De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Teksten bij "Kindertuin"

Terug naar Kindertuin.

Kindertuin

"In 1963 bouwde ik met medewerking van Nolf (weer eens een toepassing van het Belgisch evenwicht tussen links en rechts) een bewaarschool in Antwerpen, in de Sint-Gummarusstraat. Hier botsten wij voor een keer niet op het onbegrip van een administratie.(...)Het hele gebouw is zoveel mogelijk op schaal van de kleintjes opgevat. Het hoofdidee was voor mij dat deze school een paleis moest zijn voor de kinderen, die in deze buurt veelal echte krotten bewoonden. Door een modelmilieu in de school wordt het woonmilieu een tegenvoorbeeld dat geleidelijk bestreden zal worden. Het kinderpaleis is dus een wapen in de klassenstrijd in die zin dat duidelijk wordt wat de gemeenschap maakt, de school, oneindig veel beter is dan wat het privé-initiatief van wonen maakt. De smalle Sint-Gummarusstraat maakte volgens ons een inham nodig, waar de wachtende moeders konden schuilen en zelfs zitten. Eenmaal binnen is de bestuurster direct aanspreekbaar. Een binnentuin doet de trieste buitenwereld vergeten. Een gang, geflankeerd door kasten op kinderhoogte, leidt naar de klassen, die langs de zonnezijde zijn geprojecteerd. Een bestaande blinde muur langs de rechterkant is bekleed met geëmailleerde stalen platen. Die zijn getekend door de schilder Weemaels, met zes motieven in steeds wisselende combinaties, een demonstratie van actieve verbeelding. De gevel op de Sint-Jansplaats vind ik een gelukt voorbeeld van organische architectuur.(…)Het is een werkelijke genoegdoening voor de architect de kleine peuters in deze ruimten te zien dooreenkrioelen. Het doet hopen op 'des lendemains qui chantent'!" (uit: Het schoonste land ter wereld).

De Stedelijke Kindertuin aan de Sint-Gummarusstraat is het enige schoolgebouw van Renaat Braem dat daadwerkelijk gerealiseerd werd, en dit in samenwerking met architect Nolf. De vele ontwerpen die hij aan het eind van zijn loopbaan leverde voor onderwijscomplexen in Hoboken, Kalmthout, Sledderlo en Reet bleven dode letter. Dit door de overheid gebouwde gemeenschapsgebouw met zijn grote ramen en heldere ruimten, moest als model stimulerend werken op de verbetering van de woonomstandigheden van de kinderen thuis. Het mag een merkwaardige parallel heten dat de later door Braem herontdekte en bewonderde Victor Horta als enige schoolgebouw in zijn carrière eveneens een kindertuin ontwierp en wel met exact dezelfde argumentering.

De kurves in de betonstructuur wijzen overigens op Braems hernieuwde interesse voor de art nouveau. De nadruk op de hygiëne-aspecten is terug te vinden in het materiaalgebruik van het interieur. De beperkte perceelgrootte noodzaakte de architecten tot het uitbouwen van de school ook op de verdieping. Alle klasjes liggen echter zuid-georiënteerd. De benedenverdieping springt aan de straatkant terug om een beschutte zitplaats te bieden voor wachtende ouders. Ten gerieve van die ouders zijn de directielokalen bij de inkom gelegen, in een los bouwvolume.

De kindertuin is opgetrokken op een volledig inpandig perceel van relatief beperkte afmetingen. Renaat Braem zag zich hierdoor genoodzaakt het bouwterrein maximaal te benutten en het gebouw naar binnen toe open te werken. In wezen is dit gebouw in zekere zin nog schatplichtig aan de typologie die omstreeks de eeuwwisseling voor stedelijke lagere scholen en kindertuinen ontwikkeld werd, met de dienstlokalen in een voorbouw aan de straat, een ‘préau’ als centraal bindend gegeven, waarrond de klaslokalen.

