Tongerlo

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ plaats

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Bree
Deelgemeente Tongerlo
Straat
Locatie Tongerlo (Bree)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Bree (geografische inventarisatie: 01-01-2005 - 12-01-2005).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Tongerlo wordt voor het eerst vermeld in 1267.

Het is een Kempische gemeente, gelegen in het traditionele landschap Vlakte van Bocholt. Het grondgebied kent drie landschaptypes, zoals reeds aangeduid op de Ferrariskaart (1771-77): een uitgebreid akkerareaal ten noorden van de gemeente, aansluitend bij het akkergebied van Bree; een uitgestrekt vochtig beemdengebied in het zuiden van het grondgebied, rondom de Itterbeek die hier de grens met Neeroeteren vormt; en het moerassige heidegebied ten oosten van de gemeente, aansluitend bij het grote broekengebied rond Kinrooi.

Het akkerareaal werd in de 20ste eeuw aangepast aan intensieve rundveehouderij en, in mindere mate, hokdieren, met bijhorend grasland en voedergewassen als bodemgebruik. De vallei van de Itterbeek sluit in Tongerlo aan bij het relict-bocagelandschap De Brand, dat zich uitstrekt over het grondgebied van Tongerlo en Neeroeteren. Vanwege het zwak reliëf en de daarmee gepaard gaande gebrekkige ontwatering is dit gebied van nature drassig. De grote waarde van de Brand is gelegen in de fijnmazige mozaïek en de grote dichtheid van de uitzonderlijke brede houtwallen en houtkanten, die de vochtige hooi- en weilanden omgeven, en de verspreide loofbosjes. Het gebied heeft een beperkt wegennet en vrijwel geen bebouwing. Het is een omwille van zijn omvang en gaafheid zeldzaam gegeven in het Vlaams Gewest.

Als typische Kempische nederzetting ontstond Tongerlo als rivierdalnederzetting op de noordelijke valleiwand van de Itterbeek. De woeste, gemene gronden besloegen in Tongerlo tijdens het Ancien Régime ongeveer de helft van het grondgebied. Zij lagen in het oostelijke deel van de gemeente, en maakten deel uit van het grote moerassencomplex rondom Kinrooi (Grootbroek, Stramprooierbroek) dat zich uitstrekte over Kinrooi en grote delen van de omliggende gemeenten. De wet van 25 maart 1847 verplichtte de gemeenten hun gemene gronden te verkopen om de ontginningsactiviteit te bevorderen. Het Grootbroek werd op 5 juli 1865 verkocht. De percelen werden eerst afzonderlijk geveild, daarna in massa per gemeente en ten slotte in algemene massa, uitgezonderd de eigendommen van Neeroeteren, die afzonderlijk verkocht werden. De generale massa van de overige gemeenten, een oppervlakte van bijna 2.728 ha werd toegewezen aan de Banque générale pour favoriser l'agriculture et les travaux publics, een Engelse maatschappij in 1865 opgericht. Deze maatschappij begon met het bebossen van de gebieden, aanvankelijk met succes: in 1870 waren reeds 1.095 ha bebost. Daarna kreeg de maatschappij te kampen met grote moeilijkheden. De Lossing, het ontwateringkanaal dat in 1865-66 werd gegraven kon het aangebrachte water niet kwijt in de Witbeek; Nederland aanvaardde slechts water op een peil zoals vastgelegd in de scheidingsakkoorden te Londen in 1839. De Lossing moest daarom verder gegraven worden tot Ophoven, waar zij zich in de Maas kon storten. Na verschrikkelijke overstromingen in 1880 en 1881 kwamen klachten. Hierop ging de bank in vereffening. Haar terreinen werden verkocht aan verschillende particulieren. Zij verenigden zich in de Watering van het Grootbroek, opgericht bij Koninklijk Besluit van 6 juni 1877. In het vierde kwart van de 19de eeuw waren deze broekgronden op het grondgebied van Tongerlo volledig met naaldbomen bebost (268 ha), zoals blijkt uit de stafkaart van het Dépôt de la Guerre (1878). Zoals elders werden ook hier de bossen in de loop van de 20ste eeuw op hun beurt omgezet in landbouwgebied, met aan de veeteelt aangepast bodemgebruik.

Bewoningssporen uit de prehistorie en Romeinse periode.

