Moorsele

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ plaats

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Wevelgem
Deelgemeente Moorsele
Straat
Locatie Moorsele (Wevelgem)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Wevelgem (geografische inventarisatie: 01-03-2003 - 31-08-2003).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Moorsele vormt sinds 1 januari 1977 samen met Wevelgem en Gullegem de fusiegemeente Wevelgem.
Voornamelijk woon- en landbouwgemeente van 6.349 inwoners en 1.496 ha (cijfers van 01/2003, gemeente Wevelgem) gelegen in de Vlaamse Zandleemstreek, met de Kezelberg als hoogste punt. Het grondgebied wordt doorsneden door de Heulebeek en in het uiterste oosten door de autoweg N32 Brugge-Rijsel.
Moorsele bevindt zich op ongeveer 8,5 km van Kortrijk en op 6,5 km van Menen. In het noorden grenst de gemeente aan Dadizele, Ledegem en Rollegem-Kapelle; in het oosten aan Sint-Eloois-Winkel en Gullegem; in het zuiden aan Wevelgem en Menen en in het westen aan Geluwe.
Gerechtelijk en administratief behoort Moorsele tot het arrondissement Kortrijk, kanton Menen. Kerkelijk behoort het tot het bisdom Brugge.
Landelijke gemeente met landbouw als belangrijkste bron van inkomsten. In de 18de en 19de eeuw belangrijke textielnijverheid met voornamelijk thuiswevers en -spinners. Sinds eind jaren 1960, industrieterrein aan de grens met Gullegem.

Oudste sporen van menselijke activiteit gevonden langs de Romeinse heirweg Boulogne - Tongeren die langs het kasteel, door de gemeente liep. Verder ook Romeins puin aangetroffen bij opgravingen rond de Sint-Martinuskerk en het kasteel van Moorsele.

Eerste vermelding als "Mortsella" in 1046 op de z.g. "Rol van Harelbeke", Lambertus van Vyve schonk voor het zielenheil van zijn broer Ramfried in dat jaar één bunder grond aan het altaar van Sint-Bertulfus in de kerk van Harelbeke.
De naam Mortsella is vermoedelijk een samenvoeging van twee delen m.n. het Keltische deel mort wat uitstekend of hoog betekent en het jongere Germaanse deel sella dat staat voor zaalvormig gebouw of hut. De gemeente is ontstaan op een kruispunt van wegen, in een meander van de Heulebeek.

De heerlijkheid van Moorsele, tevens de oudste heerlijkheid gelegen binnen het huidige grondgebied van de gemeente was één van de twaalf burchtgenootschappen van het kasteel van Kortrijk. De heren van Moorsele waren vanaf het midden van de 12de eeuw tot de tweede helft van de 13de eeuw wellicht ook de heren van Moorslede.

Een tweede heerlijkheid gelegen binnen de huidige gemeentegrenzen is de heerlijkheid ter Gracht. Deze werd zeker vóór 1220 gesticht, wellicht vanuit de heerlijkheid van Moorsele. De nieuwe heerlijkheid Moorsele-ter Gracht telde 20 achterlenen in o.m. Bissegem, Wevelgem, Gullegem, Geluwe en Dadizele.
De twee heerlijkheden vormden vroeger wellicht één heerlijkheid, ze werden voor onbekende redenen en op onbekend tijdstip opgesplitst. Op 28 oktober 1456 krijgt Geldof I van der Gracht, bij oktrooi, de toelating van Filips de Goede om de gescheiden heerlijkheden opnieuw te verenigen. Toch kwamen beide heerlijkheden reeds in 1323 in handen van dezelfde familie door het huwelijk van Beatrijs, vrouwe van Moorsele met Diederik van der Gracht. Voor beide heerlijkheden was er slechts één schepenbank en één leenhof. De heerlijkheid ter Gracht werd eveneens gehouden van het kasteel van Kortrijk en hoewel het foncier groter was dan dat van Moorsele, was het geen burchtgenootschap. Het kasteel werd in het begin van de 15de eeuw verwoest en werd nooit meer heropgebouwd, de kasteelmote en de hoeve ter Gracht bleven bewaard (Witte Molenstraat nr. 152).
De heer van Moorsele, Geldolf I van der Gracht laat vermoedelijk vóór 1443 het kasteel van Moorsele bouwen op de restanten van een ouder kasteel. In 1554 stierf het laatste lid van de familie, Wouter IV van der Gracht kinderloos. Hierdoor gingen alle bezittingen over naar Filips van Liedekerke. Het kasteel is achtereenvolgens in eigendom van de families Basta, de Beer en de Lens. Deze laatste verkopen het kasteel in 1803 aan de erfgenamen Baut uit Gent die het op hun beurt verkopen aan P.J. De Clerck, een notaris uit Moorsele. Hij verkoopt het aan François Cornillie, lid van een vooraanstaande koopmansfamilie. Pepin Lowie erft het kasteel van Marie Cornillie. In 1966 wordt het door de erfgenamen van Lowie verkocht aan R. Theys, hij liet het restaureren door architect J. Viérin (Kortrijk).

