Hoeke

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ plaats

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Damme
Deelgemeente Hoeke
Straat
Locatie Hoeke (Damme)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Damme (geografische inventarisatie: 01-01-2006 - 31-12-2006).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Klein polderdorp van 147 inwoners (2005) en 432 ha (2003) gelegen in de provincie West-Vlaanderen, ten noordoosten van Brugge. In 1971 samen met Lapscheure en Moerkerke samengevoegd tot de fusiegemeente Moerkerke, sinds 1977 deelgemeente van Damme. Andere deelgemeenten zijn Lapscheure, Oostkerke, Sijsele, Moerkerke en Vivenkapelle. De gemeente grenst ten noorden aan Westkapelle (deelgemeente Knokke-Heist), ten oosten aan Lapscheure en ten westen aan Oostkerke. Klein dorp met landbouw, veeteelt en woonfunctie; langs de Damse Vaart, gericht op toerisme, met kampeer- en vismogelijkheden. Gelegen in de Noordzeepolders, gekenmerkt door vruchtbare kleigronden, doorsneden door draineringgrachten, o.m. Eindebeek, Hoekevaart, Vuile Vaart en Zwinnevaart, en dijken. Het dorp is ontstaan op de plaats waar de Krinkeldijk en de Bloedlozendijk samenkomen. Beide dijken behoren tot een grote ringdijk die op het einde van de 11de eeuw werden aangelegd om het gebied ten noorden van Brugge tegen overstromingen te beschermen. De kleine dorpskern, bestaande uit een groepje dorpswoningen rond de gotische kerk Sint-Jacob-de-Meerdere, bevindt zich ten noorden van de Damse Vaart, langs de Sint-Jacobs- en Oostkerkestraat. Hoeke is bereikbaar via de Natiënlaan (N49, expresweg tussen Antwerpen en Knokke), die de gemeente ten oosten van de dorpskern doorsnijdt, via de Damse Vaart en langs enkele kronkelende polderwegen. Tot voor de Tweede Wereldoorlog bereikbaar via de Damse Vaart.

HISTORISCHE INLEIDING

De eerste schriftelijke vermelding van Hoeke dateert van 1252 als "Van Houcke", in een Brugse stadsrekening. In de literatuur worden verschillende interpretaties van deze naam naar voor geschoven: "grond in hoek van de zeearm het Zwin", "uithoek van Oostkerke" of "hoekig stuk land". De Duitse historicus Hohlbaum spreekt van "Hogge", "nederzetting op een hoogte". Hoeke is vermoedelijk rond 1000 ontstaan langs de Krinkeldijk, als een gehucht van Oostkerke. Wegens zijn ligging aan het Zwin, ontwikkelt Hoeke zich tot een voorstad van de wereldhaven Brugge.
De stad Brugge werpt ca. 1168 een nieuwe dam op (Dwarsdijk) om de stad tegen overstromingen te beschermen. Damme ontstaat kort daarna op deze dam en dankt er haar naam aan. De vissersnederzetting is gelegen aan het verste punt landinwaarts van het Zwin, dicht bij Brugge, een zeer gunstige plek voor handel. Damme krijgt in 1180 stadsrechten en ontwikkelt zich heel snel tot een voorhaven van Brugge. Op de oevers van het Zwin ontstaan ook andere nederzettingen die een graantje meepikken van het toenemende handelsverkeer. Zo ontstaan op de linkeroever de plaatsen Monnikerede, Hoeke en Mude (thans Sint-Anna-ter-Muiden), en iets later op de rechteroever het plaatsje Lamminsvliet, het latere Sluis. Gelegen in het Brugse Vrije, krijgen ze toch van de Graaf van Vlaanderen het statuut van vrije stad: eigen bestuur met bevoegdheid over lagere rechtspraak, ze krijgen een keure. Ze worden gerangschikt bij de "smalle steden", net als Blankenberge en Gistel.
De bloeiperiode van het havenstadje Hoeke is te situeren tussen 1250 en 1450. Door verzanding en dichtslibbing van het Zwin wordt het voor zeeschepen steeds moeilijker om Damme te bereiken. De dichter bij de monding gelegen havens winnen aan belang: eerst Monnikerede en Hoeke, vervolgens Mude en Sluis (Lamminsvliet). Deze laatstgenoemde neemt ca. 1300 de rol van Damme over als belangrijkste Vlaamse havenstad en voorhaven van Brugge. Ca. 1252-1253 wil de Duitse hanze rond het Zwin een stad stichten die onafhankelijk zou zijn van de gravin van Vlaanderen. Ze kiezen daarvoor Hoeke, in die tijd een vissersdorp met een geschikte haveninham. De Hanzen van Lubeck, Bremen en Hamburg hadden er al kantoren; het was de belangrijkste los- en overslagplaats van de Duitse kooplieden. De onderhandelingen voor een onafhankelijke Duitse stad mislukken, maar Hoeke groeit uit tot een bloeiend havenstadje met voornamelijk Duitse inwoners of "Oosterlingen". In 1255 heeft Hoeke eigen schepenen. In 1273-1274 verwerft Hoeke vrije rechten als Vlaamse stad, om de handel te bevorderen. In 1275 maakt een schenking van de Duitse koopman Henris de Coussevelde of Hendrik van Koesfeld (Westfalen) de verbouwing van een bestaande kapel tot een vroeg-gotische kerk mogelijk. Als patroonheilige wordt Sint-Jacob-de-Meerdere gekozen. In 1330 schenkt Lodewijk van Nevers, graaf van Vlaanderen, een keure aan de stad Hoeke.