Ook hier is sprake van een voorbouw met over drie bouwlagen de inkomhal, de turnzaal en de conciergewoning, en een achterbouw met twee bouwlagen van telkens drie ruime klaslokalen verbonden door een gemeenschappelijk atrium. Voor- en achterbouw worden verbonden door een éénlaagse vleugel die in drie parallelle zones een polyvalente ruimte (refter/winterklas) een als rotstuin ingerichte patio en een verbindingsgalerij herbergt. De straatgevel is opgetrokken uit beton, met een opengewerkte portaalstructuur op de begane grond, ingericht als overdekte wachtruimte voor de ouders en met ingekast tochtportaal, een volledig beglaasde bovenverdieping met rood belijnd aluminium raamwerk en een borstwering in staalkabel, en een inspringend penthouse met houten raamwerk. De noordgevel van de klassenvleugel is eveneens in beton en geopend door grote ‘aquarium’-vensters met afgeronde hoeken en zonder raamwerk beglaasd. Alle overige gevelpartijen worden gevormd door grotendeels beglaasde stalen gordijngevels.

De begane grond van voorbouw en middenvleugel is in een vrije planopbouw opgevat als één doorlopende, roodbetegelde circulatieruimte. Het directielokaal, de beide trappenhuizen en de galerij met hun plastisch opengewerkte draagstructuren in keienbeton scanderen deze open ruimte als vrijstaande modules van een sculpturale kwaliteit. Opmerkelijk is de open trapconstructie met halfzwevende betonnen treden. De patio is omringd door volledig beglaasde stalen gordijngevels, ter hoogte van de trappenhuizen doorgetrokken over de bovenverdieping(en). Over de ganse lengte van de galerij zijn hierin vitrinekasten verwerkt.

Wanden met een speels, hoekig beloop, gevormd door een houtskelet ingevuld met beglazing of formicapanelen, bepalen ook op de bovenverdieping de verdere ruimte-indeling. De klaslokalen vormen lange rechthoekige ruimten, telkens voorzien van een soort voorportaal met verlaagde zoldering en kastruimte, vooral bepaald door een cirkelvormig, sanitair paviljoen onder een polygonale houten huif, dat mee het tracé van de scheidingswand met het atrium bepaalt.

De zuidwand is telkens volledig beglaasd, de noordwand gedeeltelijk via de houten scheidingswand met het atrium. De lange gelijkvloerse klassen ontvangen nog licht via een centraal bovenlicht, de kortere klassen op de bovenverdieping ontvangen nog bijkomend licht via een lichtspleet boven het voorportaal. Tot de vaste uitrusting behoren verder een lage bank over de lengte van de zuidwand en lange houten wandkasten tegen de lange wanden, waarvan de schuifdeuren deels als bord fungeren. De vloerbekleding in de klassenvleugel bestaat uit linoleum waarin telkens een geometrische tekening in contrasterende kleur werd verwerkt.

De plafonds zijn bekleed met akoestische panelen. De klassen geven aan de zuidzijde respectievelijk toegang tot een betegelde speelplaats op de begane grond en een dakterras met centrale zandbak op de bovenverdieping. De blinde achtergevels van de belendende panden tegenover de klassenvleugel zijn bekleed met een veelkleurige, repetitief-geometrische tegelcompositie naar ontwerp van Jacques Weemaels. In de voorbouw dienen nog de inrichting van het directielokaal en de turnzaal te worden vermeld, uitgerust met een volledig houten wandbekleding.

Renaat Braem wordt geboren in Antwerpen op 29 augustus 1910. Hij studeert architectuur in zijn geboortestad, eerst aan de Academie voor Schone Kunsten (1926-1931), later aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten (1931-1935), waar hij een uitzonderlijke gave voor tekenen ontwikkelt. In 1928 sluit hij vriendschap met de jonge communistische architect Julien Schillemans (1906-1943) en kiest voor een politiek engagement dat hij voor altijd trouw blijft.

