Deze pagina afdrukken

Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Antwerpen

Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Antwerpen

Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Antwerpen

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (ID: 4092)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

De oorsprong van de kathedraal was een kleine kapel uit de 9de eeuw, gelegen ten zuiden van de markt. In deze Karolingische devotiekapel vestigden zich in 1124, toen het Sint-Michielskapittel overging naar de orde van Sint-Norbertus, de uittredende kanunniken, die het nieuwe kapittel van Onze-Lieve-Vrouw vormden. In 1132 begon men met de bouw van een ruimere romaanse kerk op de plaats van de vroegere kapel. Deze kerk werd in de loop van de 13de en de 14de eeuw herhaaldelijk vergroot. Toen men besloot een nieuwe gotische kerk te bouwen werd de romaanse kerk in de 15de eeuw geleidelijk gesloopt. Haar funderingen van Doornikse kalksteen werden in 1973 gedeeltelijk teruggevonden in het middenschip van de kathedraal. Ook grafkelders en beschilderde graven werden opgegraven.

De huidige kathedraal werd gebouwd van 1352 tot 1521. Tijdens de daarop volgende eeuw werden nog voltooiingswerken uitgevoerd. De bouw begon met het koor waaraan men tot 1356 werkte. In dat jaar vielen de werken stil tot 1378, ten gevolge van politieke en economische moeilijkheden. In 1384-85 plaatste men de altaren in het nieuwe gedeelte, en tussen 1391 en 1408 werden de glasramen ingezet. In 1411 was de overwelving van het koor voltooid. Als bouwmeester van het koor wordt Jacob van Tienen vermeld. Van 1419 af had Peter Appelmans de leiding over de werken. De vloer van het koor werd in 1419-20 opgehoogd na een overstroming bij springtij. In 1492 legde men de fundering van de noordelijke toren, waaraan men zou werken tot 1521. In 1430 begon men aan de fundering van de zuidertoren en van het schip, dat vijf beuken telde. In 1434 werd Peter Appelmans opgevolgd door Jan Tac die op zijn beurt in 1449 opgevolgd werd door Everaert Spoorwater, die bouwmeester was tot zijn dood in 1473. Tussen 1454 en 1469 werd het oorspronkelijk ontwerp verruimd tot een zevenbeukige kerk. De brede zuidelijke zijbeuk werd in 1469 gewijd als noodkerk, en van 1469 tot 1480 bouwde men de bijna even brede noordelijke zijbeuk.

De beide uiterste zijbeuken werden met de torens verbonden door middel van halve absides met vierdelige sluiting. In 1475 besloot men wellicht wegens geldgebrek de zuidertoren niet verder op te trekken. De transeptarmen werden elk met één travee uitgebreid. Intussen werd verder gewerkt aan het koor en kwamen de zijkapellen, de gerfkamer of sacristij en een "librije" klaar, dit alles in het vierde kwart van de 15de eeuw. Tussen 1446 en 1466 werden de kapellen overkluisd. Om al deze werken te bekostigen werd een jaarlijkse bouwbelasting geheven op tarwe, en in 1454 voerde men een buitengewone stadsbelasting in voor de torens en voor de parochiale kapel (Heilige-Sacramentskapel). Circa 1458 begon men met de bouw van het portaal en van de middenpartij van de voorgevel. die

in 1492 voltooid was. In 1473 nam Herman de Waghemakere de leiding van de werken. Hij dekte de zuidertoren in 1475 af met een houten schaliekap. In 1481 werd het hoogkoor gewijd en werd de "Onzer Vrouwe Capelle" van de romaanse kerk gesloopt. In 1485 verdween ook de toren, als laatste overblijfsel van de oude kerk. Om voldoende ruimte te krijgen voor het steeds groeiend aantal kapelanieën werden de traveeën met 1/4 van hun lengte vergroot, zodat men afweek van de klassieke gotische verhoudingen. Om echter de oorspronkelijke hoogte te kunnen bewaren gebruikten de bouwmeesters een aantal kunstmiddelen: het triforium werd weggelaten en de zuilen lopen kapiteelloos door in de gewelfribben; hierdoor werd een grote hoogte gesuggereerd. In 1498 begon men aan de bouw van de "capelle van Jerusalem", de huidige Sint-Antoniuskapel, die pas in 1584 voltooid raakte. In 1501 hervatte men de werken aan de noordertoren, die ongeveer twintig jaar hadden stilgelegen. Een voorlopige torenbekroning werd verwijderd en op de vierde, vierkante torengeleding begon Herman de Waghemakere aan de bouw van een achtkantige voortzetting, volgens een door hem uitgewerkt nieuw plan. Zijn zoon Domien de Waghemakere volgde hem in 1503 op en werkte de toren af in 1521. Hij voltooide ook de noordelijke transeptarm, in 1519. Er werd ook gewerkt aan een nieuwe kapittelkamer aan de zuidkant.

