Deze pagina afdrukken

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteel Rattendaal en Hof te Zellik (ID: 90762)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Voormalig "Kasteel Rattendaal" en "Hof te Zellik", twee historische sites die werden samengevoegd in 1647; de gebouwen werden naderhand aangepast en uitgebreid in functie van de nieuwe behoeften. Thans resten nog een klein gedeelte van de vroegere parkomvang, een fragment van het negentiende-eeuwse, laatclassicistische kasteel in een overigens nieuwe villa (nummers 44-46), de voormalige paardenstallen en koetshuis van 1896, gelegen ten oosten van het kasteel en ingericht als Continental Theological Seminary voor bijbel- en theologiestudies (nummer 48), ten westen van de paardenstallen de vroegere hoevewoning met ten zuidoosten een gedeeltelijk vervallen, achttiende-eeuwse schuur en aangrenzend resten van stallen (nummer 20); fragmentarische sporen van de negentiende-eeuwse oranjerie en de voormalige, ommuurde moestuin liggen in de zuidoostelijke hoek. Een circa 1868 toegevoegde "remise", gelegen ten zuidwesten van de schuur, werd aangepast als kantoor voor een studiebureau (nummer 20).

Historiek

De vermelding van Rattendaal klimt op tot een akte van 1290, waarin Mathilde van Rattendaele haar woning en aanhorigheden te Rattendael schonk aan de Armentafel van het begijnhof Onze-Lieve-Vrouw-ten-Wijngaard te Brussel (Molenbeek). In 1569 wordt Rattendaal beschreven als "huis van plaisantie metten grachten rontsomme". Omstreeks 1600 kwam het in bezit van Thierry Vanderbeken, generaal-schatbewaarder van de Staten van Brabant en heer van Ophem. Zijn dochter Anne, vrouw van Rattendaal, huwde met ridder Karel Triest, lid van de Raad van Vlaanderen. Zo kwam het goed in 1621 in handen van hun zoon Jan Karel Triest, kanunnik van Sint-Baafs te Gent, die naderhand ook het naburige Hof te Zellick wist te verwerven.

De oudste vermelding van het "Hof te Zellick" dateert van 1174 toen Yvan van Sellecke en zijn echtgenote Mabelie het bewoonden. In 1258 wordt Jaak van Sellecke vermeld als pachter. In 1531 was het in handen van een zekere Marc d’Ocoche, fruitverkoper van Karel V. In 1647 was het hof, op dat ogenblik met een oppervlakte van 65 bunders, eigendom van jonker Jan Karel Triest, heer van het aangrenzende Rattendaal.

Op 5 augustus 1658 kocht Laurentius van Hovines, voorzitter van de Geheime Raad, het geheel, bestaande uit het buitengoed Rattendaal en de aanpalende hoeve, het Hof van Zellick, dat toen 71 bunders weiden en velden bezat. Een afbeelding van het toenmalige complex, bovendien de oudst bekende, is te vinden in het Kaartboek van de abdij van Ter Kameren van 1719 en toont een gesloten hoeve rondom een in twee verdeelde binnenplaats met een kapel in de zuidoostelijke hoek en een bijkomend haaks aanbouwsel ten noordwesten. Laatstgenoemde vleugel bestond uit twee torenvormige constructies vermoedelijk als relict van de oudere (kasteel)residentie en gaf uit op een vierkante vijver die één van de kwadraten vormde van een regelmatig aangelegde tuin met sierelementen; een ruime boomgaard strekte zich uit ten noordwesten, een kleinere ten zuidoosten. De inplanting van de gebouwen, bestaande uit het kasteel en "pagthof", bleef grosso modo behouden tot het eerste kwart van de negentiende eeuw, zoals blijkt uit de primitieve kadasterkaart van 1826, opgemeten en uitgetekend door J.L. Voncken. De geometrische, achttiende-eeuwse tuin met vierkante vijver is echter vervangen door een "jardin anglais", aansluitend bij het oudste type van landschappelijke aanleg: de vierkante vijver werd omgevormd tot een langgerekte “lustvijver” met golvende omtrek en een ovaal eilandje, via een brugje verbonden met de omringende "lusthof".

