erfgoedobject

Modernistisch burgerhuis

bouwkundig element
ID: 11347   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/11347

Juridische gevolgen

Beschrijving

Modernistisch burgerhuis naar ontwerp van architect Gustaaf Van Meel uit 1932 (gevelinscriptie), in opdracht van E. Van Buren. In 1964 is de woning uitgebreid naar ontwerp van Juan Meyers namens H. Kerremans.

De woning is representatief voor Gustaaf Van Meels jonge oeuvre. Na een stage bij architect Max Winders lijkt Van Meel als zelfstandig ontwerper actief te zijn geweest vanaf omstreeks 1925 tot aan zijn overlijden in 1953. Zijn architectuur evolueerde in de jaren 1920 van solide art deco naar zakelijk baksteenmodernisme, een stijl waarop hij tijdens en na zijn korte associatie met architect François Dens (begin 1935 tot ongeveer begin 1938) consequent bleef voortbouwen. Ofschoon hij kwaliteitsvolle art-decogebouwen ontwierp, liet Van Meel zich als architect toch vooral opmerken met zijn modernistische eengezinswoningen en villa’s in de Antwerpse rand, en eveneens met religieuze gebouwen zoals de pastorie van de Heilige-Drievuldigheidskerk uit 1930, waarmee de woning Van Buren opvallende gelijkenissen vertoont.

Exterieur

De half vrijstaande woning met half ondergrondse garage, voortuin en lage bakstenen afsluiting sluit aan bij de veelal verzorgde, modernistisch geïnspireerde woningen in het residentiële gedeelte van de Van Notenstraat, gunstig gelegen tegenover het Te Boelaerpark. Samen met nummers 11 en 13, onderscheidt de woning zich in het straatbeeld door zijn uitgesproken dakvolume en zijn benadrukte baksteenmassa’s. De voorhof en afsluiting zijn mee ontworpen in het bouwdossier, met centrale en zijdelings naar achter toe doorlopende hof, ruimte latend voor een L-vormig toegangspad tot de woning vanaf de straat. Wellicht na 1964 is in de voorhof een inspringend, middels drie treden bereikbaar bordes met flankerende, breukstenen bloembakken ingebracht. De bakstenen afsluiting is nog gedeeltelijk aanwezig, maar de metalen toegangspoortjes en buismetalen elementen tussen de bakstenen pilasters zijn verdwenen.

Van de twee bouwlagen hoge woning met souterrain zijn alle gevels volwaardig ontworpen, als geheel nadrukkelijk horizontaal geleed met een onderbouw in baksteen en, contrasterend hiermee, onder de dakrand een brede bepleisterde strook die de bovenvensters integreert en het massieve karakter van de onderbouw doorbreekt. De gevelfronten zijn afgewerkt met een parement van geelbruine Belvédère-baksteen in halfsteens verband met Dudokvoeg - dieperliggende lintvoegen in combinatie met platvolle stootvoegen, onder een leien schilddak en rustend op een bakstenen plint. Bezande rode baksteen is toegepast voor de bloembakken en de terrasborstwering. De dakrand is uitgevoerd in hout, terwijl voor de luifel beton is aangewend. Blauwe hardsteen is gebruikt voor de treden in het toegangsportaal en mogelijk ook voor de nu overschilderde vensterdorpels, die echter ook uitgevoerd kunnen zijn in beton.

Het gevelontwerp toont een evenwichtige combinatie van modernistische invloeden: de (baksteen)volumewerking en uitgebalanceerde asymmetrie van Willem Marinus Dudok; de horizontale belijning van dak, luifels en terrassen van Frank Lloyd Wright; het expressieve metselwerk van de Amsterdamse School.