Toen de Onze-Lieve-Vrouwekerk bijna voltooid was besloot men een nog grotere kerk te bouwen, deels met gebruikmaking van de reeds afgewerkte delen. Dit nieuwe plan, het "Nieuwwerck" genoemd, werd circa 1500 ontworpen door Domien de Waghemakere en Rombout Keldermans, en in 1521 legde Karel V de eerste steen van een reusachtige kooruitbreiding. Het werk werd een tiental jaren later stopgezet, wellicht reeds voor de brand van 1533, waarbij het dak en de pijlers van de middenbeuk geteisterd werden. In 1537 werd het "Nieuwwerck" definitief opgegeven. De funderingen en de pijlers ervan bleven echter bestaan en vormen de huidige, om het koor heenlopende huizenrij van de Lijnwaadmarkt tot de Groenplaats. Deze huizen werden nog tijdens de bouw van de kerk tussen de pijlers ingebouwd en verhuurd door de kerkfabriek. De uivormige, houten koepel met lantaarn op de kruising werd in 1535 geplaatst door Domien de Waghemakere. In 1537 werd de kruisbeuk overwelfd.

Door de bul "Super Universitas" van 1559 werden veertien nieuwe bisdommen opgericht in de Nederlanden. waaronder het bisdom Antwerpen. De Onze-Lieve-Vrouwekerk werd hierdoor kathedraal. In 1566 werd de kerk geplunderd door beeldenstormers, en onder het Calvinistisch bewind (1578-85) werden alle altaren vernield en werden de muren gewit, waardoor de gotische muur- en gewelfschilderingen verdwenen. Ook later nog, namelijk in 1695 en 1720-23 werden de muren gewitkalkt. De schade werd hersteld einde 16de- en begin 17de eeuw. Uit deze tijd dateert het barokuitzicht van het interieur.

In de jaren 1610-14 werden de houten gewelven van het schip vervangen door stenen gewelven. Men werkte tegelijkertijd aan de twee transeptgevels. Robert Colijn de Nole versierde de kerkportalen. Het noordportaal, met afbeelding van de Maria Boodschap, kwam klaar in 1614: het zuidportaal, versierd met beelden van Onze-LieveVrouw, Sint-Pieter en Sint-Paulus werd in 1616 voltooid. Het hoofdportaal werd opgeluisterd met een laatste Oordeel en was klaar in 1619.

De kerkvloer werd hersteld einde 17de eeuw en in de 18de eeuw nogmaals opgehoogd, zodat de totale niveaustijging circa 2,1 meter bedraagt. Circa 1750 werd de toren hersteld door P. van Bauerscheidt de Jongere. Onder de Franse bezetting, einde 18de eeuw werd de kerk opnieuw geplunderd en gesloten. In 1798 vatte de overheid het plan op de kathedraal te slopen, wat door stadsarchitekt J. Blom verhinderd werd. Het bisdom Antwerpen werd in 1801 opgeheven en in 1961 weer opgericht. In 1802 werd de kerk weer geopend en gewijd. Bonaparte schonk 15.000 Frs. voor de restauratie. Ook Willem I bevorderde het herstel van de kerk en ijverde voor de teruggave van de door de Fransen geroofde kunstschatten.

In het vierde kwart van de 19De eeuw werd de kerk nogmaals gerestaureerd en werden bovendien toevoegingen aangebracht, deels volgens oorspronkelijk plan. Zo werd de middenbeuk, evenals de dwarsbeuk en de zijbeuken voorzien van een borstwering, die ook over de westgevel loopt. Ook de twee transeptvleugels werden in het vierde kwart van de 19de eeuw herwerkt, waardoor ze hun huidig neogotisch uitzicht verkregen. In 1965 besloot men tot de volledige en grondige restauratie van de kathedraal, die zowel de binnen- als de buitenkant zou omvatten. Deze werken werden toevertrouwd aan de architecten L. Stijnen en G. Derks, en zijn nu nog aan de gang. De voltooiing wordt voorzien voor 1986.

