Deze pagina afdrukken

Sint-Romboutskathedraal, Mechelen

Sint-Romboutskathedraal, Mechelen

Sint-Romboutskathedraal, Mechelen

Sint-Romboutskathedraal, Mechelen

Sint-Romboutskathedraal, Mechelen

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Sint-Romboutskathedraal (ID: 74569)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Parochiekerk opgetrokken vanaf de 13de eeuw en ingeplant in de stadskern. De monumentale westertoren domineert het stadsbeeld, de zuidgevel ziet uit op de Grote Markt en Schoenmarkt, de noordgevel op het Sint-Romboutskerkhof, koor en transkapellen palen aan het zogenaamde Nieuwwerk.

GESCHIEDENIS

Historiek. Sinds de 9de eeuw zou er reeds een Sint-Romboutsdevotie bestaan hebben in de kapel op het Sint-Romboutskerkhof (tegenover de Sint-Katelijnestraat), verwoest in 1580, heropgericht in 1597 en gesloopt in 1798. Oorkonden uit de 10de tot de 12de eeuw vermelden bovendien het bestaan sinds de 9de eeuw van een domaniale "abbatia" met kerk, gewijd aan de Heilige Rombout en ondergeschikt aan de bisschoppen van Luik. Laatstgenoemde kerk lag buiten de stadskern, in de zogenaamde "Holm". Na de stichting van het kapittel door bisschop Notger circa 1000 werd vermoedelijk op de plaats van de huidige kerk een collegiale kerk gebouwd. De overdrachtsoorkonde van de parochiale titel aan het Sint-Romboutskapittel dateert van 1134, bevestigd door de bul van paus Eugenius III circa 1150. Van deze kerk is ons echter weinig bekend, namelijk vermoedelijk van bescheidener afmetingen, met vierkante westertoren geflankeerd door vier hoektorentjes.

Bouwgeschiedenis. In het eerste kwart van de 13de eeuw werd de bouw aangevat van de huidige parochiekerk, ingewijd op 28 april 1312, na de brand van 1342 hersteld en voltooid, en in 1559 verheven tot metropolitaanse kerk.

Twee grote bouwcampagnes zijn te onderscheiden:

1) Van de 13de tot de eerste helft van de 14de eeuw. In deze eerste fase bemoeilijken uiteenlopende vooropgestelde data de precieze datering van de verschillende delen van de kerk.

13de eeuw: progressieve opbouw van zuidtransept, zuidelijke zijbeuk, schip, noordelijke zijbeuk en noordtransept (voltooid vóór 1250 volgens J. Laenen, circa 1280-1300 volgens S. Leurs).

Begin 14de eeuw: aanvang bouw van drie rechte koortraveeën en kooromgang (op de plaats van het voormalig Notgeriaans koor, zie J. Laenen).

Eerste helft van de 14de eeuw: rechte koorkapellen.

Vóór het tweede kwart van de 14de eeuw: eerste noordelijke zijbeukkapel ten oosten, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans (verbouwd in 1930). Het geheel behoort nog tot vroeggotische stijl.

2) Van de tweede helft van de 14de tot de 16de eeuw. Na de brand van 1342 volgen herstellings- en vergrotingswerken aan schip en transept (volgens D. Roggen onder leiding van Jan van Osy); schip hoger opgetrokken en voorzien van een balustrade; voltooiing koor en bouw oostpartij met zeven transkapellen circa 1342-1375 onder leiding van Jan van Osy: dit wordt het prototype van de Brabantse hooggotiek.

Overwelving schip (1437) en koor (1451). Aanleunende bijgebouwen aan rechte noordelijke en zuidelijke koorkapellen. Tussen 1452-1520: bouw westertoren (eerstesteenlegging op 22 mei 1452, de funderingen zouden echter reeds van 1449 dateren) onder leiding van bouwmeesters Keldermans achtereenvolgens Andries I de Oude van 1453 tot 1481; Antoon I de Oude, overleden in 1488; Rombout II (1460-1531) en Wouter Coolman (overleden in 1468). Tussen 1498 en 1502: aanvang bouw van de noordelijke zijbeukkapellen met aanleunende kleine sacristie.

Na de godsdienstige en politieke onlusten werden aan het einde van de 16de en in het begin van de 17de eeuw een aantal herstellingswerken uitgevoerd aan daken, gewelven, met plaatsing van ijzeren trekstangen. Circa 1625-1626: bouw van noord- en zuidtranseptportalen, aangepast circa 1714.

