Deze pagina afdrukken

Abdij van Male, Sint-Kruis

Abdij van Male, Sint-Kruis

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Abdij Sint-Trudo van de kanunnikessen-augustinessen van de orde van het Heilig Graf (ID: 77461)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

* Pelderijnstraat nummer 14. Abdij Sint-Trudo van de kanunnikessen-augustinessen van de orde van het Heilig Graf. Beeldbepalend en volledig omwald, voormalig grafelijk slot van Male teruggaand tot de 14de eeuw en tot abdij verbouwd in 1953-1973. De slottoren is beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 05/05/59; de hele abdij, slotgracht en brug zijn beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 04/07/96.Oorspronkelijk strategisch gelegen aan de Antwerpse Heerweg (cf. Maalse Steenweg), ten oosten van de Malevijver (cf. Maalse Steenweg nummer 488) van waaruit de stad Damme via de Pijpeweg (aanleg in 1296) tot in de 17de eeuw van water werd voorzien, ten zuiden van het Maleveld en voorts omgeven door weiden en bossen het zogenaamd "Park van Male".

Over de vroegste geschiedenis bestaan er geen bronnen. Het is mogelijk dat Male, omwille van de strategische ligging, in de 9de eeuw deel uitmaakt van de verdedigingslinie tegen de Noormannen. Vermoedelijk stond er hier een primitieve houten burcht op een kunstmatig opgeworpen heuvel. Er zijn aanwijzingen dat Male reeds in de tweede helft van de 12de eeuw door de graven van Vlaanderen als jachtverblijf wordt gebruikt. Filips van den Elzas (graaf tussen 1168-1191) verblijft er als eerste en maakt van Male een grafelijk bestuurscentrum. Hij laat er in 1166 een grafelijke kapel bouwen, waarschijnlijk ter vervanging van een oudere, die in 1170 volgens de legende door Thomas More van Canterbury zou zijn ingewijd. Stukken van een veldstenen muur op het binnenplein, opgegraven in 1955, zijn wellicht restanten van deze kapel. De graven van Vlaanderen zullen er gedurende de 14de eeuw regelmatig verblijven. De steden sturen hun afgevaardigden naar hier om er hun zaken "ten parlemente" te bepleiten. In 1302 verzetten de ambachten zich tegen de graaf en de "klauwaarts" plunderen het kasteel. Bij de herstelling in 1308 is er reeds sprake van een middentoren. Het kasteel wordt in 1382 opnieuw verwoest, ditmaal door de Gentenaars onder leiding van Filips van Artevelde. In 1385 wordt de kelder van de toren als gevangenis ingericht.
In 1390-1397 wordt het kasteel andermaal herbouwd door Margareta van Male, echtgenote van de Bourgondische hertog Filips de Stoute.
Gedetailleerde rekeningen geven een beeld van de luisterrijke inrichting. De fundamenten van het kasteel, gebouwd op een vierkante plattegrond, 65 meter per zijde en gelegen in een meander van de Maleleie, dateren uit die periode. In het midden van elke zijde en op elke hoek staat een vierkante toren. De huidige poorttoren dateert uit deze periode en rust op een bredere basis dan de vorige. In de zuidvleugel met poorttoren bevinden zich de vertrekken van de graaf en hofhouding.
Tijdens een nieuw conflict, in 1453, tussen de Gentenaars en hertog Filips de Goede, wordt het kasteel voor een groot deel door brand verwoest. De hertogen, die vooral in het Prinsenhof in Brugge verblijven, laten enkel de drie hoofdtorens en de kapel herstellen. In 1472 teistert opnieuw een brand het kasteel, vooral de hoofdtoren heeft het zwaar te verduren. In 1480-1482 worden op de poorttoren de hoektorentjes met weergang en een wenteltrap toegevoegd. Onder de Bourgondische hertogen geraakt het kasteel stilaan in verval en wordt nog enkel bewoond door een kastelein.
