Deerlijk

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ plaats

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Deerlijk
Deelgemeente Deerlijk
Straat
Locatie Deerlijk (Deerlijk)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Deerlijk (geografische inventarisatie: 01-01-2007 - 31-12-2007).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

De gemeente Deeerlijk is gelegen in het zandige Leie-Scheldeinterfluvium, tussen de stedelijke agglomeraties van Kortrijk en Waregem. Het dorpscentrum ligt ten noorden van de Gaverbeek. De belangrijke tweede parochie, Sint-Lodewijk, ligt in het uiterste zuiden van de gemeente. Met de aanleg van de spoorweg in 1868 en de bouw van een station in 1892 ontstaat in het westen de Stationswijk. Met de bevolkingsexpansie in het midden van de 20ste eeuw ontwikkelt zich in het noordoosten van de gemeente de parochie Molenhoek. In het noordoosten van de gemeente, nabij de gemeente Vichte (Anzegem) situeert zich de wijk Belgiek.
Deerlijk wordt ontsloten door de E 17 autosnelweg en de N 36 van Roeselare naar Ronse. Het grondgebied wordt van west naar oost doorsneden door de spoorlijn Kortrijk-Brussel.

Fysisch-geografische gegevens

Het landschap is licht golvend, de hoogte varieert van ca. 14 m in de Gavervlakte tot bijna 50 m in het zuiden, nabij de overgang met het lemig Leie-Scheldeinterfluvium. Het grootste gedeelte van het grondgebied bevindt zich tussen de 15 en de 20 m hoogtelijnen.
Het grondgebied van Deerlijk kan opgesplitst worden in drie zones: het noordelijke gedeelte, tussen de grens met Desselgem - Beveren-Leie en de aloude weg van Kortrijk naar Gent, vormt een vrij vlakke strook (16-18 m hoogte) met vruchtbare zandleemgronden.
Vervolgens centraal in Deerlijk, van west naar oost, de alluviale vlakte van de Gaverbeek (als fossiele rivierloop van de Leie), met een zeer wisselend verloop. De breedte van de vallei varieert van 60 m tot plaatselijk 1000 m in de resterende depressie van de Gaverbeek. In deze schotelvormige depressie komen mergelhoudende gronden (moeraskalk) voor, waarrond enkele droge, zanderige verhevenheden.
De zuidelijke helft van de gemeente tenslotte is hoger gelegen, van 40 m in Sint-Lodewijk tot 52 m op de grens Deerlijk - Zwevegem. De bodem bestaat voornamelijk uit klei- en lemige zandgronden, waarbij de profielen lichter worden naar het zuidoosten toe.
De bodemgesteldheid speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van Deerlijk tot een parochie. Twee grote boskernen, gescheiden door de Gavervlakte, bedekten Deerlijk. In het noorden, vanaf de Hoog- en Waregemstraat over Beveren-Leie en Desselgem, het dichte Methala- of Medelewoud en ten zuiden van de Gavervlakte, het kleinere Feretwoud. In het grensgebied met Harelbeke (Stasegem) blijft de vochtige depressie van de Gaverbeek lange tijd bewaard als een opvallend groot en ongepercelleerd graslandareaal.
Het gebied wordt doorsneden door verschillende waterlopen, waarvan de Gaverbeek de voornaamste is. Andere waterlopen zijn de Alfortbeek, Veemeersbeek, Slijpbeek, Wijmelbeek en de Kasselrijbeek. De Biesgrachtbeek vormt de grens met Beveren-Leie (Waregem) en de Kasselrijbeek vormt de oostelijke grens met Vichte (Anzegem).

HISTORISCHE INLEIDING

Oudste geschiedenis en bewoning

De oudste sporen van menselijke nederzettingen werden aangetroffen in het waterrijke gebied van de Gavervlakte. Zowel in Deerlijk (zowat 1100 m ten zuiden van de Sint-Columbakerk; op de rand van de Gaverbeekvallei) als in Harelbeke werden ruim 2000 voorwerpen van vuursteen, waaronder een tweehonderdtal werktuigen (bijl, schrabbers en stekers) gevonden van jagers en voedselverzamelaars uit het late oud steentijdperk, meer bepaald uit de zogenaamde Tjongercultuur (ca. 9 000 v. Chr.).
Verschillende vondsten, zoals fragmenten van een gepolijste bijl- en pijlpunten op een site aan de Stationsstraat, wijzen ook op menselijke bewoning tijdens het Neolithicum of nieuw steentijdperk (ca. 3 000-2 000 v. Chr.). Ook nu concentreren alle vondsten zich rond de depressie van de Gaverbeek, wat het belang van dit gebied eens te meer benadrukt.
Voorlopig ontbreken op Deerlijks grondgebied sporen uit de bronstijd en de ijzertijd, alhoewel er vermoedelijk ook in die tijd bewoning was. De vele vondsten in de omliggende gemeenten wijzen in die richting.