Uitbreidingswerken in de tweede helft van de 17de eeuw, namelijk van bijgebouwen aan de rechte noordelijke en zuidelijke koorkapellen; vergroting sacristie aan eerste noordelijke zijbeukkapel. In 1775 werd ter ere van het Sint-Romboutsjubileum het kerkinterieur verfraaid, onder meer gedeeltelijke vernieuwing van het mobilair en wijziging van het bladwerk aan de kapitelen van het schip, in het midden van de 19de eeuw vervangen door een dubbele rij gekrulde koolbladeren. Circa 1830 vergroting van de zuidelijke sacristie; tussen 1839 en 1849 herstellingswerken onder meer aan exterieur koor en toren; in 1850 bouw afsluitingsmuren tussen kooromgang en tweede rechte noordelijke en zuidelijke koorkapel. Tijdens de tweede helft van de 19de en de 20ste eeuw herhaaldelijk onderhouds-, herstellings- en restauratiewerken onder leiding van architecten F. Van de Wiele (1864-1893), L. Baeckelmans (1894-1895), H. Meyns (circa 1896-1930), S. Van Craen (1930-1950), onder meer ook na de bombardementen van 1914, 1945 en de brandramp van 1972. In 1930 bouw van de kapel van Kardinaal Mercier naar ontwerp van S. Van Craen op de plaats van de vroegere Onze-Lieve-Vrouw-Rozenkranskapel en in 1935-1937 plaatsing van nieuwe bevloering.

Heden ondergaat de toren nog steeds een grondige restauratiebeurt onder leiding van architecten E. Welch en J. Roosemont.

BESCHRIJVING

Het gebouw is voornamelijk opgetrokken uit Brabantse zandsteen met gebruik van Doornikse steen voor de zuilen van het schip. Het grondplan ontvouwt een klassiek gotische kruisbasiliek met een lengte van 116 meter en een breedte van 25 meter voor het schip, 41 meter voor de dwarsbeuk; massale vierkante westertoren met ingebouwde wenteltrap; driebeukig schip van zes traveeën met zijkapellen van onregelmatige vorm aan de noordzijde; transeptarmen en driebeukig koor van drie traveeën met zijkapellen; kooromgang en zeven transkapellen. Bijgebouwen ten noorden: kapittelzaal, bergruimte en archief; sacristieën en weekkapel ten zuiden.

De opbouw van de Sint-Romboutskerk illustreert op treffende wijze de overgang van vroeg- naar hooggotiek: de nog sober opgevatte midden- en zijbeuken contrasteren met de koorpartij die ontegensprekelijk het prototype vormt van de Brabantse hooggotiek, met zeven transkapellen geïnspireerd op de Franse kathedralen en eigen Brabantse vertolking van de gotische vormentaal. Hierbij sluit ook de open structuur van de westertoren aan .

Exterieur. Westgevel gedomineerd door de onafgewerkte 97 meter hoge massieve vierkante westertoren. Van de oorspronkelijke stervormige bekroning met achtkantige opengewerkte lantaarn (totaal 167 meter hoog) werd in 1520 wegens geldgebrek afgezien en bleef enkel de 97 meter hoge aanzet bewaard.

Toren (1452-1520): vier geledingen met ingebouwde wenteltrap (513 treden). Flankerende massieve haaks op elkaar gestelde steunberen en vier smallere tussensteunberen in de assen. Opgaande versmalling en verticalisme bekomen door versneden steunberen met muurnissen met sierlijke gotische traceringen, bovenaan versmeltend tot steunen en overhoekse pinakels met hogels en kruisbloemen.

Geledingen aangegeven door kordon en omlopende opengewerkte balustrades met drie- en vierpasmotieven. Indrukwekkend westportaal in spitsboogomlijsting met peerkraalmotieven; flankerende zuiltjes op hoge sokkels, met bladwerkkapitelen voor ontbrekende beelden. Twee verdiepte gedrukte korfboogdeuren in geprofileerde omlijsting: houtwerk met fraai smeedijzerwerk. Tegen penant: hoge sokkel met gotische traceringen eveneens voor ontbrekend beeld. Blind boogveld. Tweede geleding met twee spitsboogvormige vierlichten met gotische traceringen in de koppen, aflijnende hogels en kruisbloem. Rijzige spitsboognissen met verdiepte boven elkaar geplaatste en als venstergang opgevatte muuropeningen op de derde geleding. Vierde geleding met galmgaten in gelijkaardige ordonnantie. Zijgevels met smallere, doch gelijkaardige spitsbooglichten. Torenafwerking door middel van omlopende balustrade en aanzet van stervormige bekroning.

