Opoeteren

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ plaats

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Maaseik
Deelgemeente Opoeteren
Straat
Locatie Opoeteren (Maaseik)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Maaseik (geografische inventarisatie: 01-01-2005 - 31-12-2005).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Eerste vermelding van Opoeteren in 1202.

Op landschappelijk gebied behoort Opoeteren tot de Kempen, meer bepaald tot het traditionele landschap Limburgs heide- en bosgebied. De gemeente ligt op het Kempisch plateau, dat hier diep, plaatselijk tot bijna 30 meter, ingesneden wordt door de vallei van de Bosbeek of Oeter in haar sterk meanderende Maaswaartse loop. De beek heeft een merkwaardige, asymmetrische vallei met een complexe noordwest- en een zeer steile zuidoostwand. Het pediment van de linkeroever wordt gevormd doorheen een dik pakket plateaugrinden. Een waardevol landschapselement zijn de duinreliëfs in de buurt van De Schans.

Opoeteren is van oudsher een landbouwdorp. Het lag binnen de grenzen van het primitieve Ledebos, later Drie Bankenbos genoemd, dat door overbeweiding met runderen en varkens en ongereglementeerde houtkap langzaam in heide veranderde. De gemeente ontstond als een aaneenschakeling van kleine nederzettingen in de vorm van straatdorpen in de vallei van de Bosbeek; zo werd gebruik gemaakt van de meest vruchtbare gronden. Van noord naar zuid: Roren, Roosterberg, het dorp, Berkeinde, Aartshouw en Dorne.

De Riet is een straatdorp ten westen haaks op de hoofdas, in de vallei van de Busselzijp; de Houw is een straatdorp ten oosten haaks op de hoofdas, in een droogdal van het Kempisch Plateau. Deze nederzettingen aan de rand van beekdalen zijn een typisch patroon vanaf de 7de en 8ste eeuw. Vanuit deze woonkernen werden de omliggende heidegebieden steeds verder ontgonnen. Hooi- en grasland situeerden zich in de vallei en akkerbouw op de hogere, droge delen. Buiten het akkerareaal en enkele bosjes rond de gehuchten kwam op het zandig plateau een schrale heidevegetatie voor; hier lagen de gemeenschappelijke weidegronden. De heide hield als cultuurhistorisch landschap stand tot het einde van de 18de eeuw, waarna stilaan bos- en landbouwontginningen volgden, herkenbaar aan het blokvormig, orthogonale wegenpatroon, confer het gebied Dornerheide.

In 1818 werden de woeste gronden van het Drie Bankenbos, dan reeds heide, verdeeld onder de belanghebbende gemeenten, waaronder ook Opoeteren. Deze gronden werden in 1832 verkocht. De heide besloeg in 1844 nog circa 60% van het grondgebied. In de tweede helft van de 19de eeuw was ze grotendeels bebost: in 1880 bezat Opoeteren 807 hectare dennenbossen. Een gedeelte van het grondgebied in het noordwesten van de gemeente behoorde tot het Gruitroderbos, een circa 5 000 hectare groot gebied bestaande uit heide, kreupelhout en moerassen; het was een gemene bezitting van de omliggende dorpen, waarvan de eigendomstoestand zeer oud moet zijn, en opklimmen tot de stichting van de verschillende dorpen. Hoewel de gronden feitelijke bezittingen van de heren waren, werd het vruchtgebruik een soort verworven recht van de dorpelingen, en nog later werden zij als werkelijke eigendommen van deze gemeenten beschouwd.

Een grensafbakening is reeds bekend van 1390; op dat ogenblik verbinden de drie dorpen, waarover deze heide zich uitstrekt -Gruitrode, Neeroeteren, Opitter en later Opoeteren- zich ertoe de Gruitroderheide te behouden en te beschutten tegen al wie hen het bezit ervan zou betwisten, en elkaar hierin hulp te bieden indien nodig. Dit bos/heidegebied werd in 1853 tussen de verschillende gemeenten verdeeld; in hetzelfde jaar begon de verkoop van de gronden, die grotendeels werden omgezet in landbouwgronden. Thans is de heide in de hele gemeente gereduceerd tot enkele relicten. Ook de naaldbossen moesten in de 20ste eeuw langzaam aan plaats maken voor landbouwgebied; alleen op de oostelijke grens van de gemeente (Dornerheide) wisten ze zich te handhaven. De landbouw is nu hoofdzakelijk gericht op intensieve rundveehouderij en, in mindere mate, hokdieren, met bijhorend grasland en voedergewassen als bodemgebruik.

De Houw is een uniek voorbeeld van een straatgehucht in een droog dal met relicten van een 18de-eeuws bos (Ferrariskaart, 1771-77), en een intacte historische percelering; het gehucht was één van de oudste uitbreidingen van de oorspronkelijke dalnederzetting. In Dorne werd tijdens de 19de eeuw het landbouwareaal zeer sterk vergroot door planmatige ontginning van de heide volgens dambordpatroon.

