De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Teksten bij "Klooster van Mariazusters van Franciscus"

Terug naar Klooster van Mariazusters van Franciscus.

Klooster

Klooster van Mariazusters van Franciscus, moederklooster van de vroegere zusters maricolen-franciscanessen. Het ontstaan van deze zustergemeenschap gaat terug op een lekenassociatie van devote vrouwen die zich vooral wijdden aan zieken- en armenzorg, maricollen of marollen genaamd. Te Waasmunster bestond dergelijke mariale congregatie al in het begin van de 18de eeuw. In 1745 waren zij gevestigd in een huis naast het kerkhof (zie Marollenstraatje). Wegens hun spinactiviteit ten behoeve van de armen stonden zij ook bekend als Spinessen of Spinersen. De benaming van hun verblijfplaats “Spinhuis Sint Elisabeth”, ontleend aan deze vrouwelijke tertiaris van Sint-Franciscus, verwijst naar de verwantschap die van bij de oorsprong aanwezig was met de leefregel van de minderbroeders-franciscanen. Na een onderbreking in de periode 1798-1814 als gevolg van de Franse Revolutie keerden de maricollen dankzij de dorpspastoor terug. Een tweede maricollengemeenschap had een huis van de pastoor betrokken in de Kerkstraat ter hoogte van het huidige klooster. In 1822 zouden beide kloostergemeenschappen zich daar verenigd hebben. De officiële erkenning als religieuze zustergemeenschap onder de benaming "Maricollen van het Spinhuis van Waasmunster" zou dateren van 1830 toen de regel van de congregatie door de bisschop van Gent werd goedgekeurd. Nog in het tweede kwart van de 19de eeuw volgde de erkenning als reguliere derde-ordelingen van de H. Franciscus en verkregen de kloosterzusters de naam maricolen-franciscanessen. Hun caritatieve taken werden in die periode ook al uitgebreid met bejaardenzorg en het verlenen van onderwijs. Hun aanvankelijke verblijfplaats werd wellicht al van in de jaren 1840 geleidelijk verbouwd tot klooster; daarvan getuigen plannen van 1839, 1840, 1844 van een vleugel met kleine kloosterkapel naar ontwerp van architect B. Cnops (Dendermonde), en het ter plaatse bewaarde torenklokje van 1844. In de tweede helft van de 19de eeuw verder uitgebreid tot een groot kloostercomplex waarbij in 1877 een grotere kloosterkapel tot stand kwam naar ontwerp van architect Modeste De Noyette (Gent). Naast het klooster werd kort na 1879 een katholieke lagere meisjesschool gebouwd (zie Kerkstraat 10). In de loop van de 19de eeuw ontstonden vanuit dit moederklooster talrijke bijhuizen in de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. In 1968 wijzigde de naam van de congregatie in Mariazusters van Franciscus. Kort na de bouw van het klooster en bezinningscentrum "Abdij Roosenberg" (zie Oudeheerweg-Heide 3) besloot de congregatie ook de nieuwbouw van hun moederklooster toe te vertrouwen aan de Nederlandse benedictijn - architect Hans van der Laan. Hij maakte het ontwerp (1978) in samenwerking met zijn neven R. en J.W. van der Laan. De oude kloostergebouwen werden in 1980-81 gesloopt met uitzondering van de neobarokke kloosterkapel. Deze werd geïntegreerd in het nieuw gebouwde kloostercomplex (1981-1985) gerealiseerd met medewerking van architectenbureau De Vloed (Melle).

Oostelijk georiënteerde monumentale kloosterkapel (1877) in neobarokstijl naar ontwerp van architect Modeste De Noyette, volgens opschrift herinneringssteen aangebracht boven de geprofileerde hardstenen sokkel van de noordelijke zijgevel: "A.M.D.G./ et/ B.M.V. ac Sti F.H./ sorore Benedicta (Th. Weewauters)/ matre aedificabar/ architectone D Modesto De Noyette/ ANNO MDCCCLXXVII.". Ingezegend in 1879; plechtige inwijding op 21 november 1888 door bisschop Carolus Henrikus Lambrecht. Kapel ingeplant achter de aan de straat palende kloostervleugel; daarbij met de voorzijde aanleunend tegen het kloostercomplex doch voorts vroeger grotendeels vrijstaand. In het straatbeeld viel de bidplaats enkel op door de hoge dakruiter boven de voorste kapeltravee. Bij de constructie van het nieuwe klooster werd de kapel volledig in de nieuwbouw geïntegreerd door tegen de onderbouw aanleunende gelijkvloerse kloostergangen te realiseren. Eenbeukige bakstenen kapel van vijf traveeën voorafgegaan door een smallere portaaltravee met doksaal en eindigend op een ondiepe rechthoekige koorsluiting met halfrond ingeschreven koor. De sacristie ter breedte van de beuk in de as van het koor verdween naar aanleiding van het nieuwgebouwde klooster. Leien zadeldak met vooraan de sierlijke zeshoekige houten dakruiter met van galmgaten voorziene gewitte lantaarn en elegante ingesnoerde peerspits bekroond met torenkruis en haan. Baksteenbouw met markerende hoekpilasters; langsgevels geritmeerd door spaarvelden tussen lisenen voorzien van grote rondboogvensters in gewitte geprofileerde en geblokte omlijstingen met druiplijst op imposten. Omlopend hoofdgestel met gelede architraaflijst en getande gekorniste kroonlijst op klossen. Oostgevel beuk en koorgevel uitgewerkt tot een halsgevel met vleugelstukken afgewerkt door voluten en met frontonbekroning boven een ovaal zoldervenster in een gewitte omlijsting met oren. Portaal aan weerszij verlicht door een klein omlijst steekboogvenster.
Uitgesproken neobarok interieur met rijkelijk gedecoreerde architecturale ornamentiek, nu grijs en wit geschilderd met goudkleurige lijstjes en details; okerbruin tongewelf geleed door gordelbogen met cassetten; plint en lambrisering met marmerschildering (nieuwe kleurstelling van 1985 ter vervanging van vroegere pastelkleuren). Wanden geleed door pilasters op hoge basis en kapiteel met gevleugeld engelenhoofdje; voorts onder hoofdgestel met getande en gekorniste kroonlijst onder de gewelfbogen voorzien van gebroken frontons met cartouche en consoles met vleugelstuk die de vensters bekronen. Vensters ingeschreven in een geblokte en geprofileerde omlijsting met booglijst op engelenhoofdje. Onder de vensters aansluitende brede versierde omlijsting van de kruiswegtaferelen met motieven zoals bladwerk, druiven, cartouches, schilden, krullen. Brede korfbogige driedelige portaaldeur in een omlijsting bekroond door de doksaalbalustrade. Eveneens korfbogige zijportaaldeuren en vroegere sacristiedeuren. Koorwand met schildering van Heilig Hart van Jezus geflankeerd door geornamenteerde beeldnissen voorzien van volgende polychrome beelden: Onze-Lieve-Vrouw met Kind, Heilige Jozef, Heilige Theresia van Avila en Heilige Elisabeth van Hongarije (twee Derde Ordelingen van Franciscus), de Heilige Antonius van Padua, de Heilige Franciscus. Vensters met ongekleurde glas-in-loodramen uitgevoerd; drie verschillende geometrische traceringen. Zwarte en witte marmeren tegelvloer.

Mobilair: Wit marmeren hoofdaltaar door Lippens (Gentbrugge). Houten communiebank in neorenaissancestijl, thans tegen de zijwanden geplaatst. Houten preekstoel nu verwerkt tot ander kerkmobilair: in nieuw altaar en lezenaar. Kruisweg geschilderd op rood koper van 1879 door Janssens (Nevele).