Naast de heerlijkheden Moorsele en ter Gracht lagen ook de heerlijkheden Ter Merrie, waarvan het kasteel wordt voorgesteld op de kaart van Sanderus (1641), Ter Coutere, Walle, Waterschap, Ardoye, Rubbens, Vrijeigen, Wagenbrugge, en Verkenmeersch en de ammanie van Kezelberghe binnen het grondgebied van de huidige gemeente.
Tot het grondgebied van de parochie behoorde ook het laatschap van Rollegem-Kapelle dat afhing van de Zaal van Ieper en de kasselrij van Ieper. Rollegem-Kapelle had sinds 1213 een eigen kapel en vormde een afzonderlijke wijk.

De eerste sporen van de kerk van Moorsele dateren van vóór 1165. Het bedehuis wordt vermoedelijk opgetrokken door de heren van Moorsele, cf. de geringe afstand tussen de kerk en de mote van het kasteel. De parochie en het eerste kerkgebouw zijn vermoedelijk ouder en ontstaan in het midden van de 11de eeuw. De eerste vermelding van de kerk in archiefdocumenten dateert van 1165. Het patronaatsrecht was in handen van het kapittel van Harelbeke.
Tijdens de tweede helft van de 15de eeuw of in het begin van de 16de eeuw wordt op die plaats de Romaanse zaalkerk gesloopt en vervangen door de huidige hallenkerk met kruisbeuk en vieringtoren.

In de 13de eeuw wordt er binnen de gemeente een Cisterciënzerabdij gesticht door Margaretha van Guines, burggravin van Kortrijk. Zij verkrijgt in 1187 de gronden, gelegen aan de Heulebeek van Filips van den Elzas, de graaf van Vlaanderen. In 1214 sticht zij er de Cisterciënzerabdij, de latere Guldenbergabdij. Een jaar later bekrachtigt Gravin Johanna van Constantinopel de schenking van akkerland, weiden, meersen, bossen en wateringen met het doel een klooster te stichten. Op die plek aan de Heulebeek stond voorheen reeds een huis, wellicht een hoeve. De kerk van het klooster wordt gewijd in 1218. In 1221 wordt daar de stichteres begraven. In 1227 worden plannen gemaakt om de stichtingsplek te Moorsele te verlaten en te verhuizen naar Wevelgem. In 1227 verwerven de kloosterlingen een aanzienlijk stuk grond in Wevelgem langs de Leie. Tussen 1242 en 1261, onder het abitaat van Adelisa van Moorslede komt de definitieve verhuis van de abdij tot stand. De z.g. Guldenbergabdij wordt opgetrokken aan de grens met Lauwe. Vermoedelijk bestonden er in het midden van de 13de eeuw twee abdijgemeenschappen, één te Moorsele en één te Wevelgem. Op het einde van de 13de eeuw wordt de vestingplaats te Moorsele definitief verlaten. De hoeve (thans Secretaris Vanmarckelaan nr. 64) wordt het foncier van de gelijknamige heerlijkheid "Ter Coutere".