Hij begint met het schrijven van tal van polemische artikels die de relatie tussen architectuur en ideologie als grondslag hebben, een activiteit die hij zijn ganse carrière lang voortzet. Vermoedelijk onder invloed van Schillemans – auteur van een project voor een wereldstad van 35 miljoen inwoners (ca. 1930) – presenteert Braem in 1934 als eindejaarswerk een project voor een lijnstad van 100 km lang doorheen België, dat een theoretisch referentiekader zal blijven voor veel van zijn latere stedenbouwkundige projecten.

Het jaar daarop werkt hij samen met Huib Hoste aan een project voor een radicale heraanleg van het centrum van Antwerpen (1935). Op het einde van zijn studies behaalt hij de Godecharleprijs en de Rubensprijs die hem in staat stellen stage te lopen op het atelier van Le Corbusier (1936-1937). In 1937 wordt hij op voorspraak van Le Corbusier lid van CIAM. Tijdens de eerste jaren van zijn loopbaan als zelfstandig architect realiseert hij in samenwerking met Marc Segers een aantal bescheiden modernistische woningen in de Antwerpse agglomeratie, waarvan de woning Janssens in 1938 wordt bekroond met de Van de Venprijs.

Kort na de oorlog krijgt hij één van zijn belangrijkste opdrachten: het ontwerp van een groots opgezet sociaal wooncomplex in de Antwerpse wijk Kiel (in samenwerking met Maes en Maeremans, 1949-1958). Deze “Vlaamse Cité radieuse” wordt voorgesteld op het CIAM-congres van Aix-en-Provence in 1953, en krijgt internationale weerklank. Later volgen onder meer de Modelwijk op de Heizel (in samenwerking met Coolens, l’Equerre, Structures, Panis en Van Doosselaere, 1956-1963), de wijk Sint-Maartensdal in Leuven (in samenwerking met De Mol en Moerkerke, 1957-1967) en de Arenawijk in Deurne (1960-1971). Renaat Braem realiseert de hoogbouw van het Administratief Centrum in Antwerpen (in samenwerking met De Roover en Wijnants, 1951-1967), het ringvormig kantoorgebouw van Glaverbel (in samenwerking met Jacqmain, Mulpas en Guilissen, 1963-1967) en het ellipsoïde Rectoraatsgebouw van de VUB (1971-1978), beide in Brussel.

Tussen deze grootschalige opdrachten door ontwerpt Renaat Braem een ruim aantal privé-woningen en enkele kleinere openbare gebouwen. Waar zijn realisaties aanvankelijk aanleunen bij een internationaal georiënteerd modernisme te duiden met de Angelsaksische term 'contemporary', onder meer vertegenwoordigd door zijn eigen woning in Deurne (1955-1958), evolueert hij gaandeweg naar een organische, biomorfe architectuur, waarvan de woning Van Humbeeck in Buggenhout (1967-1970) zowat het hoogtepunt betekent.

Het hoeft geen betoog het belang te onderstrepen van Renaat Braem in de ontwikkeling van de naoorlogse architectuur in België, waarin hij in woord en daad decennialang een dominante positie bekleedde. De latere fase van zijn loopbaan gaf een hoogstpersoonlijke vormentaal te zien die een diepe verbondenheid met de natuur te kennen gaf, waarin hij slechts door een enkeling werd gevolgd.

Bron: Beschermingsdossier DA002328

Auteurs: Braeken, Jo

U kunt deze tekst citeren als:

Braeken, Jo s.d.: Kindertuin [online], https://id.erfgoed.net/teksten/125447 (geraadpleegd op ).