De nieuwe kloostergebouwen (1978-1985) in een strakke en sobere baksteenarchitectuur zijn veel minder dan de andere bouwprojecten van Hans van der Laan een illustratie van zijn architectuurvisie, niet in het minst door de diverse beperkingen opgelegd door de locatie, de incorporatie van de bestaande kloosterkapel en het uitgebreide bouwprogramma. In de aanleg werden wel meerdere binnenhoven toegepast. De ruime hal van het nieuwe complex bevindt zich in de as van de oude kapel en geeft aan weerszij aansluiting met de kloostergangen rondom de voorkoer links en de zogenaamde keukenhof rechts. Achter de kapel is de grote pandhof gelegen met zusterverblijf. De kloostervleugels tellen twee bouwlagen met zadeldak, pandgangen met plat dak zonder bovenverdieping. Naar vormgeving, materiaalgebruik en afwerking zijn nog bepaalde overeenkomsten aanwezig met zijn ander oeuvre (zoals de met houten planken beklede zolderingen) gekenmerkt door rechtlijnigheid en eenvoud die een eenheid creëren. In tegenstelling tot andere kloosters van Van der Laan werden de bakstenen buitengevels niet bekleed met een lichte cementbepleistering. Het complex werd ook niet uitgerust met het karakteristieke meubilair naar ontwerp van Hans van der Laan. Lange doorlopende lijstgevel aan de straatzijde horizontaal beklemtoond door herhaalde kordons met drie registers van gekoppelde kleine vensters. In het vrij gesloten rechter deel van de pui uitgespaarde brede eenvoudige portiek met toegangspoort in de houten achterwand. Het kruismotief in de latei en vooral het klokkentorentje van de kloosterkapel uitstekend boven de daknok geven vanaf de straat de religieuze bestemming aan van het complex. In de hal voor de kloosterkapel: modern gekleurd glas-in-loodraam gesigneerd H. Van de Perre het zonnelied van Sint- Franciscus voorstellende.

In de achterliggende kloostertuin schuilgaande kapel; naar verluidt een vroegere statiekapel (?), heden in slechte staat. Rechthoekige neogotische getinte kapel van het type wegkapel. Gewitte baksteen met verwerking van hardsteen. Zadeldak tussen aandaken: puntgevels op schouderstukken afgewerkt met hardstenen lijsten. Voorpuntgevel met kruisbekroning. Voorzien van steunberen, spitsbogige zijvensters en een rond venstertje in de achtergevel.

  • Archief Abdij Sint-Pieters en Paulus Dendermonde, Collectie 154 f-g, Portefeuille B.J. Cnops.
  • BUYSSE H., Dom Hans van der Laan, Gent, 2000, (onuitgegeven verhandeling RUG LW Vakgroep Kunst-, muziek- en theaterwetenschappen), p. 34-36.
  • DE POTTER F. & BROECKAERT J., Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, Vierde reeks. 45ste deel. Waasmunster, Gent, 1890, p. 145-146.
  • Informatie verschaft door de Mariazusters van Franciscus Waasmunster.
  • KOSTER E., Dom van der Laan’s Arcadian Architecture, (Architectura & natura quarterly, 1992/1, p. 45)
  • MARIAZUSTERS VAN FRANCISCUS WAASMUNSTER, In de voetstappen van de Heer. Grondslagen van de religieuze bestaanswijze levensvorm statuten, Brugge, 1969, p. 24-31.
  • MOENS B., De identiteit van Waasmunster, Nieuwkerken, 1982, p. 99-103.
  • SERGEANT N., De Parochie Waasmunster geschiedenis en patrimonium, Tielt, 1991, p. 111-114.
  • SERGEANT N., Het Marollenhuys van Waasmunster, dat verbeurd verklaard werd tijdens de Franse revolutie, (Heemkring‘Het Sireentje’, XIX, 2-3, 1995, p. 296-309).
  • STROOBANTS A., Dendermondse stadsgezichten van Bernard Cnops, Dendermonde, 1993.

Bron: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Oost-Vlaanderen, Gemeenten: Berlare, Buggenhout, Lebbeke, Waasmunster, Hamme en Zele,Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 20N, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Duchêne, Helena & Verbeeck, Mieke

Datum: 2007

U kunt deze tekst citeren als:

Duchêne, Helena & Verbeeck, Mieke 2007: Klooster van Mariazusters van Franciscus [online], https://id.erfgoed.net/teksten/88480 (geraadpleegd op ).

Klooster van Mariazusters van Franciscus

Het klooster van de Mariazusters van Franciscus omvat een oudere kloosterkapel (1877) naar ontwerp van architect Modeste De Noyette, die teruggaat op het moederklooster van de vroegere zusters maricolen-franciscanessen. Architect Dom Hans van der Laan creëerde tussen 1981 en 1985 op de kloostersite een groot kloostercomplex. De tuinen werden na een aanzet van ontwerp door Van der Laan opgemaakt door de vooraanstaande tuin- en landschapsarchitect Pieter Buys, samen met B. Van der Vliet.

Historiek

De zustergemeenschap van de maricolen-franciscanessen ontstond als lekenassociatie van devote vrouwen die zich vooral wijdden aan zieken- en armenzorg, maricollen of Marollen genaamd. Te Waasmunster bestond dergelijke mariale congregatie al in het begin van de 18de eeuw. In 1745 waren zij gevestigd in een huis naast het kerkhof (het Marollenstraatje).

Wegens hun spinactiviteit ten behoeve van de armen stonden zij ook bekend als spinessen of spinersen. De benaming van hun verblijfplaats ‘Spinhuis Sint-Elisabeth’, ontleend aan deze vrouwelijke tertiaris van Sint-Franciscus, verwijst naar de verwantschap die van bij de oorsprong aanwezig was met de leefregel van de minderbroeders-franciscanen. Na een onderbreking in de periode 1798-1814 als gevolg van de Franse Revolutie keerden de maricollen dankzij de dorpspastoor terug. Een tweede maricollengemeenschap had een huis van de pastoor betrokken in de Kerkstraat ter hoogte van het huidige klooster. In 1822 zouden beide kloostergemeenschappen zich daar verenigd hebben. De officiële erkenning als religieuze zustergemeenschap onder de benaming ‘Maricollen van het Spinhuis van Waasmunster’ zou dateren van 1830 toen de regel van de congregatie door de bisschop van Gent werd goedgekeurd. Nog in het tweede kwart van de 19de eeuw volgde de erkenning als reguliere derde-ordelingen van de Heilige Franciscus en verkregen de kloosterzusters de naam maricolen-franciscanessen. Hun caritatieve taken werden in die periode ook al uitgebreid met bejaardenzorg en het verlenen van onderwijs. Hun aanvankelijke verblijfplaats in de Kerkstraat werd wellicht al van in de jaren 1840 geleidelijk verbouwd tot klooster; daarvan getuigen plannen van 1839, 1840, 1844 van een vleugel met kleine kloosterkapel naar ontwerp van architect B. Cnops (Dendermonde), en het ter plaatse bewaarde torenklokje van 1844.

Bouw van de neobarokke kloosterkapel

In de tweede helft van de 19de eeuw werd het klooster verder uitgebreid tot een groot kloostercomplex waarbij in 1877 de huidige, grotere kloosterkapel tot stand kwam naar ontwerp van architect Modeste De Noyette (Gent). Naast het klooster werd kort na 1879 een katholieke lagere meisjesschool gebouwd. Rond diezelfde periode richtte de zusterorde ook in het gehucht Sombeke een katholieke lagere meisjesschool op die later uitgebreid werd met een klooster en tehuis voor verlaten kinderen, wezen en bejaarden. Dit neogotisch complex eveneens naar ontwerp van architect Modeste De Noyette is verdwenen.

In de loop van de 19de eeuw ontstonden vanuit dit moederklooster talrijke bijhuizen in de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. In 1968 wijzigde de naam van de congregatie in Mariazusters van Franciscus.

De kloostergemeenschap was vanouds zeer mariaal gericht en de Mariaverering is tot heden het hoofdkenmerk van de orde. Volgens de leuze “Met Maria God dienen in allen” wordt dagelijks het officie van Onze-Lieve-Vrouw gebeden.

Oprichting van nieuwe kloostergebouwen

In 1971 gingen de overblijvende zusters van de Roosenbergabdij, gevestigd verderop in de Kerkstraat, door fusie op in de congregatie van de Mariazusters van Franciscus. Om het contemplatieve leven van de vroegere Roosenbergabdij in leven te houden werd in de bossen van Waasmunster een nieuw klooster met bezinningscentrum genaamd ‘abdij Roosenberg’ gebouwd. De geestelijk directeur Henri Raemdonck en toenmalige zusteroverste van Mariazusters van Franciscus maakten aanvankelijk via de pers en nadien ter plaatse te Vaals (Nederland) kennis met het werk van de Nederlandse benedictijn-architect Dom Hans van der Laan. Zij waren sterk onder de indruk van de abdijkerk van Dom van der Laan en van het werk van zijn leerling Jan de Jong.

Bijgevolg werd het bouwontwerp voor een nieuw klein klooster buiten de dorpskom midden de bossen van Waasmunster toevertrouwd aan de architect Dom Hans van der Laan. Dit hedendaags klooster gekend als Abdij Roosenberg (1972-1975) bevindt zich langs de Oudeheerweg-Heide te Waasmunster.

