Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteel Ten Poele (ID: 57889)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Vaartstraat nr. 51. Kasteel "Ten Poele" of het hof "Ten Poele" was het belangrijkste leengoed van de parochie Sint-Pieters. De naam van het domein houdt verband met de eerste eigenaar Jan van de Poele die reeds in 1365 als eigenaar wordt vermeld (cf. gevelsteen met jaartal). Na de familie van de Poele bekwam Lodewijk van Reigaarsvliet, Heer van Boelare, het leenhof. Door koop ging het hof "Ten Poele" over in 1466 naar Giselbert dela neuve Rue en circa 1480 naar Joos van Halewijn, Heer van Penen. Omstreeks 1500 komt het in handen van de familie de Houdecoutre. In 1563 werd "' t goed ten poele metten huusen, bomen ende wal" verkocht aan Juan Lopez de Gallo, baron van Male. In de 17de eeuw wijzigt het leengoed verschillende malen van eigenaar. In 1733 komt het in handen van de familie Rapaert de Gras die het tot circa 1989 bewoont.

Vermoedelijk worden in opdracht van de familie Rapaert de Gras (toen de familie Rapaert) de oorspronkelijke gebouwen in de 18de eeuw vervangen door nieuwe in een classicistische stijl. Een beeld van het gebouwenbestand voor de 18de-eeuwse wijzigingen kunnen we vormen dankzij een landboek van 1689, gemaakt door I. Plante. Toen was het domein eigendom van "baron van Maele". Volgens de kaart was het domein toegankelijk via een poortgebouw. Het perceel was schaars bebouwd met vier vrij eenvoudige gebouwen met achterliggende boomgaard. De weergave is weinig gedetailleerd en niet echt betrouwbaar.

Een meer gedetailleerd en betrouwbaarder beeld krijgen we dank zij een plan van 1763. Op dit plan staat het gebouwenbestand na de verbouwingen in een typische 18de-eeuwse stijl. De gebouwen staan in perspectief weergegeven. Het hoofdgebouw, gelegen binnen de eerste omwalling, valt vooral op door zijn omvang en gevelopbouw. Het breedhuis met dubbelhuisopstand onder typisch 18de-eeuws mansardedak heeft een lijstgevel doorbroken door een centraal driehoekig fronton. Ten oosten van het hoofdvolume, bij de tweede omwalling, staat een bijgebouw, vermoedelijk in gebruik als een soort conciërgewoning. Ten westen van het hoofdvolume staan nog enkele bijgebouwen, eveneens binnen de tweede omwalling. Een andere kaart uit 1763 toont ons dezelfde situatie maar met een betere weergave van de dubbele omwalling. Enkel de gebouwen binnen de eerste omwalling staan aangeduid.

Inlichtingen over de verdere wijzigingen in de loop van de 18de en de 19de eeuw zijn eerder schaars. Het kadaster geeft een beeld van de verdere evoluties vanaf 1835. Volgens het primitief kadasterplan van 1835 is het gebouwenbestand uitgebreid en de eerste omwalling verdwenen. In 1864 wordt het kasteel uitgebreid in noordelijke en westelijke richting. In 1882 worden de gebouwen ten westen van de toegang uitgebreid in oostelijke richting naar de toegang van het domein. Het kasteel wordt nogmaals uitgebreid in 1882 in noordelijke richting. In 1967 worden de 19de-eeuwse en de 20ste-eeuwse uitbreidingen afgebroken, enkel de gebouwen aan de toegangsdreef en de gebouwen van 1889 blijven bestaan.

Het sterk vervallen kasteel en de bijgebouwen worden in 1968 hersteld en grondig verbouwd naar ontwerp van architect Maurice Vermeersch (Brugge). Te oordelen aan de hand van oud iconografisch materiaal bezat de bepleisterde hoofdgevel een klassieke ordonnantie. De symmetrisch opgebouwde gevel wordt geleed door vlakke pilasters en heeft een middenrisaliet van drie traveeën breed. Tijdens de restauratie van 1968 worden de benedenpilasters ontpleisterd, de omlijstingen van de benedenvensters verwijderd, de vensterluiken weggenomen en het raamtype gewijzigd. De aanbouw van drie traveeën wordt in neostijl verbouwd. Bij de verkoop in 1989 wordt het domein opgesplitst. Het achterste deel grenzend aan de oude spoorweg wordt publiek domein.

