erfgoedobject

Gedenkteken Anton Bergmann

bouwkundig element
ID
10654
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/10654

Juridische gevolgen

Beschrijving

Op de Lierse stadsvesten bevindt zich sinds 1898 een gedenkteken voor advocaat, schrijver en historicus Anton Bergmann (1835-1874), ook wel gekend onder zijn pseudoniem Tony. Het gedenkteken sluit aan bij de Vlaamse Beweging. Het is een ontwerp van de Antwerpse beeldhouwer Frans Joris in samenwerking met de Lierse bouwkundige Frans Fleerackers. Een borstbeeld van Bergmann wordt gecombineerd met standbeelden van kinderen Bertha en Ernest, personages uit zijn gekende roman “Ernest Staas, advocaat, Schetsen en beelden”. Een ijzeren huldetak op de gepolijste granieten sokkel en het verfijnde smeedwerk rond het perk zijn van de hand van de Lierse kunstsmid Lodewijk Van Boeckel.

Historiek en context

Het leven van Anton Bergmann

Anton Bergmann werd geboren op 29 juni 1835 in Lier als zoon van George Bergmann (1805-1893). George Bergmann was een jeugdvriend van Jan Frans Willems, met wie hij zich later zou verzetten tegen de verfransing en zou streven naar een vrijheid van taal, godsdienst en onderwijs. Antons vader was tussen 1853 en 1872 liberaal burgemeester van Lier. Anton studeerde vanaf 1849 aan het Atheneum in Gent. Hij was in 1852 medestichter van het Vrijzinnig Taalminnend Studentengenootschap, dat later vorm kreeg aan de Gentse universiteit onder de spreuk 't Zal wel gaan. De vereniging zette zich in voor de beoefening van de Nederlandse literatuur en de verdediging van de Nederlandse taal. Bergmann schreef enkele bijdragen in bladen van de vereniging onder het pseudoniem Tony, die opgevat waren als maatschappelijke satiren. Hij schreef ook enkele novellen en schetsen, waaronder “De Eerste Liefde van Frans” in 1855, een prototype van zijn latere roman Ernest Staas. Net als zijn vader studeerde hij rechten aan de Gentse universiteit. In 1858 promoveerde hij tot doctor in de rechten aan de Universiteit ven Brussel. Hij werd advocaat in zijn geboortestad Lier en huwde daar met notarisdochter Elisa van Acker.

Bergmann was met zijn vader actief binnen een vooruitstrevende groep van liberale flaminganten. Hij stichtte in 1857 het weekblad De Lierenaar, dat het partijblad was van de Grondwettelijke Liberale Associatie van Lier. Hij nam deel aan de Nederlandse Taalcongressen en was lid van verschillende verenigingen. Hij stichtte mee de Lierse Willemsfondsafdeling op 16 november 1873, was er de eerste voorzitter van en was ook verantwoordelijk voor de volksbibliotheek. Het Willemsfonds streefde naar een samenleving met een grote openheid, pluralisme, verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid. Men wilde inzetten op een verbreding van cultuurbeleving en bevorderen van levenskwaliteit.

Daarnaast zorgde Bergmann voor een herleving van de Vlaamse literatuur. Onder de schuilnaam Tony verschenen in 1870 “Twee Rijnlandse Novellen” en in 1874, kort voor zijn dood, de roman “Ernest Staas, advocaat, Schetsen en beelden”. Ernest Staas is zijn belangrijkste literaire nalatenschap. Het vertelt het levensverhaal van hem en zijn echtgenote, die verbeeld worden als de personages Ernest en Bertha. De realiteit vermengde hij echter met een grote portie verbeelding. De roman werd geprezen om zijn warme realisme en humor. Postuum werd het werk bekroond met de Vijfjaarlijkse Staatsprijs (1870-1874). Hij had ook een grote interesse voor geschiedenis en werkte jarenlang aan de omvangrijke monografie “Geschiedenis der stad Lier” (1873).

Bergmann woonde en stierf op 21 januari 1874 in het huis De Zeven Sterren op de Grote Markt. Dit huis werd vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog en nadien heropgebouwd. Hij werd begraven op de begraafplaats aan de Mechelsesteenweg in Lier en kreeg er een monumentaal grafteken met borstbeeld en engel. Aan zijn geboortehuis in de Lisperstraat werd later een gedenkplaat opgehangen, maar zowel het huis als de plaat zijn niet bewaard. Op de Zimmertoren in het centrum van Lier wordt ook verwezen naar Bergmann en Ernest Staas. Bovenaan de rechterzijgevel zijn de vier levensfasen van de mens weergegeven. Het kind is geïnspireerd op het personage van Bertha en de jongeling is Anton Bergmann zelf, als student aan de universiteit. Kunstsmid Lodewijk Van Boeckel stelt de volwassene voor en de grijsaard is de heer Pirroen uit een roman van Felix Timmermans.

