Tuinwijk bij de Metaalfabrieken van Overpelt-Lommel

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ bouwkundig geheel

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Lommel
Deelgemeente Lommel
Straat Brasemstraat, Dubbelrij, Karperstraat, Martinus Van Gurplaan, Rietvoornstraat, Snoekstraat, Werkplaatsen
Locatie Brasemstraat 6-8, 5-7, Dubbelrij 22-24, 28, 50, 62, Dubbelrij 37, 51, 55, 57, 61, Dubbelrij 4-6, 10-12, 16-18, Dubbelrij 63-65, 67, 69, 71-73, Dubbelrij 64-66, 68, 74, Dubbelrij 7-9, 17, 21-23, 27, Dubbelrij 75, 79, 81, Dubbelrij 76-78, 80, 82-84, Dubbelrij 83-85, 87, Dubbelrij 86, 88-90, 92, Karperstraat 5, 6, 7, 19, Martinus Van Gurplaan 12, 22, 28-36, 40-44, Martinus Van Gurplaan 50-54, 58, 62-70, Rietvoornstraat 5, 6, Snoekstraat 26-28, Werkplaatsen 142-144, 150-152, Werkplaatsen 158-160, 174-176, Werkplaatsen 43-55, 65 (Lommel)
Status (deels) bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Lommel (geografische inventarisatie: 01-01-2005 - 31-12-2005).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Tuinwijk bij de Metaalfabrieken van Overpelt-Lommel

Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

In 1904 kwam de heden verdwenen fabriek van de "Société métallurgique de Lommel" tot stand door de Duitse gebroeders Schulte, op een aanvankelijk 300 hectare groot gebied bedekt met heide en bos, gelegen in een westelijke uithoek van de gemeente. De fabriek omvatte een afdeling voor het roosten van zinkertsen, een afdeling zwavelzuur, een afdeling zink voor het fabriceren van ruw zink, een Moffelfabriek, een wasserij voor het verrijken in lood en koper van de residuën van de zinkovens en een laboratorium. De directie, het kader en het administratief personeel waren tot de eerste Wereldoorlog vrijwel geheel afkomstig uit Duitsland. De arbeiders werden gerecruteerd uit de lokale bevolking.

In 1913, samensmelting met de oudere fabriek van Overpelt, onder de naam van Compagnie des Métaux d'Overpelt-Lommel. De latere benaming Metaalfabrieken van Overpelt-Lommel en Corphalie is te wijten aan de opslorping, in 1928, van de Société Métallurgique de Corphalie, een zinkfabriek gelegen te Corphalie bij Hoei. De fabriek in Lommel had een zeer goede infrastructuur. Er was het Kempens kanaal, een eigen los- en laadkade en met een eigen spoorlijn was de fabriek met het kanaal en het openbaar spoor Antwerpen - München Gladbach verbonden. In juli 1944, bombardement door de geallieerden. Behalve de modernisering van de installaties, bleef de fabriek praktisch ongewijzigd tot in 1957, jaar waarin de afdeling zwavelzuur werd stilgelegd, als gevolg van de oprichting te Overpelt van een moderne zwavelzuurfabriek. Ook de wasserij van Lommel werd opgedoekt. In 1969 waren nog enkel de zinkovens en de Moffelfabriek in werking. Omstreeks die tijd waren er vier ingenieurs, dertig bedienden en opzichters, alsook 310 arbeiders tewerkgesteld in de fabriek. Van bij de aanvang was ze gespecialiseerd in de bereiding van ruw zink. De verfijning of raffinage gebeurde in de moederfabriek in Overpelt. Op 1 juli 1969, fusie van de metaalfabrieken van Lommel en Overpelt met Hoboken tot de Metallurgie Hoboken-Overpelt. Twee dagen voor Kerstmis 1973 werden de laatste zinkovens in Lommel voor de laatste maal geladen en afgewerkt. De thermische zinkovens moesten plaats maken voor de zinkelectrolyse-afdeling in Overpelt. In 1974 werd de zinkfabriek van Lommel progressief afgebouwd, waarop ze definitief verdween.

In 1904-14, na de oprichting van de zinkfabriek, ontstond midden in de heide een tuinwijk, waarvan de kern werd gevormd door de veertig arbeiderswoningen, die tussen 1905 en 1909 werden gebouwd. Genoemde Société métallurgique reserveerde 10 % van het door haar verworven bedrijfsterrein van 300 hectare voor de bouw van een arbeiderscité. De fabriek probeerde een hyginische, overzichtelijke en economisch verantwoorde arbeiderswijk uit te bouwen met huizen van veel betere kwaliteit dan de 19de-eeuwse arbeiderswoningen. Het nieuwe dorp lag op nauwelijks één km ten zuiden van de fabriek, meestal buiten bereik van de luchtverontreiniging en de hinderlijke geuren van het bedrijf. Door de wijk liepen rechte straten, grotendeels zo georiënteerd, dat de woningen aan twee zijden door de zon werden beschenen en goed geventileerd konden worden. De afstand tussen de huizen aan weerszij van de straat bedroeg minimaal 12,5 meter. Daardoor werd de aanleg van voortuintjes mogelijk, wat aan de cité de aanblik van een tuinwijk gaf. Ieder losstaand of dubbel woonhuis had daarenboven een stukje grond waarop de arbeiders groenten konden telen voor eigen gebruik. Bij elk huis hoorde een waterput.