De kathedraal van Antwerpen is de grootste gotische kerk van de Nederlanden. De plattegrond toont een zevenbeukige kruisbasiliek met een lengte van 117 meter. Op een breedte van 55 meter voor het schip en 65 m. voor de kruisbeuk. De breedte is dus in verhouding tot de lengte groter dan normaal, wat het gevolg is van de wijzigingen van het oorspronkelijk grondplan. Het schip telt zeven traveeën en omvat de noordertoren. Beide torens rusten op zeven zware pijlers: ze zijn met de later gebouwde, uiterste zijbeuken verbonden door middel van halve absides, waarvan de zuidelijke dienst deed als trouwkapel en later als doopkapel. De traveeën van de noordelijke zijbeuk zijn vierkant, die van de zuidelijke zijbeuk rechthoekig. Beide lopen ze aan de oostkant uit op respectievelijk een Onze-Lieve-Vrouwe-kapel en een kapel van het Heilig Sacrament of Venerabelkapel, die door middel van een borstwering gescheiden zijn van de binnenbeuken. Beide kapellen geven toegang tot een sacristie en een kapelmeesterskamer. Zware, kapiteelloze bundelpijlers schragen de bovenbouw van het schip en de overwelving van de zijbeuken, die aan de buitenzijde door steunberen gestut worden. Het schip en de dubbele binnenbeuken zijn afgedekt met kruisribgewelven, die in de 28 meter hoge middenbeuk neerkomen op drie diensten met bladkapiteel. De uiterste zijbeuken worden afgedekt met laat-gotische stergewelven en verhogen naar de buitenkant toe om een maximale lichtinval in het schip mogelijk te maken. Het triforium is herleid tot een smalle binnenloopgang met opengewerkte borstwering, die het schip verbindt met dwarsbeuken en koor. Het nagenoeg ontbrekende triforium en de kapiteelloze bundelpijlers maken de belangrijkste verschillen uit tussen de Onze-Lieve-Vrouwekerk en andere Brabantse gotische kerken. Zijbeuken en middenschip hebben zesdelige vensters met hooggotische tracering. Het middenvenster in de westgevel is achtdelig en zit sinds 1891 gedeeltelijk verborgen achter het orgel.

De twee transeptarmen tellen vijf traveeën en hebben geen zijbeuken, waardoor ze vrij lang lijken ten opzichte van hun breedte. Ze zijn overdekt met ster- en netgewelven met open gesculpteerde doorhangende sluitstenen. De brede, achtdelige vensters hebben een flamboyante tracering.

De kruising is afgedekt met een 48 meter hoge koepel die rust op een octogonale bogenconstructie. Deze bogen leunen beurtelings aan tegen de vier zijwanden die met laat-gotisch traceerwerk versierd zijn, en overspannen beurtelings de hoeken. Ze worden geschraagd door elkaar overkragende bladconsoles. De lantaarn bestaat uit drie slinkende en overkragende geledingen, naar buiten achtkantig, naar binnen cirkelvormig, en ontvangt licht door omlopende korfboogvensters.

Het koor tenslotte is drie traveeën diep en heeft dubbele zijbeuken met de Heilig Hart van Mariakapel, de Sint-Vincentiuskapel, de Sint-Antoniuskapel, de Sint-Jozefskapel met sacristie aan de noordkant, en met de Heilig Hart van Jezuskapel en de Onze-Lieve-Vrouw van Vredekapel aan de zuidkant. De kooromgang is voorzien van vijf nauw aansluitende straalkapellen met vijfzijdige sluiting, die gewijd zijn aan Sint-Lucas, Sint-Jan Berchmans, de Nood Gods, Sint-Barbara en de Heilige Ludovicus Flores. De derde koortravee geeft aan de zuidkant toegang tot de sacristie die op haar beurt verbonden is met de Sint-Janskapel. In de zuidoostelijke hoek van de kathedraal bevinden zich nog de kerkeraadskamer, de "Paeykamer", het kerkmeestersbureel, de kapittelkamer en het kerkarchief.

De ordonnantie van het koor stemt overeen met deze van het schip. De kruisribgewelven rusten op bundelpijlers met een dienst, voorzien van een kapiteel met bladwerkversiering. De gewelfribben hebben nagenoeg overal hetzelfde profiel: een peervormige rollijst, plat tussen de keellijsten. De kooromgang. wordt verlicht door vijf smalle tweeledige vensters en in de straalkapellen door drieledige vensters. De vlakke sluitwand van de Sint-Jozefskapel heeft nog een mooi, laat-romaans rondvenster.