De havenstad Hoeke zou 204 ha groot geweest zijn, en situeerde zich langs de straten die we nu kennen als de Oostkerke- en Sint-Jacobsstraat, en langs de verdwenen "Hoogstraete", een deel van de Krinkeldijk. Het stadhuis, de grote handelspanden en de verdwenen Sint-Jacobskapel bevonden zich langs de Hoogstraat in "Houcke ten Boven", het oostelijke gedeelte van het stadje, dat zich uitstrekte tot voorbij de huidige Natiënlaan.
De kerk van de parochie bevond zich steeds op de huidige plaats, in het westelijke deel van de stad. De pastorie was ten noorden van de kerk gelegen, gr.m. op de plaats van de huidige pastorie, ten zuiden van de kerk werd het Heilige Geesthospitaal opgericht door de Duitse koopman Henris de Coussevelde. Een document van 1324 vermeldt een molen vlakbij de kerk. Andere, uit de geschreven bronnen gekende gebouwen, zoals het tolhuis, het Oosterlingenhuis (een Duits handelskantoor) en de handelspanden die aanwezig waren in het stadje, kunnen op basis van de huidige informatie niet gesitueerd worden. Hoeke was een stadje met een getijdenhaven; het had geen kaaimuren, maar houten staketsels of aanlegsteigers waar bij hoog water opgevaren zeeschepen konden aanmeren. Bij hoogtij kwam het water tot aan de Hoogstraat. Tijdens de 14de en 15de eeuw was in Hoeke een bloeiende markt, o.m. voor graan, zoute vis en fruit. In Hoeke was er ook scheepsbedrijvigheid: herstel, handel in scheepsbenodigdheden en mogelijk zelfs een scheepswerf. Het octrooi voor het verhandelen van droge vis en materiaal voor de scheepsvaart werd in 1384 door Margaretha van Male geschonken.

Verschillende oorzaken zorgen ervoor dat Hoeke in de tweede helft van de 15de eeuw zijn faam volledig verliest. In 1404 wordt Hoeke geteisterd door een grote overstroming tijdens de Elisabethvloed. De stad had in 1378 al een eerste keer te lijden onder de oorlog met Engeland, en in 1405 vallen de Engelsen Hoeke opnieuw binnen. Grote branden in 1458 en 1488 brengen ernstige schade toe aan de stad. Een structureel probleem is tevens de steeds ergere verzanding van het Zwin. Tussen 1405 en 1423 wordt nog de Hoekevaart gegraven, als één van de vergeefse pogingen om Brugge toch via het Oude Zwin in verbinding te houden met de zee. Desondanks wagen de zeeschepen zich niet meer verder dan Sluis. Het graven van de Hoekevaart zorgt er wel voor dat de heren van Oostkerke een molen laten bouwen bij de Hoekebrug, met een eerste vermelding in 1481. De hoge lasten onder de Bourgondiërs en de godsdiensttroebelen in de tweede helft van de 16de eeuw doen Hoeke, Monnikerede en Damme verder hun economische rol verliezen.