Opgravingen op de terreinen van de Rijksbasisschool (1974), aan de Sint-Columbakerk (1977), het rustoord (1978) en op de terreinen van de voormalige ververij Ovelacq (1997) leveren voldoende bewijsmateriaal, zoals dakpannen, aardewerk en fragmenten van handmaalstenen en vuurbokken, voor de aanwezigheid van een Gallo-Romeinse nederzetting (2de-3de eeuw) in het centrum van Deerlijk, gelegen tussen de kerk en de Kapel ter Ruste.
Een schat van ca. 45 munten, in 1848 gevonden op de wijk Belgiek, zou kunnen wijzen op het bestaan van een laat-Romeinse of Merovingische nederzetting (4de eeuw). Ten gevolge van de invallen van Germaanse stammen zijn vondsten uit deze periode in onze streken vrij zeldzaam.

Middeleeuwen - feodale structuren en dorpsheren

Op de zandrug tussen het Medelewoud en de Gaverdepressie loopt de aloude weg van Kortrijk naar Gent via Waregem, d.i. de huidige Kortrijkse Heerweg en de Hoog- en Waregemstraat. Op de hoger gelegen droge kouters rond deze weg is ten laatste in de 10de eeuw de nederzetting "Derlike" ontstaan. Het Deerlijkse dorpscentrum zal zich in de daaropvolgende eeuwen ontwikkelen rond de dries van de heerlijkheid Assche, gelegen tussen het "Fruithof", de verdwenen omwalde hofstede van deze heerlijkheid en de kerk (cf. 17de-eeuwse kaart in renteboek van de heerlijkheid Noord-Assche). Dat het centrum zich rond deze dries ontwikkelt en niet rond de dries van de dorpsheerlijkheid, duidt meteen het belang aan van de heerlijkheid Assche.

Deerlijk is van oudsher een landbouwgemeente. In 964 schenkt Arnulf de Grote, graaf van Vlaanderen, de Gentse Sint-Pietersabdij grote gebieden uit zijn domein, het Medelewoud, het Sauselebos en een deel van het Feretwoud. Die schenking wordt in 994 door de Franse koning Lotharius bevestigd. De abdij laat in de volgende eeuwen het Medelewoud systematisch ontginnen en in cultuur brengen. Dit geeft aanleiding tot het ontstaan van heel wat omwalde hoeven, van waaruit de ontginning van de parochie doeltreffend wordt georganiseerd. De Gaverbeek vormt de ontginningsgrens.
Pas na enkele jaren dienen de 'pachters' heerlijke renten te betalen, zodat ze de kans krijgen een rendabele herenboerderij uit te bouwen. Sommige van deze boerderijen zullen zich ontwikkelen tot een autonome heerlijkheid.
Te vermelden zijn de nu nog bestaande, maar sterk verbouwde hoeves "het Goed Scaecx te Bruyelstraete" (Desselgemstraat nr. 141) en "het Goed ten Bruyele" (Desselgemstraat nr. 44).
Het Feretwoud deelt niet in deze ontginningsfase en wordt terug in het bezit genomen door de graaf van Vlaanderen, en wordt pas later ontgonnen.

De oudste vermelding van Deerlijk - Derlike - dateert van 1070. Ze is ons echter enkel bekend in een afschrift van het einde van de 13de eeuw. De volgende vermelding - Tresleca - dateert uit 1100. Volgens M. Gysseling is de naam Deerlijk een Gallo-Romeinse nederzettingsnaam, afgeleid van de persoonsnaam Trasilos - 'de energieke'. Deerlijk zou dan nederzetting toebehorend aan Trasilos betekenen. Andere schrijfwijzen zijn Terlecha (1177), Treleche (1190), Trel(l)eke (1191) en Terlecca (1207).

