Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteel van Ingelmunster (ID: 51261)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Omwald kasteel, in zijn huidige vorm grotendeels teruggaand op de eerste helft van de 18de eeuw, met omringend park, gelegen tussen de Mandel - die de omwalling voedde - en de kerk, waarop het kasteel van oudsher georiënteerd was (zie gravure in A. Sanderus, 1641 en Landboek 1736). Toegang tot het park ten westen via kasteelpoort met conciërgerie aan de Stationsstraat, in 1969 achterin vereenvoudigd heropgebouwd als eenvoudig bakstenen volume onder leien mansardedak. Toegangshekken tussen pijlers van onder meer gesinterde baksteen, ten noorden aan Markt buiten gebruik.

De zogenaamde "Kasteelhoeve" ten oosten van de kerk is in begin jaren 1980 afgebroken om plaats te ruimen voor het nieuwe gemeentehuis (1982-1984); schuur en duiventoren zijn in 1987 overgebracht naar het openluchtmuseum van Bokrijk.

882: een Engels (?) klooster uit de 7de eeuw op de plaats van het huidige kasteel, wordt geplunderd en in brand gestoken door de Noormannen.

1071-1093: graaf Robrecht de Fries bouwt een waterburcht op de ruïnes van het klooster. Deze plaats wordt uitgekozen omwille van de strategische ligging op de kruising van de Mandel en de krijgsweg Kortrijk-Brugge.

In de 13de eeuw zijn het kasteel en de omringende heerlijkheden eigendom van de familie van Rodhes. 1297: de Franse koning belooft de Brugse schepenen in het kasteel van Ingelmunster - ook de "Sleutel van Vlaanderen" genoemd - de relikwie van het Heilig Bloed te sparen.

In de tweede helft van de 14de eeuw zou de toenmalige heer, Jan VII van Gistel, het kasteel reeds verbouwd en verrijkt hebben met een carillon.

In 1580 heeft de waterburcht zwaar te lijden onder de zogenaamde "Slag van Ingelmunster".

1583: de Saksische edelman Otto de Plotho, bevelhebber van een huurlingenleger in dienst van de Franse koning, verwerft de waterburcht en de omliggende de heerlijkheden.

De gravure in A. Sanderus van 1641 toont, evenals figuratieve kaarten van 1664 en 1665, een vierkante waterburcht met (hoek)torens en kantelen, en eilandjes in de omwalling. Het eilandje ten noorden staat via een ophaalbrug in verbinding met het eigenlijke kasteel. In 1644 herstellingswerken aan deze brug blijkens een rekeningboek. Het eilandje ten oosten - zonder duidelijke functie op laatst genoemde gravure en kaarten - is heden nog bewaard.

Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw bouwen de baronnen de Plotho - baronstitel verworven in 1643 - de burcht geleidelijk aan om tot een "lustkasteel". De verbouwing van 1657-1697 onder Delphin de Plotho wordt teniet gedaan door kanonnengeschut in 1695 (negenjarige oorlog tussen Frankrijk en Spanje, 1688-1697). Het Landboek van 1720 (kopie van 1792) geeft nog steeds een waterburcht weer.

In de tweede helft van de 18de eeuw, onder bouwheer Gebhard Franciscus de Plotho, heer van Ingelmunster in 1709-1755, herrijst het kasteel onder Franse invloed fasegewijs als een classicistisch geïnspireerd U-vormig bouwwerk met staatsieplein, dit op twee derden van de kelders op vierkante plattegrond en binnen de omwalling van de vroegere waterburcht. De kelders worden mogelijk bij deze gelegenheid overwelfd. De vroegere bakstenen aanzetten van de zuidelijke en oostelijke grachtgevel en de aanzet van uitkragende halfronde torens (zie gravure in A. Sanderus, 1641) blijven bewaard. Het terras voor de oostvleugel omvat de aanzet van een hoek- en traptoren van de waterburcht.

1. Circa 1727-1729 (eerste bouwfase): bouw van de zijvleugels met lange gevels van oorspronkelijk zeven traveeën en korte gevels van twee trav.

