Deze pagina afdrukken

Sint-Kwintenskerk, Leuven

Sint-Kwintenskerk, Leuven

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Sint-Kwintenskerk (ID: 42130)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Bouwgeschiedenis

Volgens de overlevering zou een eerste aan Sint-Kwinten gewijde kapel nog voor 1015 zijn gesticht door Lambert met de Baard, graaf van Leuven, na zijn terugkeer uit Saint-Quentin, de noord-Franse stad waar de relieken van de vroegchristelijke martelaar Quintinus werden bewaard. Volgens sommige auteurs zou in 1099 inderdaad een aan Sint-Kwinten gewijde bidplaats in Leuven hebben bestaan, maar de eerste zekere vermelding van de Sint-Kwintenskerk (ecclesia Sancti Quintini de Hovis), dateert pas uit 1222. Het patronaatsrecht is dan in handen van het kapittel van de Leuvense Sint-Pieterskerk. In 1252 wordt Sint-Kwinten een zelfstandige parochie samen met de drie andere Leuvense parochies van Sint-Jacob, Sint-Geertrui en Sint-Michiel. Behalve parochiekerk was de Sint-Kwintenskerk ook een druk bezochte bedevaartkerk waar Sint-Kwinten werd vereerd, een traditie die nog tot in de 20ste eeuw doorleefde. De heilige werd op de eerste plaats aangeroepen tegen waterzucht. Immers had zijn dode lichaam volgens de legende 55 jaar lang in de Somme gelegen zonder aangetast te worden. Verder werd hij op volksetymologische basis aanbeden tegen kinkhoest (quinte de toux). Ten slotte werd tot hem gebeden voor genezing van allerhande andere lichamelijke kwalen. Specifieke kinderziekten kwamen hier later nog bij. Elk jaar hadden twee grote bedevaarten met plechtige processie plaats.

De oudste delen van de kerk zijn de onderste geledingen van de westtoren en de aanleunende zijbeuken, gebouwd in de eerste helft van de 13de eeuw. Uit vergelijkend onderzoek van de steenhouwtechnieken blijkt dat het koor van de huidige laatgotische kerk werd aangezet in het begin van de 15de eeuw en niet omstreeks 1450 zoals voordien werd aangenomen. Na de voltooiing van het koor omstreeks 1430 volgden tussen 1430 en 1450 de zuidelijke dwarsarm (ook gekend als het Sint-Kwintenskoor) en de aanzetten van de noordelijke dwarsarm of het 'Onze-Lieve-Vrouwekoor' en de zuidelijke zijbeuk van het schip. De vermelding van tnieuwere werck in 1453-1454 in verband met de plaatsing van een glasraam heeft geen betrekking op het koor zoals voorheen werd aangenomen, maar op de noordelijke dwarsarm. De toeschrijving van het koor aan Matthijs de Layens moet bijgevolg worden verlaten; de Leuvense bouwmeester was mogelijk wel in 1460 als steenleverancier betrokken bij de bouw van de Sint-Kwintenskerk. Schip en transept van de kerk kwamen onder dak in 1488, de overwelving van de noordelijke dwarsarm en de kruising kwam tot stand in 1489. Het schip werd pas overwelfd in 1532-1534, waartoe aan de buitenzijde luchtbogen werden toegevoegd. In 1535 werd de sacristie of trezorie gebouwd in de hoek tussen koor en zuidelijke dwarsarm. Tussen 1768 en 1774 werd daar nog de lagere bijsacristie aan toegevoegd. Het barokke inkomportaal tegen de noordelijke zijbeuk werd, volgens het jaarmerk op de middenstijl van de deuren, gebouwd in 1641. De lage aanbouw tegen de oostzijde van de noordelijke dwarsarm dateert eveneens uit de 17de eeuw. Het grotendeels barokke kerkmeubilair werd na 1796 aangevuld met stukken uit het opgeheven klooster van de Ongeschoeide Karmelieten in de Naamsestraat.

De Sint-Kwintenskerk werd tussen 1895 en 1914 gefaseerd gerestaureerd door architect Pierre Langerock (1859-1923), in 1928 gevolgd door de restauratie van het kerkmeubilair en de belangrijkste schilderijen in de kerk. Herstellingswerken aan de klokkenstoel werden uitgevoerd in 1951. Na onderhoudswerken in 1960 door architect Simon Brigode (1909-1978) werd tussen 1967 en 1971 een restauratie ondernomen door architect Brigode met medewerking van professor Raymond M. Lemaire (1921-1997). De jongste restauratiewerken in 1995-1996 betroffen de vensters in de dwarsgevels van het transept.