De heerlijkheid Deerlijk wordt in leen gehouden door de heerlijkheid Meinaartstichele in Wakken, die op haar beurt resorteert onder het leenhof van Ingelmunster. De dorpsheerlijkheid heeft de middelbare justitie en speelt in Deerlijk een minder belangrijke rol. De heerlijkheid situeert zich grosso modo rond de huidige Hoog-, R. Declercqstraat en het Kerkplein. De 'Vierschaer' is gelegen in de Hoogstraat ter hoogte van de huidige nrs. 108-110.
Volgens 17de- en 18de-eeuwse bronnen bedraagt het foncier ca. vier bunders en zijn de inkomsten van heerlijke renten zeer bescheiden. De heerlijkheid heeft geen achterlenen; wel is ze versmolten met een andere kleine heerlijkheid, 'de Huttenbos', die van hetzelfde leenhof gehouden wordt als Deerlijk. Het foncier bedraagt nauwelijks één bunder vierhonderd roeden en ook zij heeft de middelbare justitie.
De heerlijkheid van Deerlijk ontleent haar belang voornamelijk aan het feit dat de kerk op haar grondgebied staat, wat de schepenen van de heerlijkheid het recht geeft de parochie als administratieve eenheid te besturen. In 1369 wordt Deerlijk waarschijnlijk gekocht door Jan van Haerlebeke, heer van Lembeke en Wakken. Na hem is Jan Uuten Zwane eigenaar.
Van het begin van de 14de eeuw tot 1628 is de heerlijkheid in het bezit van de familie de Costere. Hun familiewapen wordt in 1937 als gemeentewapen erkend: wit met een rode keper, vergezeld van tien rode blokjes, zes bovenaan zoomsgewijze geplaatst en vier onderaan, 1, 2 en 1 geplaatst.
Op 10 februari 1628 schenkt Jan Dovyn, achterkleinzoon van Adriaen de Costere de heerlijkheid aan R. van den Bossche. De schenking wordt echter betwist en de heerlijkheid komt tenslotte in handen van Simon de Lamotte, heer van Baraffle.
Tot in de 17de eeuw verbleven de heren van Deerlijk niet op de heerlijkheid zelf en heeft Deerlijk geen kasteel of herenhoeve. De familie Lamotte zijn de eerste heren van Deerlijk die een woning oprichten te Deerlijk om er al dan niet continue te verblijven. In 1683 wordt volgens archivalische gegevens de woning van Simon de Lamotte door plunderende Franse soldaten verwoest. 18de-eeuwse documenten situeren en beschrijven een "Casteel" en in het landboek van Deerlijk (1747) wordt het "Casteel" afgebeeld. De bakstenen gebouwen met toren zijn gegroepeerd rondom een binnenkoer. Het kasteel is gelegen in de Hoogstraat ter hoogte van de huidige nrs. 70-74.
Wegens schulden van de familie de Lamotte wordt de heerlijkheid in 1715 publiek verkocht door de Raad van Vlaanderen. De nieuwe eigenaar wordt Filips-Willem de Cassina, graaf van Wonsheim en baron van Boelare. Het 'Oude Casteel' wordt herberg en logementshuis en vergaderplaats voor de schepenen van de heerlijkheid. In 1774 gaat Deerlijk, opnieuw na een publieke verkoop, over in de handen van Robert-Jan de Moerman de Harelbeke. Enkele jaren later, in 1786, wordt Karel-Frans van Lichtervelde, gehuwd met een lid van de familie de Cassina, als heer van Deerlijk genoemd.
Als gevolg van de Franse Revolutie en de bezetting van ons land door de Fransen (1794-1815) worden de adelijke titels en feodale rechten afgeschaft, alsook de bestuurlijke bevoegdheden, die voortaan aan een college van burgemeester en schepenen worden toevertrouwd.

In werkelijkheid is de heerlijkheid Assche, rekening houdend met de bestuursrechten in de ganse parochie, veel belangrijker. De heerlijkheid wordt in leen gehouden van het kasteel van Kortrijk en strekt zich ook buiten Deerlijk uit over verscheidene andere parochies. De heerlijkheid lag binnen de roede van Harelbeke, onderdeel van de Kasselrij Kortrijk. Het foncier zelf bestond uit het z.g. "Fruithof", waar de voormalige herenhoeve en de 'Vierschaer' zich bevonden en een bosrijk gebied "'t Haerlebeckhoudt", wellicht het jachtgebied van de heren. Van het leenhof Assche hangen 21 achterlenen af. Het leen wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van 1350. De oudst gekende eigenaar is Jan I van Grimbergen, heer van Assche. Hij sterft in 1388.
In 1417 verkoopt Willem van Grimbergen de heerlijkheid aan Jan I van Kethulle (1361-1433), lid van de Raad van Staten. In 1524, na de dood van Jan III van Kethulle, wordt één derde van Assche van de rest afgesplitst; het krijgt de naam Noord-Assche. De resterende twee derden blijven gekend onder de naam Assche.
De heren van Assche resideren niet op de heerlijkheid zelf, maar verblijven meestal in stad. De woning wordt waarschijnlijk gebruikt als buitenplaats of doet mogelijk dienst als woonplaats van de baljuw. Archeologische opgravingen in 1978-1979 leggen een uitgestrekt grachtenstelsel bloot. Aardewerk toont aan dat de grachten in de 14de eeuw gegraven werden of zelfs reeds bestonden. Bakstenen en dakpannen wijzen op de aanwezigheid van een woonhuis, vermoedelijk gelegen op een mote. Het opperhof van de herenhoeve van de heren van Assche werd vermoedelijk omstreeks 1350 gebouwd en verlaten ca. 1550.
Op de kaart van het renteboek van de heerlijkheid Noord-Assche (1625) wordt enkel de pachthoeve met drieledige omwalling afgebeeld. De gebouwen op het opperhof of mote zijn al verdwenen. In de 18de eeuw is ook de hoeve verdwenen.

Bij de opsplitsing van de heerlijkheid in 1524 wordt ook de Dries verdeeld: de 'Vierschaer' van Assche stond op de driehoekige dries (waar nu de Pont-, Kapel ter Ruste-, R. Declercq- en Ververijstraat samenkomen), deze van Noord-Assche bevond zich op het Dammeke voor het huidige rustoord.
In 1707 worden beide heerlijkheden door de familie de Kethulle verkocht aan Filips-Willem de Cassina die acht jaar later ook de heerlijkheid Deerlijk opkoopt. Assche en Deerlijk blijven vanaf dan, tot het einde van het ancien régime, in het bezit van dezelfde heer.

Deerlijk kent een vrij complexe feodale structuur met een veertigtal heerlijkheden en lenen. Naast de twee voornoemde kennen we onder meer nog het leenhof van Sint-Pieters, beheerd vanuit het Desselgemse Munkenhof en de hele grensstrook van Deerlijk met Beveren-Leie besloeg. Onder meer de belangrijke heerlijkheden "Scaecx" en "ten Bruyele" hingen er van af.