In 1978 besloot de congregatie ook de vervanging door nieuwbouw van hun moederklooster op de bestaande kloostersite aan de Kerkstraat toe te vertrouwen aan de Nederlandse benedictijn-architect Dom Hans van der Laan. Hij startte met de eerste schetsen voor het ontwerp in 1978. Al vlug werd duidelijk dat door de geplande verbouwing de torenklokken van de kloosterkapel niet zouden kunnen worden hergebruikt. Daarom werd al in 1978, voor de eigenlijke werken opstartten, in de achterliggende kloostertuin een vrijstaand houten klokkentorentje gebouwd naar ontwerp van Hans van der Laan met drie nieuwe luiklokken.

De neef van Hans van der Laan, architect Rik van der Laan (zoon van zijn broer Nico) trad op als de rechterhand van zijn oom en werkte samen met hem het kloosterontwerp verder uit (1979-1980). Voor de technische uitvoering was er samenwerking met Harry Van Hal van het architectenbureau Van der Laan -Van Hal (bureau van Nico van der Laan en nadien van zijn zoon Hans).

De oude kloostergebouwen werden in 1980-1981 gesloopt met uitzondering van de neobarokke kloosterkapel. Deze kapel werd geïntegreerd in het nieuw gebouwde kloostercomplex in een strakke, sobere en tijdloze baksteenarchitectuur, waarvan de uitvoering begeleid werd door architectenbureau De Vloed (Melle) dat aanvankelijk was aangezocht voor de plannen van een nieuw gastenhuis voor het klooster.

De bouwwerken werden aangevat in 1981 (confer de herinneringssteen) en werden gefaseerd uitgevoerd zodat de zusters hun verblijf ter plaatse konden behouden. In 1983 waren de grote werken afgerond doch de volledige afwerking met inbegrip van schilderwerken was klaar in 1985 waarna het nieuwe klooster werd ingezegend.

Aanvankelijk had Hans van der Laan bij voorkeur een nieuwe kloosterkapel gebouwd voor het grote nieuwe complex, doch de congregatie verzette zich tegen de sloop van de oude kloosterkapel. De inplanting aan een straat tussen bestaande bebouwing centraal in de gemeentekern en de daaraan gekoppelde stedenbouwkundige voorschriften legden in tegenstelling tot de Abdij Roosenberg heel wat beperkingen op aan de ontwerper. Voor het achterin liggende kleinere klooster Roosenberg dat een bosrijke omgeving bezit had Hans van der Laan als ontwerper wel volledig de vrije hand gehad naar ontwerp toe. In de Kerkstraat diende hij een veel groter opgevat kloostercomplex te ontwerpen, op een bestaande site aan de straat met een vastliggende onregelmatige terreinbegrenzing binnen een verstedelijkte context. Ook in dit grote bouwproject slaagde Dom Hans van der Laan er blijkbaar in om zij architectuurtheorie te concretiseren en zijn persoonlijke stijl consequent door te drukken.

Het bepalen van de kleuren van de binnenafwerking, zoals van vloeren, wanden, deuren en plafonds, gebeurde voor het klooster in de Kerkstraat ook in samenspraak met kleurenspecialist Wim van Hooff. Dit aspect maakt deel uit van de persoonlijke stijl van Hans van der Laan en droeg, net als in de Abdij Roosenberg, sterk bij tot de harmonische eenheid van het interieur.

In tegenstelling tot de Abdij Roosenberg werd het kloostercomplex slechts beperkt uitgerust met het karakteristieke meubilair naar ontwerp van Hans van der Laan (sacristiekasten, banken in de kloostergang, tafels in de conferentiezaal, enkele stukken klein meubilair en bepaalde kasten). De zusters gaven hier de voorkeur om voor het overige hun bestaande meubilair te hergebruiken in het nieuwe klooster.

De ontwerpplannen voor binnentuinen en voor de ruime achterliggende kloostertuin werden evenals voor Abdij Roosenberg na een aanzet van ontwerp door van der Laan, opgemaakt door de vooraanstaande tuin- en landschapsarchitect Pieter Buys. Volgens de ondertekende plannen gebeurde dit samen met tuin- en landschapsarchitect B. Van der Vliet. Van bij de eerste ontwerpschetsen maakte de achterliggende kloostertuin in samenhang met de architectuur en de omgeving al een wezenlijk bestanddeel uit van het totaal architecturaal concept van Hans van der Laan. De tuinaanleg werd bovendien structureel deels afgestemd op een paar elementen van de bestaande kloostertuin, waaronder een paar devotieplaatsen in de vorm van een tuinkapel en tuingrot.

Voor de bijhorende directeurswoning naast het kloostercomplex aan de Kerkstraat, werd dom Hans van der Laan in 1982 ook aangezocht om een ontwerp te maken. De bouw van deze woning voor huisvesting van geestelijk directeur Henri Raemdonck was klaar in 1985.

Renovatie van het klooster

In 2010 hadden enige beperkte aanpassingswerken plaats door de slaapkamers op de bovenverdieping van eigen sanitair en ander hedendaags comfort te voorzien. Daartoe werden een aantal slaapkamers opgesplitst in twee badkamers en een aantal slaapkamers werden door het aanbrengen van een tussendeur samengevoegd. Hierdoor werd het oorspronkelijk aantal slaapkamers (omstreeks 70) teruggebracht tot negentien dubbele kamers met badkamer en elf enkele kamers met badkamer. De structurele aanpassingen daartoe waren zeer beperkt en de kamers zelf werden in de oorspronkelijke kleuren herschilderd. Bij de inrichting van de badkamers werden daar wel de houten zolderingen definitief verwijderd en werden nieuwe vloeren aangebracht. In de houten plafonds van de slaapkamers bleef de originele centrale cilindervormige lampenkap tegen het plafond behouden doch er werden vier kleine plafondlichtjes toegevoegd. Het uitzicht van de laterale gangen met houten wanden bleef dezelfde behalve, nadat bepaalde deuren binnenin gesupprimeerd werden. Voor het aanbrengen van telefoon-, tv-, en internetaansluiting dienden op bepaalde plaatsen in kamerhoeken leidingkasten toegevoegd met gerecupereerd hout, die echter naar vormgeving overeen stemmen met bestaande smalle verticale stroken houten wandafwerking.

Er werd in de noordelijke vleugel een nieuwe bijkomende lift geplaatst in een onbenut gedeelte van een portiek. De lift werd in een houten wand van hergebruikt materiaal ingewerkt. De aanpassingswerken werden met veel respect voor het authentiek karakter van de kloosterarchitectuur uitgevoerd.

Beschrijving

Kloosterkapel

De oostelijk georiënteerde monumentale kloosterkapel (1877) in neobarokstijl naar ontwerp van architect Modeste De Noyette, volgens opschrift herinneringssteen aangebracht boven de geprofileerde hardstenen sokkel van de noordelijke zijgevel: "A.M.D.G./ ET/ B.M.V. AC STI F.H. / SORORE BENEDICTA (TH. WEEWAUTERS)/ MATRE AEDIFICABAR/ ARCHITECTONE D MODESTO DE NOYETTE/ ANNO MDCCCLXXVII.", werd ingezegend in 1879; de plechtige inwijding vond plaats op 21 november 1888 door bisschop Carolus Henrikus Lambrecht.

De kapel is ingeplant achter de aan de Kerkstraat palende jongere kloostervleugel en leunt met de voorzijde aan tegen het kloostercomplex, hoewel de kapel vroeger voorts grotendeels vrijstaand was. In het straatbeeld viel de bidplaats vroeger al enkel op door de hoge dakruiter boven de voorste kapeltravee. Doordat de kapel volledig door de nieuwe kloostergebouwen omgeven is, is ze ook nu niet zichtbaar vanaf de straat. De bidplaats valt in het straatbeeld enkel op door de hoge dakruiter. De kapel is toegankelijk via een ruime hal in de as van de oude kloosterkapel naast de inkom in de voorste vleugel van het nieuwe kloostercomplex.