Een contract van 1727 met Jean Baptiste Dumoulin, Doorniks meester-metselaar, stipuleert de afbraak van een gedeelte (?) van de oude burcht en de herbouw ervan "conformement à l' Elle droit", dit onder leiding van de Doornikse architect Pien (?). Een gerechterlijk stuk van 1729 stelt dat timmerlieden uit Kortrijk en Ingelmunster in 1728 "ghesaemdelycken hebben aenghenomen van te maeken generaelyck alle het temmerwerck consisterende ende dependerende aen de twee vleughels de gonne nieuwelynkx syn beginnen opbauwen binnen het Casteel van het selve Inghelm(un)stre beneffens de twee schoone, groote trappen te maeken in de vestibullen vande selve vleughels...".

2. Circa 1735-1736 (tweede bouwfase): de hoofd- of zuidvleugel (zogenaamd "corps de logis") van zeven traveeën wordt tussen de zijvleugels ingebouwd onder leiding van bouwmeester broeder Bartholomeus, mogelijk niet op de oorspronkelijk geplande plaats zie de structuur van het gebint en de geleding van de korte grachtgevels van de zijvleugels. Opschrift "a(nn)o 1736" in het hoofdgestel, fronton met wapenschild van familie de Plotho. Het Landboek van 1736 stelt reeds een afgewerkt U-vormig kasteel onder mansardedak voor; de mezzanino en het fronton zijn echter niet afgebeeld. Blijkens de z.g. "declaratie van het arduyn nodich tot de cordelogie (sic) van 't Casteel Ingelm(unst)re" van 1735 is Jan de Jaeghere, een Gents meester-steenhouwer, leverancier voor de gevel aan de erekoer. Hierin wordt ook melding gemaakt van de barokconsoles van "wit Ryssels steen" waarop de mezzanino en het fronton aansluiten.

In de tweede helft van de 18de eeuw bouwt Charles de Plotho, heer van Ingelmunster van 1767 tot 1825, de natuurstenen boogbrug leidend naar het staatsieplein en voorzien van balusterleuningen en rococosiervazen.

In de Franse tijd emigreert de heer van Ingelmunster; bij de openbare verkoping van een deel van de inboedel van het kasteel treden stromannen voor hem op.

1806-1806: vernieuwing van het houtwerk, het huidige houtwerk gaat mogelijk - qua patroon - grotendeels op die periode terug.

1825: de Franse edelman C.A.C. Descantons de Montblanc erft kasteel en gronden.

Tussen 1835 en 1845 (zie kadastergegevens, derde bouwfase), worden de zijvleugels uitgelengd met hoekpaviljoenen van twee traveeën. Mogelijk in dezelfde periode worden aan de grachtzijde van de oostvleugel . die blijkens een tekening van S. Vermote (1813) op drie verticale vensterregisters na oorspronkelijk blind was - in alle traveeën vensters gemaakt; een deel ervan is wel blind met raamimitatie. Mogelijk ook interieurwijzigingen.

Tweede helft 19de eeuw: inrichting van neogotische kapel in de oostvleugel. In de aanzet van de noordoostelijke hoektoren worden neogotische spitsboogvensters aangebracht.

1914: het hoofdkwartier van de zogenaamde Noordelijke legers wordt in het kasteel gevestigd, in 1917 verplichten de Duitsers de kasteelheren hun woonst te verlaten.

1986: de inboedel van het kasteel wordt openbaar verkocht door de Antwerpse verkoopzaal Leys, de verkoop van de grisailles in de rococosalons wordt echter verijdeld. Gravin de Montblanc verkoopt het kasteel aan de plaatselijke brouwerij Van Honsebrouck die publicitair gebruik maakt van het kasteel.

1987: dringende instandhoudingswerken, onder meer herstellen van de brug en leegpompen van de slotgracht.

In 1988, inrichting van een brouwerij- en kasteelmuseum in de kelders, dit aan de hand van wassen figuren. In 2000 wordt ook de eerste bouwlaag in het museumcircuit opgenomen met onder meer scènes uit de Tweede Wereldoorlog.

Sober U-vormig onderkelderd gebouw; aan staatsiepleinzijde, twee bouwlagen met mezzanino, aan grachtzijde op souterrain; afgewolfde leien mansardedaken en houten dakkapellen met frontonbekroning. Baksteenbouw met gebruik van arduin voor plint, kordonlijsten, vensteromlijstingen en hoekblokken. De drie bouwfases zijn duidelijk te onderscheiden zie een kleurverschil van de baksteen en lichte stijlverschillen.