Hoge middenbeuk en lage zijbeuken (13de- en 14de-eeuws) respectievelijk onder zadel- en lessenaarsdaken. Zes traveeën geritmeerd door semi-octogonale pinakels en steunberen met drie versnijdingen die de luchtbogen schragen. Middenbeuk met verdiepte spitsboogvormige vijflichten met gerestaureerde drielob-, vier- en zespastraceringen; dito vierlichten in de zijbeuken; geprofileerde vensteromlijstingen met colonetten voorzien van bladwerkkapiteeltjes. Bekronende balustrade. onderbroken door pinakels, omlopend over transept en koor.

Noordelijke zijbeukkapellen (tussen 1498 en 1502) onder haakse zadeldaken, uitgebouwd op onregelmatig patroon; flankerende steunberen met bekronende pinakeltjes verbonden door omlopende balustrade; spitsboogvormige twee- en drielichten met tracering in de koppen. Aan eerste westkapel: vier- en tweezijdige uitgebouwde kleine sacristie met gedrukte spitsboogramen, in 1664 vergroot en aangepast in de tweede helft van de 19de en het eerste kwart van de 20ste eeuw. In de oksel van het noordertransept: hoge rechthoekig uitgebouwde kapel van Kardinaal Mercier in neogotische stijl, van 1930.

Uitspringende transeptarmen onder zadeldak met achtzijdige klokkenruiter met ingesnoerde naaldspits op de kruising. Puntgevels geflankeerd door op elkaar gestelde hoeksteunberen met versierde pinakels: Horizontaal doorgetrokken water- en booglijsten over de steunberen en zijgevels. In 1625 voorgebouwde - circa 1714 gewijzigde - en later gerestaureerde portalen van één bouwlaag onder combinatie van lessenaars- en schildbedaking met siervazen. Zandstenen gevels geritmeerd door rechthoekige spaarnissen; voorgevel met rechthoekige deur onder fraai uitgewerkt rondbooglicht gevat in een dito omlijsting met sluitsteen, imposten en neuten; bekronend vernieuwd driehoekig fronton. Zijdeuren in schouderboogomlijsting met imposten onder druiplijst verbonden met ovaalvormig bovenlicht.

Boven de portalen: grote spitsboogvensters in omlijsting met colonnetten voorzien van bladkapiteeltjes; aflijnend kordon en aansluitende geveltoppen met galerij opgevat als klimmende driepasarcade onder gerestaureerde hogelaflijning met kruisbloem.

Koor (14de-eeuws) van drie rechte traveeën onder zadeldak. Gelijkaardige flankerende pinakels, steunberen, luchtbogen en balustrade als het schip; spitsboogvensters met frontalen onder kruisbloem; borstweringen verfraaid door spitsboogtraceringen met ingeschreven drielobmotief.

Rechte koorkapellen met puntgevels onder typisch haakse zadeldaken; flankerende steunberen met spuiers en sierlijk uitgewerkte pinakels. Kapelgevels met ruime spitsboogvormige zeslichten onder druiplijst en klimmend maaswerk in de geveltop; hogelaflijning en kruisbloemen.

Zeven driezijdig uitgebouwde transkapellen onder haakse afgesnuite zadeldaken; omlopende balustrade onderbroken voor steunberen met spuiers onder sierlijk bekronende pinakels; scheidingssteunberen tussen kapellen verrijkt met spitsboognissen voor ontbrekende beelden; slanke spitsboogvormige tweelichten.

Aanleunende bijgebouwen aan noordelijke koorkapellen: drielichten in tudorboogvormige omlijsting, afgelijnd door balustrade en pinakels vóór eerste en tweede kapel; lagere aanbouw vóór derde koorkapel met eveneens tudorboogvormige deur, waarboven bolkozijn. Aanleunende in 1830 verbouwde bijgebouwen aan de zuidelijke koorkapellen: spitsboogvensters boven plint, van elkaar gescheiden door bundels van drie halfronde pijlertjes, onder overhoekse pinakel op kraagsteen met bladwerkversiering. Het geheel is afgelijnd door een opengewerkte balustrade.