Uit de grootte en afwerking van elke woning kon men afleiden welke functie de bewoner in de fabriek had. Lommel-Werkplaatsen telde drie soorten arbeiderswoningen. Alle woningen hadden één bouwlaag en een zolderruimte over het gehele huis.

Het eerste type omvatte drie kamers, onder meer één opkamer, een keuken, een kelder, een washok, een toilet en stallen voor varkens en ander vee. Al deze vertrekken waren onder één dak verzameld. De woonoppervlakte van de keuken en de drie kamers bedroeg samen 47,8 m².

Bij het tweede type bestond het woonhuis eveneens uit drie kamers, een keuken en een kelder. De stal en het toilet stonden hier echter vrijwel los van het woonhuis, dat met de stal slechts door een muur was verbonden. De stalruimte was tevens niet meer onderverdeeld in een aparte ruimte voor de varkens en een andere voor het overige vee. De leefruimte was in deze arbeiderswoningen iets groter, namelijk 52,2 m² in het totaal. De huizen van dit tweede type werden twee aan twee aan elkaar gekoppeld. De beide woonhuizen en de stallen waren telkens onder één bedaking verenigd.

Het derde type geleek sterk op het eerste, doch met een grotere stal doorgetrokken over de hele diepte. De woonoppervlakte bedroeg in deze woningen 51,8 m². De arbeiderswoningen van het derde type waren eveneens twee aan twee onder één dak gekoppeld.

In 1909 omvatte de wijk 36 huizen van het eerste type en telkens twee dubbele woningen van het tweede en derde type. In 1909 telde de wijk 217 bewoners. In 1913 stonden er al vier woningen voor de fabrieksdirectie, dertien voor het kader, telkens losstaand en ruimer uitgebouwd, en tweenvijftig voor de arbeiders. Uiteindelijk werden honderdzestig woningen gebouwd, in een enkele en een dubbele rij, hetgeen resulteerde in een planmatig aangelegde wijk, zoals die later ook in de mijnstreek tot stand kwamen. De Dubbelrij, eertijds Hospitaallaan genoemd, dankt haar naam aan het feit dat aan weerszijden ervan woningen werden gebouwd, dit in tegenstelling tot de Enkelrij, de huidige Martinus Van Gurplaan. De zinkfabriek bouwde er verder nog een klein hospitaal met kapel van 1907, Dubbelrij 50. Datzelfde jaar werd ook een nieuwe school opgericht in een noodlokaal, dat kosteloos ter beschikking werd gesteld door de zinkfabriek. In 1910 werd de kerk gebouwd, daar de kapel te klein was geworden. In 1912 volgde een feestzaal-casino, circa 1970 afgebroken samen met de zinkfabriek. Deze feestzaal was in haar tijd de modernste zaal van de streek. Ook een nu verdwenen klooster van paters kapucijnen en twee schoolgebouwen kwamen tot stand. Alle gebouwen, buiten kerk en scholen, waren eigendom van de zinkfabriek.

Sinds 1910 vormde Lommel-Werkplaatsen samen met de al bestaande gehuchten Blauwe Kei en Stevensvennen ook een afzonderlijke parochie. De tuinwijk, met rechte stratenaanleg op een oppervlakte van 30 hectare, is de laatste decennia aangevuld met nieuwbouw, waaronder het Oven- en Kapucijnenplein. Onder meer hierdoor, alsook door de verkoop van de oorspronkelijke huurwoningen in de jaren 1970, na de sloop van de fabriek in 1974, is het aanvankelijk analoge uitzicht deels verloren gegaan.

De straatbeelden worden heden voornamelijk gemarkeerd door van sterk aangepaste, getoogde of rechthoekige muuropeningen voorziene of gerenoveerde, langgestrekte bakstenen arbeiderswoningen, enkelhuis- of dubbelhuisopstand, soms gekoppeld, doorgaans op gecementeerde plint, onder zadeldak (nok parallel aan de straat, mechanische pannen), afgelijnd met een rechte muizentand en soms voorzien van gecementeerde muurbanden: Dubbelrij nummers 7-9, 21-23, 22-24, 55, 57 (mogelijk oude kern), 61, 62, 67, 68, 69, 74, 75, 79, 80, 81, 82-84, 83-85, 86, 87, 88-90, 92; Martinus Van Gurplaan nummers 12, 22/ Brasemstraat, 28, 32, 34, 36, 40, 42, 44, 50/ Karperstraat, 54, 58/ Rietvoornstraat, 62/ Rietvoornstraat, 64, 66 (mogelijk oude kern), 68, 70; Rietvoornstraat nummer 5 en Kapucijnenplein 6.