Hoofdvleugel met dubbelhuisopstand aan het gekasseide staatsieplein toegankelijk via de vermelde boogbrug. Horizontale gevelgeleding door middel van arduinen plint (keldervensters), doorgetrokken lekdrempels, hoofdgestel met arduinen architraaf waarboven mezzanino met houten kroonlijst, centraal geaccentueerd door gekornist classicistisch fronton van drie traveeën met bloemmotieven en wapenschild van de familie de Plotho. In de eerste en tweede bouwlaag, getoogde vensters in een geriemde omlijsting met oren, neuten en druiplijst; in de mezzanino, rechthoekige vensters in geriemde omlijsting. Rondboogportaal, oorspronkelijk met geblokte pilasters (nog aanwezig) en kroonlijst (zie bewaard model van 1735); mogelijk pas in de eerste helft van de 19de eeuw verrijkt met een portiek met Toscaanse zuilen en fronton. Accentuering van de hoofdvleugel door de kleine roedeverdeling van de vensters van de eerste bouwlaag en de mezzanino.

Gelijkaardige geleding van de zijvleugels aan het staatsieplein, echter met uitgesproken kordonlijst. Geleding van de licht vooruitspringende hoekpaviljoenen uit het tweede kwart van de 19de eeuw van donkerder baksteen door middel van arduinen hoekkettingen, deuren en vensters met lekdrempel op consoles; flankerende blinde oculi in arduinen omlijsting.

De grachtgevel van de hoofdvleugel - uitziend op een open parkaanleg - behoudt de blinde gevels van de kelders van de vroegere waterburcht onder meer met aanzetten van torens. De getoogde vensters van de eerste en de tweede bouwlaag zijn gevat in een geriemde omlijsting van bepleisterde baksteen met oren, neuten en arduinen druiplijst; de rechthoekige van de mezzanino in een vlakke bepleisterde omlijsting. De middentravee wordt geaccentueerd door een rondbogig deurvenster met balusterleuning in een geprofileerde omlijsting met in de zwikken bloemmotief (sterke gelijkenis met bewaard portaalmodel), bekroond door middel van gebogen fronton op barokke consoles met acanthusbladmotief.

In de smalle zuidelijke en de lange westelijke grachtgevels van de zijvleugels worden de zware kordonlijsten van het staatsieplein herhaald. De getoogde muuropeningen zijn gevat in een geblokte omlijsting van arduin. De smalle zuidgevels, die de grachtgevel van het hoofdvolume flankeren, zijn afgewerkt met arduinen 'hoek'pilasters. Gelijkaardige afwerking van de eerste twee traveeën van de grachtgevel van de oorspronkelijke westelijke zijvleugel. De minder zichtbare grachtgevel van de oostvleugel bewaart nog oudere voor aanzetten van de 18de eeuw van torens en is erg sober opgevat: ritmering door middel van vensters, deels blind met vensterimitatie; de drie oorspronkelijke vensterregisters onderscheiden zich door de geblokte omlijsting.

Behouden houtwerk uit de eerste helft van de 19de eeuw: vleugeldeur en vensters met grote roedeverdeling, kleine roedeverdeling in de tweede bouwlaag en de mezzanino van de hoofdvleugel aan het staatsieplein. Vroegere persiennes zijn nu verdwenen.

Interieur. Het vrij sobere exterieur met zijn al bij al vrij homogeen uitzicht contrasteert met het meer verfijnde interieur waarin opeenvolgende stijlen aan bod komen. In de hoofdvleugel wordt de centrale vestibule in eenvoudige empirestijl getypeerd door muuropeningen in een aangepaste rondboogomlijsting, gekoppelde gegroefde pilasters en een getande lambrisering. Muur- en plafondschilderingen met florale motieven respectievelijk boven de binnendeuren en rond de luchter. Links van de vestibule, trappenhal met houten bordestrap over de drie bouwlagen en toegang tot de kelder.

Op de begane grond van de hoofd- en westelijke zijvleugel: rococogetinte salons met houten lambriseringen, schouwen van marmer zogenaamde 'rouge royale', boven spiegels stucwerk met onder meer voorstelling van de symbolen van de jacht, grisailles volgens literatuur naar ontwerp van A. de Witt, deurstukken met voorstelling van spelende putti, parket. Merkwaardig elipsvormig hoeksalon ten zuidwesten; gegroefde houten zuilen met ionische kapitelen.

Hoekpaviljoen uit het tweede kwart van de 19de eeuw van de westvleugel met laatclassicistisch cassettenplafond; scheiding tussen de 19de-eeuwse en de 18de-eeuwse travee door middel van brede drieledige rondboogarcade; marmeren steektrap naar de bovenverdieping vanuit de eerste rondboog. Handgreep bestaande uit touw met kwasten gehouden door medaillons met leeuwenkop.