Interieur. Onder toren: portaalruimte overwelfd door kruisgewelven op halfzuilen met loofwerkkapitelen. Ingekast neogotisch doksaal door F. Van Meerbeeck (circa 1850) met verbouwd orgel (1958): spitsboogvormige doorgangen in geprofileerde omlijstingen, zuilen met bladwerkkapiteel en beelden onder baldakijn, maaswerk en traceringen in de zwikken, het geheel verfraaid door een opengewerkte balustrade; links en rechts deurtjes die toegang verlenen tot wenteltrappen en doorgang onder toren met drieledige opstand: spitsboogvormige drielichten, opengewerkt triforium en smal spitsboogvormig drielicht. Boven doksaal: stergewelf met mangat opgevangen door colonnetten met bladwerkkapitelen. Halve travee vormt overgang tot middenbeuk: brede spitsboogvormige scheiboog, op benedenmuren blinde spitsboogtraceringen met drielobversiering en deelzuiltjes op ronde sokkel, boven arduinen zitbank; blinde bovenmuren; netgewelf opgevangen door kapiteelloze schalken.

Drieledige opstand aangehouden in middenbeuk, transept en koor. Midden- en zijbeuken (uit de 13de en 14de eeuw) gescheiden door spitsboogarcade op zuilen met kapiteel versierd met dubbele koolbladkrans onder achtzijdige dekplaat, aangebracht in het midden van de 19de eeuw (oorspronkelijke knoppenkapitelen in 1775 vervangen door een eigentijdse versiering ter gelegenheid van het Sint-Romboutsjubileum). Octogonale sokkels ten noorden, ronde en hogere sokkels ten zuiden. Beelden van Apostelen en Evangelisten door A. Colijns de Nole en J. en C. Van Mildert (1629-1640). Gedeeltelijk bepleisterde wanden en zuilen (uit het midden van de 19de eeuw?). Vijfdelig opengewerkt triforium met drielob- en vierpastracering onder spitsboogvormige vijflichten met archivolt op colonnetten met bladkapiteeltje. Kruisriboverwelving (1437) op gebundelde schalken met bladwerkkapiteeltjes, middenschalk zet aan op loofwerkconsooltje boven zuilkapiteel.

Zijbeuken onder kruisriboverwelving opgevangen door halfzuilen met onversierd kapiteel, op ronde sokkel. In de zuidelijke zijbeuk: spitsbooglichten in gelijkaardige omlijsting als middenbeuk; benedenmuren verlevendigd door blindtraceringen met driepasmotieven en sobere bladwerkopvulling in de zwikken. Torentravee in de westmuren afgesloten door marmeren voormalige koorafsluiting van 1672 door J. Van den Steen. Noordelijke zijbeuk van zijkapellen gescheiden door spitsbogen met archivolt op colonnetten met bladkapiteel.

Noordoostelijke zijbeukkapel (vóór het tweede kwart van de 14de eeuw) voorheen gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans en in 1930 verbouwd tot kapel van Kardinaal Mercier, in neogotische stijl, naar ontwerp van architect S. Van Craen. Overige noordelijke zijbeukkapellen gebouwd tussen 1498 en 1502: twee- en driezijdige sluitingen, ingewikkelde ster- en netgewelven opgevangen ten noorden door schalken met of zonder kapiteeltjes; muurwanden geritmeerd door blinde korfboogtraceringen met ingeschreven maaswerk. Grotere eerste westkapel zogenaamd "Heilige Sacramentskapel": drie traveeën met tegen de astravee gelijktijdige driezijdige noordelijke aanbouw voor kleine sacristie, in 1664 vergroot en aangepast in de tweede helft van de 19de en het eerste kwart van de 20ste eeuw.

Transept (uit de 13de en 14de eeuw) met kruising onder kruisribgewelf opgevangen door bundelpijlers met flankerende driekwartzuilen en colonnetten; knoppenkapitelen ten westen en bladwerkkapitelen ten oosten. Drieledige opstand in transeptarmen enkel aangehouden in koortravee met soberder uitgewerkt triforium; vensters in uiterste travee deels gedicht. In de oostelijke benedenmuur van het zuidtransept: vroeggotische gedrukte spitsboogvormige blindarcade uit het begin van de 13de eeuw, gedragen door zuiltjes op ronde sokkel en voorzien van knoppenkapitelen; gedeeltelijk zichtbare sporen van muurschilderingen uit de 15de eeuw (?) met voorstelling van de Heilige Alexis en Heilige Dorothea en Johannes de Doper.