De eenbeukige bakstenen kapel van vijf traveeën wordt voorafgegaan door een smallere portaaltravee met doksaal eindigend op een ondiepe rechthoekige koorsluiting met halfrond ingeschreven koor. De sacristie ter breedte van de beuk in de as van het koor verdween naar aanleiding van het nieuwgebouwde klooster. Het leien zadeldak omvat vooraan de sierlijke zeshoekige houten dakruiter met van galmgaten voorziene gewitte lantaarn en elegante ingesnoerde peerspits bekroond met torenkruis en haan. Het betreft een baksteenbouw met markerende hoekpilasters; de langsgevels zijn geritmeerd door spaarvelden tussen lisenen voorzien van grote rondboogvensters in gewitte geprofileerde en geblokte omlijstingen met druiplijst op imposten. Het omlopend hoofdgestel heeft een gelede architraaflijst en getande gekorniste kroonlijst op klossen. In de oostgevel zijn de beuk en koorgevel uitgewerkt tot een halsgevel met vleugelstukken afgewerkt door voluten en met frontonbekroning boven een ovaal zoldervenster in een gewitte omlijsting met oren. Het portaal wordt aan weerszijden verlicht door een klein omlijst steekboogvenster. De voorpuntgevel werd in het kader van de nieuwe kloosterbouw gewijzigd, afgewerkt met een horizontale beplanking en voorzien van een metalen buitentrap naar de zolder fungerend als noodtrap.

De kapel heeft een uitgesproken neobarok interieur met rijkelijk gedecoreerde architecturale ornamentiek, op het moment van de bescherming (2012) grijs en wit geschilderd met goudkleurige lijstjes en details; okerbruin tongewelf geleed door gordelbogen met cassetten; plint en lambrisering met marmerschildering (nieuwe kleurstelling van 1985 ter vervanging van vroegere pastelkleuren). De wanden worden geleed door pilasters op hoge basis en kapiteel met gevleugeld engelenhoofdje; voorts onder hoofdgestel met getande en gekorniste kroonlijst onder de gewelfbogen voorzien van gebroken frontons met cartouche en consoles met vleugelstuk die de vensters bekronen. De vensters zijn ingeschreven in een geblokte en geprofileerde omlijsting met booglijst op engelenhoofdje. Onder de vensters bevindt zich een aansluitende brede versierde omlijsting van de kruiswegtaferelen met motieven, zoals bladwerk, druiven, cartouches, schilden, krullen. De brede korfbogige driedelige portaaldeur is gevat in een omlijsting bekroond door de doksaalbalustrade. De zijportaaldeuren en vroegere sacristiedeuren zijn eveneens korfbogig.

De koorwand is versierd met een schildering van het Heilig Hart van Jezus onder opschrift “Kom Heer Jezus”, volgens de literatuur in 1880 door kunstschilder Nicaise De Keyser (Antwerpen) vervaardigd en geschonken in ruil voor een jaarmis op de eerste maandag van juni gedurende 50 jaar. De Heilig Hartschildering boven het hoofdaltaar wordt geflankeerd door geornamenteerde beeldnissen voorzien van volgende polychrome beelden: Onze-Lieve-Vrouw met Kind, Heilige Jozef, Heilige Theresia van Avila en Heilige Elisabeth van Hongarije (twee Derde Ordelingen van Franciscus), de Heilige Antonius van Padua, de Heilige Franciscus.

De vensters zijn met ongekleurde glas-in-loodramen uitgevoerd en hebben drie verschillende geometrische traceringen. Het rond glasraam boven doksaal heeft een gedeeld wapenschild van congregatie (rechts: gekruiste armen, gewonde handen en kruis; links: Onze-Lieve-Vrouw met kindje Jezus) onder gekroonde banderol met opschrift "Crucifixum Sequi" "Mariam Colore" en initialen ZMF.

De vloer bestaat uit zwarte en witte marmeren tegels.

De kapel omvat volgend meubilair:

  • een wit marmeren hoofdaltaar door Lippens (Gentbrugge);
  • een houten communiebank in neorenaissancestijl, tegen de zijwanden geplaatst. De houten preekstoel is verwerkt tot ander kerkmobilair: in nieuw altaar en lezenaar. De kruisweg werd geschilderd op rood koper van 1879 door Janssens (Nevele);
  • acht eiken bidbanken in sierlijk houtsnijwerk door De Lentdecker.
Kloostercomplex

Het uitgebreide programma voor het nieuw te bouwen moederklooster voorzag in een zusterklooster met afdeling voor zieke en rustende zusters waardoor hier ruim 70 zusters konden verblijven. Om dit te kunnen realiseren op de oude kloostersite bedacht Hans van der Laan een ontwerp dat deels aansloot bij de structuur van het af te breken klooster. Maar zoals voor de Abdij Roosenberg stemde hij de nieuwbouw tevens af op de vorm en verhouding van de onregelmatige terreinbegrenzing van de site. Ook had het tuinontwerp als onderdeel van het architecturaal ontwerp van bij het begin zijn plaats en betekenis binnen het totaalconcept. Dit blijkt al zeer duidelijk uit de vroegste ontwerpschetsen.

Architect Hans van der Laan ontwierp een groot gebouwencomplex met vleugels van dezelfde hoogte waarboven de geïntegreerde kapel uitsteekt. De voorbouw van het klooster aan de rooilijn van de straat vormt een op zich staand langgerekt volume dat drie bouwlagen telt. De overige achterin gelegen kloostervleugels van twee bouwlagen vertonen een aansluitende bedaking met noklijn parallel aan of loodrecht op de rechter perceelgrens van de site die oost-west verloopt of schuin ten opzichte van de voorbouw.

De kloostergebouwen omsluiten drie verschillende binnenhoven: twee kleinere zijn vooraan in het complex aan weerszijden van de kapel gelegen en de grootste en voornaamste achter de kapel. Ten noorden van de kloosterkapel en achter de voorbouw met zijn spreekkamers, ligt de kleinste binnenkoer: de Voorhof met onregelmatige vierhoekige vorm. Ten zuiden ervan als een tweede voorhof, de diepere en onregelmatige vierhoekige Keukenhof, slechts deels omsloten door de kloostergebouwen en op de zuidwesthoek geopend met oprit en toegang vanaf de straat. Ten zuidoosten en achter de kapel is het ruim opgevatte eigenlijke kloosterpand met zusterverblijf gelegen gevormd door vier vleugels rondom de ruime vierkante Pandhof. De noordvleugel bevat de sacristie, ter hoogte van het koor van de kloosterkapel, en de conferentiezaal. In de oostvleugel bevinden zich een werkplaats voor de zusters, het bureau van de plaatselijke overste, de living van de zusters en op beide de hoeken een trappenhuis met portieken. De zuidvleugel bevat de grote refter, keuken en kleine refter. De gastenrefter ligt zijwaarts van de kapel in de westvleugel. In de ordening en groepering van de functies rondom deze pandhof met omlopende kloostergangen en aanpalende kloosterkapel is een herkenbare aansluiting aanwezig met de traditionele kloosterbouw in Europa waarvan het concept in de middeleeuwen zijn oorsprong vond.

De bestaande georiënteerde kloosterkapel met afwijking zuidwaarts sluit vooraan haaks aan op de nieuwe kloostervleugel aan de straat. De koorzijde van de kapel boort zich schuin onderbreking in de westelijke pandvleugel. Tegen de onderbouw van de oude kloosterkapel leunen enkel lage constructies aan bestaande uit gelijkvloerse kloostergangen met plat dak: zij voorzien in de circulatie van de voorbouw naar de Pandhof en met de kloostergangen rondom de Voorhof links en de zogenaamde Keukenhof rechts. Op deze wijze functioneert de kloosterkapel als een centraal knooppunt waarbij de kapel zelf van binnenuit niet zichtbaar is. Van op de drie binnenkoeren is de neobarokke kloosterkapel, die boven de aanpalende kloostergangen oprijst, omringd door de sobere moderne kloosterbouw, wel opvallend aanwezig. Deze evenwichtig geproportioneerde en unieke architecturale compositie werd door Hans van der Laan zelf omschreven als “een chique broche op een sobere jurk”.

Aan de achterzijde van de kloostersite, ten oosten van het grote kloosterpand, ligt de ruime naar achter toe verbredende kloostertuin met een strakke aanleg waarvoor Hans van der Laan een aanzet van ontwerp had gegeven. Vrijwel in de as van de kapel werd nog voor de nieuwe kloosterbouw werd aangevat de vrijstaande lage klokkenstoel naar zijn ontwerp in 1978 opgericht als een opvallend constructief element op het breed verhard plein ten oosten achter het klooster. Daarbij haaks aansluitend voorzien beide smalle zijtuinen ten noorden en ten zuiden met zijdelingse opritten vanaf de straat in een volledige circulatie rondom de kloostergebouwen dat op deze wijze van buitenaf als architecturaal geheel kan worden ervaren. Er kan een mogelijke parallel gezien worden tussen de wijze waarop de tuin de kloosterbouw omvat met de wijze waarop de lage kloostergangen de kloosterkapel omarmen.