Op een kaart met datum 1561 en getiteld: "Kaart van het Zwin: de streek tussen Wenduine, Vere, Bouchoute en Brugge" staat het kasteel nog met twee torens afgebeeld, verbonden door een vleugel waarvan wellicht de rechtse toren de hoofdtoren is. In 1558 verkoopt Filips II het park en kasteel van Male aan zijn raadsman Jean Lopez Gallo en verheft in 1560 de heerlijkheid tot baronie. Lopez Gallo laat het kasteel herstellen en behoudt daarbij de fundamenten en de zuidvleugel met de twee overgebleven torens. Op de gravure van Sanderus van 1641 staat het "Antiqua Castella de Male" zoals Lopez Gallo het zal hebben verbouwd, bestaande uit de voorgevel met de drie torens en de westgevel tot aan de fundamenten van de vroegere middentorens. Of ook de oostvleugel wordt herbouwd is op de gravure niet te zien. Het kasteel blijft het middeleeuwse, weerbare karakter behouden maar ondergaat duidelijk de invloed van de Renaissance, cf. de poortomlijsting met zuilen en driehoekig fronton en grotere vensteropeningen.
In 1710 koopt baron François Claesman de baronie van Male. Opnieuw wordt het kasteel verbouwd en geïntegreerd in een groot kasteelpark, aangelegd in een formele stijl. Een gravure van 1712, gemaakt door Norbert Heylbrouck, toont het "Stadt parcq ende Baronnie van Male". Het kasteel is nu getransformeerd tot een statig landhuis, toegankelijk via een brug met twee vleugels. De hoofdtoren en een deel van de (verlaagde) zijvleugels blijven behouden, de hoektorens zijn verdwenen. De gehalveerde zijvleugels dienen als dienstgebouwen en personeelsvertrekken. Een afsluiting deelt het binnenhof in tweeën, het achterliggende deel bestaat uit een tuin met symmetrische aanleg en formele plantenperken. De toegangspoort, uitgevend op het binnenhof, krijgt een portaal met boven de vleugeldeur een wapenschild geflankeerd door twee leeuwen. De gevel van de kapel in de zuidoosthoek krijgt een 18de-eeuwse aanpassing, onder meer met driehoekig fronton.
De vijfzijdige kapelerker van de huiskapel tegen de oostgevel dateert uit 1718. Het interieur wordt heringericht naar de normen van de heersende tijd. Uit een gravure van 1786, gemaakt door Goethals, blijkt dat de linkervleugel verdwenen is.
Na de Franse Revolutie ligt het kasteel er vervallen bij. De oorspronkelijke ophaalbrug wordt in 1807 vervangen door de huidige, stenen brug. In 1840 wordt het kasteel terug bewoonbaar gemaakt. In 1891 laat de toenmalige eigenaar, Paul de Lemarre, verschillende verbouwingen uitvoeren. Tegen de hoofdtoren is links een laag dienstgebouw van vier traveeën aangebracht, de rechtervleugel wordt opgetrokken tot twee verdiepingen en bepleisterd. De westvleugel wordt verbouwd tot stalling. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient het kasteel als verblijf voor Duitse officieren en soldaten van het marinekorps. Na de oorlog wordt Raphael Gillès de Pélichy in 1920 eigenaar van het kasteeldomein. Onder meer door behoud van de hoofdtoren en het wegnemen van de 19de-eewse bepleistering wil hij het kasteel opnieuw een middeleeuws uitzicht geven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het kasteel andermaal bezet door het Duitse leger. Deze laat het na de oorlog in een gehavende toestand achter. In 1946 voert Guido Gillès de Pélichy de meest noodzakelijke herstellingen uit, maar het kasteel blijft onbewoond. In 1953 verhuurt de baron het kasteel aan de VZW zusters augustinessen der abdij van Sint-Trudo. Deze kloostergemeenschap kent haar oorsprong in de Brugse Eekhoutabdij (cf. Brugge 18nb), verhuist naar Odegem (cf. Assebroek) en wordt vanaf 1248 onafhankelijk. Door de godsdienstperikelen op het eind van de 16de eeuw vluchten ze naar de Brugse binnenstad waar ze zich tot de jaren 1950 vestigen aan de Nieuwe Gentweg (cf. Brugge 18nb en Assebroek).
In 1953-1954 wordt begonnen aan de bouw van een abdij op de oude fundamenten van het kasteel. Deze werken onder leiding van architect Arthur Degeyter (Brugge) zullen 20 jaar in beslag nemen. Het middeleeuwse grondplan, id est de omwalde vierkante site waarop vier vleugels met gesloten opstelling rond een binnenhof, is het uitgangspunt en is tevens in overeenstemming met het traditionele plattegrond van de abdijbouw. Met uitzondering van de noordvleugel worden de buitenmuren van de abdij grosso modo opgetrokken op de bestaande, waarschijnlijk middeleeuwse, fundamenten (1390-1397); deze bakstenen muren hebben onderaan verscheidene lagen natuursteen.