Sommige dienstgebouwen zijn eveneens overwelfd dit is het geval voor de kapelanensacristie, de "paeykamer", de sacristie van de Sint-Jozefskapel en vooral voor de grote sacristie, waar een middenzuil met bladkapiteel een stergewelf draagt.

De westgevel, gebouwd in de tweede helft van de 15de eeuw bestaat uit twee geledingen: portaal en gevelvenster, die geflankeerd worden door de twee torens. De vrij diepe en brede portaalnis bestaat uit vijf overkragende bogen die rusten op kolonnetjes met bladkapiteel, waartussen zich beeldnissen bevinden. De bladkapitelen zetten zich voort als een fries die onder het blinde boogveld doorloopt. Ook tussen de overkragende bogen zijn nissen met beelden aangebracht. De twee korfboogdeuren zijn gescheiden door een penant versierd met een portaalbeeld van Onze-Lieve-Vrouw. De intrados van de buitenste boog is afgezet met driepassen, de extrados is bekroond door een ezelsrugboog die zich toespitst in een zeer hoog gaal dat doorloopt boven de flamboyante borstwering. Het boogveld, omgeven door blinde traceringen, is versierd met een Laatste Oordeel door J.B. van Wint, van l903. Ook het andere beeldhouwwerk werd door van Wint uitgevoerd. Het grote middenvenster heeft de vorm van een stompe spitsboog en is afgezet met driepassen: de vooruitspringende waterlijst rust op korte pijlers met consoles en de zwikken zijn verlevendigd met blindnissen. De twee borstweringen onder en boven het venster hebben een loopgang die de torens verbindt. De eerder bescheiden geveltop wordt versierd met blinde traceringen. De twee torens hebben een identieke structuur tot aan de derde geleding, waar de zuidertoren ophoudt. De noordertoren loopt door met een vierde geleding, waarop de eerste galerij. De vier onderste geledingen met vierkant grondplan worden gesteund door dubbele steunberen op de hoeken en door steunberen in het midden van elke torenwand, die versierd zijn met beeldnissen. De tweede en derde torengeleding bevatten pseudo-vensters met laat-gotische tracering, de vierde geleding wordt doorbroken door galmsgaten en wordt afgesloten met een borstwering die de uitsprongen volgt van de steunberen en de trappenruimte. Op deze vierkante onderbouw rust een achtkantige bovenbouw met ingebouwde wenteltrap. De achtkant werd overhoeks geplaatst om een zo groot mogelijke binnenruimte te verkrijgen. Onderaan werd aan vier zijden een uurwerk aangebracht, in 1786 uitgevoerd door P. van Hoof. De dubbele hoeksteunberen van de benedenbouw zetten zich voort tot kruisvormige schoorpijlers met fialen die met de bovenbouw verbonden zijn door middel van twee luchtbogen, wat de overgang van vierkant naar achtkant sierlijk en geleidelijk doet verlopen. De wanden zijn opengewerkt met lange smalle, drieledige galmgaten en het geheel wordt afgesloten met een lichtjes uitspringende achtkantige balustrade, die de afsluiting vormt van de tweede galerij. De torenspits heeft de vorm van een overhoeks geplaatst vierkant met als kern een achthoekig trappenhuis. Hij wordt gesteund door pijlers met fialen. die met de toren verbonden zijn door luchtbogen; de pijlers worden afgedekt met een lijstkapiteel met peervormige bekroning. De spits verjongt verder naar de top toe via een tweede reeks steunen met kleinere luchtbogen. De uiteindelijke bekroning bestaat uit twee ten opzichte van elkaar slinkende en gewentelde kronen met korte fialen, waarop een klokvormige steen geplaatst is die als voetstuk dient voor het kruis. Deze hele topgeleding draagt in haar versiering de sporen van de opkomende renaissance.

Het schip is vrij eenvoudig gehouden en wordt geschoord door lichte muurpijlers, die kenmerkend zijn voor de latere Brabantse gotiek. Borstweringen en fialen zijn een laat-19de-eeuwse toevoeging. De zijbeuken zijn afgedekt met dwars geplaatste schilddaken. Aan de zuidzijde van de zuidtoren een aanbonw met één bouwlaag vier traveeën en parament in witsteen en hardsteen, de sacristie van de doopkapel.