Bij de compositie van de gebouwen maakte Hans van der Laan ook hier gebruik van het principe waarbij alle componenten tegenover elkaar in een specifieke dispositie staan. Hij paste voor de creatie van een dynamische compositie geen traditionele symmetrie toe, maar werkte op basis van een ruimtelijke systematiek met grondverhoudingen uitgaande van de dikte van de wand. Deze grondmaat bedraagt ook hier circa 50 centimeter (confer ontwerpplannen) en dit is ook de afmeting van de vierkante vloertegels doorheen het gebouw. Rik van der Laan, die hem bijstond in het uitwerken van het ontwerp, getuigde ervan dat ook in dit kloostercomplex “het plastisch getal” en de specifieke maatverhoudingen van zijn architectuurtheorie consequent werden toegepast. Karakteristiek is tevens de ritmische gelaagdheid van deze architectuur waarbij dispositie en ordonnantie de gevelritmiek bepalen en binnen een ruimte elke wand op zich een geheel vormt.

Evenals de overige kloosters van Dom Hans van der Laan is het kloostercomplex aan de Kerkstraat exemplarisch voor zijn architectuurtheorie. Het getuigt echter tevens op zich van een grote eigenheid en een individuele aanpak, niet alleen op planmatig vlak. Het complexe samenstel van volumes in zijn uiterst sobere en expressieve bouwtrant bezit een zeer sterke samenhang en vormt een duidelijke eenheid terwijl er toch verscheidenheid is in de wijze waarop onderdelen van het complex werden uitgewerkt.

Kenmerkend voor de tijdloze functionele architectuur van Hans van der Laan is de opvallende eenvoud en strakke rechtlijnigheid van de constructie zonder enige ornamentiek. Typerend ook is het gebruik van uniforme baksteen (hier van een lichte, bruingele kleur), in combinatie met beton en ruw hout.

Alle vleugels reiken even hoog, de voorbouw van drie bouwlagen onder afzonderlijk zadeldak, de overige van twee bouwlagen met aansluitende nok, alle onder sterk overstekende zwarte pannen zadel- en schilddaken met identieke brede houten daklijsten.

De lange kloostervleugel aan de straat, vrijwel opgevat als een op zich staand volume, vertoont er een doorlopende lijstgevel die sterk horizontaal beklemtoond is door geprononceerde, bijna driekwart ronde kordons die de verschillende registers van gekoppelde getoogde vensters belijnen. De veeleer klein opgevatte vensters zijn op de zolderverdieping lager. In de subtiele gevelritmiek hebben de doordacht geplaatste regenpijpen evenzeer een aandeel. Het vrij gesloten rechterdeel van de pui benadrukt een eenvoudig opgevatte excentrische inkom van het klooster. De kloosterinkom wordt gevormd door een met hout beklede uitgespaarde rechthoekige portiek. Het kruismotiefje centraal op de latei geeft op zeer discrete wijze de religieuze bestemming van het complex aan.

Afgezien van de voorste vleugel van de straat zijn er rechthoekige vensters met betonnen lateien toegepast, voor de bovenvensters doorlopend tot een band die de horizontale gerichtheid van de vleugels en hun geledingen benadrukken. Formaat en dispositie van de vensters is voor beide bouwlagen verschillend maar verleent de gevels met dominante horizontale lijn toch een specifieke ritmiek. De kloostergangen zijn met platte daken afgedekt. Brede doorlopende betonnen lateien beklemtonen de horizontale lijn ervan en zorgen voor een evenwicht in relatie met het verticale karakter van de laag aanzettende, staande rechthoekige vensters zonder raamindeling. De gevels van de lage kloostergangen zijn alle bovenaan met een gekartelde rand van golvende, donker geglazuurde pannen afgewerkt, een bindelement dat ook in Abdij Roosenberg werd gebruikt. Het omlopende brede bordes van twee treden van de Pandhof is meebepalend voor de specifieke ordonnantie en verhoudingen ervan. De plaatsing van de regenpijpen speelt eveneens een rol in de gevelritmiek van het complex.

Het terrein van de kloostersite helt af naar achteren. De lange tuingevel van de oostelijke pandvleugel bezit daardoor een verhoogde begane grond met sokkel. Deze imponerende gevel verkreeg als enige een symmetrisch opgevatte ordonnantie met een toegangspoort aan beide uithoeken voorafgegaan door een om beide gevelhoeken omlopend bordes met toegangstrap. Op de zuidoosthoek van de vleugel is een hoeksteen aangebracht met opschrift in het letterschrift ontworpen door Hans van der Laan: "AD LAVDEM GLORIAE DEI" (Tot lof van Gods heerlijkheid).

De vleugels die aan de Keukenhof palen vertonen aan de noord- en aan de zuidzijde een open galerij met hetzelfde type pijlers als in de kloostergangen. In de zuidelijke galerij biedt een buitenkeldertrap met gemetste leuning toegang tot de keldervertrekken onder de zuidelijke en oostelijke kloostervleugel. De overdekte open autostaanplaatsen, die met de rugzijde tegen de straatkant naast de oprit werden ingeplant, zijn constructief opgevat als de galerijen aan de volledig verharde binnenhof. Achterin bevindt zich een vierkante gemetste regenput.

Links van de voorste vleugel is een verharde oprit naar de achterliggende kloostertuin. De doorrit tussen klooster en aanpalende school is aan de straat overdekt met een eenvoudig houten plat dak.

Het expressief karakter, het rustgevende en de vormzuiverheid van de tijdloze architectuur die zo kenmerkend is voor Dom Hans van der Laan maakt zich absoluut kenbaar bij het volledig doorlopen van dit hedendaags klooster. De eenheid en samenhang zijn al voelbaar door zijn herkenbare, uiterst sobere afwerking en doordacht afgestemde keuze van materialen en kleuren. De begane grond is uniform betegeld met vierkante zwarte natuurstenen vloertegels (50 x 50 centimeter) van Portugese leisteen zonder toepassing van plinten. De treden van de trappenhuizen en de bovenverdieping zijn echter gevloerd met de okergele tegels met warm koloriet van Indische natuursteen zoals in Abdij Roosenberg. In de behandeling van de wanden is er afwisseling door gekaleide en gewitte muren, delen van hout zoals voor de gangwanden op de bovenverdieping. De wanden van de kloostergangen geopend op de binnenhoven zijn in hetzelfde onbehandeld baksteenmetselwerk als de buitengevels van de binnenhoven waardoor de tegenstelling binnen-buiten zintuiglijk sterk ervaren wordt. Ook door de verschuivingen van doorgangen ten overstaan van elkaar zoals in portieken wordt het betreden van een andere ruimte sterk waargenomen. Het contrast tussen de massieve wanden en wanddoorbrekingen met overwegend ramen zonder verdeling beantwoordt aan de gezochte tegenstelling vol-hol.

De toegangen tot de ingebouwde kloosterkapel werden op subtiele wijze in de moderne kloosterbouw opgenomen. In de entreehal wordt de toegang tot het oude portaal van de kapel benadrukt door een bordeauxrode dubbele deur met gestileerd kruismotief centraal boven in de omlijsting. In de kloostergangen tegen de zijgevels van de kloosterkapel bleef de van de kapel de hardstenen sokkel van de buitengevel met pilasters in de gesloten wand behouden. De rijk versierde zijdeuren van de kapel werden met een strakke houten wand omlijst. De noordelijke zijtoegang tegenover de sacristie is gemarkeerd door een strakke hardstenen omlijsting naast een fijn neogotisch wijwatervat in de wand.

Een opvallende figuratieve wanddecoratie is aangebracht in de entreehal, namelijk voor de toegang tot de kapel is een modern gekleurd glas-in-loodraam aanwezig gesigneerd door H. Van de Perre, het zonnelied van Sint-Franciscus voorstellende. Het refereert aan de congregatie van dit moederklooster van Mariazusters van Franciscus.

Alle zolderingen van het complex werden bekleed met houten planken die uniform doorzichtig gebeitst werden in een vage blauwgrijze kleur. Deze planken hebben overal dezelfde breedte behalve in de conferentiezaal waar voor het eerst een afwisseling werd voorzien van bredere en smallere planken zodat een specifieke ritmiek aan de zoldering werd verleend. De volle houten binnenluiken zoals aan de vensters van de spreekkamers en ook de binnendeuren zijn met in dezelfde warme vale grijsbruine kleur geverfd, evenals de verwarmingselementen tegen de wanden.