Overige benedenmuren met blindtraceringen met driepasmotieven. Westelijk tudorboogdeurtje gaf voorheen toegang tot de zogenaamde "Paye-camer", afgebroken in 1914. In de noordelijke transeptarm rijkere architectonische detailuitvoering: sierlijker en meer gevarieerde bladwerkopvulling in de muurtraceringen. Kruisriboverwelving ten westen gedragen door halfzuilen met knoppenkapitelen, ten oosten door bundelpijlers met bladwerkkapitelen met geringde colonnetten aan ingang kooromgang; gewelfribben in uiterste transepttravee opgevangen door schalken met kapiteeitjes en sokkels ten oosten. Scheibogen met kooromgang zetten aan op gehistorieerde kapitelen aan koorpijlers. Marmeren noordelijke en zuidelijke tochtportalen van 1713-1715 door F. Langhemans.

Constructieverschillen en architectonische detailuitvoeringen, onder meer de vorm- en hoogteverschillen van de zuilensokkels in de middenbeuk, de kapiteelvormen, triforiumbehandeling en benedenmuurversieringen in transeptarmen verwijzen duidelijk naar een opbouw vanuit het zuiden naar het noorden tijdens de eerste bouwfase.

Koor (uit de 14de eeuw) met drie rechte traveeën en zevenzijdige sluiting. Drieledige opstand: spitsboogarcade op zuilen met octogonale sokkel en kapitelen met dubbele koolbladkrans onder achtkantige dekplaat met rozetmotief. Sierlijk opengewerkt vijfdelig triforium onder spitsboogvormig vierlicht; tweedelig triforium en tweelichten in de sluiting. Sterk verticaliserend effect bekomen door het oplopend blind maaswerk met vierpasmotieven, doorgetrokken over de zwikken van scheibogen en penanten aan vensters; nog geaccentueerd door de kapiteelloze schalken die de kruisrib- en straalgewelven opvangen (1451).

Kooromgang onder kruisribgewelven op kapiteelloze bundelpijlers. Rechte koorkapellen (uit de eerste helft van de 14de eeuw) onder kruisribgewelven opgevangen door kapiteelloze schalken. Spitsboogtraceringen op benedenmuren zonder deelzuiltjes, doch op gehistorieerde consooltjes en symbolen van Evangelisten. Eerste zuidelijke koorkapel met grote sacristie; tweede kapel, voorheen Aartsbisschoppelijke kapel, in 1850 door muur afgesloten van kooromgang en geïntegreerd bij sacristie; aanleunend rechthoekig zuidelijk bijgebouw, voorheen zogenaamde "ornamentenkamer", in 1665 eveneens ingericht als sacristie en verbouwd circa 1830.

Eerste rechthoekige noordelijke koorkapel met kapittelzaal; tweede koorkapel in 1850 door muur van kooromgang afgesloten; oprichting van noordelijke bijgebouwen aan laatstgenoemde en derde kapel. Oostpartij (uit de 14de eeuw) met zeven transkapellen met driezijdige sluiting, van de kooromgang gescheiden door een spitsboogarcade op kapiteelloze bundelpijlers. Straalgewelven opgevangen door kapiteelloze schalken; gewelfsleutels met gebeeldhouwde gehistorieerde taferelen. Spitsboogvormige tweelichten; muurwanden met blinde spitsboogtraceringen, eertijds verlevendigd door beschilderingen en emblemen van de gildenverenigingen, heden nog sporadisch bewaard in de kapel van Kardinaal Dechamps, voorheen van de handbooggilde, naast neogotische beschilderingen uit de tweede helft van de 19de eeuw, onder andere in de Heilige Engelbertuskapel.

Mobilair. Bijzonder rijk kerkmeubilair, onder meer talrijke barokke en neogotische kunstwerken.

Schilderijen: reeks panelen met wapenschilden van het Kapittel van het Gulden Vlies (1491). Rijke verzameling van schilderijen en triptieken, onder meer Besnijdenis van Christus, door M. Coxie (1587); Marteling van Sint-Sebastiaan, door M. Coxie (1586); triptiek met Marteling van Sint-Joris, door M. Coxie (1588); triptiek met Verrijzenis van Christus, door J. Snellinck (1601); triptiek met David overwint Goliath, door J. Le Sayve de Oude (circa 1600); Christus aan het kruis, door A. Van Dijck (circa 1630); triptiek met Sint-Lucas schildert het portret van de Heilige Maagd, door A. Janssens (uit het begin van de 17de eeuw); Maria en Jezus vereerd door de heiligen, door G. De Crayer (1649?); Aanbidding van de Herders, door J.E. Quellyn (1669); Maria ten hemel opgenomen, door E.J. Smeyers (uit het midden van de 18de eeuw; Binnenzicht van de metropolitaanse kerk, door P.J. Verhaegen en C. Leclercq (uit het midden van de 18de eeuw); talrijke taferelen van Sint-Rombout door onder andere J. Crokaert, J. Boudin en W.J.F. Herreyns (uit de 18de eeuw); Roeping van Sint-Rumoldus, door J.B. Gaeremijn (uit de tweede helft van de 18de eeuw).