Naar het einde van de achttiende eeuw, omstreeks 1785, kwam het geheel in het bezit van de familie van der Dilft, laatste heren van Leeuw. Antoine van der Dilft, burgemeester en grootste grondbezitter van Sint-Pieters-Leeuw, liet het kasteel circa 1836 herbouwen als een laatclassicistisch landhuis met strakke vormgeving, dit naar ontwerp van August Desfossés; ook het pachthof werd grondig aangepast waarbij een deel van de gebouwen werd gesloopt en een nieuwe woning werd gebouwd. Deze werken werden kadastraal geregistreerd in 1842, tegelijkertijd met de intekening van de oranjerie die bestond uit drie gebouwen verbonden door halve serres; ten zuidoosten ervan kwam een hoger gelegen en ommuurde moestuin. In dezelfde periode, circa 1840, werd het park met een oppervlakte van 12 ha heraangelegd naar ontwerp van de Brusselse landschapsschilder Henri Van Assche (1774-1841).

In 1844 ging het goed over in handen van graaf de Villers en ongeveer 50 jaar later, in 1894, werd het eigendom van baron Albert T’Serclaes en zijn echtgenote barones Eugenie de Molina. Baron T’Serclaes was verantwoordelijk voor de grondige wijzigingen die het goed toen onderging. Hij wou het geheel immers een groots en rijk uitzicht geven: het kasteel werd aan de voorzijde voorzien van een monumentaal bordes, bestaande uit een neoclassicistische belvedère gevat tussen gebogen trappen. Het rattenmotief, verwijzend naar de benaming werd veelvuldig aangewend, onder meer in de fries. Bovendien werd het gebouw aan weerszij verlengd, waardoor de klassieke verhoudingen verloren gingen: de bel-etage kreeg inwendig prachtige parketvloeren. De naam Château de Rattendael, het jaar van de verbouwing (1896) en de initialen van de bouwheer (TS) werden verwerkt in het ijzeren toegangshek in de zuidwestelijke hoek. Thans resten hiervan nog de hardstenen hekkenpijlers met wapenschild waarop een klauwende leeuw in reliëf; ze zijn gelegen aan de straat en maken deel uit van de toegang tot het huidige nummer 20. In dezelfde periode werden 22 luxueuze stallen gebouwd die met hun rustieke uitzicht aansluiten bij de in de negentiende-eeuwse modellenboeken aanbevolen architectuur.

In de loop van de twintigste eeuw was het ensemble in handen van verschillende eigenaars; bovendien hadden de gebouwen te lijden onder de gevolgen van beide Wereldoorlogen en leegstand. In de jaren 1950 werd het kasteel aangekocht door pastoor Vendelmans, parochiepriester van de wijk Negenmanneke; hij liet de bovenste verdieping slopen om met het materiaal een parochiehuis en school te bouwen. Grote delen van het domein werden vanaf de jaren 1960 verkaveld en bebouwd; de vroegere boomgaarden moesten wijken voor de verkavelingen "Jagersdal" ten zuidoosten en "Zonneweelde" ten zuidwesten. In 1977 werden de bijgebouwen en het overblijvende deel van de gronden aangekocht door het Continental Bible College om het in te richten als opleidingscentrum. Na jaren leegstand onderging het geheel een grondige renovatie: een nieuwe toegangsweg werd aangelegd vanuit het noorden. Het voormalige koetshuis met paardenstallen werd op de begane grond omgevormd tot administratieve ruimten, bibliotheek en klaslokalen; op de tweede verdieping kwamen de studentenverblijven en appartementen voor gasten en gehuwde studenten; de oude kapel werd ingericht als cafetaria en keuken. In 1983 werd ten noordoosten een nieuw gebouw opgetrokken door vrijwilligers; het werd in gebruik genomen in april 1985 en omvat onder meer een kapel, een aula, een aantal klaslokalen en werkvertrekken.

Beschrijving

Noordelijke toegang met gerecupereerde hekkenpijlers van blauwe hardsteen met eclectische siermotieven.

Slechts een fragmentarisch gedeelte van het oude kasteel (nummers 44-46) bleef bewaard in een moderne villa, meer bepaald het trappenbordes met belvedère, centraal in de zuidwestgevel en de thans vrijstaande, palladiaanse middentravee aan de achtergevel.