De moeizame weg tot een standbeeld

In briefwisseling tussen Julius De Geyter en Frans De Cort in juni 1875 was er al sprake van de wens om een gedenkteken voor Bergmann op te richten. Volgens De Geyter zou de stad Lier de nodige plaats afstaan voor “eene monumentale fontein met zijn bronzen borstbeeld bekroond”. Met de steun van vooraanstaande figuren uit Lier en mensen actief in de literaire en culturele sector, werd een comité opgericht. In maart 1876 verspreidden zij een omzendbrief waarin werd opgeroepen tot financiële steun bij de oprichting van een gedenkteken vanuit “het volbrengen van dien vaderlandschen plicht”. Er werd dat jaar 2500 frank ingezameld. Daarna bleef het stil tot in de vroege jaren 1890, toen een heringericht comité een stand van zaken gaf. Men gaf toe te hebben geaarzeld met het vragen van de officiële toestemming van de stad Lier. In december 1891 werd in een breed gedragen verzoekschrift aan het Lierse stadsbestuur bezorgd. De kosten van het gedenkteken zouden gedragen worden door het comité en na de inhuldiging zou het aan de stad overgedragen worden. De Geyter zette zich samen met Peter Benoit persoonlijk in om de burgemeester te overtuigen. Tot een concreet akkoord tussen het comité en het katholieke stadsbestuur kwam het echter niet.

De plannen van het Davidsfonds tot oprichting van een standbeeld voor kanunnik David, maakten de wens tot oprichting van een gedenkteken voor Bergmann als liberale tegenpool opnieuw acuter. Het comité diende in 1897 een nieuw verzoekschrift in, dat werd voorgelezen op de gemeenteraad van 5 juli 1897. Een beslissing werd uitgesteld tot na de Davidfeesten en inhuldiging van het standbeeld van David op het Kardinaal Mercierplein op 22 augustus 1897. De definitieve goedkeuring van de gemeenteraad kwam er op 4 oktober 1897. Een plaatselijk comité zou de concrete uitvoering van het gedenkteken coördineren, evenals de geplande feestelijkheden voorbereiden. Het comité was actief onder voorzitter L. Slootmaekers en C. De Wulf, Fr. Meylemans, J.B. Queeckers en K. Van der Block maakten er deel van uit. Op 25 oktober werd de locatie op de stadsvesten bepaald in samenspraak tussen het stadsbestuur en het comité.

Vormgeving en uitvoering van het gedenkteken

Twee dagen nadat de locatie was gekozen, bezocht het comité de weduwe van Anton Bergmann al met een ontwerp. Dat ontwerp zou gelijkenissen vertoond hebben met Antons grafmonument, maar dan zonder de engelfiguur, die Elisa het mooiste onderdeel van het graf vond. Zij vond het voorstel dus maar niets. In november werd er onderhandeld met verschillende kunstenaars. De Antwerpse beeldhouwer Frans Joris (1851-1914) was een groot bewonderaar van Bergmann en de roman Ernest Staas. Bovendien had hij aan de familie aangegeven iets te willen maken, waardoor hij de vraag kreeg een ontwerp te maken. Hij was niet aan zijn proefstuk toe en had al gedenktekens gerealiseerd van bijvoorbeeld Hendrik Conscience en Victor Driessens. Uit briefwisseling blijkt ook dat het stadsbestuur geen standbeeld ten voeten uit wilde, omdat David al op die manier was vormgegeven. Eind november 1897 bezocht het comité het atelier van Joris om een kleimaquette van het gedenkteken te gaan bekijken. Niet alleen het comité, maar ook Antons weduwe Elisa en haar nieuwe echtgenoot Ernest Bergmann – de broer van Anton –, waren erg positief. Elisa was bovendien bijzonder enthousiast over Joris “weemoedig eenvoudig idee de kleine Bertha en Ernest aan het monument toe te voegen”. Het comité volgde de praktische uitvoering op en nam ook beslissingen rond de aanplanting rond het gedenkteken. De uitvoeringsplannen werden goedgekeurd op 27 januari 1898. Het ontwerp kwam tot stand in samenwerking met de Lierse bouwkundige Frans Fleerackers (1863-1926). De Lierse kunstsmid Lodewijk Van Boeckel realiseerde het ijzeren hekwerk rond het gedenkteken. Uit verslagen van het comité blijkt dat er doorheen het traject wel enige wrevel was over bemoeienissen van beeldhouwer Joris. Meestal kreeg de beeldhouwer zijn zin, vermoedelijk ook dankzij zijn goed contact met de familie.