In de 14de eeuw wordt de grondslag voor de textielnijverheid gelegd. Er ontstaat een stapelplaats voor woldraad, gelegen aan de Kezelberg. De Moorseelse vrouwen spinnen wol voor de Kortrijkse wevers. Lodewijk van Male, heer van Menen, geeft de stad in 1351 de toestemming om een lakennijverheid op te richten. Hierdoor verhuist de stapelplaats naar Menen. In 1353 wordt echter geconstateerd dat de nieuwe wolstapelplaats niet optimaal van ligging is, de plattelandsspinners waren niet bereid om naar Menen te komen. Hierdoor herroept de graaf het besluit en de wolstapelplaats verhuist weer naar Moorsele. De nieuwe stapelplaats (spinnemarkt of moortelmarkt) was gelegen in de huidige Dadizelestraat.
Omstreeks de 16de eeuw begint men te Moorsele met het telen en weven van vlas. In de 15de eeuw wordt er reeds vlas geteeld op de hofstede "ter Hoeve". Ook de omliggende Leiedorpen gaan langzaam over tot de productie van fijn linnen.

Tijdens de Geuzenopstanden en de invallen van de Oostendse vrijbuiters in 1583 lijdt Moorsele veel schade. In 1570 wordt het goed ter Gracht zwaar beschadigd en wellicht ook het kasteel van Moorsele. Ook het koor van de Sint-Martinuskerk wordt beschadigd.

In de 17de eeuw wordt het grootste deel van de gemeente bij Frankrijk ingelijfd door het verdrag van Aken (1668). Tijdens de Franse overheersing bouwen de bezetters een verdedigingslinie van het kasteel van Moorsele tot aan de Leie te Kuurne. Deze linie volgt de Heulebeek en was voorzien van niet minder dan achttien zelfstandige bolwerken. Pas in 1713 komt Moorsele onder Oostenrijks bewind.
Tussen 1644 en 1648 en tijdens de Negenjarige Oorlog (1689-1697) wordt Moorsele herhaaldelijk getroffen door plunderende troepen. Bovendien zorgt een builenpest voor een enorme bevolkingsafname.
Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1747) wordt de gemeente opnieuw slachtoffer van herhaaldelijke plunderingen en brandstichtingen. Op 10 september 1744 arriveert het regiment van de graaf van Saksen in Moorsele, dat zorgt voor kleine schermutselingen.
Op 10 september 1787 woedt een brand in Moorsele die een groot deel van het centrum in de as legt. De brand, ontstaan in een bakkerij, vernielt 56 tot 64 huizen, voornamelijk gelegen in de Damberdstraat en aan het Sint-Maartensplein.

In 1788 wordt kunstschilder Serafijn Vermote geboren in Moorsele. Na zijn opleiding schilderde hij honderden dorpsgezichten in Oost- en West-Vlaanderen en werd onder meer leraar aan de academie van Kortrijk. Hij stierf in 1837.

In 1791 wordt op De Plaats (het huidige Sint-Maartensplein) een herberg z.g. "Het Schepenhuis" gebouwd, later in gebruik als gemeentehuis. Er paalde ook een gevangenis en een brandweerkazerne aan. In 1858 wordt het gebouw afgebroken en worden de gemeentediensten ondergebracht in het kasteel van dokter Buskaert, eveneens op De Plaats gelegen. Het kasteel wordt afgebroken in 1968 om plaats te maken voor een modern gemeentehuis dat wordt geopend in 1971.

In de 18de eeuw kent de huisnijverheid, voornamelijk het weven van fijn linnen, bestemd voor de Franse markt, een gestage opgang. In 1695 was ca. 19% van de Moorseelse bevolking thuiswever. In 1745 was dat gegroeid tot 22% en in 1815 was het aandeel opgeklommen tot meer dan 30%. Halverwege de 19de eeuw trokken echter veel wevers naar Frankrijk tengevolge van hongersnood en omdat de verdiensten daar veel hoger lagen.
Vanaf het midden van de 18de eeuw worden heel wat afgewerkte stukken opgekocht door kooplieden, o.m. leden van de familie Cornillie werpen zich op als belangrijk linnenkoopmannen.
De uitvinding van de "Pareit", een vliegende schietspoel voor het weven van linnen in 1841, zorgde voor de industrialisatie van het weven. Het thuisweven ruimt plaats voor het industriële, grootschalige weven. Ondanks de industrialisatie was in Moorsele in 1910 nog 22% van de bevolking actief in de thuisweverij.
Tot de Tweede Wereldoorlog blijft de industrialisatie in Moorsele beperkt. Alleen de textielnijverheid is van enig belang. In 1937 kent Moorsele dertien vlasroterijen en twee katoenweverijen, goed voor een tewerkstelling van ongeveer 200 arbeiders. Pas in de jaren 1960 door de aanleg van een industrieterrein aan de grens met Gullegem, stijgt de industrialisatiegraad in de gemeente.