In een eerste fase (1953-1954) worden de bestaande gebouwen, rechts van de hoofdtoren en de oostvleugel, bewoonbaar gemaakt. Hierbij wordt een 18de-eeuwse trap, afkomstig uit de "Berg van Charitate" langs de Langerei te Brugge, ingepast.
De korte 18de-eeuwse oostvleugel wordt vanaf de vroegere middentoren op de oude fundamenten verlengd.
Op 11 september 1954 vestigen de kloosterlingen van de Brugse Sint-Trudoabdij zich definitief in het kasteel.
In 1955 komt er links van de hoofdtoren een nieuwe vleugel, de paardenstal aan de westvleugel wordt afgebroken, de bewaarde buitenmuur wordt opgenomen in de abdijkerk die wordt ingewijd op 14 juli 1956. De dwarsbeuk, iets hoger en breder dan het koor en het schip, rust op de basis van de vroegere middentoren, de buitengevel is nagenoeg blind.
In 1956 wordt het linkerdeel van de hoofdvleugel met hoektoren herbouwd waarbij de resten van een kleine ridderzaal worden opgenomen. In dit linkerdeel komen de slaapvertrekken voor de gasten. De vormgeving van de gevel is geïnspireerd op oude gravures, de raamindeling echter is op geen iconografische bron gebaseerd.
In 1959 aankoop van het kasteel door de abdij, aan de noordkant wordt de pandgang op enkele meters van de slotgracht gebouwd. Deze verbindt de oostvleugel, het eigenlijke klooster met zustercellen op de verdieping, met de kerk.
In 1963-1964 volgt de verbouwing en restauratie van het rechterdeel van de zuidgevel en de zuidoostelijke hoektoren. De bovenste, in de 19de eeuw toegevoegde bouwlaag, wordt enkele meters verlaagd. Plaatsen van een nieuw bakstenen gevelparement, de vensters krijgen een andere verhouding en raamindeling. Op de hoektoren worden de vensters op een gelijkaardige wijze uitgewerkt zodat de muurwanden een gesloten indruk geven. Voorts worden het vlakke dak en fronton van de toren vervangen door een nieuwe torenspits. De vijfzijdige kapelnis krijgt een nieuw dak. De binnenkoergevel, opgetrokken in de 18de eeuw, behoudt de benedenvensters, de vensters van de verdiepingen worden uitgewerkt zoals in de voorgevel. Nog in 1964 wordt de bijhorende boerderij aangekocht.
De hoofdtoren wordt gerestaureerd in 1964-1966. De onderbouw in Brabantse kalkzandsteen blijft behouden, van de bakstenen torenromp wordt een groot deel van het parement weggekapt en vervangen door bakstenen, afkomstig van in Brugge gesloopte, historische gebouwen.
De rondboogpoort krijgt een spitsboogvorm, steunend op tijdens de restauratie gevonden bouwsporen. De 17de-eeuwse poortnaald hoorde oorspronkelijk bij de kapel, staande in de tuin van de Brugse Sint-Trudoabdij. De flankerende vensters vervangen de 19de-eeuwse. Daarboven komen, ook in de zijgevels, per verdieping verkleinende segmentboogvensters zoals teruggevonden in de achtergevel. De drie achthoekige torentjes op de kuipen worden afgebroken. Van de traptoren aan de binnenkoergevel wordt het 19de-eeuwse bovengedeelte weggenomen en een nieuwe spits geplaatst. De 18de-eeuwse aanbouw aan de achtergevel wordt gereduceerd tot het benedenhuis met poort, het huis krijgt een mansardedak met twee dakkapellen. In de vrijgekomen torenwand worden de vensters geplaatst volgens teruggevonden sporen.
De noordwestelijke hoektoren is in 1971-1972 op de oude funderingen gebouwd naar het model van beide andere. Hier is onder meer de kapittelzaal ondergebracht.