De belangrijkste heerlijkheden ontwikkelen zich in de 13de en 14de eeuw, na de ontginning van het Medelewoud en situeren zich rond de huidige Gavers. De meeste hoeves worden bewoond door belangrijke adelijke families. Meestal ging het om een opper- en neerhofconstructie binnen een dubbele omwalling. De eigenaar woont op het opperhof, vaak in een stenen huis (cf. archeologische opgravingen). Op het neerhof stonden de bedrijfsgebouwen en de woning van de boer. In een latere fase worden deze belangrijke hoeves uitgebaat als pachthoeve. Voorbeelden zijn de heden verbouwde hoeves het "Goed te Gavere" (Theo Nuyttenslaan nr. 21) en het "Goed ter Boucken" (Waregemstraat nr. 286).

De oudste vermelding van een kerk te Deerlijk dateert van 1119; zij is dan in het bezit van de bisschop van Doornik. Het patronaat over de parochiekerk hoort toe aan het O.-L.-Vrouwekapittel van Doornik. De rest van de tienden komen toe aan het Harelbeekse Sint-Salvatorkapittel, dat in Deerlijk ook de belangrijkste tiendheffer is, en de pastoor van Deerlijk. In de tweede helft van de 12de eeuw wordt een driebeukige Romaanse kruiskerk met vieringstoren en recht afgesloten koor gebouwd. Van deze kerk rest nog de onderbouw van de toren, heden geïntegreerd in de zuidelijke zijbeuk.

16de, 17de en 18de eeuw

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tussen de hoofdzakelijk protestantse Noordelijke Nederlanden en het katholieke Spanje leidt tot de ontvolking van het platteland. Heel Vlaanderen lijdt onder de gevechten en de rondtrekkende troepen.
De Deerlijknaren zullen de groeiende spanning die de militaire strijd vooraf ging, gevoeld hebben want Willem de Kethule, heer van Assche was één van de stichters van de Gentse Calvinistische Republiek.
In maart 1578 overspoelen de Gentse volksmilities Zuid-West-Vlaanderen en vestigen te Kortrijk een calvinistisch gezind bestuur. In 1580 wordt Kortrijk opnieuw ingenomen door de malcontenten. In 1581 probeert het Gentse leger onder leiding van de heer van Assche, de in 1580 verloren stad Doornik terug te nemen. Zowel in de opmars als in de aftocht zullen de troepen zich bevoorraad hebben in Deerlijk. In deze oorlogsperiode wordt in Deerlijk in 1586 slechts 10% van het zaailand bewerkt en is het bevolkingsaantal teruggelopen tot 19% van het aantal inwoners in 1572. In 1592 is nog steeds maar 27% van het akkerland bewerkt en staat het bevolkingsaantal op 50% van voor de crisis. In deze periode wordt ook de kerk zwaar beschadigd. Na het Twaalfjarig Bestand in 1609 wordt gestart met de wederopbouw van de gemeente. Bij herstellingswerken in de 17de eeuw wordt de kerk verkleind tot een tweebeukige kerk.

Volgens de Twintigste-Penningkohier van 1572 vindt men de grote pachthoeven voornamelijk in het noorden van de parochie. In het zuiden situeren zich meerdere kleine bedrijven die meestal door de eigenaar zelf beheerd worden. Deze hoeves zijn gemiddeld 5 ha groot.
In de 16de eeuw ontwikkelt zich in Deerlijk de vlasnijverheid, zoals in tal van andere Zuid-West-Vlaamse dorpen, als ambachtelijke huisnijverheid. De bloei van de vlasnijverheid leidt in de 18de eeuw tot de oprichting van verschillende spin- en kantscholen. Volgens de ambachtstelling van 1739 telde Deerlijk 190 beroepswevers, 89 knechten en 42 leerlingen.

In het midden van de 17de eeuw worden twee nieuwe kapelanieën gesticht. Dit was een door de kerk erkende stichting, waarvoor de stichter een beneficie ter beschikking stelt van een bedienaar (beneficant). De bedienaar dient in ruil voor het genot van deze bijdrage welomschreven prestaties te leveren in een bepaalde kerk of kapel. Deze prestaties bestonden meestal uit het opdragen van een aantal missen. De beneficant behoorde niet noodzakelijk tot de plaatselijke parochiegeestelijkheid. De stichting van kapelanieën, één van de opvallende uitingen van devotie, was vooral tijdens de 14de en 15de eeuw populair in het bisdom Doornik. Na de 15de eeuw nemen dergelijke nieuwe stichtingen af, hoewel ze tot het einde van de 18de eeuw voorkomen. Dit is onder meer het geval in Deerlijk waar in 1641 en 1666 respectievelijk de kapelanie van O.-L.-Vrouw ter Ruste en die van de Pladijshoek (Sint-Lodewijk, cf. Kapelstraat) gesticht worden. Laatstgenoemde wordt opgericht ter ere van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen en wordt op de Ferrariskaart vermeld als "Chapelle de Keyselberghe". In 1774 wordt de kapel sterk uitgebreid. De tot op heden bestaande kapel ter Ruste werd beschermd als monument bij M.B. van 27 april 2005.

Ook tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) heeft de Deerlijkse bevolking zwaar te lijden onder de rondtrekkende en muitende troepen die oogsten en hoeves vernietigen.