Beschrijving: exterieur

De laatgotische Sint-Kwintenskerk is gelegen op een natuurlijke verhevenheid vlakbij de Naamsepoort, net binnen het tracé van de tweede stadsmuur uit de 14de eeuw. Het voormalige, thans ontruimde kerkhof is toegankelijk langs gekasseide wegen vanuit de Naamsestraat en de Schapenstraat. Rondom de kerk loopt een gekasseid pad, met bij de zuidoosthoek van de zuidelijke dwarsarm en aan de zuidkant van de westtoren twee hardstenen kettingpijlers, overblijfselen van de afsluiting van het kerkhof. Aan de kant van de Naamsestraat wordt het voormalige kerkhof afgesloten door een smeedijzeren neogotisch hek uit 1886 naar een ontwerp van de Leuvense architect Van Lint. In de as van het koor staat aan de Naamsestraat de kapel van Jezus in 't Steentje. Aan de kant van de Schapenstraat vormt een steile helling de natuurlijke afsluiting van de site.

De Sint-Kwintenskerk ontvouwt een kruisvormige plattegrond en bestaat uit een westtoren, een driebeukig basilicaal schip, een sterk uitspringend transept en een eenbeukig, polygonaal afgesloten koor. De onderste geledingen van de westtoren en de flankerende lage zijbeuken van een travee lang zijn resten van het 13de-eeuwse kerkgebouw. De westgevels van de toren en de zijbeuken worden slechts doorbroken door een spitsboogvenster in de noordelijke zijbeuk en een halfrond, in 1818-1819 aangebracht venster in het gevelvlak van de toren. Tegen de zuidwestelijke hoek van de toren staat de traptoren. Ter hoogte van het stenen koepeldak van de traptoren wordt de westtoren doorbroken door spitsboogopeningen met ingeschreven drielob. De torenverdieping met de galmgaten en de ingesnoerde achthoekige torenspits zijn een toevoeging van architect Pierre Langerock uit 1898-1902, ter vervanging van een met leien afgedekte klokkenstoel. Het stenen conische dak van de traptoren werd toen eveneens vernieuwd. De westgevels van toren en zijbeuken steunen op een plint die zich verder zet langs de noord- en zuidmuur van de zijbeuken. In de langsgevels van de zijbeuken zijn spitsboogvensters aangebracht. Tegen de westmuren van het laatgotische schip bleven twee steunberen met afzaten van de 13de-eeuwse bouw bewaard. Bouwmaterialen van de westpartij zijn Lediaan kalksteen en verspreid ijzerzandsteen, de bedaking is in leien.

Het 15de-eeuwse schip telt drie traveeën en vertoont een hoog, door luchtbogen gesteund middenschip met twee lagere zijbeuken. Spitsboogvensters verlichten de zijbeuken en het middenschip, de westmuren van de zijbeuken zijn zonder venster. Boven de bovenlichten van het middenschip zijn balkgaten zichtbaar. De dwarsarmen van het transept tellen elk drie traveeën. De dwarsgevels worden geschoord door hoge steunberen, bevatten een groot spitsboogvenster en, in de geveltoppen, een kleine doorbreking en muurankers. De westelijke en oostelijke langsmuren van het transept zijn vensterloos; enkel een plint, een waterlijst en steunberen met afzaten geven enig reliëf. De kerk wordt afgesloten door een rijzig eenbeukig koor met zevenzijdige apsis. De drie westelijke traveeën worden verlicht door hoge spitsboogvensters, de eerste westelijke traveeën bevatten blinde spitsboogvensters, met dezelfde afmetingen als de verglaasde vensters van de rechte koortraveeën. De vensters van het koor, in hun oorspronkelijke staat hersteld door architect Langerock in 1914, vatten aan een weinig boven de plint en zijn gevat tussen steunberen die reiken tot aan de dakaanzet. Een rond traptorentje staat in de hoek tussen koor en zuidelijke dwarsarm.