Kindertuin

In 1957 besluit de stad Antwerpen tot de bouw van een nieuwe kleuterschool aan de Sint-Gummarusstraat, nabij het Sint-Jansplein. Het gebouw moet de bestaande lokalen van de stedelijke Kindertuin 10 vervangen, die in 1885 op ditzelfde perceel was ingericht in het Palais des Fleurs, de vroegere stallingen van een expeditie- en diligencebedrijf. De opdracht wordt rechtstreeks toegewezen aan Braem, die ter wille van het politieke evenwicht een samenwerking dient aan te gaan met de jonge architect Gui J. Nolf. Wat de taakverdeling betreft, eigent Braem zich het ontwerp toe en laat de technische uitvoering van het project over aan Nolf. De kleuterschool is ingeplant aan de rand van de Seefhoek, een dichtbebouwde volkswijk in Antwerpen-Noord in de buurt van het Stuivenbergziekenhuis. Voor het concept van de nieuwe school vertrekt Braem dan ook van het idee van een "kinderpaleis", dat hij als een wapen ziet in de klassenstrijd. Een modelmilieu in de school, gebouwd door de gemeenschap, moet in die zin een tegenwicht vormen voor de veelal slechte woonomstandigheden van de kinderen thuis. Zijn ideaal om met een heldere architectuur op maat van het kind de "trieste buitenwereld" te doen vergeten, stuit echter op de beperkingen van een relatief klein en volledig ingesloten bouwterrein. Het functionele programma van de kleuterschool laat daarbij amper mogelijkheden voor het scheppen van open ruimte. Als oplossing stelt Braem in eerste instantie nog voor om de Kindertuin op pilotis in het midden van het ruime Sint-Jansplein op te trekken, maar hij vindt voor dit plan geen gehoor. Na de officiële bekrachtiging van de opdracht in november 1957, werkt hij in een drietal opeenvolgende versies een voorontwerp uit, dat eind 1958 wordt ingediend. Met de nodige aanpassingen vormt dit de basis voor het definitieve ontwerp, dat in de loop van 1959-1960 tot stand komt. De plannen en het bouwdossier worden begin 1963 door het stadsbestuur goedgekeurd, maar de aanbesteding laat op zich wachten tot april 1965. Een jaar later ondergaat het ontwerp nog dermate ingrijpende aanpassingen om te besparen op de kosten, dat de bouw in augustus 1966 opnieuw dient te worden aanbesteed. Aannemer Gebroeders F. en R. Saenen & C° uit Schelle gaat eind 1967 met de werken van start en voltooit ze in de loop van 1972. Hoewel de kleuterschool vermoedelijk bij het begin van het nieuwe schooljaar in september 1972 in gebruik wordt genomen, vindt de officiële inhuldiging pas een jaar later plaats, op 5 september 1973. Na het Administratief Centrum is de Kindertuin van de Sint-Gummarusstraat de tweede openbare opdracht die Braem voor de stad Antwerpen uitvoert onder het bestuur van Lode Craeybeckx, burgemeester van 1947 tot 1976. Het "reibungslos" welslagen van het project, zonder bemoeienissen of toegevingen aan het ontwerp, schrijft Braem in Het schoonste land ter wereld echter toe aan Mathilde Schroyens, die als schepen van Onderwijs van 1954 tot 1977 de modernisering en uitbreiding van het stedelijk scholennet gestalte geeft.

Het ontwerpproces van de Kindertuin valt samen met een belangrijke evolutie in het werk van Braem in de richting van een organische architectuuropvatting, waarmee hij opnieuw aanknoopt bij zijn vormexperimenten uit de oorlogsjaren. Het voorontwerp uit 1958 beantwoordt nog aan het functionalistische concept dat zijn realisaties uit de latere jaren 1950 kenmerkt, met een streven naar dematerialisatie en een architectonische polychromie in primaire kleuren. In het definitieve ontwerp uit 1960 baseert hij zijn concept daarentegen op de plastische expressie van het betonskelet, dat de structuur en het detail van de architectuur in een biomorfe vorm bepaalt. Samen met het appartementsgebouw De Vel in Antwerpen vormt de Kindertuin een van de vroegste uitingen van de persoonlijke versie van het brutalisme, die Braem in de loop van de jaren 1960 tot ontwikkeling brengt. De elementen die de Kindertuin tot een directe voorloper maken van latere realisaties zoals het Middelheimpaviljoen in Antwerpen en de woning Alsteens in Overijse, zoals golvende draagmuren, gebogen schaaldaken en een sculpturale trapconstructie, worden tijdens de bouw echter gevoelig afgezwakt. Het project behoort ook tot zijn meest geslaagde voorbeelden van monumentale kunstintegratie, dankzij de medewerking van de jonge Brusselse kunstenaar Jacques Weemaels.

