Deze pagina afdrukken

Kasteel de Ribaucourt, Perk

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteel de Ribaucourt (ID: 41373)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

In 1192 vermeld als allodium van de familie van Schoten, wordt de heerlijkheid achtereenvolgens eigendom der geslachten van Wezemael, van Bautersem, van Leefdael, van Waver; van de 14de tot begin 17de eeuw bezit der de Baronaige wordt het door huwelijk verworven door Frederik van Marselaer en vervalt het tijdens de 18de eeuw aan de Dellafaille en de Steelants; in 1835 wordt het goed door graaf de Ribaucourt gekocht, wiens afstammelingen het nog bewonen.

Geïsoleerde ligging ten zuidoosten van de dorpskom waarmee het vroeger verbonden was door een lange dreef.

Een gravure van Lucas Vosterman voor J. Le Roy toont het machtige waterslot in de 17de eeuw: een U-vormige vleugel met twee verdiepingen, geflankeerd door twee rechthoekige torens, de vierde zijde gesloten door een drie verdiepingen hoge, vooruitspringende donjon met jaartal 1627 op de bovenverdieping.

Circa 1800 werd deze vierde vleugel aan de heersende mode aangepast zoals een ter plaatse bewaarde tekening van 1845 toont: de donjon werd afgebroken (het vierkante ingangsperron blijft van de inplanting over) en de uiteinden van beide vleugels werden opgenomen in een zeven traveeën brede gevel met driehoekig fronton, de gevel werd bepleisterd en twee gebogen vleugels met anderhalve verdieping werden bijgebouwd, zodat de westpartij een éénvormig aspect kreeg.

Circa 1885 werd de rechtervleugel afgebroken en vervangen door een L-vormig gebouw met een zware vooruitspringende hoektoren, opgetrokken in een vrij droge neorenaissancetrant; de bepleistering van het resterende deel werd gedecapeerd, zodat de oorspronkelijke zandsteenbouw in de centrale vleugel en het baksteenmetselwerk in de linkervleugel zichtbaar werden; tezelfdertijd werden de nog uit de 17de eeuw daterende delen en de torens naar de tijdsgeest en de stijl van het nieuwe gedeelte aangepast: de sokkels werden voorzien van bossagewerk en de vensters werden gemarkeerd door diamantkoppen, zodat opnieuw, op de vleugel uit circa 1800 na, een vrij homogeen karakter verkregen werd. De zijgevel van laatstgenoemde is voorzien van een hoge rondboogdeuromlijsting van baksteen met ingediepte voegen, aangeduide imposten, sleutel en druiplijst, duidelijk bedoeld om bepleisterd te worden. De kleine binnenplaats van het centraal gebouw werd als een soort rotonde overdekt, de beide 17de-eeuwse torens met hun op modillons opgevangen overstek kregen hun sierlijke, op peerspits uitlopende hoge daken, die sedertdien het silhouet van het kasteel van verre bepalen.

Circa 1882 werden de Franse tuinen door tuinarchitect Keilig veranderd in een park naar Engelse stijl.

De buitenste ringgracht, omheiningsmuur en neerhofgebouwen, die op de 17de-eeuwse gravure het waterkasteel voorafgaan, blijven ook nu nog gedeeltelijk bewaard. Het architectonisch rijk opgevatte centrale poortgebouw werd echter afgebroken.

Ten westen, L-vormige vleugel met één verdieping en schilddak (leien), opklimmend tot de 17de eeuw doch met latere aanpassingen, gemarkeerd door een drie verdiepingen hoge vierkante hoektoren van zandsteen afgedekt met een ingesnoerde naald met bolspitsbekroning (noordwest). Met groen begroeide binnenplaatsgevels geritmeerd door rondboogvormige koetspoorten. Breukstenen gevels aan de grachtkant (bakstenen herstelling in de westgevel) met nog behouden oorspronkelijke muuropeningen: smalle schietgaten, kleine rechthoekige venstertjes, en grote kruisvensters; de noordgevel heeft zelfs nog een van beide drielobbige reliëfs die ook op de gravure voorkomen.

Ten oosten, een vierkante noordtoren met ingesnoerde naald en bolspitsbekroning (leien) met kern uit de 17de eeuw en een éénlaags bijgebouw met schilddak (leien) doch baksteenmetselwerk verrijkt met speklagen en hoekblokken van zandsteen voor beide bovenverdiepingen (wellicht een wederopbouw uit de eerste helft van de 18de eeuw want volledig van zandsteen op de gravure); schietgaten en kleine rechthoekige vensters met hoekstenen. Met groen begroeide binnenplaatsgevels van het bijgebouw.

In het verlengde, breukstenen grachtmuur, waartegen volières werden gebouwd, en die voor een deel ook ingestort is. Aan het oostuiteinde, een oranjerie uit de 19de eeuw en een hoektoren van bak- en zandsteen naar het model van de vorige doch daterend uit de 19de eeuw.

  • COSIJN A., Au beau pays de Rubens et de Teniers, in Bulletin Touring Club Belge, 1923, p. 3-8, 25-29, 49-54, 73-79, 97-103.
  • DEWOLF P., Le château de Ribaucourt a Perk, in Brabant, nr. 3, 1972.
  • LAUWERS J., Perk, waar D. Teniers leefde en werkte, Vlaamse Touristenbond, 1970.

Bron: De Maegd C. & Van Aerschot S. 1975: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 2N, Gent.

Auteurs: De Maegd, Christiane & Van Aerschot, Suzanne

Relaties