Op afgemeten plaatsen is tegen de zoldering verlichting aangebracht binnen brede cilindervormige lichtarmaturen van een zelfde standaardtype in een donkere grijsblauwe kleur.

Structureel zijn er heel herkenbare architectonische aspecten binnenin aanwezig die bijzonder typerend zijn voor Hans van der Laan’s oeuvre: dit geldt zeer sterk voor de trappenhuizen met typische lichtinval van boven uit en die zich doorgaans met portiek in de hoeken van de vleugels bevinden. Fundamenteel karakteristiek is de toepassing van portieken en pijlers die evenals de dispositie van vensters en deuropeningen uitgaande van de grondmaat (dikte van de dragende wand) in de juiste onderlinge verhouding tot elkaar in de wand en in de ruimte staan. De schoonheid van deze universele en tijdloze architectuur komt voort uit de afleesbare expressie van rust, harmonie, eenvoud en zuiverheid.

De zusters gaven er de voorkeur aan om het voorhanden zijnde meubilair uit hun voorgaand klooster in de vervangende, grotere nieuwbouw zoveel mogelijk te hergebruiken. Daardoor is het nieuwe klooster slechts voor een beperkt deel uitgerust met typerend meubilair uitgevoerd naar ontwerp van Hans van der Laan. Vooral in twee specifieke ruimtes is zijn karakteristiek houten meubilair, dat naar vormgeving, maatverhouding en materiaal beantwoordt aan de basisprincipes van zijn architectuurtheorie, prominent aanwezig. Het zijn ook hier uiterst eenvoudige en functionele houten meubelstukken met een stijlvolle en tijdloze, minimalistische vormgeving, herkenbaar aansluitend op of varianten van zijn beperkt assortiment standaardmodellen zoals die in meerdere van zijn gebouwen werden toegepast.

De sacristie is de enige ruimte van het klooster die volledig ingericht werd met een apart ensemble van aan de kamerfunctie eigen meubilair en die er volgens het principe van Dom van der Laan complementair aan de architectuur een vaste plaats kregen. Volgens aanwijzing van Dom Hans van der Laan werden de bewaarde ontwerpplannen opgemaakt door Rik van der Laan (confer het kloosterarchief). Hans van der Laan gaf ook een gedetailleerde beschrijving op voor de uitvoering van de meubels in Elzenhout en voor de afwerking aan de binnen- en buitenzijde. Het sacristiemeubilair is op karakteristieke wijze herkenbaar vervaardigd uit plankjes van dezelfde afmetingen met uitgelijnde dubbele rijen spijkerkoppen. Hier werd geen gekleurde beitslaag aangebracht ter afwerking zodat naast de houtstructuur ook de warme houtkleur met zijn lichte kleurnuances zichtbaar bleef.

De sacristie omvat volgend meubilair:

  • een centraal in de kamer opgestelde grote legkast (kist/tafelmodel) met twee deuren met schuifladen;
  • tegenover elkaar tegen beide wanden met deuropening staan twee dezelfde types hoge driedeurs kasten waarvan één hangkast en één legkast;
  • tegen de wand tegenover de wand met vensters bevindt zich links een kleine tweedeurskast in commodemodel met schuifladen en rechts ervan twee typische kleine zitbankjes van een zeer herkenbaar U-vormig standaardmodel.

In tegenstelling tot de refters van het klooster werden in de conferentiezaal wel tafels geplaatst naar een karakteristiek en herkenbaar standaardmodel en waarvan een specifiek ontwerpplan voor het klooster bewaard bleef. Typisch zijn de tafelpoten gevormd door taps toelopende zijpanelen met een kleine halfcirkelvormige functionele opening (handvat). Zoals de jongere houten meubels van Dom Hans van der Laan is de afwerking met een egale lichtgrijze verflaag die geen naden van planken noch nerfstructuur van het hout zichtbaar meer laat. De stoelen zijn uit het vroegere klooster afkomstig en werden voor gebruik bij de tafels van Dom Hans van der Laan in een grijze kleur geschilderd. Het gaat om 20 lange tafels van 50 centimeter breed en 2 meter lang, opgesteld in twee lange rijen; drie korte tafels van 50 centimeter breed en 1,48 meter lang (opzij); één korte tafel van 58 centimeter breed en 1,48 meter lang (vooraan op verhoog). De conferentiezaal is nog uitgerust met identiek uitziende houten bibliotheekkasten, waarvan vijf opgesteld tegen de blinde lange wand en één tegen de achterwand: zes driedeurs boekenkasten met in egale lichtgrijze kleur en metalen cilindervormige deurknoppen.

De kloostergang omvat elf lage lange houten rustbanken (zonder leuning), opgesteld tegen de wanden in de vier armen van de kloostergang rondom de Pandhof. Deze banken zijn van hetzelfde standaardtype als in de kruisgang van Abdij Roosenberg. De banken zijn in blauwgrijze tint geschilderd. Het gaat om telkens drie banken per gang behalve in de westelijke gang waar er twee staan (ontwerpplan door Dom Hans van der Laan in kloosterarchief).

Een deel slaapkamers of cellen van het klooster werden bij de inrichting van de nieuwbouw uitgerust met een exemplaar van dezelfde kamerhoge wandkasten. Het betreft kasten met vier dubbele deuren: twee hoge onder twee lage, voorzien van eenvoudige metalen cilindervormige deurknoppen en zichtbare scharnieren. Een ontwerpplan en beschrijving van dit type kast door Dom van der Laan is bewaard in het kloosterarchief. De uitvoering ervan werd toevertrouwd aan een schrijnwerker uit het Waasland, Fernand Vael. Alle kasten hebben dezelfde lichtgrijze kleur afgestemd op die van de houten zolderingen en gangwand van de kamers.

Door het verminderen van het aantal slaapkamers naar aanleiding van de recente renovatiewerken was het noodzakelijk wandkasten te verwijderen en elders in het klooster een plaats te geven. Op het moment van de bescherming (2012) bevinden zich op de kamers zelf op hun aanvankelijke voorziene plaats (slaapkamers en tot bijhorende living ingerichte vroegere slaapkamers) nog 39 oorspronkelijke wandkasten . Een deel van de slaapkamers werd pas later of recent van kasten voorzien afkomstig van een lokale schrijnwerker.

Ander mobilair in het kloosterpand is het volgende:

een bronzen klok genaamd H. Franciscus afkomstig uit de klokkentoren van de oude kloosterkapel en gegoten in 1844 volgens signatuur door klokkengieter Van Dengheyn (Leuven). De klok bezit een fijne neogotische reliëfdecoratie met voorstelling van de Heilige Franciscus en de Heilige Elisabeth. De klok staat tentoongesteld in het kloosterpand aan de koorzijde van de kapel; Onze-Lieve-Vrouwebeeld: polychroom houten Mariabeeld, afkomstig uit de vroegere Abdij van Roosenberg in de Kerkstraat, opgesteld achter de koorzijde van de kloosterkapel. Het beeld is op een leembruin gebeitste houten sokkel geplaatst, duidelijk een klein meubel met karakteristieke vorm naar ontwerp van Dom Hans van der Laan. De sokkel bezit een afgeknotte piramidevorm op vierkante grondplaat; een gelijkaardige maar hogere sokkel dient als voetstuk voor een vrij jong en kleiner houten Sint-Franciscusbeeld in de entreehal van het klooster, geschonken door notaris Müller van Waasmunster.

Directeurswoning

Dom van der Laan ontwierp één volledig op zich staande particuliere woning voor Jos Naalden (1978-1982) te Best in Nederland. In België kwamen drie woningen binnen een religieuze context tot stand naar zijn ontwerp tot stand: de directeurswoning van het klooster in de Kerkstraat te Waasmunster en de rectorswoning van Abdij Roosenberg te Waasmunster en een pastorie met bijhorende kerk te Wevelgem.

De directeurswoning van het klooster van Mariazusters van Franciscus aan de Kerkstraat is opgevat als een aan de straat gelegen half vrijstaande rijwoning en maakt perceelmatig deel uit van de kloostersite. De woning wordt door twee aanpalende rijwoningen links afgescheiden van de Keukenhof van het klooster.

De directeurswoning zelf omvat een aan de straat gelegen rechthoekig hoofdvolume van twee verdiepingen afgedekt door pannen zadeldak. Daarachter ligt een aansluitende L-vormige achterbouw van één bouwlaag met plat dak; deze constructie omsluit gedeeltelijk een kleine rechthoekige patio die aan de zijde van de oprit afgesloten is door een stuk tuinmuur en gebogen hekwerk.