De bijhorende boerderij, gelegen aan de zuidoostkant van de abdij, wordt in 2001 door architecten Ignace Vermeersch en Dave Deneir (Knokke) gerestaureerd en ingericht als bezoekerscentrum.

Abdijcomplex bestaande uit vier vleugels gelegen rond een binnenkoer en met abdijkerk, klooster, pandgang, gastvertrekken, vergaderzalen, drukkerij en bibliotheek. Grotendeels gebouwd op de oude fundamenten van de vierzijdige middeleeuwse waterburcht. Poortgebouw en afzonderlijk bezoekerscentrum. Omliggend park met verschillende oude bomen. Baksteenbouw met gedeeltelijk witbeschilderde muren en onder pannen zadeldaken.
De abdij is toegankelijk via het voormalige "Hooghe huus" van de heerlijkheid Male cf. supra, gelegen op de hoek van de Pelderijnstraat en de Lodewijk van Malestraat. Rechts van dit voormalige schepenhuis bevindt zich een korfboogpoort met zandstenen omlijsting. Achter een weide ligt het majestueuze gebouw met statige torens binnen een volledige omwalling. Aan de buitenkant getypeerd door middeleeuws ogende en stoere gevels, aan het binnenhof met een meer open karakter.
Hoofdvleugel met centrale toren met kern uit 1390-1397 en twee flankerende zijvleugels met vierkante hoektorens. Monumentale, verankerde hoofdtoren toegankelijk via een stenen brug uit 1807. Gebruik van zandsteen voor sokkel en hoekkettingen, leien schilddak. Spitsboogpoort en segmentboogvensters op de verdiepingen gereconstrueerd volgens teruggevonden sporen. Op de begane grond betraliede, vierkante vensters aangebracht in 1964, ter vervanging van 19de-eeuwse ramen. Boven de poort een witstenen beeldhouwwerk van Marcel Wittouck (Lovendegem), gemaakt in 1967 in opdracht van de VTB en met voorstelling van een ridder en een geestelijke naast een wapenschild met leeuw. In de kleine, vierkante openingen boven de poort staken de kettingen van de ophaalbrug. Bovenaan de toren rust de borstwering op een korfboogfries met op de hoeken aanzetten van de nu verdwenen arkeltorentjes.
De onderkelderde vleugel rechts van de hoofdtoren ligt drie meter achteruit ten opzichte van de hoofdtoren. De vleugel rust op de oude fundamenten en is in de 18de en 19de eeuw aangepast. Het huidig uitzicht, met zes traveeën en drie bouwlagen, is het resultaat van de restauratie van 1964. Vierkante hoektoren, aangepast in de 18de en 19de eeuw, onder een in 1964 geplaatst tentdak. Tegen de oostkant bevindt zich de vijfhoekige kapelnis van 1718 onder vernieuwd leien kegeldak. Zowel in de zijvleugel als hoektoren, gelijkaardig uitgewerkte vensters ter vervanging van de 18de- en 19de-eeuwse vensters en geïnspireerd op middeleeuwse voorbeelden.
De linkerzijvleugel met hoektoren is in 1955 licht achteruitgebouwd op de oude fundamenten. Gesloten gevelwand van drie bouwlagen en zes traveeën. Op de begane grond steekt een groot rondboogvenster die de ridderzaal verlicht, daarboven rechthoekige vensteropeningen zoals in de rechtervleugel. Op de strook met fundamenten zijn vóór de zijvleugel beplantingen aangebracht.
Westvleugel met de abdijkerk opgetrokken in 1955 op de oude fundamenten. Schip en koor met blinde, bewaarde gevelwanden van de 19de-eeuwse paardenstallen. Links van de blinde muur zitten zes kruisvensters in een nieuw gemetselde gevel met aflijnende bouwnaad. Licht uitspringend transept met klokkentoren, gebouwd op de basis van de middeleeuwse middentoren. Strak uitgewerkte gevel met vier smalle, hoge segmentboogvensters en daarboven de openingen van de klokkentoren, afgescheiden door monelen. Smeedijzeren torenkruis met schild van Vlaanderen, de kroon van het graafschap en het dubbelkruis van het Heilig Graf. Hoektoren van 1971-1972, gebouwd op de oude funderingen en naar het model van de oostelijke hoektoren.
Oostvleugel met witbeschilderde gevels, gebouwd op de oude fundamenten. Het eerste stuk tot aan de vroegere middentoren gaat terug tot de 18de eeuw. Twee bouwlagen boven een kelderverdieping, vooruitspringend volume van twee traveeën aanleunend tegen de hoektoren en achteruitliggend deel van zeven traveeën. Rechthoekige vensteropeningen met vernieuwd schrijnwerk met kleine roedeverdeling naar het 18de-eeuwse model. Tweede deel aangebouwd in 1953-1954, twee bouwlagen boven kelderverdieping. De traveeën worden beklemtoond door de in de as geplaatste dakkapellen. De plaats van de vroegere middentoren wordt geaccentueerd door een dwars geplaatst volume met klokgevel.
Noordvleugel met pandgang van 1959, gebouwd op enkele meters van de walgracht. De open pandgang verbindt het convent in de oostvleugel met de kerk in de westvleugel. Lage vleugel met glaspartijen die zicht geven op het achterliggende park.