In de gemeente werd steen- en bronstijdmateriaal gevonden, in Dorne neolithisch materiaal. Ondanks deze vondsten was Opoeteren in de prehistorie waarschijnlijk niet bewoond.

Vermoedelijk werd tijdens de Romeinse periode op de rand van de Bosbeekvallei een weg aangelegd die Tongeren via de Bosbeek en de Maasvallei met Venlo verbond. Deze weg komt grosso modo overeen met de huidige verbindingsweg As-Neeroeteren. Er zijn geen sporen van Romeinse nederzetting. Waarschijnlijk was de oudste nederzetting in de buurt de Frankische nederzetting van As, van waaruit de Oetervallei werd gekoloniseerd.

Opoeteren behoorde van oudsher tot het domein van de graven van Loon. Het komt in 1366 samen met de rest van het graafschap in het bezit van de prins-bisschoppen van Luik. De heerlijkheid wordt in 1619 door de prins-bisschop in pand gegeven aan Michael de Selys (Selijs, Selis), die toen burgemeester was van Maastricht. Hij was toen reeds eigenaar van de schans van Dorne, waarop hij een kasteeltje/jachtpaviljoen liet bouwen. De familie verwierf in de tweede helft van de 17de eeuw ook de goederen van de familie Keverberg (confer infra) in de gemeente. Midden 17de eeuw werd de naam Fanson aan de familienaam de Selys toegevoegd, en vanaf 1656 droeg de familie de titel van baron.

Op bestuurlijk gebied was de gemeente verdeeld in twee kwartieren: het Dorp enerzijds en de gehuchten Dorne en Houw anderzijds; elk kwartier had een eigen burgemeester. De schepenbank sprak Loons recht en ging in beroep bij het oppergerecht van Vliermaal. De gehuchten Dorne en Houw ressorteerden op juridisch gebied echter onder de schepenbank van Rotem.

Op het grondgebied bevonden zich de Loonse lenen Kieverbergh, voor het eerst vermeld in 1437, een laathof in het bezit van de familie van Meeuwen de Keverberg (Kieverbergh, Keverbergh, Keverberch), en het Hof op de Berg; beide werden verheven voor de leenzaal van Kuringen. In de jaren 1960 werd op circa 150 tot 200 meter ten zuidoosten van de kerk de grondvesten van een groot gebouw blootgelegd, dat het kasteel moet zijn van de familie van Meeuwen de Keverberg, zetel van het gelijknamige laathof; het werd in 1578 door Hollandse soldaten van het garnizoen van Maastricht afgebrand; het was een tweeledig gebouw met toren, door een poort afgescheiden van een voorhof. De bezittingen van de familie Keverberg werden in de loop van de 17de eeuw stelselmatig opgekocht door de familie de Selys; zij kopen waarschijnlijk ook dit laathof, want na het midden van de 17de eeuw is er geen sprake meer van. Een grafsteen van de familie Keverberg-Borman bleef bewaard in de kerk.

In Opoeteren lagen twee schansen. De schans van Dorne bevond zich op de plaats van het huidige kasteel De Schans. De tweede schans lag mogelijk in de buurt van de Houbenmolen; zij staat reeds niet meer aangeduid op de Ferrariskaart (1771-77).

In 1636 viel Jan van Weert met zijn ruiters Opoeteren binnen, nam één van de twee schansen in en plunderde ze; de schade vertegenwoordigde een enorm kapitaal, en er vielen verschillende doden. In 1648 trokken Lorreinse troepen onder graaf Longueville vanuit Peer naar Meeuwen. Jonker Caspar van Keverberg uit Opoeteren, kolonel van de schutten of huislieden van het ambt Stokkem, riep de huislieden van het land van Ham, de buitingen van Beringen, die van Tessenderlo, de buitingen van Peer, al de dorpen van het drossaardambt Stokkem, Bocholt en Grote Brogel bijeen. Zij achtervolgden de Lorreinen tot in Meeuwen, in de Donderslagheide, waar zij in een hinderlaag liepen en door de zwaar bewapende Lorreinen vernietigend werden verslagen; de huislieden telden 367 doden en 294 gewonden; Opoeteren telde 16 doden en 18 gewonden. In 1650 vielen de Lorreinen Opoeteren opnieuw binnen; de schans van Dorne werd geplunderd en beroofd van vee, granen en meubelen.

