarbak geplaatst voor een muurtje van zwarte baksteen met bekronende gebogen dekstenen.

Omheiningsmuur met kapel

Rechts van de toegangspoort en de portierswoning, in de omheiningsmuur aan de Gentweg, bevindt zich een ingewerkte neogotische kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, volgens een gedenksteen in de achtergevel en op de schildjes aan de voorgevel gedateerd "1877".

Het betreft een ruime kapel van twee traveeën met rechthoekige sluiting, onder een leien zadeldak waarvan de nok loodrecht staan op de straat, met ijzeren vorstkam en twee zijdakvensters met hoge puntgevelbekroning. De straatgevel van arduin heeft een hoge puntgevel verrijkt met hogels en kruisbekroning. Er is een hoge spitsboognis waarin de korfboogvormige toegangsdeur zit met een spitsbogig bovenlicht met hooggotische tracering. De bekronende waterlijst rust op schildvormige consoles met jaartal "ANNO 1877" en bekronende kruisbloem.

De bakstenen zij- en achtergevels zijn afgezet met natuurstenen hoek- en dekstenen. De achtergevel bevat een spitsboognis met wapenschild van de familie Malfait en opschrift: "Cette chapelle dedié à Notre Dame de Lourdes a été construite en l'an de grace MDCCCLXXVII par le comte Malfait".

Het interieur omvat een neogotisch altaar en beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes op sokkel.

Park

De behouden parkaanleg dateert uit het eind van de 18de eeuw naar Engels-Chinees model met verschillende 'fabriekjes', grotten, bronnen en brugjes met onder meer een mooie, thans vrij vervallen kiosk in Chinese stijl.

In het zuidoostelijk deel van het park, op het kruispunt van twee assen, staat een gebouwtje boven een ijskelder en natuurlijke bron. Het betreft een vierkante constructie met afgeschuinde hoeken met zuiltjes op hoge sokkel, onder opkrullend dak met belvedère. De rechthoekige deuren worden geflankeerd door bepleisterde penanten verrijkt met geschilderde Chinese figuren. Het aflijnend hoofdgestel heeft een beschilderde fries en tandlijst. Het interieur was oorspronkelijk ook beschilderd. De voorzijde is onderaan versierd met imitatierotsen en een maskerkop van de fontein. De eronder gelegen ijskelder heeft een toegang in het noorden

  • Rijksarchief Gent, Fonds Melsen, nummer 6.
  • DE KINDER E., St.-Martinusparochie Vurste (Gavere), Vurste, 1983, deel I, p. 82-84.
  • DE POTTER F. - BROECKAERT J., Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, reeks I, deel 7, Gent, 1864-70.
  • DEPRAET O.S., Duiventorens in Oost-Vlaanderen, Oostvlaamsche Zanten, XLI, 3-4, 1966, p. 140-141.

Bron: -

Auteurs: Bogaert, Chris; Lanclus, Kathleen & Verbeeck, Mieke

Datum tekst: 2015

Datum informatie: 1989

Alle teksten

Relaties