De stallen (nummer 48) vormen een gedeeltelijk witgeschilderde bakstenen constructie van elf traveeën en twee bouwlagen onder leien schilddak met uitgewerkte dakkapellen en een vierkante toren met afgeschuinde hoeken onder overkragende leien helm met lantaarn. Lijstgevel met verspreide sierankers waarvan de begane grond is opgevat als segmentboogarcade, ter hoogte van het midden- en de zijrisalieten onderbroken door rondbogige muuropeningen; sluitstenen met monogram TS, verwijzend naar bouwheer T’Serclaes; oude foto’s tonen nog de vroegere poorten die thans grotendeels werden omgevormd tot ruime vensters met balusterleuningen; de steekbogige bovenvensters op doorgetrokken lekdrempels en tandlijst bleven behouden. Het middenrisaliet, voorheen met fraaie beglaasde luifel, zie oude foto's, omvat een verdiept inkomportaal met een in de mozaïekvloer verwerkt, gekroond monogram van de bouwheer. De bepleisterde en beschilderde achtergevel wordt gekarakteriseerd door kolossale pilasters met verguld knoppenkapiteel en rondbogige muuropeningen. Het linkse aanbouwsel dateert uit het einde van de jaren 1970 - begin jaren 1980. Het interieur werd op het einde van de jaren 1970 volledig heringericht in overeenstemming met de nieuwe functie.

Voormalige hoevewoning, naderhand onder meer ingericht als studentenverblijf (nummer 20), op rechthoekige plattegrond van zes traveeën en twee en een halve bouwlaag onder pannen schilddak, kadastraal geregistreerd in 1842. Gedecapeerde baksteenbouw met omlopende kroonlijst op klossen; eenvoudige rechthoekige muuropeningen.

Eenvoudige tweebeukige langsschuur (nummer 20), volgens literatuurgegevens en gevelsteen van 1778; verankerde baksteenbouw van vier traveeën onder steil zadeldak van Vlaamse pannen. Zijpuntgevels gemarkeerd door oculi en hoeksteunberen; rondboogpoort in de oostgevel en rechthoekige poort onder houten latei en bekronende gevelsteen "1778" in de westgevel; gebruik van zandsteen voor onder meer sokkel en poortomlijsting.

Ten oosten aanpalende resten van stallen, gemarkeerd door korfboogdeurtjes in een omlijsting van arcose met sluitsteen en imposten.

De circa 1868 toegevoegde "remise", gelegen ten zuidwesten van de schuur, werd begin jaren 1980 aangepast als kantoor voor een studiebureau (nummer 20); het algemene volume met sterk overkragende daken en verhoogde nok ter hoogte van de voormalige laadluiken, bleef bewaard; de muuropeningen werden ten dele gewijzigd.

Oranjerie, oorspronkelijk bestaande uit drie rechthoekige constructies, georiënteerd naar het zuidoosten en verbonden door een bakstenen muur, die aan de achterzijde gestut werd door zware steunberen; tegen de zuidzijde van de muur lagen halve serres; de kadastrale intekening gebeurde in 1842. Thans resten nog twee van deze constructies, zij het sterk aangepast, onder plat dak; enkel de rondbogige archivolten van blauwe hardsteen op doorgetrokken imposten refereren nog aan de vroegere toestand; de bakstenen muur met zware steunberen bleef fragmentarisch bewaard.

  • Gegevens verzameld in functie van de aanvraag van een planologisch attest door het Continental Theological Seminary. Historische nota opgemaakt door het Continental Theological Seminary.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, mutatieschetsen Sint-Pieters-Leeuw, afdeling I, 1842/42, 1865/8, 1868/5, 1906/8.
  • DENEEF R. (o.l.v.), Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Pajottenland - Zuidwesten van Vlaams-Brabant, (Monumenten en Landschappen, cahier 11), Brussel, 2005, p. 248-253.
  • LAURENT R., De goederen van de abdij van Ter Kameren in Brabant. Kaartboek 1716-1720, Brussel, 1996, p. 91.
  • Ons erfgoed in woord en beeld, Themanummer, in Lewe, jaargang 25, nummers 2-3-4, 2006, p. 63-64, 83-84.
  • SCHEPPERS H., Kroniek van de kastelen van St. Pieters-Leeuw, s.l., 1998, p. 41-57.

Bron: Kennes H. met medewerking van Van Damme M. 2008: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Vlaams-Brabant, Gemeente Sint-Pieters-Leeuw, Deelgemeenten Sint-Pieters-Leeuw, Oudenaken, Ruisbroek, Sint-Laureins-Berchem en Vlezenbeek, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen VLB8, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Kennes, Hilde

Relaties