Op kerkelijk gebied behoorde Opoeteren waarschijnlijk oorspronkelijk tot de parochie Dilsen. De Sint-Dionysiuskerk was een late stichting, waarschijnlijk door de graven van Loon in de tweede helft van de 12de eeuw. Het patronaat was in handen van de graven, later van de prins-bisschoppen. Opoeteren was reeds een afzonderlijke parochie vóór 1202. De tienden werden door de graaf van Loon in 1267 geschonken aan de abdij Godsberg te Neeroeteren. Deze abdij kende echter slechts een kortstondig bestaan en werd reeds in 1275 verenigd met de abdij van Oriënten in Rummen (Brabant); de tienden komen dan in handen van deze abdij. Het hospitaal van Sint-Servaas te Maastricht bezat een deel der tienden.

In Opoeteren functioneerden vier watermolens op de Bosbeek: de Dorpermolen, de Houbenmolen en de Volmolen. De molen van Aartshouw, ook Dornermolen en Lismolen genoemd, zou opgericht zijn in de 14de eeuw, het was een graanmolen, banmolen van de prins-bisschop; hij werd afgebroken in 1940.

In 1874 wordt de spoorweg Hasselt-Maaseik geopend. Hij liep door de gemeente. In 1879 kwam er een halte voor Opoeteren-Dilsen aan de Driepaalhoeve.

In de tweede helft van de 20ste eeuw evolueerde Opoeteren van uitgesproken landbouwdorp tot woongemeente voor forenzen, onder meer werkzaam in de Genkse en Maaslandse industriegebieden. Deze nieuwe werkgelegenheid verklaart het stijgende inwonersaantal, dat in de tweede helft van de 20ste eeuw vrijwel verdubbelde. De gemeente heeft bovendien een beperkte toeristische sector.

Het dorpspatroon met zijn typische nederzettingsvorm van aaneengeschakelde straatgehuchten op de dalwanden werd hoger besproken. De oudste bebouwing bestaat uit de 19de-eeuwse, langgestrekte hoeven en hoeven met osstaande bestanddelen. De bouwwijze met de nok loodrecht op de straat is typisch voor een gebied waar de vruchtbare grond schaars is. Zeer typisch voor de gemeente is het bouwen met Maaskeien. De zandlaag die hier de Maasgrinden bedekt is zodanig dun, dat deze grinden op verschillende plaatsen praktisch aan de oppervlakte komen en een voor de hand liggend bouwmateriaal vormen.

Het is niet duidelijk wanneer deze bouwwijze ontstond, aangezien de behouden voorbeelden vrijwel allemaal dateren uit de 19de eeuw, maar waarschijnlijk is zij zeer oud. Het waren vooral de woonhuizen van de hoeven die op deze manier gebouwd werden; de dienstgebouwen waren meestal in vakwerk. Deze bouwwijze komt uitsluitend voor in de hooggelegen (boven 80 meter) dorpen van het Kempisch Plateau (Opoeteren, Opglabbeek, As) en is in die mate kenmerkend dat hier kan gesproken worden van een echt subtype van de Kempische hoeve.

Oppervlakte: 1 865 hectare.