In het begin van de 18de eeuw, tijdens het Oostenrijkse bewind (1712-1792/94) kent Deerlijk een periode van herstel en relatieve welvaart. In 1748 slagen de diplomaten van Maria-Theresia erin om van Frankrijk een bondgenoot te maken en de douanetarieven van 1769 en 1779 betekenen een ware stimulans voor de Kortrijkse linnenindustrie, die traditioneel op de Franse markt was afgestemd. In Deerlijk wordt voornamelijk grof linnen geproduceerd. De toenemende welvaart uit zich onder meer in de verhoogde bouwactiviteit. In 1774-1776 wordt het huidige classicistische kerkgebouw opgetrokken onder leiding van de befaamde architect Laurent-Benoît Dewez. De kerk werd beschermd bij K.B. van 6 mei 1985. In de kerk bevindt zich het kunsthistorisch belangrijke Sint-Columbaretabel, dat gesneden zou zijn in opdracht van Jan de Costere en omstreeks 1535 gedateerd wordt. Dit retabel behoorde oorspronkelijk tot de Sint-Columbakapel die tot 1774 ten noorden van de kerk stond en bij de uitbreiding van de Sint-Columbakerk wordt afgebroken. De eerste vermelding dateert van 1440.
In 1755 wordt tevens een nieuwe pastorie opgetrokken in de Pontstraat.
In 1737 wordt op de gronden, binnen de bestaande grachten van de herenhoeve van de heerlijkheid Assche, een school opgericht door Josephe Courtens. Na zijn dood in 1767 sluit de school haar deuren. Andere bronnen vermelden dat de school verder werd bestuurd door Petrus Glorieux, die de school in 1790 aankoopt. In 1792 komt zijn neef Jan Jozef Renier bij hem inwonen en opent de eerste Franse school van Deerlijk. Hier wordt in 1795 dichter en onderwijzer Pieter Jan Renier geboren. In 1798 verlaat J.J. Renier de school en gaat lesgeven in Wakken.
Andere schooltjes in de 18de eeuw waren vooral spin- en leerscholen.

Op het einde van de 18de eeuw, wanneer Frankrijk de oorlog verklaart aan Oostenrijk, slaan Duitse troepen in 1792 in het zuiden van de gemeente, aan de Olieberg en de Brandemolen, hun kampen op. Ook in het centrum van de gemeente worden soldaten ingekwartierd. De troepen brengen heel wat vernielingen aan. Ook later zullen de inwoners van Deerlijk nog tegemoet moeten komen aan verschillende opeisingen.

Vanaf 1794 maakt België deel uit van de Franse Republiek en wordt ons land ingedeeld in departementen. Hierbij worden de kasselrijen en heerlijkheden afgeschaft. De bedehuizen worden gesloten of omgevormd. Ook de parochiekerk van Deerlijk, de kapel Ter Ruste en de kapel op de Pladijshoek (huidige Sint-Lodewijkparohie) worden gesloten. Na het concordaat van 1801 worden de parochiekerk en de kapel van de Pladijshoek opnieuw geopend. De kapel ter Ruste blijft dicht en wordt in 1819 verbouwd tot spinschool.
Het concordaat heeft tevens tot gevolg dat Deerlijk kerkelijk vanaf dan tot het bisdom Gent behoort en vanaf 1834 tot het bisdom Brugge.

19de en 20ste eeuw

Omstreeks 1815-1830 kent de linnennijverheid een sterke achteruitgang ten gevolge van de afnemende afzetmarkten en goedkoper machinaal vervaardigd textiel uit Engeland. De crisis bereikt haar hoogtepunt tussen 1840 en 1850.
In 1843 wordt een industrieel comité opgericht dat gezwingeld vlas aankoopt en het beschikbaar stelt voor arme gezinnen die het tot garen of lijnwaad verwerken. In 1847-1848 wordt Deerlijk getroffen door de hongersnood en een tyfus-epidemie ten gevolge van de mislukte aardappel- en graanoogsten. Om het hoofd te bieden aan deze crisis tracht men het economische leven te stimuleren door de oprichting van leerscholen. In Deerlijk wordt de eerste kantwerkschool, onder impuls van pastoor Keuse, opgericht in 1840. In 1846 bestonden er reeds vier kantwerkscholen. Deze scholen verdwenen na 1850.
In 1848 wordt het eerste leerwerkhuis voor wevers geopend, gelokaliseerd in de Kapel ter Ruste. Dit werkhuis geeft de industriëlen de gelegenheid leerlingen te vormen die later in de huisarbeid worden tewerkgesteld. Naast het bijbrengen van de modernste weeftechnieken (o.a. vliegend schietpoel) introduceert de fabrikant eveneens het mechanisch garen en het werk op bestelling opdat de wever in zijn productie geleid zou worden door de behoeften van de consument. Op termijn leidt dit mede tot de reconversie van de textielnijverheid in Deerlijk. Tal van wevers zien het nut in van deze nieuwe productieorganisatie en brengen veranderingen aan hun oude weefstoelen aan. Het atelier kent zo een bijval dat vrij spoedig wordt overgegaan tot het bouwen van een nieuw lokaal in de Harelbekestraat, dat geopend wordt in 1853.
Met het z.g. "travail à la façon" wordt een nieuwe verstrengeling tussen landbouw en linnennijverheid gevonden. De wever werkt thuis als loonarbeider in dienst van de ondernemer en krijgt van deze laatste eenvormig machinaal garen en aanwijzingen hoe hij dit garen moet verwerken. Aangezien het gezin aan zijn totaalinkomen komt door inkomsten uit de landbouw, is de fabrikant in staat de loonkosten enorm te drukken en bijgevolg zijn winsten te maximaliseren.
Aangetrokken door die goedkope arbeidskrachten, richt de firma Descamps-Ovelacq uit Roubaix in 1853 (andere bronnen vermelden 1851) een dochterfabriek op in Deerlijk. Vervolgens sticht de de familie Ovelacq in 1854 een ververij in de Harelbekestraat. Het bedrijf voorziet de Deerlijkse huisbedrijfjes van geverfd wolgaren dat door hen gesponnen en geweven wordt. De weefsels die zij laten vervaardigen z.g. "articles de Roubaix" zijn licht en uiterst geschikt voor vrouwelijke arbeidskrachten. Vele meisjes laten het kantklossen varen en schakelen over op het weven. Door de technische onvolmaaktheid van het mechanische lijnwaadweven, de aanzienlijke kostenbesparing in gebouwen, weefgetouwen en loon, blijft men aanvankelijk vasthouden aan de traditionele thuisproductie.
Pas in 1875 wordt door de familie Ovelacq de eerste mechanische weverij opgericht in de tuin van hun woning gelegen in de Hoogstraat (nr. 130-136). De fabriek verschaft werk aan 300 wevers.
De huisnijverheid blijft tot Eerste Wereldoorlog een belangrijk element in de Deerlijke economie. Volgens de nijverheidstelling zijn er in 1910 nog maar vier mechanische katoenweverijen.