Hoofdvleugel aan binnenkoerzijde. Tegen de romp van de hoofdtoren is een 18de-eeuws poortgebouw geplaatst met bepleisterde en witbeschilderde gevel. De centrale poorttravee onder rondbogig fronton, steunend op pilasters, wordt geflankeerd door twee venstertraveeën, afgeboord met imitatievoegen. Segmentboogpoort gevat in een geprofileerde omlijsting met sluitsteen. Daarboven een 18de-eeuws bas-reliëf, twee leeuwen houden de wapenschilden van Male en Jeruzalem met het dubbel kruis van het Heilig Graf. Segmentboogvensters en poort met vernieuwd houtwerk naar 18de-eeuws model. Het leien mansardedak en de twee dakkapellen zijn nieuw aangebracht tijdens de restauratie van 1964-1966. Daarboven de torenwand met spaarzaam aangebrachte vensteropeningen. Tegen de noordoosthoek een achtzijdige traptoren met nieuw kegeldak. Linker- en rechtervleugel, van drie bouwlagen en vijf traveeën, met witbeschilderde gevels. De vensteropeningen zijn grosso modo uitgewerkt zoals aan de voorkant. Op de begane grond rechts verlichten grote segmentboogvensters de ridderzaal. De westvleugel bevat de abdijkerk, gewijd in 1956, met centraal de dwarsbeuk geconcipieerd als klokkentoren. Aan binnenkoerzijde is het schip doorbroken door drie gevelhoge segmentboogvensters.
Oostvleugel aan binnenkoerzijde met witbeschilderde gevels. Tegen het eerste deel uit de 18de eeuw, aanbouw van 1953 met pandgang verlicht door rondboogvensters. Het tweede deel, eveneens met pandgang, heeft op de verdieping vierkante vensters van de zustercellen met in de as geplaatste dakkapellen.
Noordvleugel van 1959 met pandgang. Witbeschilderde gevel met op de begane grond rondbooggalerij steunend op korte zuilen. Daarboven vierkante vensters van de zustercellen.