Voor- en zijgevels zijn opgevat als een geïntegreerd geheel van getrapt terugwijkende, rechthoekige baksteenvolumes, met zijdelingse toegang centraal aan de straatzijde. De plastische werking wordt nog versterkt door een schouwmassief links in de straatgevel, als tegengewicht voor de horizontale gevelgeleding, en verder middels geïntegreerde ondiepe bloembakken in verticaal gemetselde bakstenen, herhaald in de terrasborstwering van de bovenbouw. De baksteenfronten kregen verder een belijning die de vensterdorpels integreert, uitgevoerd in beton. Dit materiaal is ook gebruikt voor geometrische accenten zoals de schouwconsole en als bekroning van de traplichten. Deze strakke sculpturale gevelbehandeling is niet enkel een esthetisch-architecturale keuze, het getuigt evenzeer van een uitgesproken aandacht voor lucht en licht, en het streven naar een vanaf de straat leesbare binnenindeling. Het programma is vertaald in vier onderscheiden traveeën met centraal een geprononceerde toegangsportaal gemarkeerd door een gestrekte luifel en aansluitend de traptravee met gevelhoge, gekoppelde lichtspleten. Verder zijn de gevels regelmatig geordonneerd met in de terugwijkende travee uiterst links aan de straat twee ruime, recht boven elkaar staande vensters; de hoek is opengewerkt met een hoog toiletlicht en daarboven een breder uitgewerkte vensteropening. Daarachter kreeg de leefruimte een ruim hoekvenster en bovenliggend terras. De gevelopeningen zijn ingevuld met metalen vensterschrijnwerk, karakteristiek asymmetrisch van indeling. Het portaal is voorzien van een houten voordeur met verticaal licht. Het open en ruimtelijk karakter ging gedeeltelijk teniet bij de uitbreiding van 1964 met extra toegang rechts, één bouwlaag hoog en bereikbaar middels een betontrap met vijf treden. Het verbouwingsplan voorzag een aanpassing van de oorspronkelijke toegang tot venster ten voordele van een nieuwe keldertoegang onder de oude voordeur, maar deze ingreep is niet uitgevoerd. De nieuwe hoofdtoegang rechts kreeg een sokkel in gele baksteen (later verdwenen bij de oprichting van het bordes), tweedelige beglaasde houten deuren en een zijlicht, ritmisch ingedeeld met betonclaustra van ongelijke formaten. Toegangsdeur en zijlicht zijn gewijzigd uitgevoerd of later vereenvoudigd aangepast.

De oude toegangsdeur beschermd door geometrisch metalen smeedwerk lijkt bewaard, wellicht met vervangen deurkruk. Het metalen vensterschrijnwerk is gedeeltelijk vervangen, waarbij de oude indeling niet behouden lijkt. De gekoppelde traplichten zijn anno 2018 ingevuld met geknikt uitgewerkte glasstenen. De gevelbelijning en bepleistering is beschilderd in een gele kleurstelling, die wellicht afwijkt van de oorspronkelijke toestand.

De achtergevel is ontworpen als een licht verspringend muurfront, regelmatig ingedeeld met brede vensterpartijen, waarvan de borstweringen op de begane grond opgevat zijn als ondiepe bloembakken.

Interieur

De woning kreeg een centralistische plattegrond met een aan de voorgevel ingeplant trappenhuis, van waaruit de omgevende leef- en slaapruimten ontsloten worden. Op de begane grond bedient de vestibule met toilet links aan de straat de keuken die achteraan verbonden is met een ruime eetkamer aan de tuin. Deze laatste geeft samen met het salon in de zijgevel uit op een open binnenterras, die middels vijf treden naar de tuin leidt, en in 1964 opgeofferd is voor een uitgebreide woonkamer-zithoek, toegankelijk vanuit de nieuwe inkomhal. De bovenbouw herbergt van straat naar tuin een kleine en grote slaapkamer. Deze laatste geeft via een doorgang toegang tot het terras; tussen de slaapkamers en het terras zitten nog een badkamer aan de tuin en een bureel aan de straat, toegankelijk vanuit de smalle doorgang. De dakverdieping herbergt twee mansardekamers en een zolderruimte, mogelijk voor inwonend personeel. Nog bewaard zijn de traphal met fraaie geometrische metalen leuning en de parketvloeren in de leef- en slaapruimten.

  • Stadsarchief Antwerpen, Bouwdossiers, 329#8553 en 627#22420.
  • GOFFIN G., LERNOUT N., MOEREELS J., RENARD P., VAN BOUWEL, J. 1996: Modern Bouwen in Deurne 1920-1940, Zellik, 70-73.

Bron     : -
Auteurs :  Van den Borne, Steven
Datum  : 2018


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Modernistisch burgerhuis [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/11347 (Geraadpleegd op 15-10-2019)