In de westelijke traveeën van de noord- en zuidbeuk van het schip bevinden zich de toegangen tot de kerk. In de zuidbeuk bleef het laatgotische portaal met korfboog en geprofileerde dagkanten bewaard, de oude toegang in de noordbeuk werd vervangen door een barok inkomportaal. De met een gedrukte rondboog overspannen toegang is gevat tussen Toscaanse hoekpilasters met hoofdgestel, waarboven een verkropt rondbogig fronton met centraal een rechthoekige cartouche met schouderstukken. Op het fronton prijkt een aedicula met een halfronde, thans lege nis. De deuren en het hang- en sluitwerk van het inkomportaal zijn wellicht nog origineel, met het jaarmerk 1641 op de middenstijl. Een derde, thans gedichte toegang bevindt zich in de noordelijke transeptgevel, met dezelfde vormgeving als het portaal in de zuidbeuk van het schip.

Zadeldaken overdekken het middenschip, het transept en het koor, lessenaarsdaken overdekken de zijbeuken. Het dak van het middenschip is afgewolfd aan de westzijde om de overgang met de lagere westtoren te maken en op de kruising staat een achthoekige dakruiter. Bouwmaterialen van de Sint-Kwintenskerk zijn Lediaan kalksteen, Gobertange kalksteen en, in de onderbouw van het koor, ijzerzandsteen. De kern van het muurwerk is in baksteen, zoals zichtbaar is boven de gewelven in de dakkap. Het barokke inkomportaal aan de noordbeuk is in Gobertange kalksteen. De bedaking van de kerk is uitgevoerd met leien. Het oorspronkelijke parement in ijzerzandsteen van de westgevels van het middenschip en de zijbeuken werd tijdens de restauratie van 1898-1902 vervangen door bleke kalksteen.

In de hoek tussen zuidelijke dwarsarm en koor bevindt zich de sacristie of tresorie uit 1535, twee traveeën breed en twee bouwlagen hoog onder een lessenaarsdak. De onderste bouwlaag bevat twee spitsbogige, getraliede doorbrekingen met maaswerk en wordt geleed door een centrale steunbeer en een overhoekse steunbeer op de zuidoosthoek. De bovenste bouwlaag bevat een klein rechthoekig venster en een groter stenen kruisvenster, beide getralied. Bouwmaterialen zijn zandkalksteen voor het muurwerk en leien voor de dakbedekking. Naast de sacristie staat de lagere bijsacristie uit 1768-1774, een travee breed en met lessenaarsdak. In de oostmuur steekt een groot getralied raam met gedrukte rondboog. Bouwmaterialen zijn zandkalksteen voor de plint en het hoekverband, blauwe hardsteen voor de omlijsting van het raam en baksteen voor enkele lagen in de plint en het metselwerk boven de plint. De 17de-eeuwse aanbouw in de hoek tussen de noordelijke dwarsarm en het koor is drie traveeën breed, een bouwlaag hoog en met een leien lessenaarsdak. In de oostmuur steken muurankers, getraliede vensteropeningen en een deuropening met verglaasd bovenlicht. De noordmuur bevat een rechthoekige poort. Bouwmaterialen zijn baksteen – met muizetandfries bovenaan de oostmuur – en zandkalksteen voor de hoeken van de doorbrekingen. Ingemetseld in de oostmuur is de gedenksteen van Josephus Brugensis († 1786). Buiten bij de ingang liggen nog twee grafplaten.

Beschrijving: interieur

In de 13de-eeuwse westpartij wordt de zuidelijke zijbeuk overwelfd door een wellicht later ingevoegd kruisgewelf. Tussen de zuidelijke zijbeuk en de toren bevindt zich een oorspronkelijke rondbogige scheiboog met blokprofiel. De gelijkvloerse verdieping van de westtoren werd in 1818-1819 ingericht als doopkapel (zie verder), de noordelijke zijbeuk is ontoegankelijk.

Het 15de-eeuwse schip telt twee geledingen. De spitsbogige scheibogen met afgeschuind blokprofiel worden gedragen door zuilen op een geprofileerde basis en een achthoekige sokkel. De scheibogen zetten onmiddellijk aan op de kapiteelloze zuilen. Vierdelige kruisribgewelven op gesculpteerde consoles overdekken hoofd- en zijbeuken, dwarsschip en koor. In het middenschip zetten de gewelven aan ter hoogte van de dorpel van de bovenlichten. In het dwarsschip en het koor zetten de gewelven lager aan en duiden de schalken aldus de traveeën aan. De bevloering van schip en dwarsschip bestaat uit een geometrisch patroon van zwarte en witte natuurstenen tegels en bevat tal van oude grafstenen. De twee traptreden hoger liggende vloer van het koor heeft een recente bevloering in gelige natuurstenen tegels.