Interieur. Achter de poort van de hoofdtoren ligt de inkomhal, bevloerd met schorren in Doornikse steen, en een zoldering met moer- en kinderbalken. Links steekt een natuurstenen schouw. Aan de noordzijde zit een spitsboogopening, de oorspronkelijke buitenpoort naar het binnenhof, op natuurstenen basis. Overwelfde kelder met kern uit 1308 en met uitbreidingen van 1472 ten behoeve van het breder maken van de toren. In de noordoosthoek leidt de traptoren naar de vier boven elkaar liggende torenkamers. De eikenhouten trap, aan de zuidoostkant, is aangebracht tijdens de restauratie uit de jaren 1950 en leidt naar de twee onderste verdiepingen.
De torenkamers zijn sober aangekleed en dienen als vergaderruimte voor de gasten. Het dakgebinte in de bovenste zaal is grotendeels 15de-eeuws en bestaat uit een dubbel schaar- en een nokgebinte.
In de rechtervleugel en hoektoren zitten nog de oorspronkelijke kelders met tongewelven, onder de hoektoren met kruisribbengewelf. Op de begane grond liggen achtereenvolgens de trapzaal, twee ontvangstkamers en in de hoektoren de gastenrefter. Trappenzaal met de in 1953 geplaatste 18de-eeuwse trap, afkomstig van de "Berg van Charitate" aan de Langerei (cf. Brugge 18nb). Ontvangstkamers met 18de-eeuws interieur, eikenhouten deuren en plafonds, respectievelijk met houten zoldering en met stucwerk, rijk versierde schouwmantels. Hoektoren met de vijfzijdige altaarnis van de voormalige huiskapel. In de eikenhouten lambrisering met sierlijk houtsnijwerk zitten vier schilderijen van 1737 van Mathias de Visch (Brugge), met de vier voorafbeeldingen van de eucharistie en vier medaillons met decoratieve motieven ingewerkt. In de linkervleugel bevindt zich de ridderzaal, heden in gebruik als conferentiezaal. De lange ruimte is overspannen met een vierdelig kruisribgewelf, een groot zuidvenster geeft uitzicht op de slotgracht en de voorliggende weide.
Achter de ridderzaal is de toegang naar de kerk. Spaarzaam verlichte en sobere zaalkerk van 1956, toegewijd aan de Verrijzende Christus. Bepleisterde en lichtgrijs beschilderde muren, de zoldering is afgewerkt met een zichtbaar gelaten constructie in ribbenbeton. Het schip wordt aan de oostzijde verlicht door drie gevelhoge vensters, de westkant is gesloten. Dwarsbeuk met grote vensterpartij met glas-in-lood aan de westkant, aan de oostkant steken vier hoge vensters. Koorapsis met diffuus licht via glasplaten op het dak. Boven het altaar hangt een houten triomfkruis uit de 15de eeuw, afkomstig van de oude Sint-Trudo-abdij. In de muren zijn staties van de kruisweg, door keramist Rogier Vandeweghe, in de natte bepleistering gegrift. Orgel van 1972 gebouwd door orgelbouwer Jean-Pierre Draps naar ontwerp van van Antoine Fauconnier. De oorspronkelijke kelder van de zuidwestelijke hoektoren, met gedrukt tongewelf, is ingericht als crypte. Het altaar is opgetrokken uit stenen, opgegraven uit de binnenplaats. Een andere crypte bevindt zich onder het altaar.
In de noordwestelijke hoektoren van 1971-1972 is op de begane grond, in een hoge ruimte, de kapittelzaal ondergebracht. Onder de vensters tegels, onder meer afkomstig van de oude Sint-Trudoabdij. Een 15de-eeuwse wenteltrap, afkomstig van het Brugse Prinsenhof, geeft toegang tot een conferentie- en werkruimte.