In maart 1898 werd er door de Bergmanns nog steeds getwijfeld tussen graniet en marmer in functie van de uitvoering, ondanks druk uitgeoefend door het comité. Hierdoor zou de inhuldiging ten vroegste in september van dat jaar mogelijk zijn. Een bron vermeldt dat de beeldhouwer zijn zin kreeg: de keuze viel op marmer. Artikels in de pers over het uitgevoerde gedenkteken benoemden het uiteindelijke materiaal echter als Noors of Zweeds graniet. Het gekozen materiaal lijkt op dat van de sokkel van het Antwerpse gedenkteken voor jurist en liberaal politicus Evarist Allewaert (1890, Frans Joris). De sokkel van dat gedenkteken is echter recenter dan de beelden. Naar ontwerp van Alexis Van Mechelen werd rond 1912 deze nieuwe sokkel gerealiseerd in roze graniet afkomstig uit het Schotse Corrennie. Dit oranjerode graniet werd ook gebruikt voor de verlichtingspalen voor het Antwerpse Centraal Station (1911, Alexis Van Mechelen). Dit stollingsgesteente vond ingang in architectuur en beeldhouwkunst vanaf 1851 nadat het in Crystal Palace tijdens de Great Exhibition in Londen was geïntroduceerd. Een recente studie door Marc Mattheussens onderzoekt het voorkomen van dit materiaal in gedenktekens in Vlaanderen en Brussel en de herkomst in Schotland. Ook de compositie van het gedenkteken van Allewaert vertoont sterke gelijkenissen met het gedenkteken voor Bergmann. Bij beide combineerde Joris een borstbeeld met kinderbeelden. Voor het gedenkteken van Allewaert vervaardigde Joris de beelden allemaal in natuursteen. In 1912, toen de sokkel werd vernieuwd, werden de kinderbeelden in brons gegoten.

De kinderbeelden van Bertha en Ernest in Lier waren een belangrijke blikvanger van het gedenkteken. De realistisch uitgevoerde beelden werden geprezen om hun levendigheid en spontane natuurlijkheid. Er zijn bronnen voorhanden over de Lierse kinderen die poseerden in het atelier van Joris. De zesjarige jongen Hildevert Queeckers stond model voor Ernest. De familie Queeckers kende de Bergmanns heel goed, was betrokken bij de oprichting van de toneelvereniging “Tony’s vrienden” en ook actief in het comité voor het gedenkteken en in het Willemsfonds. Hildevert ging zo’n drie à vier keer met zijn vader naar Antwerpen om er te poseren. Voor Bertha stond het Lierse meisje Maria Francisca Vermeylen model. De kinderen poseerden op verschillende momenten en ontmoetten elkaar enkel bij de inhuldiging van het gedenkteken. Op vraag van de weduwe van Anton, openden ze toen samen het feestelijke bal.

Feestelijke inhuldiging in 1898

Al in november 1897, meteen na de officiële goedkeuring, was het Lierse comité gestart met de voorbereiding van de feestelijkheden die met de inhuldiging gepaard zouden gaan. De voorbereidingen werden getekend door polemieken in de pers, voornamelijk tussen liberalen en katholieken. Het comité streefde ernaar om de feestelijkheden louter een Vlaams en letterkundig karakter te geven, aangezien ze deze verdiensten met het gedenkteken wilden huldigen. Ze wilden afstand houden van harde standpunten en een politieke kleur tijdens de viering. Ter gelegenheid van de inhuldiging werd een penning uitgegeven, vervaardigd door graveur Edouard Grielens, waarop een buste van Bergmann was afgebeeld. De jonge Isidoor Opsomer (1875-1967) maakte een allegorische tekening voor het programmaboek van “Tony’s feesten”.