De oorspronkelijke drie types zijn nu vrij moeilijk te onderscheiden door aanpassing van de muuropeningen en interne organisatie. Diverse omheiningen kwamen in de plaats van de oorspronkelijke hagen. In de huidige configuratie komen evenwel analoge, min of meer aangepaste schema's van arbeiderswoningen voor.

  • Beschermingsaanvraag Mariapark te Lommel Werkplaatsen, meegedeelde gegevens, Lommel, 2000, p. 5.
  • GEERTS F. e.a., Door het zand getekend. Bijgragen over landschap en verleden van de Kempense grensgemeente Lommel, uitgegeven naar aanleiding van de millenniumviering in 1990, Lommel, 1990, p. 205-206, 458-459, 462.
  • HENRIQUET M., La Campine industrielle, 2de uitgave, Brussel, circa 1925, p. 93-133.
  • INDEKEU B. & GEERTS F., Hoelang zal de tol nog draaien ? Mijmerend wandelen langs een 150-tal Lommelse ansichten uit het begin van deze eeuw, Publicaties van de vzw Museum Kempenland te Lommel 3, Lommel, 1987, p. 50-56, prentkaarten nummers 97-110.
  • LEBENS L., Les cités ouvrières de l'industrie métallurgique en Campine, in Annales des mines de Belgique 14, 1909, p. 369-372.
  • LEYSEN V. & INDEKEU B., Van teutendorp tot bruisende stad. Lommel in de voorbije twee eeuwen (1800-2000), Publicaties van de vzw Museum Kempenland te Lommel 18, Lommel, 2001, p. 135-136, 163-165, afbeeldingen
  • MENNEN V., Van Vriesput tot Klein Duitsland. Acht eeuwen Lommelse plaatsnamen, Publicaties van de vzw Museum Kempenland te Lommel 10, Lommel, 1992, p. 115, 330.
  • S.N., Te Lomelle op die Campine 9, 1983, p. 15-19.
  • S.N., Historiek Lommelse zinkfabriek 1904-1974, brochure uitgegeven naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling, Lommel, 1990.
  • S.N., Lommel en de industrie, De Tijdspiegel 24, 11-12, 1969 (speciaal Lommel-nummer), p. 174.
  • S.N., Volkswoningbouw. De tuinwijkgedachte. Internationaal - Nationaal -Provincie Limburg, Hasselt, 1982, p. 513-514, figuren.
  • VAN DOORSLAER B., Koolputterserfgoed. Een bovengrondse toekomst voor een ondergronds verleden, Hasselt, 2002, p. 67 (in verband met Limburgse voorlopers van de tuinwijken).
  • VANDUFFEL F., Industrialisatie en verandering: Lommel tussen 1890 en 1914, in Maaslandse monografieën 37, Assen, 1983, p. 121-122, 133-141, figuren 7-10, illustraties 25, 27-29.

Bron: Pauwels D. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Neerpelt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N2, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Pauwels, Dirk

Datum tekst: 2005

Relaties

maakt deel uit van Lommel

Lommel (Lommel)

omvat Alleenstaand burgerhuis

Werkplaatsen 65, Lommel (Limburg)

omvat Alleenstaande burgerhuizen

Brasemstraat 5-7, Dubbelrij 4-6, Lommel (Limburg)

omvat Arbeiderswoningen

Brasemstraat 6-8, Dubbelrij 27, 28, Martinus Van Gurplaan 30, Karperstraat 6, Lommel (Limburg)

omvat Hospitaal, klooster en kapel

Dubbelrij 50, Lommel (Limburg)

omvat Martinus Van Gurplaan

Martinus Van Gurplaan (Lommel)

omvat School

Dubbelrij 51, Lommel (Limburg)

omvat Tuinwijkwoningen

Dubbelrij 16-18, 17, 37, Karperstraat 5-7, 19, Werkplaatsen 43-45, 49-55, Lommel (Limburg)

omvat Tuinwijkwoningen, per twee gekoppeld

Dubbelrij 63-65, 64-66, 71-73, 76-78, Snoekstraat 26-28, Werkplaatsen 142-144, 150-152, 158-160, 174-176,...

omvat Twee gekoppelde arbeiderswoningen

Dubbelrij 10-12, Lommel (Limburg)

omvat Villa des Geraniums

Werkplaatsen 47, Lommel (Limburg)

is gerelateerd aan Tuinwijk Overpelt-Fabriek

Berkenlaan 11-43, Fabrieksstraat 115-143, 138, Haltstraat 1-27, Hospitaalstraat 1-15, 2-16, Hotelstraat...

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.