Voormalige hoeve van het "neerhof" gelegen ten zuidoosten van de abdij. Behoort tot het dorpsgezicht, beschermd bij Ministerieel Besluit van 29/05/1995. Hoeve op U-vormige plattegrond, wellicht uit het einde van de 17de of begin 18de eeuw en verbouwd in het begin van de 19de eeuw. In 2001 door architecten Ignace Vermeersch en Dave Deneir (Knokke) gerestaureerd als "Kunstige Herstelling" en ingericht als bezoekerscentrum van de abdij. Verankerde baksteenbouw onder pannen zadeldaken, aan de binnenkoer witgekalkte gevels en zwart gepekte plint. Oostvleugel met voormalig woonhuis met opkamer, eindgevels met vlechtingen. Bolkozijn in de top van de zuidvleugel, overigens sterk verbouwd in de 20ste eeuw. Zuidvleugel met voormalige stallingen aan binnenkoerzijde doorbroken door staldeuren en vensters. Westgevel met voormalig koetshuis, twee bouwlagen onder schilddak. Aan de westkant steekboogvormige muuropeningen, boven de deur een liggende oculus.

Park. Maakt eveneens deel uit van de historisch gegroeide omgeving van het kasteelcomplex. Een gravure van 1712, gemaakt door Norbert Heylbrouck, toont het "Stadt parcq ende Baronnie van Male" zoals circa 1710, aangelegd door de toenmalige eigenaar baron Claesman. De Franse tuin, met formele aanleg, sluit aan bij het residentiële karakter van het toenmalige landhuis, verbouwd door baron Claesman. Centraal ligt een as in het verlengde van de hoofdtoren als vista naar het noorden, op de Poppkaart (1842) is de tracering van de as herkenbaar. Enkele dreven, drie vijvers en een rij oude taxusbomen zijn de enige resten van de 18de-eeuwse tuinaanleg.
Heden een vrij eenvoudig, beboomd park met grote graspartijen en paadjes. Ten westen wordt het park begrensd door de Lodewijk van Malestraat, ten zuiden door de Pelderijnstraat en ten oosten door de kasteeldreef. De Maleleie, ontspringend in de meersen ten zuiden van de Maalse Steenweg, loopt parallel met de kasteeldreef en maakt achter de abdij een noordwaartse knik. Ten westen van de omwalde site ligt een ijskelder, wellicht daterend uit het begin van de 19de eeuw. De ijskelder is in de jaren 1990 ingericht als overwinteringsplaats voor vleermuizen.
Opgenomen als ankerplaats in de landschapsatlas.

  • ARCHIEF ROHM WEST-VLAANDEREN, Monumenten en Landschappen, archief DW 000221, DW002015.
  • AROHM, Monumenten en Landschappen, Landschapsatlas, 2001, OC GIS-Vlaanderen.
  • DIENST INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING BRUGGE, Bouwvergunningen, nummer 1870/1990.
  • DIENST MONUMENTENZORG EN STADSVERNIEUWING BRUGGE, Nota, 8 maart 1999.
  • CAFMEYER M., Het kasteel van Male, in Male, Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1940-1946, pagina's 112-132.
  • CAFMEYER S., De bouwgeschiedenis van het kasteel van Male, licenciaatsverhandeling RUG, 1979.
  • CAFMEYER S., De bouwgeschiedenis van het kasteel van Male tot 1953, in Male, burcht en abdij, 1981, pagina's 145-173.
  • DEVLIEGHER L., 25 jaar monumentenzorg in West-Vlaanderen, in West-Vlaanderen 1950-1975, 1975, pagina's 145-154.
  • DEVOS P., Het Slot van Male te Sint-Kruis, in Brugge herwonnenschoonheid, 1975, pagina's 66-79.
  • DOPERE F. en UBREGTS W., De donjon in Vlaanderen, 1991, pagina's 228-229.
  • GERRITS J., Ijskelders, in Ons heem, jaargang 50, nummer 3, 1996, pagina 155.

Bron: Gilté S. & Van Vlaenderen P. met medewerking van Dendooven K. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Brugge, Deelgemeente Sint-Kruis, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL21, (onuitgegeven werkdocumenten).

Relaties