In de tweede helft van de 19de eeuw wordt de economische ontsluiting van Deerlijk gestimuleerd door nieuwe infrastructuurwerken zoals het uitbreiden en verbeteren van het wegennet. In 1847 wordt Deerlijk via een steenweg verbonden met het station van Harelbeke. In 1856 wordt de Vichtesteenweg aangelegd als onderdeel van de verbindingsweg Harelbeke-Kerkhove. In 1872 worden de Pladijs- en Stationsstraat aangelegd en wordt ook de in 1855 opgerichte Sint-Lodewijkparochie verbonden met het dorpscentrum.
De spoorverbinding Kortrijk-Oudenaarde, geopend in 1868, die het grondgebied van Deerlijk van west naar oost doorkruist, leidt tot de oprichting van een station in 1892. Het station wordt in 1984 gesloten. De aanleg van de spoorlijn en de bouw van het station leiden tot het ontstaan van een nieuw gehucht.
In 1912 doet de tramlijn Kortrijk-Vichte Deerlijk aan; deze verbinding wordt in 1957 afgeschaft.

In de loop der eeuwen hebben er minstens vijftien molens gestaan op het grondgebied van Deerlijk. Slechts één molen heeft de tand des tijds overleefd. De beschermde windmolen Ter Geest en Ter Zande wordt in 1888 opgetrokken aan de Waregemstraat nadat de 18de-eeuwse oliemolen door brand vernield was.

Vanaf 1832-1833 ontwikkelt zich in het gehucht Pladijshoek een afscheidingsbeweging, met als doel een zelfstandige gemeente te worden. Hoewel dit opzet mislukt, wordt Sint-Lodewijk in 1855 tot zelfstandige parochie verheven. De nieuwe parochiekerk, ontworpen door P.N. Croquison, wordt ingewijd op 23 september 1869. De meer zuidelijk gelegen 17de-eeuwse kapel wordt afgebroken.

In de eerste helft van de 19de zijn er verschillende schooltjes in Deerlijk. De kostschool van Pieter Jan Renier was veruit de meest vooraanstaande. De school z.g. "pensionnat de Deerlijk", werd in 1811 gesticht als gemeenteschool maar werd in 1842 omgevormd tot privé-instelling. Volgens de ene bron was de school gevestigd in de Schoolstraat en volgens een andere bron was ze gevestigd in de Hoogstraat in het voormalige 'kasteel van Deerlijk' of schepenhuis. In 1823 worden de gebouwen te klein en worden aan het huidige Kerkplein nieuwe gebouwen opgericht. In 1826 koopt P.J. Renier de gronden aan, waar zijn geboortehuis gevestigd was en waar de voormalige herenhoeve van de heren van Assche was gesitueerd. Daar opent zijn broer, Ferdinand Renier, een meisjesschool. In 1832 laat Pieter Jan Renier een nieuwe jongensschool bouwen aan het huidige Dammeke (nrs. 2-8 ) en de René Declercqstraat (nrs. 11, 17-19), waarbij hij het oude schepenhuis van de heerlijkheid Noord-Assche integreert.

In 1821 wordt in de Kapel ter Ruste een spin- en leerschool voor armen ondergebracht, waarbij de kapel wordt verbouwd door architect Vancaeneghem (Brugge). Een tweede spin- en leerschool was gevestigd in de Schoolstraat.