De viering kon rekenen op een brede ondersteuning van buiten Lier. Zo was er een afvaardiging van 87 Antwerpse maatschappijen die aan de feesten zouden deelnemen. Voorzitter Willem Schepmans zou in hun naam een grote ijzeren eikentak op het gedenkteken leggen, gesmeed door kunstsmid Van Boeckel. Met toestemming van beeldhouwer Joris zou dit element op het gedenkteken worden bevestigd. In totaal namen er meer dan tweehonderd maatschappijen deel aan de feestelijkheden. De feesten vatten aan op de vooravond van 11 september met een beiaardrecital. De middag nadien verzamelden de talrijke maatschappijen op de Antwerpse Steenweg om in stoet door de belangrijkste, versierde straten van de stad te gaan richting het stadhuis en vervolgens naar het gedenkteken. Schepmans overhandigde de smeedijzeren eikentak en de beelden van Bertha en Ernest werden onder bloemen bedolven. Historische foto’s tonen een feestelijke aankleding rondom het gedenkteken, met links en rechts ervan borden met een opsomming van de werken die Anton Bergmann schreef.

De effectieve inhuldiging vond plaats om half drie in de namiddag. Max Rooses, boegbeeld van de liberale intelligentsia, hield de feestrede en ging hierbij in op het leven en werk van Bergmann, maar huldigde ook zijn Vlaamsgezindheid en authenticiteit. Zijn rede had een duidelijke nationalistische insteek waarbij hij stelde dat zijn “vaderlandse kenmerken” hem een goede Vlaming in de kunst maakten, maar ook in het leven: “zijn geboortestad wil heden op plechtige wijze getuigenis afleggen, dat zij in hem een man herkent, waarop zij fier mag zijn; heel het Vlaamsche land brengt openbaar hulde aan hem, die onze letterkunde verrijkte met de scheppingen zijner kunst en dapper den goeden strijd voor ons taalrecht streed.” Het “Huldelied Tony Bergmann” met woorden van Em. Hiel op muziek van Peter Benoit, werd voorgedragen door de heer E. De Cock en begeleid door een blaasorkest onder leiding van Frans Meylemans. De Antwerpse Zangkapel zong Benoits "Mijn moedertaal", begeleid door harp. De dag eindigde met een banket op het landgoed Nazareth van de familie Bergmann.

Latere huldiging en evolutie tot vandaag

De oprichting van het gedenkteken vormde het startpunt van een veelvuldige herdenking van Bergmann en hulde aan zijn gedenkteken. In 1924 werd het 50-jarige bestaan van de Lierse Willemsfondsafdeling gevierd, in 1935 de honderdste verjaardag van Tony’s geboorte en in 1985 de honderdvijftigste. 1974, 100 jaar na zijn overlijden, werd een echt feestjaar. Voor dat zogenaamde Bergmann-jaar werd een comité opgericht. In januari vond een herdenking plaats door het Willemsfonds en later dat jaar een uitgebreide officiële hulde. Op 17 mei werd een herdenkingsplechtigheid en bloemenhulde gehouden aan het gedenkteken met afgevaardigden van het stadsbestuur en van Lierse verenigingen. De dag nadien volgde een academische zitting in het stedelijk museum waarin het belang van Bergmann als historicus en letterkundige werd belicht. Ook werd de tentoonstelling “Anton Bergmann, zijn leven, zijn werk, zijn tijd” officieel geopend door mevrouw Rita De Backer – Van Ocken, minister van Nederlandse Cultuur en Vlaamse aangelegenheden. Bergmanns “Geschiedenis der stad Lier” werd heruitgegeven en Frans Verstreken schreef een monografie over hem.

Ook 100 jaar na de inhuldiging van het gedenkteken vond er een hulde plaats. Er is ook een archiefdossiertje uit 1998 bewaard over de restauratie van het ijzerwerk van het gedenkteken. Er was schade aan het hekwerk en de huldetak door oxidatie. Een integraal nazicht van het metaalwerk was noodzakelijk, evenals het herstel en aanvullen van ontbrekende bladornamenten en details. Ook was de blauwe hardstenen sokkel van het hek toen in slechte staat en ontbrak de letter Y in de naamsvermelding op de zuil. De ijzeren elementen werden toen zwart afgelakt.

Beschrijving

Het gedenkteken voor Anton Bergmann bevindt zich op de voormalige stadsvesten, langs de wandelweg die hier werd aangelegd in het derde kwart van de 19de eeuw.