Door een zelfde materiaalkeuze, de eenvoudige vormgeving en strakke tijdloze stijl is de gelijkenis en samenhang met de kloosterbouw herkenbaar aanwezig. Afgezien van de hoge hardstenen sokkel in de voorgevel is de woning uit dezelfde baksteensoort opgetrokken. De begane grond vertoont drie rechthoekige vensters en een dito deur. De vijf vierkante vensters van de lagere bovenverdieping zijn gevat tussen een afgeronde betonnen kordonlijst en een brede doorlopende betonnen latei, elementen die de horizontale lijn van de lijstgevel ondersteunen. Het overstekende pannen zadeldak is met een brede, grijs gebeitste houten dakrand afgewerkt en midden op de daknok van een brede bakstenen schouw voorzien. De verdiepte blinde voordeur vertoont horizontale planken in dezelfde grijze kleur. Bruine regenpijpen leggen verticale accenten bij de gevelhoeken. De eenvoudige vensterkozijnen zijn in donkerder grijze tint geverfd.

Het principe van een patio bij een woning heeft Dom Hans van der Laan eerder toegepast in de woning Jos Naalden (1978-1982) te Best in Nederland. De dakranden van de platte daken rond de patio zijn op typische wijze met halfronde dakpannen afgeboord. In de achtergevel van het hoofdvolume zijn ruimere vensters aangebracht. De gevels zijn deels gewit. In het stuk tuinmuur naast het hekwerk is een beeldnisje met Mariabeeld uitgespaard, evenals het gebogen hekwerk een decoratieve afwijking op de voorts zeer sobere architectuur van de woning.

De aanleg van de binnentuin van de directeurswoning bezit naar opzet dezelfde sobere eenvoud als de beide binnenhoven van het klooster. Voor de gedeeltelijke verharding zijn betonklinkers en grote betontegels aangewend. De aanplantingen zijn beperkt tot een centraal rechthoekig perk met buxushaag waarbinnen een solitaire centrale boom staat.

Uit dezelfde sobere wijze waarop het interieur van de directeurswoning is afgewerkt, evenals uit het authentieke materiaalgebruik, het kleurengamma en de vormgeving ervan blijkt zeer herkenbaar de samenhang met de bijhorende kloosterarchitectuur van Dom van der Laan.

De ruimten zijn gevloerd met dezelfde grote vierkante vloertegels van circa 50 bij 50 centimeter van Indische natuursteen die ook op de bovenverdieping van het klooster voorkomen, ook zonder gebruik van plintstenen. De gemetste bakstenen wanden zijn egaal gewit. De houten tussenwanden aan de trap en het sanitair zijn uit horizontale planken van dezelfde breedte samengesteld en in dezelfde grijstint gebeitst. De zolderingen zijn ook op typische wijze voor de architectuur van Hans van der Laan afgewerkt met grijs gebeitste, hier alternerend smalle en brede houten planken. In de grootste benedenruimte, de werkplaats aan de achterzijde van de patio, vertoont de houten zoldering een andere ritmiek naar samenstelling: afwisselend twee brede en één smalle plank.

De benedenvensters aan de straatzijde en naast de oprit zijn van hetzelfde type houten binnenluiken aan hengsels voorzien. Het houtwerk van de deuren is in een de zelfde blauwgrijze of leemgrijze tint geverfd. Binnendeuren voorzien van twee of vier rechthoekige glaspanelen. Hetzelfde eenvoudige type van cilindervormige lamparmaturen is tegen het plafond aangebracht in de werkkamer. In contrast met het tijdloze karakter van het huis werd in de woonkamer centraal een natuurstenen schouwmantel in historiserende stijl met neogotische decoratie (vierpassen waarvan één met IHS-monogram) aangebracht die refereert aan de religieuze context van de woning. Rechts van de schouw is een ingebouwde wandkast met deurtjes van horizontale planken en eenvoudige cilindrische deurknoppen.

Een rechts aan de directeurswoning palende brede oprit is afgesloten aan de straat door een brede houten poort. Deze geeft onder meer toegang tot achterliggende garages naast de zuidelijke zijtuin van het klooster en biedt tevens de mogelijkheid om volledig rondom het klooster te circuleren. De brede tweedelige poort van de oprit sluit constructief aan bij de houten componenten uit de architectuur van Dom Hans van der Laan. De horizontale planken waaruit de poort is samengesteld evenals beide smalle vooruitspringende vaste delen opzij, zijn in de karakteristieke blauwgrijze tint gebeitst laten op de uiteinden een dubbele rij nagelkoppen zichtbaar. De klink van de poort is ook uiterst eenvoudig opgevat. Deze oprit verleent zijdelings achter de directeurswoning verbinding met de Keukenhof en via de galerij naar de kloosterkapel. Een houten tuinafsluiting vormt de afscheiding tussen deze doorgang en de zuidelijke zijtuin.

Binnentuinen van het klooster

De kloostergebouwen omsluiten drie binnentuinen waarvan twee een aanleg met beperkte aanplantingen vertonen. De samenhang tussen de tuinen en architectuur blijkt onder meer uit de eenvoud en de afgestemde materialen. De tuinen hebben als afgebakende ruimte bij het “huis” ook de functie van menselijk verblijf.

De Keukenhof (naast de keuken van het klooster) is om functionele redenen volledig verhard. Een gemetste vierkante regenput in materiaal afgestemd op de architectuur van het klooster bevindt zich als een vorm van functionele tuinarchitectuur achter in deze binnenplaats met parkeerruimte en toegang vanaf de straat.

De Voorhof is een binnentuin met onregelmatige vierhoekige vorm, op ontwerpplannen ook aangeduid als gastenhof. Rondom tegen de gevels loopt een geplaveid pad. Daarnaast is het pad aan twee zijden afgezoomd door een strak gesnoeide buxushaag met afgemeten uitsparingen voor hortensiastruiken. Er staat geen haag aan de zijde van de kloostergangen. Het centrale deel van de binnenhof is met kiezels verhard en voorzien van een solitaire boom (sierfruit) in een klein rond perk met boordstenen en bodembedekkers. Aan de smalste tuinzijde (noordkant) bevindt zich een gestileerd stenen beeld van Onze-Lieve-Vrouw, als beschermster van kind, naar verluidt afkomstig van een vroegere schipperschool van de congregatie te Hoboken. Het staat opgesteld op een houten sokkel (vroegere meerpaal?).

De Pandhof is een ruime vierkante binnentuin van het eigenlijke kloosterpand met omlopende kloostergang. Een omlopend geplaveid pad ligt tegenaan het dito getrapt bordes van de gevels van de kloostergang. Centraal is een grote vierpas aangebracht, centraal ingeschreven binnen een ruim rechthoekig perk met witte kiezels en plat afgeboorde betonklinkers. Dit gotisch motief kwam veelvuldig voor in religieuze architectuur en toegepaste kunst. Het verwijst hier wellicht naar de religieuze functie van de architectuur en refereert mogelijk ook naar het historisch verleden van het klooster als instelling. Volgens plan werd de vierpas nog geaccentueerd door vier hulsthagen in kwartcirkelvorm van 110 centimeter breed en 85 centimeter hoog, omgeven door fijne, donkere slakken. De afgestorven hulsthagen zijn verwijderd.

Kloostertuin

Het grootste gedeelte van de eigenlijke kloostertuin ligt ten oosten achter de kloostergebouwen. In combinatie met de beide smalle zijtuinen ten noorden en ten westen en in aansluiting met de twee uiterst zijdelings opritten van het klooster aan de straat werd een volledige circulatie rondom de kloosterbouw mogelijk.

Als overgang tussen de kloosterbouw en de tuin werd achter het kloosterpand een langgerekt geasfalteerd en afgebakend plein met onregelmatige rechthoekige vorm voorzien, als open ruimte aansluitend tegen de dominante oostelijke achtergevel van het klooster. Deze verharde open ruimte werd op de vroegste plannen aangeduid als "balspel". Het vormt mee de overgang tussen de architectuur en de natuur, tussen het binnen en buiten. De aanwezigheid van deze beide laatste aspecten vormt één van de essentiële componenten binnen de creaties van Dom van der Laan. Ook voor tuinarchitect Pieter Buys was de samenhang huis en tuin een belangrijk uitgangspunt bij zijn tuinontwerp.