Ten gevolge van de wet op het lager onderwijs van 1842 worden er vijf scholen aangenomen en worden enkele nieuwe scholen opgericht. In 1851 wordt een gemengde gemeenteschool opgericht in de Schoolstraat. De school wordt in 1855 gesplitst in een jongens- en meisjesschool. Vanaf 1876 staan de Zusters van Sint-Vincentius à Paulo met moederklooster te Gits (Hooglede) in voor het onderwijs van de meisjes en vestigen zich in de Nieuwstraat. Ten gevolge van de schoolstrijd (1879-1884) verlaten zij de gemeentelijke school en richten een vrije school op naast de bestaande gemeentelijke school. Later wordt de gemeentelijke school opgeslokt door de vrije school.
In de loop van de 19de en 20ste eeuw richt de congregatie nog wijkschooltjes op onder meer in de wijk Belgiek (1892).
In 1879 wordt tevens een vrije jongensschool opgericht. Enkele jaren later, in 1888 zal zij fuseren met de gemeentelijke jongensschool. De jongensschool verhuist in 1936 naar een nieuw schoolgebouw aan de huidige Sint-Amandusstraat. Tenslotte wordt op 1 september 1963 een rijksbasisschool geopend op de Dries.

In 1840 wordt in de Hoogstraat priester Hugo Verriest geboren.
In 1877 wordt dichter René Declercq geboren in de huidige huidige René Declercqstraat. Deze woning werd beschermd op 27 september 1979. In 1914, bij de inval van de Duitsers, emigreert hij met zijn gezin naar Nederland. Hij wordt er leraar aan de Belgische school in Amsterdam en redacteur van "De Vlaamsche Stem". Door zijn vlaamsgezinde artikels wordt hij als leraar ontslagen in 1915. In 1917 keert hij naar Vlaanderen terug als conservator van het Wiertzmuseum te Brussel en wordt lid van de Raad van Vlaanderen onder Duits bewind. Na de oorlog wordt hij wegens zijn activisme, door het Belgische gerecht in 1920 bij verstek ter dood veroordeeld. Hij wijkt uit naar Nederland waar hij tot zijn dood in 1932 in ballingschap leeft. René Declercq wordt begraven op het kerkhof van Lage Vuursche in Maartensdijk bij Utrecht. In 1982 worden zijn stoffelijke resten en grafmonument overgebracht naar zijn geboorteplaats Deerlijk. Zijn grafmonument is nu gelegen ten zuidoosten van de parochiekerk.
Méér dan 150 componisten uit Vlaanderen en Nederland hebben gedichten van R. Declercq op muziek gezet. Hij is na Guido Gezelle wellicht de meest verklankte dichter van Vlaanderen.

Op het einde van de 19de eeuw wordt de hoeve z.g. "ter Plancken" door de familie Vercruysse de Solart verbouwd tot buitenplaats, het z.g. "Gaverkasteel". Deze familie speelt in de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw een belangrijke rol in het sociale, culturele en politieke leven van Deerlijk. Vooral industrieel en senator Astère Vercruysse de Solart (1834-1921) was een belangrijk figuur die onder meer in 1902 de Kapel ter Ruste laat schilderen en een nieuw brandglasraam laat plaatsen.

Op 22 augustus 1914 bereiken de eerste Uhlanen onder leiding van graaf von Schwerin Deerlijk vanuit Vichte. Na een eerste treffen op 8 september, gevolgd door een tweede incident op 10 september volgen represailles van de Duitsers: drie hoeven worden in brand gestoken en één burger laat het leven. Duitse officieren nemen hun intrek in het Gaverkasteel. Op 20 oktober 1918 wordt de wijk Sint-Lodewijk beschoten door terugtrekkende Duitse troepen. De kerk wordt hierbij ernstig beschadigd.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog worden de laatste restanten van het middeleeuwse Feretwoud gerooid, namelijk het "'t Harelbeckhoudt" cf. renteboek van 1625 en de Ferrariskaart (1770-1778).

Na de Eerste Wereldoorlog groeit Deerlijk uit tot een belangrijke textielgemeente, zoals blijkt uit de nijverheidstelling van 1937. Het dorp telt dan onder meer elf katoenweverijen, twee fluweelweverijen en zes linnenweverijen. Langs de belangrijkste wegen worden verschillende mechanische weverijen opgericht en worden bestaande fabrieken verder uitgebreid.
Naast de textielfabrieken wordt in 1926 de kaderfabriek Deknudt opgericht. Deze fabriek onwikkelt zich later tot één van de belangrijkste in België. In de jaren 1950 ontstaan uit deze fabriek de gelijknamige spiegelfabriek en lusterfabriek.

Bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog bereiken de eerste Duitse troepen Deerlijk op 23 mei 1940. Op 5 september 1944 worden Engelse verkenners gesignaleerd in het dorp. De Duitsers geven zich echter nog niet gewonnen en pas op 7 september, na beschietingen vanuit Zwevegem, kunnen Engelse soldaten Deerlijk definitief bevrijden.

Tot na de tweede Wereldoorlog waren de meeste straten gekasseid met uitzondering van de hoofdstraten zoals o.m. de Vichtesteenweg en Desselgemsesteenweg, die reeds gebetonneerd waren.