De twee transeptarmen worden elk afgedekt met een zadeldak dat naar het midden toe overgaat in een schilddak. Beide transeptgevels hebben een gelijkaardige opvatting in neogotische stijl, doch het zuidelijk transept is iets rijker versierd. Elke gevel bestaat uit drie geledingen: portaal, transeptvenster en top. Het vooruitspringende portaal bestaat in de noordgevel uit vier, in de zuidgevel uit vijf elkaar overkragende bogen, waarbij laatst genoemde nog versierd is met hogers en omlijst door een ezelsrugboog. De twee ingangen hebben een grillige laatgotische vormgeving met een combinatie van drielob en accoladeboog, en de ruimte omheen het boogveld is versierd met blinde traceringen. De tweede geleding van de transeptgevels wordt ingenomen door een groot, achtdelig venster met laat-gotisch maaswerk. Hogels en kruisbloemen versieren de booglijst. Het zuidvenster hoeft bovendien nog een versiering van blind traceerwerk op de gevelwand. De dubbele hoekpijlers werden op neogotische wijze afgedekt met een zadeldekje en versierd met blindnissen. De top heeft als aanzet een balustrade versierd met vierpassen (noordgevel) en met flamboyante motieven (zuidgevel). Daarboven werden drie in driehoeksvorm geplaatste vensters aangebracht, die aan de zuidzijde afgewisseld worden door nissen. De engelenbeelden aan de zuidkant zijn een laat-19de-eeuwse toevoeging.

Het Koor is rijker versierd dan het schip. Het wordt gesteund door tweeledige luchtbogen, waarvan de schoren doorbroken zijn door vierpassen en afgezet met hogels. De stoelen zijn versierd met een rij van drie pinakels. Ook op de steunberen komen pinakels voor, evenals tussen de borstweringen. De luchtbogen werden boven de zijkapellen van het koor verbonden door een zeer hoge borstwering.

Tenslotte bevindt zich nog aan beide zijden van de zuidelijke transeptgevel een rondbooggoort met geblokte omlijsting, imposten en diamantsluitsteen. De poort aan de oostkant geeft toegang tot een binnenkoer, waar overblijfselen staan opgesteld van de vroegere kathedraalversiering. De andere poort geeft uit op een vroegere straat, gevormd door de huidige achtergevels van de huizen aan de Groenplaats. Deze bakstenen, verankerde gevels hebben rechthoekige vensters en twee of drie bouwl. Sporen van zandstenen omlijstingen en bakstenen ontlastingsbogen zijn overgebleven, evenals getraliede bolkozijnen met be houden ogen en dubbel ontlast door een rollaag. De huizen klimmen in de kern op tot 16de of 17de eeuw en werden aangepast in de 19de eeuw (toegevoegde rolluik - kasten)(185-186-187). Deze huizen, evenals alle andere huizen die tot aan de Lijnwaadmarkt tegen de kerk aangebouwd zijn, hebben een urbanistische en architectuurhistorische waarde zodat hun bescherming als monument wenselijk is. De ontmanteling van de kathedraal zou onverantwoord zijn vermits zij niet geconcipieerd werd om los van deze typische entourage gezien te worden

Mobilair. Opmerking: Wegens de aan gang zijnde restauratiewerken is een plaatsaanduiding in de meeste gevallen onmogelijk.

*Schilderkunst en glasramen: School R. van der Weyden: Uitverkiezing en huwelijk van Sint-Jozef. Anoniem: Ecce Homo; Mater Dolorosa; Bespotting van Christus; Bisschopswijding van 1571. M. de Vos: Kruisafneming en Bewening: Geboorte van Christus, 1577; Bruiloft te Kana, 1597. C. de Vos: Kruisafneming; F. Francken I: Christus bij de Schriftgeleerden: Vijf Bloedstortingen van de Heer. Otto Venius: Opwekking van de Jongeling van Naïm, 1604; Opwekking van Lazarus; Graflegging van Christus; Laatste Avondmaal. P.P. Rubens: Kruisoprichting, 1610; Kruisafneming, 1612: Verrijzenis van Christus, 1612; Ten Hemelopneming van Onze-Lieve-Vrouw, 1626. M. Pepijn: Sint-Franciscus en Aaron de Hogepriester; Sint-Norbertus, 1637. C. Schut: Koepelschildering met Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart, 1647.