Door de beperkte afmetingen, de onregelmatige vorm en de ingesloten ligging van het perceel, ziet Braem zich genoodzaakt het bouwterrein maximaal te benutten en het gebouw naar binnen toe open te werken. In de bestaande kleuterschool, die met een voorbouw van twee bouwlagen aan de straat en een vleugel van één bouwlaag aan de speelplaats ruimte bood aan acht klassen, werden alle lokalen verbonden door een lange gang in de as van de ingang. Op basis van het aantal kleuters gaat het programma van de nieuwbouw uit van vijf grotere klassen, elk uitgerust met eigen sanitair, een vestiaire en een buitenterras. Verder moet worden voorzien in een feestzaal, een keuken, een directeurs- en leraarskamer, een lokaal voor medisch toezicht en een conciërgewoning, functies die in de oude school grotendeels ontbraken. In zijn concept houdt Braem van meet af aan ook rekening met de rechtstreekse ligging aan de straat, die een veilige en overdekte wachtruimte voor de ouders noodzakelijk maakt.

Zijn eerste versie van het voorontwerp trekt de schuine lijn die ook de vorm van het terrein bepaalt, volledig door in de inplanting en de ruimtelijke opdeling van het gebouw, waardoor een dynamisch spel van hoeken en zichtassen ontstaat. Door de vijf klassen als een getande waaier van pseudovrijstaande paviljoenen in de diagonaalas van het terrein te groeperen, weet hij bovendien een maximum aan open buitenruimte te vrijwaren. Een ingangssas met een rond paviljoentje voor het sanitair, isoleert de klaslokalen van de hal, terwijl een terras als een cirkelvormige buitenklas telkens de overgang maakt naar de tuin, die in de achterste punt van het terrein een zuidelijke oriëntatie geniet. Opgevat als een overdekte straat, loopt de hal in een speelse zigzagbeweging van de voorbouw, langs een binnentuintje met spiegelwanden, door tot in de klassenvleugel. De voorbouw, die achteraan door de tuin wordt ingesneden, biedt ruimte aan de wachtruimte en de dienstlokalen, met de feestzaal en de conciërgewoning op de verdieping. De voorgevel wordt gereduceerd tot een beglaasd betonskelet, met een klein balkon en vlaggenmasten als accent.

In een tweede versie ruilt Braem het informele idee van de schuine lijn in voor een strakke orthogonale schikking, en een tuinaanleg waarin een geometrisch patroon van driehoeken wordt uitgespeeld. Hij houdt vast aan de getande opstelling van de klassen, waarvan de benedenverdieping er vier telt met een ommuurd terras, en de bovenverdieping twee met een dakterras. Deze twee klassen zijn bereikbaar via een hellend vlak in lusvorm, dat dwars op het terrein een met perspexkoepels overdekt binnenplein inneemt. Elementen uit het definitieve ontwerp, zoals de centrale patiotuin, duiken vanaf deze versie op, terwijl de feestzaal hier vervalt. Als oplossing voor het gevelfront zet hij nog een stap verder door het over de hele hoogte uit te hollen tot een open loggia, met een lange zitbank als windscherm, een gevelbreed balkon voor de conciërgewoning en een brutale, architectonische polychromie in blauw, geel, wit en zwart.

Een derde versie van het voorontwerp klaart dit schema verder uit, waarbij de loggia aan de straat wordt teruggebracht tot de begane grond om opnieuw ruimte te scheppen voor een feestzaal op de verdieping. Het hellend vlak maakt plaats voor een trappenhuis. De vertanding van de klassenvleugel, die nog slechts vijf klaslokalen telt, wordt vervangen door een doorlopend dakterras achteraan op de bovenverdieping. De ruimtelijke opbouw van de kleuterschool komt vanaf dit stadium volkomen overeen met het uiteindelijke ontwerp, behalve de conciërgewoning, die nog ongunstig achter de feestzaal ingesloten ligt, en een verbindingsgalerij tussen de voor- en de achterbouw op beide niveaus. De brutalistische vormgeving met een gevelskelet en balkenlagen in zichtbeton, wandvlakken in gele en blauwe ceramiektegeltjes en gordijngevels in staal en glas, berust echter nog op een functionalistische orthogonaliteit.