Mogelijk behoorde Tongerlo, op kerkelijk gebied een filiaal van Elen, net als deze gemeente oorspronkelijk tot het patrimonium van Sint-Adelardus, neef van Karel de Grote en zijn minister. Bij zijn dood circa 826 gingen al zijn bezittingen over naar de benedictijnenabdij van Corbie (Picardië, Frankrijk). De graven van Loon hadden de voogdij over de goederen van Corbie in deze streken. Zeker sinds de 13de-14de eeuw behoorde Tongerlo echter tot het domein van de graven van Loon, dat in 1366 overging in de handen van de prins-bisschop van Luik.

Op juridisch gebied viel Tongerlo onder de bevoegdheid van de schepenbank van het naburige Opitter, die Loons recht sprak en in beroep ging bij het Oppergerecht van Vliermaal. De schepenbank zetelde beurtelings in Opitter en in Tongerlo.

Op het grondgebied bevonden zich verscheidene leen- en laathoven, onder meer het belangrijke Loonse leen Boshuizengoed, in 1376 gereleveerd door Jacob van Boschuysen, en in de 15de-16de eeuw in het bezit van de familie van Mewen; het hof Ingen-Hasselt of Bormanshof, in 1526 vermeld als eigendom van Pauwel Bormans; het hof van Craenwyck, vermeld in 1536 als eigendom van Lenardt van Craenwyck, van Ophoven; de Craenebroeckse hoeve, vermeld in 1544 als eigendom van Jan van den Hove; het laathof van Agimont of hof van Eysden, voor het eerst vermeld in 1593; het laathof Savelantshof; het cijnshof van Houthuyzen, met zetel op het Buscopsgoed, een thans volledig verbouwde hoeve in de Groenstraat (nummer 81), in de 16de eeuw in het bezit van de familie Das, later van de familie de Borman.

Op bestuurlijk gebied was Tongerlo een zelfstandige gemeente met een jaarlijks gekozen burgemeester.

Tongerlo had een schans, gelegen vlak bij de dorpskern, onmiddellijk ten zuiden van de Itter; zij was vrij groot van oppervlakte en staat nog aangeduid op de Ferrariskaart (1771-77) met haar gebouwen en omgrachting. Midden 19de eeuw is zij verdwenen: de perceelsvormen in de Atlas van de Buurtwegen (1845) geven echter nog duidelijk haar vorm en die van de omgrachting aan; ook in de huidige percelering is dit nog af te lezen (Bree, 4de afdeling, Sectie B, 845 a, 851 a, 856 a, 861, 865). De kerk en de schans werden in 1675 door Franse soldaten geplunderd.

Er waren eeuwenlang conflicten tussen Opitter en Tongerlo enerzijds, de Vier Crispelen (Bree, Beek, Gerdingen en Reppel) anderzijds over het Urlobroek, voor het eerst gedocumenteerd in 1359. Voor bepaalde delen van het Urlobroek liepen er processen tot eind 19de eeuw.

In 1584, 1585 en 1586 had Tongerlo te lijden van plunderende Hollandse en Spaanse troepen; huizen en kerk werden geplunderd en in brand gestoken. Bij de slag van Sint-Nikolaasdag 1648 verloor Tongerlo 15 mannen.

Waarschijnlijk werd de Sint-Pieterskerk in de 12de eeuw opgericht door de pastoor van Elen als filiaal van de kerk van Elen, zelf een eigendom van de abdij van Corbie. Corbie inde tweede derden der tienden. De pastoor van Elen bezat het patronaatsrecht en één derde van de tienden. In 1599 kwam het deel van Corbie in het bezit van Godfried van Bocholt, heer van Grevenbroek, die in dat jaar alle abdijgoederen van Corbie in deze streken opkocht. Vanaf de 15de eeuw deelde de pastoor van Elen zijn derde van de tienden met het kapittel van Maaseik. Tot de parochie behoorde ook het gehucht Solt en de Sint-Antoniuskapel aldaar, thans Opitter, voorheen onder de gemeente Gruitrode.

Tongerlo was steeds een typisch Kempisch landbouwdorp. Op de Itter functioneerden vier watermolens: de Keyaertmolen, de Dorpsmolen, de Middelste Molen ook Vlemincxmolen genoemd, reeds vermeld in 1674 als oliemolen; in 1844 was hij eigendom van J. Neyens, in 1913 ging hij uit bedrijf en de Schurgtermolen, vermeld in 1674 als oliemolen, was in 1844 eigendom van S. Hendrix; omgevormd in 1931 tot mechanische zagerij; het gebouw van 1882 of 1883 werd afgebroken in 1989.