Glasramen: uit de 16de eeuw: Sint-Jan de Doper en Sint-Jan de Evangelist, met patroonheiligen en schenkers, in Venerabelkapel; Laatste Avondmaal, idem; Engels raam en Bourgondisch raam, 1505, geschonken door Filips de Schone en Hendrik VIII, in Sint-Antoniuskapel; Bekering van Sint-Paulus, 1537, middenbeuk; Aanbidding der Koningenn, idem; Filips II en Maria Tudor, sluiting hoogkoor; uit de 17de eeuw: J. del Rio in gebed, Besnijdenis, Verering van Onze-Lieve-Vrouw op het Staakske en Godfried van Bouillon met schenkers. 1615, noordelijke kruisbeuk: Aartshertogen Albrecht en Isabella met beschermheiligen, 1616, boven noordportaal: Karel V en Isabella van Portugal in westgevel: restant van Zeven Werken van Barmhartigheid, 1635, in Doopkapel; uit de 18de eeuw: Wapenschild van Familie Ullens-Verbiest, 1708, in Venerabelkapel; uit de 19de eeuw: meerdere neogotische glasramen, vooral in Onze-Lieve-Vrouwkapel, kapellen van de kooromgang en Venerabelkapel. Boven portaal zuidelijk transept: Hulde van de Schone Kunsten aan de Heer, 1872.

Beeldhouwwerk: Onze-Lieve-Vrouw met Kind. wit marmer, 1280-1330, in Sint-Lucaskapel: deel van retabel met Calvarieberg, circa 1400; Onze-Lieve-Vrouw met Kind, 15de eeuw, in kapel van L. Flores; Christusbeeld van het triomkruis, 15de eeuw, boven toegang tot hoogkoor; Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Jan, delen van Kalvariegroep, hout, 16de eeuw, boven kooromgang; Genadebeeld van Onze-Lieve-Vrouw, 16de eeuw, in Onze-Lieve-Vrouwkapel; Sint-Jan de Doper, 16de eeuw, idem Praalgraf van Isabella van Bourbon, 1478, achter hoogaltaar; grafmonument van M. A. Capello, bisschop van Antwerpen, 1676, door A. Quellien de Jonge. Reliëf met mystieke Wijnpers, 1667, door A. Quellien de Jonge en Willemsens, achter hoogaltaar.

Meubilair: Vier grote altaren: Sint-Antoniusaltaar met beeld door A. Quellien de Jonge, 17de eeuw; Onze-Lieve-Vrouw-altaar, door A. Quellien de Jonge en P. Verbruggen, 1678; Sacramentsaltaar, door J. van der Neer de Jonge, 1821-26: hoogaltaar door J. Blom, 1824.

Orgelkast, 1567, herwerkt in 1657 naar ontwerp van E. Quellien, met orgel van 1891.

Preekstoel door M. van der Voort, 1713, met trappen bijgebouwd door H. Viddeleer, 1819-20.

Biechtstoelen uit de 17de eeuw door G. Kerricx, M. van der Voort en L. Willemsens; koorbanken uit 1880.

Twee communiebanken: door Willemsens, hout, 1680, in Sint-Antoniuskapel, en door H. Verbruggen, marmer, 1687, in Sacramentskapel.

  • BELGIE, Kathedralen en Stadhuizen. Europees jaar voor het bouwkundig erfgoed, 1975.
  • CLIJMANS, F., Antwerpse kerken en hun kunstschatten, Antwerpen, 1944.
  • DE BARSEE, L., De bouwkunst, in Antwerpen in de XVI eeuw, 1976.
  • DONNET, F. Les abords de l'église N.Dame à Anvers, Antwerpen, 1907.
  • LEURS, S. en PHILIPPEN L. J. M., De katherale kerk van Onze Lieve Vrouw te Antwerpen, Antwerpen, 1938.
  • VAN BRABANT, J., Onze-Lieve-Vrouwekathedraal Antwerpen, Kunsthistorische aantekeningen, Antwerpen, 1967.
  • VAN BRABANT, J., De Onze Lieve Vrouwekathedraal van Antwerpen, Antwerpen, 1972.
  • VAN BRABANT, J., Rampspoed en restauratie. Bijdrage tot de geschiedenis van de uitrusting en restauratie van Antwerpen, Antwerpen, 1974.
  • VOET, L., De Gouden eeuw van Antwerpen. Bloei en uitstraling van de metropool in de zestiende eeuw, Antwerpen, 1973.

Bron: Goossens M.& Plomteux G. met medewerking van Linters A., Steyaert R., Illegems P. & De Barsée L. 1976: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen 3NA, Brussel - Gent.

Auteurs: Goossens , Miek & Plomteux, Greet

Relaties