De muurvlakken van het interieur zijn wit bepleisterd, behalve de schalken, de gewelfribben en de zuilen en scheibogen van het schip waar de zandkalksteen zichtbaar is gelaten. Van de schalken in het koor zijn de riemen van de profielen goudkleurig beschilderd. Centraal op de gewelven werden door Langerock in 1905-1908 decoratieve muurschilderingen met vegetale motieven aangebracht. De originele gewelfschilderingen in het transept zijn toen vermoedelijk overschilderd (materiaaltechnisch onderzoek werd tot op heden nog niet uitgevoerd). Op de noord- en zuidwand van het koor bevinden zich fragmenten van muurschilderingen die de legende van Sint-Kwinten uitbeelden in lange registers, grotendeels verborgen achter het barokke koorgestoelte. Herkenbaar op de zuidwand is de vondst door Eusebia van het lichaam en het hoofd van Sint-Kwinten in de Somme. Stilistisch kunnen de muurschilderingen in het eerste kwart van de 15de eeuw worden geplaatst, wat overeenkomt met de hernieuwde datering van het koor in de vroege 15de eeuw op basis van de steenhouwtechnieken.

Onder de oostelijke kruisingboog hangen de resten van een triomfkruis (hout, gepolychromeerd) met beelden van Maria en Johannes (circa 1500) tegen de oostelijke kruisingpijlers en centraal Christus aan het kruis (circa 1600). Tegen de noord- en zuidwand van het koor staat het barokke koorgestoelte (tweede helft 17de eeuw - begin 18de eeuw), opvolger van de koorbanken die in 1528 werden vervaardigd door de Leuvense schrijnwerker Guilliam Melgert. Het koorgestoelte is versierd met beelden gesculpteerd door de Antwerpse beeldsnijder Jan of Frans van Ussel. Ze stellen de apostelen, de zeven christelijke deugden en personificaties van de Liefde, het Gebed, de Boetedoening en het Onderricht voor. De beelden van Paulus, de Liefde en de Wijsheid werden gestolen in 2002. Het rococo hoogaltaar (hout, verguld en gemarmerd) werd volgens Van Even opgesteld in 1768 door parochiepriester Petrus Van Ongeval († 1788), wiens epitaaf in de muur links van het hoogaltaar te zien is. Het hoogaltaar wordt bekroond door een beeld van Christus aan het kruis bovenop de boom van kennis met Adam en Eva. Op de hoeken van het altaar staan beelden van Hoop en Liefde. In de muur rechts van het altaar bevindt zich de epitaaf van Desiderius A. tSestich († 1763). Onder de oostelijke kruisingboog staat het huidige, recente altaar (natuursteen) opgesteld.

In de zuidelijke dwarsarm, ook gekend als het Sint-Kwintenskoor, zijn twee barokke altaren opgesteld waarvan het zuidelijke met het schilderij De marteling van Sint-Kwinten (Pieter Jozef Verhaghen, 1758) en het noordelijke met Het visioen van Theresia van Avila, toegeschreven aan Gaspar de Crayer en afkomstig uit het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten. Tegen de zuidmuur staat een laat 18de-eeuwse biechtstoel opgesteld. In de noordelijke dwarsarm of het Onze-Lieve-Vrouwekoor bevat het zuidelijke altaar een 17de-eeuws tabernakel in ebbenhout en schildpaddenleder, ook uit het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten. Het centrale schilderij met Sint-Anna-ten-drieën, omringd door pestheiligen (1618) is van de hand van Gaspar de Crayer. Het andere altaar in het noordtransept bevat een beeld van Maria met kind op de wereldbol (17de eeuw), sinds een pestepidemie in 1651 ook wel Onze-Lieve-Vrouw van Peis-en-Zoet-Accoord genoemd. Tegen de noordmuur van de noordelijke dwarsarm staat een 17de-eeuwse biechtstoel.