Beeldhouwwerk: apostelbeelden (aan zuilen middenbeuk), door R. en A. Colyns de Nole en J. en C. Van Mildert (1629-1640); Lijdende Christus, door N. van der Veken (1688); houten tabernakel door N. Van der Veken (?) (circa 1700) met Laatste Avondmaal en Oogsten van manna; buste van Mater dolorosa in witte steen, door L. Fayd'herbe (1644); albasten beeld van Virgo dolorosa, door A. Quellyn de Jongere (uit de 17de eeuw); medaillons met heiligen (afkomstig uit Leliëndaal), door P. Valckx (uit het midden van de 18de eeuw); acht stenen beelden: Sint-Lucas, Sint-Marcus, Sint-Ambrosius, Sint-Augustinus, Sint-Carolus, Sint-Gregorius, Sint-Hieronymus en Sint-Jozef door L. Fayd'herbe, Th. Verhaegen en P. Valckx (uit de 17de en 18de eeuw).

Grafmonumenten: onder meer van aartsbisschop Matthias Hovius (1630); van aartsbisschop Cruesen door L. Fayd'herbe (1669); van Prosper Ambroise de Precipiano door M. Vervoort de Oude (1709); van aartsbisschop Franciscus Antonius de Méan (overleden in 1831), door L. Jehotte (1837); van kardinaal Mercier (overleden in 1926) door P. Ephrem (circa 1930).

Meubilair: barok hoogaltaar in wit en zwart marmer ontworpen door G. Hesius, uitgevoerd door L. Fayd'herbe (1666). Zijaltaar van Onze-Lieve-Vrouw, door F. Langhemans (1699), van Sint-Anna door J. Van den Steen (1699); altaar van het Heilige Sacrament door J.F. Boeckstuyns (1704); neogotisch altaar met tabernakel in verguld koper, door L. Van Ryswijck (1875).

Preekstoel met onderaan de Bekering van de Heilige Norbertus, door M. Vervoort de Oude (1723) (eertijds in oude kapel van Leliëndaal); neogotisch eiken koorgestoelte naar ontwerp van F. Pluys door Gebrs. Goyers (1860); neogotisch doksaal door F. Van Meerbeeck (circa 1870); orgel (huis Stevens, 1958).

Witmarmeren communiebank door A. Quellyn de Jonge (1678), (afkomstig uit Leliëndaal); oude wit- en zwartmarmeren koorafsluiting door J. Van den Steen (1672), bevindt zich nu aan weerszijden van het westportaal.

Latoenen kandelaars (1595) en koorlezenaar (1591) door J. Cauthals II; reliekschrijn van de Heilige Rumoldus door J.F. Van Deuren (1825).

Talrijke glasramen door J.F. en L. Pluys (uit de 19de eeuw), onder meer Afkondiging van het dogma der Onbevlekte Ontvangenis van Maria (1860, noordertransept); Verheerlijking van Maria Middelares, door V. Ladon (1936, zuidertransept).

Beroemde oude beiaard met klokken: Jezus (1480), Maria (1498), Carolus en Magdalena, gegoten door M. de Haze (1696); Libertus gegoten door A. Van den Geyn (1766), Salvator door Van Aerschot-Vanden Gheyn (1844) en Rombout, gegoten door S. Van Aerschot (1861). Nieuwe beiaard van 49 klokken op 4 juni 1981 in de toren gehesen.

  • GODENNE L., Malines jadis et aujourd'hui, Mechelen, 1908, p. 63-131.
  • LAENEN J., Histoire de l'Eglise Métropolitaine de Saint-Rombout, Mechelen, 1919, 2 dln.
  • LEMAIRE R., ROGGEN D. en LEURS S., Bij het ontstaan van de Brabantse Hooggotiek, Antwerpen, 1944.

Bron: Eeman M., Kennes H. & Mondelaers L. 1984: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Mechelen, Binnenstad, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 9N, Brussel - Gent.

Auteurs: Mondelaers, Lydie

Relaties