Tijdens de 16de en 17de eeuw is Hoeke een verwoeste en verlaten stad, gereduceerd tot een kleine woonkern omheen de kerk. In 1528 teistert een tweede grote brand het stadje. In 1554 gaat de parochie Hoeke over van bisdom Doornik naar bisdom Brugge. Op een anonieme kaart van het Zwin uit 1561 zien we dat Hoeke reeds is herleid tot een klein centrum. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), waarbij de westelijke oever van het Zwin betwist gebied is, zinkt Hoeke steeds verder weg. In 1580 verwoesten de geuzen verschillende gebouwen in de stad, waaronder de kerk. In 1589 wordt de Zwarte Sluis aangelegd door de Watering van Reygaertsvliet ter vervanging van de meer zuidwaarts gelegen Hoekesluis. In 1591 wordt de kerk opnieuw in gebruik genomen. In 1594 voegt Filips II het ondertussen vervallen Hoeke samen met Monnikerede bij Damme. Bij deze gelegenheid krijgen de drie zilveren manen op het rode wapenschild van Hoeke (oud wapen van de heren van Oostkerke) een gouden kleur.
Zusterstad Monnikerede is enkele jaren later volledig verdwenen. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, in 1605, wordt op de grens met Westkapelle het Fort Sint-Frederik aangelegd ter verdediging van de strategisch belangrijke Zwarte Sluis. Midden 17de eeuw is Hoeke volledig teloor gegaan. Sanderus vermeldt in zijn "Flandria Illustrata" (1641) dat Hoeke volkomen haar krachten is verloren. Men begint moedig aan de heropbouw: in 1637-1639 wordt de kerktoren van het vroeg-gotische kerkje heropgebouwd door Marcus Feys uit Brugge, in 1640 wordt het koor hersteld, in 1649 bouwt men de sacristie. Een nieuwe pastorie komt er pas in 1769.

Na de Franse Revolutie lijkt Hoeke opnieuw te herleven. In 1795 wordt Hoeke opnieuw een onafhankelijke gemeente met een eigen bestuur. De parochie Hoeke wordt in 1801 bij het bisdom Gent gevoegd; in 1834 komt het onder Brugge. Ca. 1808 wordt de parochie van Hoeke verenigd met Westkapelle, tot in 1842. In 1810 begint de aanleg van de Damse Vaart, een prestigieus project van Napoleon, die Duinkerke en Breskens trachtte te verbinden door een kanaal. De bestaande kanalen Duinkerke-Veurne-Nieuwpoort-Plassendale-Brugge dienden met een nieuw kanaal Brugge-Damme-Sluis-Aardenburg-Breskens vervolledigd te worden. Ter hoogte van Hoeke wordt het kanaal in de oude Zwinbedding uitgegraven.
Bij de val van Napoleon (in 1814 te Waterloo) is het nieuwe kanaal tot aan het fort Sint-Donaas te Lapscheure gerealiseerd. Pas in 1858 wordt het kanaal onder impuls van de stad Sluis doorgetrokken tot in de Sluise haven. In 1862 wordt de vaarverbinding tussen Brugge en Sluis opengesteld. Als waterweg krijgt het kanaal Brugge-Sluis voor Hoeke onder meer betekenis door het transport van de stenen van de steenbakkerij te Hoeke-Lapscheure (De Fonseca), die in 1909 wordt opgericht.

In 1840 wordt een nieuwe molen gebouwd op de oude molensite bij de Hoekebrug. In 1842 beslist de gemeenteraad een eigen schooltje op te richten. In 1861 wordt ten zuiden van de kerk een gebouw opgericht met klaslokalen en woning van de schoolmeester. In 1900-1902 investeert men in de restauratie van de kerk door architect Charles De Wulf (Brugge). De Eerste Wereldoorlog heeft niet veel invloed op Hoeke. Tijdens het interbellum schuift het gemeentebestuur het organiseren van het onderwijs door naar de Zusters van de Heilige Kindsheid uit Ardooie, voor wie in 1929 de Sint-Jozefschool gebouwd wordt. Ca. 1935 wordt het bestaande historische tracé tussen Maldegem en Knokke als Rijksweg aangelegd (Natiënlaan). Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt Hoeke herhaaldelijk beschoten, waarbij de kerk zwaar beschadigd wordt; restauratie in 1944. Door strategische militaire ingrepen, raakt het grondgebied van Hoeke gedeeltelijk overstroomd. De Franse genietroepen blazen in 1940 de z.g. "Sifons" in Oostkerke op, waardoor de Damse Vaart nu wordt onderbroken door het Leopold- en Schipdonkkanaal en er geen transport tot in Hoeke meer mogelijk is. In 1959 worden Hoeke en Lapscheure als parochie samengevoegd. Door de fuseringsgolf in de jaren 1970 wordt Hoeke een deelgemeente van Damme. Het profiteert mee van het toerisme dat zich tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw in de omgeving van Damme en de Damse Vaart heeft ontwikkeld.

RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BOUWKUNDIG ERFGOED

De dorpskern bevindt zich aan de oostelijke rand van de gemeente, aan de noordelijke oever van de Damse Vaart, die gegraven werd in de bedding van het Oude Zwin, waarlangs Hoeke als vissersnederzetting is ontstaan. De huidige dorpskern langs de Oostkerke- en Sint-Jacobsstraat is een restant van het westelijke gedeelte van het middeleeuwse havenstadje, en is door de eeuwen heen gereduceerd tot de in kern 13de-eeuwse kerk Sint-Jacob-de-Meerdere, waarrond een kleine woonkern. Van de lage dorpswoningen hebben sommigen een 18de-eeuwse kern; het huidige uitzicht werd echter op het eind van de 19de of gedurende de 20ste eeuw bepaald. De witgeschilderde voormalige schooltjes zijn beeldbepalend in het dorp. Schaarse bebouwing, met enkele hoevesites die reeds op de kaart van Pourbus (1561-1571) zijn vermeld; de huidige hoevegebouwen zijn grotendeels 19de- en 20ste-eeuws; de streekeigen kenmerken van de hoeves zijn door verbouwing deels verloren gegaan. Enkele langgeveltypes met een opkamer onder dezelfde nok op kelders met tongewelven.

Aanwijzende fotografische inventaris van de drie rechterlijke kantons Brugge, Brussel, 1965, p. 380.
AERNOUDTS A., Hoeke. Een vrije stad aan het Zwin, in Rond de poldertorens, jg. 43, nr. 2, Gent, 2001, p. 46-51.
BONTE G., Duitse handelsbetrekkingen met het Zwin, in Rond de poldertorens, jg. 29, nr. 1, Gent, 1987.
CORNOY A., Dictionnaire étymologique du nom des communes de Belgique, deel 1, 1939, p. 269.
DE FLOU K., Woordenboek der toponymie van westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het land van den Hoek, de graafschappen Guines en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu, deel VI, Brugge, 1926, kl. 577-584.
DE SEYN E., Geschied- en aardrijkskundig woordenboek der Belgische gemeenten, dl. 1, Brussel, 1938, p. 584.
DEVLIEGHER L., De Zwinstreek, in Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 4, Tielt, 1970.
GERITS J. (red.), Gids voor Vlaanderen, Antwerpen, 1985, p. 226-233.
Geschiedkundige snipperingen uit Houcke's verleden en heden, Brugge, 1914, p. 9-10.
LARBOUILLAT J., Verkenningswandeling naar het verdwenen middeleeuwse Hoeke, in SGT, p. 4-5.
RAU J., Het Damme van toen en omgeving, Brugge, 1981.
SANDERUS A., Flandria Illustrata, deel 1, Keulen, 1641-1644, heruitgave: Tielt, 1978, p. 301.
TERMOTE J. ; ZWAENEPOEL A., Forten en verdedigingswerken in het Oost- en West-Vlaamse krekengebied, Brugge, 2004.
WELVAERT F. ; DIERICKX-VISSCHERS F. (red.), 2000 jaar Zwinstreek, Knokke, 1985.
WEYMEIS C., Het land van Uilenspiegel. Damme Knokke Sluis, Leuven, 2001, p. 39-41.
www.damme-online.com
www.hoeke.tk

Bron: Callaert G. & Hooft E. met medewerking van Santy P. & Snauwaert L. 2006: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Damme, Deel I: Stad Damme, Deelgemeenten Hoeke, Lapscheure en Moerkerke, Deel II: Deelgemeenten Oostkerke, Sijsele en Vivenkapelle, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL17, (onuitgegeven werkdocumenten).

Relaties

maakt deel uit van Damme

Damme (West-Vlaanderen)

omvat Damse Vaart met omgevende polders, Fort van Beieren en kreken van Lapscheure

Koolkerke, Sint-Kruis (Brugge), Damme, Hoeke, Lapscheure, Oostkerke (Damme), Westkapelle (Knokke-Heist)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Damse Vaart-Noord (Hoeke)

Damse Vaart-Noord (Damme)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Damse Vaart-Oost (Hoeke)

Damse Vaart-Oost (Damme)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Krinkeldijk (Hoeke)

Krinkeldijk (Damme)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Natiënlaan (Hoeke)

Natiënlaan (Damme)

omvat St. Jacobsstraat

St. Jacobsstraat (Damme)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.