In het schip bevinden zich, onder de zuidelijke scheibogen, de preekstoel (tweede helft 17de eeuw) en, in de zijbeuken, twee biechtstoelen (tweede kwart 17de eeuw). Op de gelijkvloerse verdieping van de westtoren werd in 1818-1819 de doopkapel ingericht. De hardstenen, in 1560 gejaarmerkte doopvont staat centraal op een vloer met een stermotief van gepolijste witte en zwarte natuursteen. De westmuur van de doopkapel wordt doorbroken door een halfrond raam, de oostzijde wordt van het kerkschip gescheiden door een smeedijzeren, laat 18de-eeuws hek. Het gestuukte tongewelf met cassetten van de doopkapel wordt gedragen door Toscaanse zuilen met hoofdgestel. De orgeltribune, volgens Van Even gebouwd in 1805, wordt gedragen door zes houten, gemarmerde Ionische zuilen op een vierkante natuurstenen sokkel. Het hoofdgestel is opgebouwd uit een architraaf, een onversierde fries en een kroonlijst met tanden. In de halfronde nissen in de westwand van het doksaal staan beelden (hout, gepolychromeerd) van paus Gregorius de Grote (zuidkant) en Sint-Augustinus (noordkant). Het orgel dat in 1786 gebouwd werd door Aegidius-Franciscus Van Peteghem voor het Leuvense Heilig Geestcollege werd na de afschaffing daarvan in de Franse tijd overgeplaatst naar de Sint-Kwintenskerk door Adrien Rochet.

De twee grote spitsboogvensters van de dwarsarmen bevatten neogotische glasramen naar een ontwerp van de glazenier M. Mertens (Koekelberg), gerestaureerd in 1995-1996. Het venster in het zuidtransept bevat voorstellingen van de heiligen Eugenius, Carolus, Clemens en Eduardus, in het venster in het noordtransept zijn Franciscus, Dominicus, Augustinus en Benedictus afgebeeld. De vensters van het koor bevatten moderne glasramen door Michel Martens (1970). De overige vensters in de kerk zijn gevuld met onversierd wit glas.

De dakkap van de Sint-Kwintenskerk is nog oorspronkelijk. De dakconstructie is opgebouwd uit gebinten die bestaan uit twee gestapelde schaargebinten met flieringen. Bovenaan zijn de gespannen verstevigd met een hanenbalk, gedragen door een hanenbalkfliering op geschoorde standvinken. De gelijkvloerse verdieping van de trezorie tegen het zuidtransept wordt overdekt door een kruisribgewelf. Aan de oostzijde bevinden zich 18de-eeuwse wandkasten waarin de trap naar de eerste verdieping is opgenomen. De eerste verdieping heeft een overdekking van kinderbalken op moerbalken, tegen de zuidmuur zijn de haardstijlen zichtbaar van een laatgotische schouw, mogelijk nog daterend uit de bouwtijd van de trezorie (1535). De bijsacristie (1768-1774) heeft een gestuukt plafond, afgelijnd door moulures met leliemotieven en een centrale voorstelling van de duif van de Heilige Geest.

  • Leuven, Agentschap Ruimte & Erfgoed, KCML-archief over de Sint-Kwintenskerk.
  • BERGMANS A. 1994: Leuven, Sint-Kwintenskerk. In BUYLE M. & BERGMANS A., Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen, M&L Cahier 2, Brussel, 154-155.
  • BERGMANS A. 1998: Middeleeuwse muurschilderingen in de 19de eeuw. Studie en inventaris van middeleeuwse muurschilderingen in Belgische kerken, KADOC Artes 2, Leuven, 321.
  • CUYPERS J. 1958: De architektuur van de Sint-Kwintenskerk, Leuven, onuitgegeven licentiaatsverhandeling.
  • DOPERÉ F. 1996: Les techniques de taille sur le grès calcareux: une nouvelle méthode pour déterminer la chronologie et étudier l'évolution des chantiers dans l'est du Brabant pendant la première moitié du XVe siècle, in: M. LODEWIJCKX (ed.), Archaeological and Historical Aspects of West-European Societies. Album Amicorum André Van Doorselaer, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven: 434-436.
  • DOPERÉ F. 2004: De Sint-Kwintenskerk. In: A. BERGMANS et al., Brabantse bouwmeesters. Het verhaal van de gotiek in Leuven, Leuven, 49-50.
  • STEYAERT E. 1976: De geïllustreerde rol met de legende van Sint-Kwinten uit de Koninklijke Bibliotheek Albert I te Brussel. Een kunsthistorische studie, onuitg. licentiaatsverhandeling, Leuven.
  • VAN COILLIE C. & VRANCKEN J. 1966: Sint-Kwinten, de vroegere volksheilige, Pittem.

Bron: V. DEBONNE m.m.v. V. DE LAET 2010: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Vlaams-Brabant, gemeente Leuven, Aanvulling grote complexen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, onuitg. werkdocumenten.

Auteurs: Bergmans, Anna; De Laet, Veerle & Debonne, Vincent

Alle teksten

Relaties