Beschrijving huidig gebouwenbestand. Het volledige omwalde domein is toegankelijk via een lange oprijlaan eindigend bij de brug over de omwalling. Het hoofdgebouw, palend aan de omwalling heeft een rechthoekige plattegrond en telt zeven traveeën en twee bouwlagen onder leien schilddaken. Witbeschilderde verankerde baksteenbouw met lijstgevels, aan de westzijde met een drie traveeën breed risaliet. Muurdammen met pilasters, benedenpilasters van rode baksteen. Boven de centrale deur ornament met krans waarboven een masker en festoenen.

Aanbouw van 1968 van drie traveeën en één bouwlaag onder semi-mansardedak bedekt met leien.

Interieur. Kelder onder drie linkertraveeën met bepleisterd graatgewelf en een muurnis met afgeschuinde dagkanten. Salons met bewaarde parketvloeren en marmeren regenceschouw. Trap met rijk gesculpteerde trappaal met engelenkopje. In de aanbouw van 1968 hergebruikte marmeren schouw.

Het bijgebouw van twee traveeën en één bouwlaag onder leien mansardedak met pittoreske dakkapellen. Vermoedelijk oorspronkelijk in gebruik als portierswoning. Witbeschilderde lijstgevels met accenten van rode baksteen voor onder meer de vlechtingen en de boogvelden met natuurstenen neobarokke cartouches. Gebruik van arduin voor de plint, de doorgetrokken bovendorpels en de aflijning van topgevels en ornamentiek. Haaks hierop een lager volume onder zadeldak met kelder voorzien van tongewelf.

Vóór de brug liggen de voormalige stallingen van 1896. Rechts achter de brug bevindt zich een laag gebouw met daaraan verbonden een ijskelder afgedekt met tongewelven.

Buiten de omwalling in het publieke park een belvédère of gloriette. Beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 16/04/2004. Vermoedelijk gebouwd kort voor de Eerste Wereldoorlog naar aanleiding van de aanleg van de spoorweg en naar verluidt om de eigenaars toe te laten hun domein, gesitueerd over de spoorlijn, te kunnen overschouwen. Het is opgevat als een uitkijktoren, met een open benedengedeelte, een verdieping bereikbaar via een buitentrap naar een veelhoekige ruimte met buitenterras, afgedekt met een koepel met brede dakoversteek. Geheel geconcipieerd in een eclectische stijl cf. vormgeving van de vensters in rondboognissen met geprofileerde omlijsting op pilasters en van de balustrade van het buitenterras leunen eerder aan bij het 18de-eeuwse classicisme en het 19de-eeuwse neoclassicisme.

  • DIENST MONUMENTENZORG EN STADSVERNIEUWING BRUGGE, Nota's, 31 januari 1989, 20 juli 2000.
  • KADASTERARCHIEF WEST-VLAANDEREN TE BRUGGE, Primitief kadasterplan, mutatieschetsen nummer 207, 1864/ schets nummer 6, 1882/ schets nummer 8, 1889/ schets nummer 11, 1898/ schets nummer 1, 1904/ schets nummer 2, 1908/ schets nummer 2, 1937/ schets nummer 8, 1943/ schets nummer 14, 1965/ schets nummer 2, 1957/ schets nummer 2, 1961/ schets nummer 15, 1964/ schets nummer 25, 1967/ schets nummer 10, 1968/ schets nummer 14, 1990/ schets nummer 31.
  • RIJKSARCHIEF BRUGGE, Fonds Mestdagh, nummer 1494, nummer 1503; Kaarten en plannen Watering Blankenberge, nummer 713.
  • COORNAERT M., De topografie, de geschiedenis en de toponymie van Sint-Pieters-op-den-Dijk tot 1899, Brugge, 1972, pagina's 215-218.

Bron: Gilté S., Vanwalleghem A. & Van Vlaenderen P. met medewerking van Dendooven K. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Brugge, Deelgemeenten Koolkerke, Sint-Jozef en Sint-Pieters,Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL12, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Gilté, Stefanie; Van Vlaenderen, Patricia & Vanwalleghem, Aagje

Relaties