Binnen een verdiept ovaal perk schuin in de hoek van voornoemd plein met de kleine vijvertuin staat de vrijstaande houten klokkenstoel opgesteld uit 1978 naar ontwerp van Dom Hans van der Laan. In deze brede houten constructie samengesteld uit elementen met diagonale plankjes, hangen drie klokken naast elkaar onder zwart pannen zadeldakje. Deze bronzen luiklokken zijn gedateerd 1978 in Romeinse cijfers en van dito opschrift met hun naam voorzien: Henri (met slagtoon la), Franciscus (met slagtoon do) en Maria (slagtoon re) . De klokken worden elektrisch bediend. Deze tuinconstructie staat functioneel in directe relatie met de kloosterkapel.

Voor de strakke structurele opdeling van de tuin werd niet enkel op de architectuur en de onregelmatige perceel- en terreingrenzen afgestemd. Van belang is ook dat een aantal bestaande devotieplaatsen en elementen van tuinarchitectuur uit de oude kloostertuin werden geïntegreerd in de nieuwe aanleg, zodat ook hier oud en nieuw binnen de kloostersite werden verzoend tot een geheel. Dit geldt voornamelijk voor de Lourdesgrot en Sint-Jozefkapel en de rechte paden er naartoe en voor de restanten van de oude tuinmuren.

Naast de pleinen en paden, worden de belangrijkste structurerende elementen in de aanleg gevormd door afzomende rechte beukenhagen voor en naast grotere en kleinere perken met gazon of bloemenborder. Naast de zuidelijke en oostelijke begrenzing van de tuin komt ook een golvende border voor met een diversiteit van boomsoorten (confer de ontwerpplannen). Deze vormen de overgang met de landschappelijke omgeving: de aanpalende tuin van de naastliggende kloostersite en met het achterliggende bos. De verharde tuinpaden laten toe volledig rondom de tuin te wandelen en de ordening en maatverhoudingen ervan te ervaren. Uit bewaarde detailplans van gedeelten van de tuin, zoals vooral het ontwerp van het rozenlaantje, en van de afzonderlijke vijvertuin blijkt dat ook in het tuinontwerp met specifieke maatverhoudingen voor perken, bedden en plantafstanden werd gewerkt.

In de brede achterste zone van de kloostertuin vormt het rozenlaantje de scheiding tussen twee grote omhaagde compartimenten die thans beide resten omvatten van een grote vroegere moestuin (nu met overwegend gazon).

Het rozenlaantje gaat terug op het vroeger smallere tuinpad dat loodrecht in de as loopt van de Lourdesgrot achter in de tuin. Ook het lange tuinpad recht naar de Sint-Jozefskapel in de zuidoostelijke achterhoek van de kloostertuin gaat op de vroegere aanleg terug.

De omsloten rechthoekige vijvertuin naast de houten klokkenstoel van het grote plein bewaart zijn oorspronkelijke symmetrische aanleg met centrale rechthoekige vijver, omzoomd door rechthoekige perken met keitjes, struiken en plantenschalen en afgeboord door betonklinkers. Rondom loopt een breed rechthoekig pad verhard in visgraatpatroon met betonklinkers waarlangs oude zitbanken staan.

Een afzonderlijk aanlegplan bleef ook bewaard opgemaakt voor de langgerekte zuidelijke zijtuin. Op het brede geasfalteerde gedeelte van de zijtuin, een smal open plein bijna naast de tuingevel van de zuidelijke kloostervleugel, komt een korte enkele bomenrij voor. Achter een parallelle haag loopt een pad en een border met aanplantingen waaronder bloemen.

Tegen het stuk bakstenen scheidingsmuur van de zuidelijke zijtuin rechts van de rechtervleugel staat een kruis met Christusbeeld opgesteld als devotieplaats voor de afgestorvenen bewaard. Naar verluidt is het afkomstig van bij de grote kloostertuin die vroeger als Engelse tuin was aangelegd. Het hardstenen kruis met (kunststenen?) Christusbeeld staat op een vierkante sokkel en draagt volgend opschrift: "Ave Crux Spes Unica"; de stam van het kruis is in imitatieboomstam uitgewerkt.

De kleinere noordelijke zijtuin werd met grint verhard en in de hoek van het kloosterpand is het element natuur beperkt tot een catalpaboom in een ovaal perk.

Zijdelings is deze kleine tuin begrensd door een houten tuinafsluiting.

De Heilige Jozefkapel werd opgericht in 1934 in de zuidoosthoek van de achtertuin op initiatief van de toenmalige overste. Het betreft een traditioneel opgevatte neogotische tuinkapel op rechthoekige plattegrond en afgedekt door een zadeldak met kleine afgeronde leitjes. In de gewitte, verankerde baksteenbouw is hardsteen verwerkt aan de steunberen en ter aflijning van de voor- en achterpuntgevel op hoge schouderstukken. De dubbele rechthoekige deur is in een spitsbogig spaarveld met blind boogveld ingeschreven. Beide deurvleugels zijn opengewerkt en van siersmeedwerk voorzien. Daarboven staat een Heilige Jozefbeeld met Kind Jezus in een nis met spitsboogvorm op console. Een hardstenen topkruis bekroont de voorgevel. Beide zijgevels zijn geopend met twee kleine spitsboogvensters met glas-in-loodraam. De achtergevel heeft een topoculus. Alle beglazing bestaat uit gekleurd glas in lood, deels met gestructureerd glas en bloemmotiefjes.

Het kapelinterieur omvat een polychrome tegelvloer met decoratief patroon in imitatiemozaïek; gewitte bakstenen wanden, met hout beklede gewelfde zoldering met trekanker op de kruising ervan decoratief uitgewerkt met vierpas ingeschreven in kruismotief; een Neogotisch getint gemetst altaar van bak- en natuursteen; een gestileerd beeld van Heilige Jozef met Kind.

De kunstgrot gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes bevindt zich midden achteraan in de achtertuin, staand op een kruispunt van tuinpaden. De grot is gedateerd 1927, confer het jaartal in een rechthoekige hardstenen herinneringssteen tegen de achterwand, wat impliceert dat de kunstgrot minstens opklimt tot 1927 of zelfs ouder is. Links van de ingang is er nog een steen met slecht leesbaar opschrift “Stuk van de rots uit de grot van Lourdes Frankrijk”. Dergelijke Lourdesgrot is in kloostertuinen sinds de tweede helft van de 19de eeuw zeer gebruikelijk als specifieke Mariadevotieplaats, uitgewerkt als element van tuinarchitectuur in cementrustiek. Het toegankelijke gedeelte midden vooraan in de grot is afgesloten door sierlijk laag en gewit ijzeren hekwerk met centraal kruisje. De gewelfde ruimte is gevloerd met vierkante witte en blauwe tegeltjes in dambordpatroon. In een hoger aangebrachte nis rechts is een gewit beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes geplaatst. Voor de grot is een bidbank opgesteld, een gewit beeld van geknielde Bernadette met paternoster aan de gevouwen handen en zitbanken.

Een derde devotieplaats en overblijfsel van de oude kloostertuin maakt deel uit de gedeeltelijk bewaarde bakstenen tuinmuur met aanpalende serre en hangar aan de noordzijde van de grote kloostertuin. In deze muur werden de statiekapelletjes van de vijf blijde, vijf droevige en vijf glorievolle Mysteries voor het Rozenkransgebed ingewerkt. De bakstenen muur is regelmatig geleed door hoger opgaande pilasters en is afgedekt door hardstenen dekplaten. De voet van de pilasters verbreden tot een lage schuine steunbeer. In de pilasters zijn rondboognissen uitgespaard omlijst met gesinterde bakstenen met dito bekronend kruisje. De nissen bevatten de statietaferelen in half verheven reliëf en zijn beschermd door een beglazing gevat in lijstwerk. Enkel de tweede statie van vijf blijde Mysteries is verdwenen. De afbeelding van de vijftien geloofsgeheimen of Mysteries ten behoeve van het Rozenkransgebed of de Rozenbergdevotie kent een eeuwenlange traditie in de religieuze kunst en die zijn oorsprong vond in de middeleeuwen. Als mogelijk onderdeel van het dagelijks gebed nam de Rozenkransdevotie binnen het kloosterleven een belangrijke plaats in.

  • Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/42023/105.1, Klooster met kloosterkapel, directeurswoning en kloostertuin van Mariazusters van Franciscus (S.N., 2012).

Bron: -

Auteurs: Duchêne, Helena & Verbeeck, Mieke

Datum: 2015

U kunt deze tekst citeren als:

Duchêne, Helena & Verbeeck, Mieke 2015: Klooster van Mariazusters van Franciscus [online], https://id.erfgoed.net/teksten/181559 (geraadpleegd op ).