Sinds 1826 doorkruist de Zuid-Willemsvaart het uiterste zuidoostelijke deel van de gemeente.

Door het ontbreken van plaatselijke werkgelegenheid bleef het bevolkingscijfer steeds gering en vrij stabiel. De gemeente evolueerde in de loop van de tweede helft van de 20ste eeuw tot een woonforensengemeente, waarvan de beroepsbevolking voornamelijk werkzaam is in de industriegebieden van Genk en Eindhoven.

Oppervlakte: 805 ha.

  • Hoeven en molentocht: Opitter en Tongerlo.
  • CLIJSTERS P., De familie Galdermans en de molens te Tongerlo, (Het Ezendröpke, 2, 1982-83, pagina's 26-35).
  • CLIJSTERS P., De verkoop van "'t Venner" anno 1774, (Het Ezendröpke, 4, 1983, pagina's 52-57).
  • CLIJSTERS P., 't Laathof van Houthuysen onder Tongerlo, (Het Ezendröpke, 7, 1985, pagina's 6-24).
  • CUPPENS H. - SMET W., Limburgse watermolens. Molens op de Aabeek-Bosbeek en Itterbeek, St.-Niklaas, 1980.
  • DRIESSEN M., De zonnewijzers van Tongerlo en Gerdingen, (Het Ezendröpke, 2, 1982-83, pagina's 46-47).
  • FAASSEN J., In en om "het Stamprooierbroek" .
  • GOOLE F., De grote lenen in het Kwartier Maaseik-Stokkem en Bree, in Maaslandia, Rekem, 1984, pagina's 65-66.
  • GRAUWELS J., De aartsdiakonale visitaties van het dekenaat Maaseik (1646-1726), (Het Oude Land van Loon, 38, 1983, pagina's 217-221).
  • GUFFENS T., Pollismolen Opitter-Bree, 1987, pagina's 134-137.
  • JANSSEN de LIMPENS K.J.T., Leen- en laathoven in de Maaslandse territoria voor 1795, editor L.G.-e.O.G. 6), Maastricht, 1974, pagina 138.
  • MAES S.F. - DREESEN J., De geschiedenis van Bree. De parochie, de oude kloosters, Heverlee, 1946.
  • MAES S.F., De geschiedenis van Bree. De gemeente van de oudste tijden tot aan de Franse revolutie, 1952.
  • MANDERS J. - VERHEIJEN M., Koren op de molen. Langs de Itter, Echt, 1992, pagin's 80-98.
  • PEETERS H., Het kanton Bree tijdens de Franse revolutie, Bree, 1985.
  • PRENEN W., Tongerlo, het witte dorp aan de Itter, Hasselt, 1979.
  • REMANS A., Vreselijke St-Nikolaasdag 1648 in de Meeuwerheide, (Limburg, 47, 1968, pagina's 129-139).
  • SIMONS B., Genealogie van Jaak Simons, (Het Ezendröpke, 4, 1983, pagina's 67-69).
  • SMETS W., Langs de Itter in Limburg, (Hartenvier, 6, 1986, pagina's 14-19).
  • TIMMERMANS K., Dorpsmonografie van Tongerlo, Hasselt, 1986.
  • VANDENBOSCH M., Voorgeschiedenis van de watering het Grootbroek, (Limburg, 63, 1984, pagina's 32-33).
  • WEERD H. VAN DE, Het landdekenaat Eyck. Tongerloo. Gerdingen, (Limburg, 5, 1923-24, pagina's 201-205).

Bron: Schlusmans F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kantons Bree - Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N1, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Schlusmans, Frieda

Datum tekst: 2005

Relaties

maakt deel uit van Bree

Bree (Limburg)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Bosstraat

Bosstraat (Bree)

omvat Dorpstraat

Dorpstraat (Bree)

omvat Gesloten hoeve

Keyartstraat 32, Bree (Limburg)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Kerkhofstraat

Kerkhofstraat (Bree)

omvat Langgestrekte hoeve

Keyartstraat 30, Bree (Limburg)

omvat Roermonderstraat

Roermonderstraat (Bree)

omvat Semi-gesloten hoeve

Keyartstraat 27A, 29-31, Bree (Limburg)

omvat Solterweg

Solterweg (Bree)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Vrijthof

Vrijthof (Bree)

omvat Watermolen Keyartmolen

Keyartstraat 4, Bree (Limburg)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.