Het gedenkteken bestaat uit een sokkel in gepolijste roze graniet met een vierkant basis van ongeveer drie meter breedte. De meerledige sokkel versmalt trapsgewijs naar boven toe en wordt bekroond met een zuil die bestaat uit verschillende geprofileerde onderdelen, taps oploopt en voorzien is van een geprofileerde kroonlijst. Daarop staat de bronzen buste van Anton Bergmann. Het geheel is ongeveer 4,6 meter hoog. Aan de voorzijde van de zuil (zuidwest) is in bronzen letters “TONY/ BERGMANN/ 1835 1874” vermeld. Aan weerszijden is de zuil gedecoreerd met een bronzen element, dat een bestaat uit de voorstelling van een manuscript en een sierlijk omhooglopende klimoptak. Aan de kant van de Nete (noordwest) vermeldt het manuscript “ERNEST STAAS/ Advocaat”, aan de zuidoostzijde “Geschiedenis/ van/ LIER”, verwijzend naar zijn bekendste literaire werken. Aan de voorzijde staat voor de zuil een bronzen beeldengroep van twee kinderen, namelijk Bertha en Ernest, personages uit de roman Ernest Staas. Hun namen worden ook ruw weergegeven in de basis waar ze op staan. Deze basis bevat aan de zuidoostzijde de inscriptie van de beeldhouwer “FR. JORIS (IC?) ANTW 1898”. De kinderen zijn realistisch weergegeven, met aandacht voor details in hun kledij en in de weergave van de afgerukte hoed met linten aan de voet van het meisje en een verfijnde krans in de hand van de jongen. Het meisje kijkt naar beneden, houdt Ernest zijn arm vast en zoekt zijn steun. De jongen heeft een dubbele rol. Hij maakt deel uit van het tafereel met Bertha, maar behoort ook tot de hulde aan zijn geestelijke vader. Ernest kijkt ook op naar het borstbeeld van Bergmann, voor wie hij een lauwerkrans in zijn hand houdt. Aan de zuidoostzijde van de sokkel ligt de uitgewerkte smeedijzeren huldetak. Deze eikentak is niet integraal bewaard: er ontbreken enkele blaadjes en het uiteinde van de tak, dat omhoogliep over de bovenste trede van de sokkel. Op de tak zijn bronzen elementen aangebracht die linten voorstellen, met vermelding “AAN/ TONY BERGMANN” en “1898”. Alle bronzen elementen hebben een natuurlijk geëvolueerde bronspatina met blauwgroene en plaatselijk zwarte kleur.

Het gedenkteken is omringd door een haag van haagbeuk. Het rechthoekig perk is aan de voorzijde voorzien van een gebogen uitstulping. Volgens originele schetsen is het perk 5,4 meter breed en 5,3 meter diep. Het geheel is omrand met een lage hardstenen sokkel met daarop smeedijzeren hekwerk. Het hekwerk is ongeveer 80 cm hoog. Het hekwerk vertoont een sierlijke vormgeving met krullen en florale elementen als bekroning, op de hoeken zijn de bladornamenten voorzien van meeldraden. Enkele details van het smeedwerk zijn niet langer bewaard.

  • Collecties Kempens Erfgoed, beeldarchief Lier.
  • Stadsarchief Lier, Biografische bakjes, personen, BIBA-013, documentatie Bergmann Anton, map 7.
  • Stadsarchief Lier, Dienst gebouwen, doos 8999, 98/715, Restauratiewerken Monument Anton Bergmann, onderhandelingsprocedure.
  • Stadsarchief Lier, Private archieven, Fonds Frans Verstreken, FRVE-81-001, doos 1169, zeven mappen met verschillende documenten en artikelen betreffende Anton Bergmann (Tony Bergmann), portret- en familie foto's, kunstfoto's.
  • Stadsarchief Lier, Private archieven, Fonds Frans Verstreken, FRVE-82-002, doos 1170, drie mappen en een fotodoos betreffende Anton Bergmann, fotokopieën van boek 'Anton Bergmann: een bijdrage tot de studie van zijn leven en zijn werk' Eddy Baert (auteur), vier foto's van monument en graf.
  • Verslag monumentenwacht 13247/2026/F, borstbeeld Tony Bergmann.
  • MATTHEUSSENS M. 2026: Roze siergranieten uit Schotland voor prestigieuze monumenten in Vlaanderen Brussel, M&L 45.3, 22-37.
  • STYNEN L. 2006: De taal was gans het volk: Anton Bergmann biografie, Antwerpen.
  • WILLEMSFONDS 1999: Gedenkboek 125 jaar Willemsfonds, afdeling Lier 1873-1998, Lier.

Auteurs: Verhelst, Julie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

  • Is deel van
    Omleidingskanaal van de Nete en de Wandeling

  • Is deel van
    Stadsvest


Je kan deze pagina citeren als: INVENTARIS ONROEREND ERFGOED 2026: Gedenkteken Anton Bergmann [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/10654 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.