Op de begane grond van de oostvleugel, kleinere leefruimten, muurschilderingen met bloemmotieven in de rondboogvelden van de deuren, diensttrap als slingertrap. Neogotische kapel; gestuct kruisribgewelf met hangende sluitsteen.

Op de bovenverdieping, aan de staatsiepleinzijde omlopende gang geritmeerd door middel van rondbogige scheibogen en oculi boven de kamerdeuren. Rijk uitgewerkte rococo- of classicistisch getinte salons en slaapkamers, laatst genoemde met alkoven. Centraal halfrond salon (hoofdvleugel) in empirestijl met achterliggende boudoirs. Herhaling van het elipsvormig zuidwestelijk hoeksalon, de grisailles, de deurstukken, de marmeren schouwen enz. In de mezzanino, personeelskamers; centrale kamer met alkoof, mogelijk voor butler.

De goed verlichte kelders van de westelijke en oostelijke vleugels zijn breed overkluisd door middel van Boheemse kappen. Hierin is de bewaarde personeelskeuken ondergebracht; ook een klein brouwerij- en kasteelmuseum, en cafetaria; merkwaardig - ontpleisterd - kegelvormig gewelf in de aanzet van de oostelijke hoektoren. De overwelving van de kelder onder de hoofd- of zuidvleugel, mogelijk teruggaand op de 16de of 17de eeuw, rust op zware arduinen zuil(en) en tegen de binnenmuren op pilasters met lijstkapiteel ; 18de-eeuwse bepleistering van de gewelven.

Sterk verwilderde parkaanleg uit de eerste helft van de 19de eeuw met voornamelijk beuken, paardenkastanjes, linden en in mindere mate eiken; restant van voedingskanaal voor de wal. Tussen conciërgerie en kasteel, drie majestueuze platanen en recente beeldhouwwerken van Lyn Chadwick (Engeland). In de noordoostelijke kant van het park, rest van tuinmuur met korfboogpoort (zie kasteelhoeve) en de west-oost gerichte oude beukendreef uitlopend op gedenkkapel voor Onze-Lieve-Vrouw van Fatima, naar verluidt van 1948. Het parkgedeelte over de Mandel convergeerde naar een arduinen paal (zie kadastrale atlas van 1847 van de familie de Montblanc), nu aan de kanaaloever zie het rechttrekken van de bocht in het kanaal in 1956-1960 en 1973-1974. Restant van metalen 19de-eeuwse boogbrug over de Mandel, geaccentueerd door taxussen.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg West-Vlaanderen, Cel Monumenten & Landschappen, Archief nr. 337. Kadasterarchief West-Vlaanderen, mutatieschets 207, mutatiestaat 223 (1845).
  • Rijksarchief Kortrijk, Fonds de Plotho, geschreven bronnen (archiefnrs. 339, 418 P, 1085, 3289) en figuratieve kaarten van 1664 en 1665.
  • BLOMME B., Het kasteel te Ingelmunster, in Mandeldal, 6, 1981, p. 183-186.
  • DE MEAUX M. (laatste barones te Ingelmunster), Geschiedenis van het kasteel van Ingelmunster, Ingelmunster, 1971 (brochure).
  • Den Hert, Een tijdperk is voorbij - Ingelmunsters kasteel verkocht, in Den Hert, 14, VII, december 1986, p. 3-7.
  • DHONDT L., e.a., 18de-eeuwse architectuur in België. Laatbarok - rococo - neoclassicisme, Tielt, 1998, p. 57-59.
  • GENICOT L.F. (red.), Het groot kasteelboek van België. Kastelen en buitenplaatsen, sine loco, 1977, p. 155-156.
  • VAN HOOREWEDER T., De levensjaren van het Ingelmunsters kasteel, sine loco, sine dato, (brochure).
  • VERSCHEURE S., De paal, een raadsel opgelost ?, in Den Hert, 37, XIX, juni 1998, p. 4-10.

Bron: De Gunsch A., Metdepenninghen C. & Vanneste P. met medewerking van  Tansens A. 2001: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Roeselare, Kantons Hooglede - Izegem - Lichtervelde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 17N2, Brussel - Turnhout.

Auteurs: De Gunsch, Ann; Metdepenninghen, Catheline; Tansens, Annick & Vanneste, Pol

Relaties