In het uiteindelijke ontwerp omvat de voorbouw de inkompartij met het directeurskantoor op de begane grond, de feestzaal op de eerste en de conciërgewoning op de tweede verdieping, en een eerste trappenhuis. De achterbouw telt vijf klaslokalen van gelijke grootte, drie op de begane grond in de langsas en twee op de verdieping in de dwarsas, met een gemeenschappelijk atrium op beide niveaus, en een tweede trappenhuis. Tussen beide is de verbindingsvleugel parallel opgedeeld in de refter met keuken, en een ruime verbindingsgalerij met ingebouwde vitrinekasten. Hierdoor ontstaat één doorlopende, polyvalente circulatieruimte, die van binnenuit wordt opengebroken door de patiotuin. De open loggia met een tochtportaal en een zitbank voor de wachtende ouders vormt de overgangszone naar de straat. Voor het directe contact met de ouders is het directeurskantoor, duidelijk herkenbaar als een afzonderlijk paviljoen, vlakbij de ingang ingeplant. Braem neemt dit laatste stadium van het ontwerpproces te baat voor een ingrijpende omslag in de vormgeving. Het lijkt zijn bedoeling in deze open ruimtelijke structuur de dragende elementen en de krachten die op de constructie inwerken in een sculpturale, organische vorm tot uitdrukking te brengen. De tactiele textuur van het met een vlakke rand gebouchardeerde beton, wordt daarbij volop uitgespeeld, tegen de transparante huid van staal of aluminium en glas. In de voorgevel streeft hij een plastische gelaagdheid na via het contrast tussen volume en leegte, licht en schaduw. De bovenbouw, die net als de verbindingsgalerij op V-vormige pijlers steunt, laat hij met een licht gegolfd profiel aan de belendende panden ontspringen, waarbij vaandelmasten dit effect in de smalle straat nog moeten versterken. Van het structurele kleurgebruik uit het voorontwerp blijven enkel de bekleding in blauw glasmozaïek van het tochtportaal en de rode verluchtingspanelen van de raampartij over, samen met een kleurontwerp voor het interieur in citroengeel en oranjerood voor enkele wanden, en rood voor het ijzerwerk van de trappen. Uit de detaillering met gebogen lijnen en afgeronde hoeken, en de naadloze overgang van metaal in beton, blijkt een zekere inspiratie op Victor Horta, die Braem in deze periode begint te herwaarderen. Dit komt opmerkelijk tot uiting in de vormgeving van de handgrepen aan de inkomdeur en van de borstwering in gevlochten staalkabel aan de eerste verdieping. In de oorspronkelijke versie van het ontwerp kent Braem ook de verbindingsgalerij en de klassenvleugel een complex organisch profiel toe, dat de ruimtes niet alleen een speels karakter geeft, maar ook voor een optimale lichtinval en een afdoende zonnewering zorgt. Uitgebogen schaaldaken met een breed overstek worden daartoe samengesteld tot een getrapte dakstructuur, die via uitgespaarde bovenlichten en glasstroken het daglicht tot diep in de klaslokalen laat doordringen. Golvende scheimuren en de plastisch geperforeerde steunmuur van de trapconstructie vangen de dakvlakken op en trekken hun dynamisch beloop in een tegenbeweging door. De holle ruimte van het dakvlak wordt ter hoogte van de verdieping ook functioneel gebruikt voor de aanplanting van een volwaardige daktuin met een zandbak per klas. De voor uitvoering herwerkte versie van het ontwerp vlakt dit aspect echter grotendeels uit, door het rechttrekken van zowel wanden als bedaking.