  • BAUWENS-LESENNE M., Bibliografisch repertorium van de oudheidkundige vondsten in Limburg behoudens Tongeren-Koninksem (vanaf de vroegste tijden tot de Noormannen)(Oudheidkundige repertoria, Reeks A: Bibliografische repertoria; 8), Brussel, 1968.
  • C[LIJSTERS] J., Schansen in de Kempen, (Utersjank, 3, 4, (1), 1986-87, p. 34-37; 39-42).
  • CLAASSEN A., Middeleeuws aardewerk te Opoeteren, (Limburg, 38, 1959, p. 104).
  • CLIJSTERS J., Al een eeuw geleden..., (Utersjank, 4, (1), 1987, p. 30-33).
  • CUPPENS E., Kasteel "De Schans" te Opoeteren, Opoeteren, 2003.
  • CUPPENS H. - SMET W., Limburgse watermolens. Molens op de Aabeek-Bosbeek en Itterbeek, St.-Niklaas, 1980.
  • DAAMEN J., Lang...hièl lang gelieje, (Utersjank, 1, 2, 3, 1984-85-86-87, p. 8-15; 23-29; 13-17; 23-29; 15-20; 19-22).
  • DARIS J., Notices sur les églises du diocèse de Liège, Vol. 7, Liège, 1867-1899, p. 165.
  • DELBROEK J. - HILVEN M., Opoeteren door de jaren heen ... waarin afbeeldingen van Opoeteren en Dorne, (1978).
  • DESITTERE M., Een bronzen randbijl uit Opoeteren (Limb.), (Archeologie, (1), 1976, p. 13).
  • DRIESSEN R., Daar de Maas door deze gemeente stroomt, Genk, 1988.
  • EYNDE P.J. OP 'T, Opoeteren, (Limburg, 16, 1934-35, p. 101).
  • GEERKENS H.J., Nota's over voorhistorische voorwerpen gevonden te Opglabbeek, Opoeteren en Ophoven-Geistingen, (Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundige Studiekring te Hasselt, 16, 1941, p. 11-18).
  • GEYSKENS B., in De Vlaamse Landschapsatlas, OC-GIS-Vlaanderen, Brussel, 2001.
  • GRAUWELS J., De aartsdiakonale visitaties van het dekenaat Maaseik (1646-1726), (Het Oude Land van Loon, 38, 1983, p. 27-28).
  • HANSAY H., Oorlogsschade te Opoeteren in 1651, (Het Oude Land van Loon, 1, (7), 1946, p. 131).
  • HENDRICKX M., e. a., Bokkerijders in Opoeteren, 1992.
  • HUYGHE D., Opoeteren: bronzen lanspunt, (Archeologie, (2), 1985, p. 132-133).
  • JANSSEN de LIMPENS K.J.T., Leen- en laathoven in de Maaslandse territoria voor 1795, Maastricht, 1974.
  • KUBBEN P., Jan Coperdraet van Opoeteren, (Limburg, 23, 1941-42, p. 209-215; 233-237).
  • L(UX) G.V. & R(OOSENS) H., Archeologica. Opoeteren. Verwoest kasteel, (Limburg, 47, 1968, p. 235).
  • L.J.O., Opoeteren. Keverbergh-A Riverbergh-de Kieverbergh, (Limburg, 6, 1924-25, p. 279-281).
  • LINDEKENS L., Opoeteren: dorpsmonografie, Hasselt, 1986.
  • MAAS P.J., Une forme germanique de la propriété collective dans le Limbourg, Hasselt, 1905.
  • MANDERS J. - VERHEIJEN M., Koren op de molen. Langs de Itter, Echt, 1992.
  • MULDERS A., De Bokkerijders te Opoeteren, (De Rode Leeuw, (1), 1980, p. 63-64A).
  • REMANS A., Vreselijke St-Nikolaasdag 1648 in de Meeuwerheide, (Limburg, 47, 1968, p. 129-139).
  • SNIJDERS D., Testament van pastoor Joosten van Opoeteren, 1660, (Limburg, 56, 1977, p. 96-105).
  • SNIJDERS D., Plundering van de Opoeterse schans in 1790, (Ooters Jaarboek, 1, 1985, p. 47-50).
  • WEERD H.V.D., Het landdekenaat Eyck. Opoeteren. Meeswyck, (Limburg, 5, 1923-24, p. 163-168).
  • WEVERS J., Uit de penneveer, (Utersjank, 5, (1), 1988, p. 27-30).
  • WILLEMS C., Opoeteren. De Lorreinen. - de familie Keverbergh, (Limburg, 7, 1925-26, p. 67, 207).
  • WILLEMS C., Opoeteren - Jan van Weert, (Limburg, 12, 1930-31, p. 127-129; 154-159; 174-178).

Bron: Schlusmans F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kantons Bree - Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N1, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Schlusmans, Frieda

Datum tekst: 2005

Relaties

maakt deel uit van Maaseik

Maaseik (Limburg)

omvat Bakhuis

Bergeindestraat 8, Maaseik (Limburg)

omvat Cassishoeve

Neeroeterenstraat 105, Maaseik (Limburg)

omvat Cassiskapel

Neeroeterenstraat zonder nummer, Maaseik (Limburg)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Houwstraat

Houwstraat (Maaseik)

omvat Josefienenklooster met school

Schoolstraat 10, Maaseik (Limburg)

omvat Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Gedurigen Bijstand

Sjouwekapelstraat 1, Maaseik (Limburg)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Kasteelstraat

Kasteelstraat (Maaseik)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Kerkplein

Kerkplein (Maaseik)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Leustraat

Leustraat (Maaseik)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Moonenkapelstraat

Moonenkapelstraat (Maaseik)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Nielerstraat

Nielerstraat (Maaseik)

omvat Onze-Lieve-Vrouwekapel

Kabienstraat zonder nummer, Maaseik (Limburg)

omvat Parochieschool

Schoolstraat 9, Maaseik (Limburg)

omvat Pastorie van de Sint-Dionysiusparochie

Neeroeterenstraat 10, Maaseik (Limburg)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Rietstraat

Rietstraat (Maaseik)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Roosterbergstraat

Roosterbergstraat (Maaseik)

omvat Tweeledige hoeve

Gruitroderlaan 8, Maaseik (Limburg)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Veldstraat

Veldstraat (Maaseik)

omvat Watermolen Dorpermolen

Dorpermolenstraat 2, Maaseik (Limburg)

omvat Watermolen Houbenmolen

Zandstraat 29, Maaseik (Limburg)

omvat Watermolen Volmolen

Volmolenstraat 10, 11, Maaseik (Limburg)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Weg naar As

Weg naar As (Maaseik)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.