De enige bewaarde molen in de gemeente is "De Grote Macht" of "Witte Molen" gelegen aan de Wittemolenstraat op de grens met Menen. Andere gekende molens zijn: "De Ballokmolen" of "Oude Molen" (bestond reeds in de 16de eeuw, vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog), "De Briekmolen" (gesloopt in 1935), "De Nieuwe Molen" (gesloopt in de 20ste eeuw), "De Wulfsdammolen" (gesloopt in de 19de eeuw) en de twee molens op de Kezelberg (vernield in 1914). Daarnaast bevond zich aan de Heulebeek ook nog een watermolen. Hij werd gebouwd in 1819, maar verdween in de loop van de 19de eeuw.

De eerste vermelding van een school in de gemeente dateert van 1627, de eerste onderwijzer wordt vermeld in 1672. In 1699 wordt door pastoor Van Itersum een armenschool opgericht, die later verhuist naar de Ieperstraat. Het schooltje wordt gesloten in 1899.
In 1844, oprichting van een katholieke school op een perceel gekocht door pastoor Vermeulen. In 1855 schenkt Maria Cornillie een stuk grond in de Sint-Jansstraat aan de gemeente om er een gemeenteschool op te richten.

Verbetering van het wegennet in de tweede helft van de 19de eeuw. In 1852 wordt de weg van Menen naar Roeselare rechtgetrokken. In 1846, aanleg van de weg van Kortrijk naar Moorsele over Heule en Gullegem. Verschillende straten worden hersteld of bestraat, voorbeelden hiervan zijn: de weg van Moorsele naar Gullegem (1852), de Ledegemstraat (1858-1871) en de Warandestraat (1904).
In 1889, aanleg van de spoorweg Menen-Roeselare, dienst doende tot 1948 voor het vervoer van reizigers en goederen. Nadien was de lijn nog in gebruik voor goederenvervoer.
De eerste stoomtram reed in 1892 door de gemeente, hij volgde het traject Kortrijk-Bissegem-Gullegem-Moorsele-Ledegem-Dadizele-Geluwe. In 1946 wordt de stoomtram vervangen door een dieseltram die dienst deed tot 1956.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt er door Duitse militairen een vliegveld aangelegd tussen de Ieperstraat, de Dadizelestraat en de Witte Molenstraat. Na de oorlog wordt de basis verlaten en geraakt het vliegveld in onbruik. In 1938 wordt er ter hoogte van de Ledegemstraat opnieuw een vliegveld aangelegd, dit keer door Belgische militairen. Het geheel wordt in 1940 uitgebreid in zuidelijke richting door Duitse militairen die het gebruikten tot op het einde van de Tweede Wereldoorlog. Van dit vliegveld z.g. "Overheule" is enkel een deel van de controletoren bewaard.
Tijdens de slag om de Leie, op 23 mei 1940, wordt Moorsele fel beschoten, de Sint-Martinus en Sint-Christoffelkerk wordt zwaar beschadigd.

Kerndorp, dorpskern gevormd door het Sint-Maartensplein met de Sint-Martinus en Sint-Christoffelkerk en het kasteel van Moorsele en de belangrijke uitvalswegen m.n. de Overheulestraat, de Ledegemstraat, de Ieperstraat, de Wittemolenstraat, de Warandestraat en de Secretaris Vanmarckelaan.
Vrij goed bewaarde dorpskern cf. Ferrariskaart (1770-1778) en Atlas der Buurtwegen (1845), waarop het tracé van de belangrijke uitvalswegen duidelijk te herkennen is.