Braem draagt er zorg voor de klaslokalen, die met een glaswand op het zuiden georiënteerd zijn, op maat van de kleuters in te richten, met lage vaste zitbanken, kastenwanden met schrijfborden en linoleumvloeren met veelkleurige, geometrische figuren. Tussen de klassen en het atrium schakelt hij in zijn ontwerp op beide niveaus de zeshoekige inkomportaaltjes, die als vestiaire dienstdoen, en de cirkelvormige paviljoentjes van het sanitair aan elkaar tot een levendige scheidingswand met allerlei speelhoekjes. Aan deze zijde grenst de klassenvleugel aan een ondiepe binnenplaats, die over de volledige hoogte wordt afgeschermd door de blinde achtermuren van de belendende panden. In de loop van het ontwerpproces ontwikkelt Braem diverse oplossingen om deze verloren ruimte in het architectuurconcept te betrekken. Hiertoe voorziet hij de klassenvleugel van een gevelscherm in beton en glas, dat in het ontwerp nog dynamisch wordt doorbroken door organisch gevormde muuropeningen, maar bij de uitvoering tot een regelmatig patroon wordt herleid. Aanvankelijk denkt hij aan een binnentuintje met golvende betonnen wanden, later aan een vrij naturalistische muurschildering met bloemen, dieren en wolken, waarvan de structuur het gevelpatroon herhaalt, met de bedoeling in speelse dialoog een kijkvenster te bieden op een 'fantastisch' landschap bij gebrek aan een werkelijk uitzicht. Ook maakt hij een ontwerp voor glascomposities in het gevelscherm, met abstracte natuurvoorstellingen, onder meer opgebouwd uit echte gebruiksvoorwerpen zoals drinkglazen en flessen. Uiteindelijk gaat hij in op een voorstel van de jonge Jacques Weemaels, die zo de kans krijgt een zelf ontwikkelde pochoir-techniek in gevitrifieerd email op plaatstaal voor het eerst op grote schaal toe te passen. Het monumentale kunstwerk 'De Tovertuin', dat uit deze samenwerking ontstaat, is een veelkleurige, geometrische compositie van 120 m² groot, die de blinde muren volledig overdekt. De kunstenaar ontwerpt de compositie in 1971 en vervaardigt de platen in de Emailleries Crahait te Gosselies tijdens de zomer van 1972, waarna het geheel in de Kindertuin wordt gemonteerd. Het kunstwerk bestaat uit 152 verschillende panelen, op de randstukken van 90 bij 90 cm na. Ze hebben een patroon van telkens negen motieven in eenzelfde kleur op een witte achtergrond. Het aanvankelijk idee om meerdere kleuren per paneel te combineren, bleek immers te duur. Zo ontstaat een repetitieve coloristische en vormelijke compositie, die uit 36 verschillende motieven en 29 verschillende tinten blauw, rood, oranje, geel, bruin en groen bestaat, met een sterk optisch effect, in nauwe relatie met de tegenoverliggende klassenvleugel. De kunstenaar zelf spreekt van een 'muuranimatie', een alfabet van vormen en kleuren. Het pendant van 'De Tovertuin', een tweede patiotuin met een vijvertje aan de overzijde van het trappenhuis, tussen de klassenvleugel en de refter, maakt uiteindelijk plaats voor een leraarskamer.

  • Archives d'Architecture Moderne, Archief Renaat Braem, Dossiernummer 120.
  • Stadsarchief Antwerpen, Dossiers MA 59.071-59.077, 62.415-62.419.
  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, Archief Renaat Braem, 390.
  • WEEMAELS J. 1973: Architecture intérieure. Un alphabet de formes et de couleurs comme décor, in Neuf 8.43, 38-39.

Bron: Braeken J. (ed.) 2010: Renaat Braem 1910-2001. Architect, Relicta Monografieën 6. Archeologie, Monumenten en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, Brussel.

Auteurs: Braeken, Jo

Datum: 2010

U kunt deze tekst citeren als:

Braeken, Jo 2010: Kindertuin [online], https://id.erfgoed.net/teksten/134345 (geraadpleegd op ).