Bebouwing voornamelijk geconcentreerd rond de uitvalswegen, recente woonuitbreidingen ten noorden, ten zuiden en ten westen van de dorpskern. De basisbebouwing bestaat voornamelijk uit breedhuizen, lijstgevels met variërende gevelbreedte en één à twee bouwlagen onder pannen zadeldaken. Overwegend architectuur uit de 19de en het begin van de 20ste eeuw, doch enkele woonhuizen met 18de-eeuwse kern.

Daarnaast ook tal van arbeiders- en boerenarbeidershuizen en kleine vlaswoningen getypeerd door laadvenster uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.
Verschillende rootputten zijn nog getuige van de voormalige vlasnijverheid die de gemeente kende.

Buiten de dorpskom, verspreide hoevebouw. Al dan niet omwalde hoeves bestaande uit losstaande verankerde bakstenen bestanddelen, enkele met gesloten of semi-gesloten opstelling, verschillende met oude kern (13de- tot 18de eeuw) doch heden veelal sterk aangepast: woonhuizen met vernieuwde parementen tevens ook tal van gewijzigde muuropeningen, voorbeelden hiervan zjn o.m. de hoeves "Ter Coutere", "Ter Walle" en "Ter Gracht".

Verdwenen bosareaal door de aanleg van het vliegveld van Overheule (1938, 1940-1944), gelegen aan de Ledegemstraat.

Dit is West-Vlaanderen, St.-Andries, 1962, p.1164-1170.
COOLSAET W., VANOVERBERGHE L., Moorsele 950 jaar. Van parochie Mortsella tot deelgemeente Moorsele, Catalogus tentoonstelling 950 jaar Moorsele. Sint Martinuskerk 11-14/7, 21-23/9/1996, Moorsele, 1996.
HASQUIN H., Gemeenten van België, geschiedkundig en administratief geografisch woordenboek, Brussel, 1980, p. 718-719.
DE SEYN E., Geschied- en aardrijkskundig woordenboek der Belgische gemeenten, s.d. Turnhout, p. 928-929.
DESPRIET P., De Zuidwestvlaamse parochiekerken, deel 2, Kortrijk, 1983.
WARLOP E, E.A., Moorsele Heerlijkheid, kasteel en kasteelheren, Kortrijk, 1986.

Bron: De Gunsch A. & De Leeuw S. met medewerking van Scheir O. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Wevelgem, Deelgemeenten Wevelgem, Gullegem en Moorsele, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL15, (onuitgegeven werkdocumenten).

Relaties

maakt deel uit van Wevelgem

Wevelgem (West-Vlaanderen)

omvat Arbeiderswoning

Vrijstraat 12, Wevelgem (West-Vlaanderen)

omvat Arbeiderswoning

Secretaris Vanmarckelaan 14, Wevelgem (West-Vlaanderen)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Berkenlaan

Berkenlaan (Wevelgem)

omvat Boerenarbeiderswoning

Zuidhoekstraat 74, Wevelgem (West-Vlaanderen)

omvat Britse militaire begraafplaats Kezelberg

Korteweg zonder nummer, Wevelgem (West-Vlaanderen)

omvat Caesar Gezellestraat

Caesar Gezellestraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Dadizelestraat

Dadizelestraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Damberdstraat

Damberdstraat (Wevelgem)

omvat Historische hoeve, woonhuis en hondenhok

Wagenbrugstraat 126, Wevelgem (West-Vlaanderen)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Ieperstraat

Ieperstraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Kezelberg

Kezelberg (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Ledegemstraat

Ledegemstraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Maalstraat

Maalstraat (Wevelgem)

omvat Meerlaanstraat

Meerlaanstraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Muizelstraat

Muizelstraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Overheulestraat

Overheulestraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Rozenstraat

Rozenstraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Salinusstraat

Salinusstraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Sint-Janstraat

Sint-Janstraat (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Sint-Maartensplein

Sint-Maartensplein (Wevelgem)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Warandestraat

Warandestraat (Wevelgem)

omvat Wittemolenstraat

Wittemolenstraat (Wevelgem)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.