Vanaf het einde van de jaren 1950 worden talrijke verkavelingswijken gebouwd in de gemeente. De eerste sociale woonwijk wordt reeds in het begin van de jaren 1950 opgetrokken aan de Waregemstraat. De S.V. 'Mijn Huis' uit Harelbeke speelt een voorname rol bij de ontwikkeling van deze wijken, o.a. de "Vogelwijk" uit het begin van de jaren 1970 en de "Koningswijk" (een honderdtal sociale woningen) in het noorden van de gemeente. In 1976-1981 worden nog een honderdtal sociale woningen en een vijftig tal privé-woningen gebouwd. De meest recente verkavelingen zijn Roelskouter, Meynaertkouter, Disstraat, Heulselaan, Poekelaan, Ketsersstraat, Baljuwstraat, Kruispuntstraat en Paterstraat.

Aan de Stationsstraat wordt omstreeks 1960 een kapel, toegewijd aan Sint-Jozef, gebouwd naar een ontwerp van architect Jerôme Haerinck. In de wijk Molenhoek wordt in 1963 een moderne zaalkerk opgetrokken naar de plannen van architect Chris Vastesaegher (Brugge).

Begin jaren 1970 wordt de eerste grote industriezone geopend tussen de Breestraat en Nieuwenhove en die in 1982 wordt uitgebreid door de Intercommunale Leiedal tot de industriezone Deerlijk-Waregem. Van de 45 ha zijn er 22 ha op Deerlijks grondgebied gelegen. De textielindustrie neemt hier de belangrijkste plaats in. In 1989 wordt de industriezone Ter Donkt ingericht tussen de N 36, Pontstraat, E 17 en de Stationsstraat.

In 1970-1972 wordt de toenmalige E 3, de huidige E 17-autosnelweg aangelegd. Hiervoor wordt op het grondgebied van Harelbeke (Stasegem) een grote zandwinning gerealiseerd, thans het Provinciaal Natuur- en Recreatiedomein De Gavers. Als gevolg hiervan wijzigt het afstromingsgebied van de Gaverbeek. Om het dorpscentrum te ontlasten van doorgaand verkeer wordt in 1982-1984 de Ringweg (N 36) aangelegd.

RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BOUWKUNDIG ERFGOED

De huidige dorpskern situeert zich rond het Kerkplein met de beschermde parochiekerk Sint-Columba en aansluitend de Hoogstraat, de Harelbekestraat, de Schoolstraat, de René Declercqstraat, Dammeke, Ververijstraat en Waregemstraat. Verspreid over het grondgebied vindt men verscheidene historisch gegroeide gehuchten.

Bij de aanvang van de 17de eeuw heeft het dorpcentrum zich ontwikkeld rond de Hoogstraat, de Harelbekestraat en het Kerkplein, dat leidt naar het Dammeke (voormalige Dries), waar de schepenbanken van Assche en Noord-Assche opgesteld staan. Het centrum is vrij beperkt met de kerk en omringend kerkhof, een tiental huizen bij de plaats en de pachthoeve van de heerlijkheid Assche (cf. renteboek van Deerlijk van 1633 en van Assche/ Noord-Assche van 1625).
Het landboek van Deerlijk, opgemaakt in 1747, bevestigt het belang van de centrale as van de kerk naar de 'Asschendries'. De kaart geeft een duidelijk beeld van de kerk met Sint-Columbakapel, de omliggende herbergen, de Plaats met aanpalende huizen, de zuidelijk gelegen pastorie, het 'kasteel' van de heerlijkheid Deerlijk in het noordoosten en een bijna aaneengesloten bebouwing tot op de 'Asschendries'. Het centrum telt een zestigtal huizen. De kaart van de Ferraris (1770-1778) bevestigt grotendeels dit beeld.
Het centrum blijft grosso modo ongewijzigd tot het begin van de 19de eeuw, hoewel het gebouwenbestand gegroeid is tot een honderdtal gebouwen.
Het kadasterplan van P.C. Popp (ca. 1850) en de Atlas der Buurtwegen (1849) laten toe de verdere ontwikkeling van Deerlijk te duiden. Door de afschaffing van de heerlijkheden bij de Franse Revolutie, de aanleg van nieuwe wegen, de inplanting van de eerste mechanische weverijen, verschuift de bewoningsas zich in functie van twee wegen, de oude heerweg Kortrijk-Waregem-Gent en de in 1856 aangelegde weg Harelbeke-Kerkhove.
In de 20ste eeuw ontwikkelt het dorpscentrum zich verder tot een vrij grote, aaneengesloten woon- en nijverheidszone, die bepaald wordt door de Hoog- en Waregemstraat en de Harelbeke- en Schoolstraat met zijstraten.

De parochie Sint-Lodewijk komt pas in de 19de eeuw tot ontwikkeling. In de 18de eeuw (cf. landboek van 1747) valt het ontbreken van een echte dorpskern op. De in de 17de eeuw opgerichte kapel wordt wel afgebeeld op het landboek van Deerlijk (1747) en de Ferrariskaart (1770-1778) als "Clle te Keselberghe". De huizen, een 78-tal en een tiental boerderijen, staan verspreid over het ganse grondgebied, dat gekenmerkt wordt door kleine kavels, bosjes en arme zandgronden.
Door de aanleg van de Pladijsstraat in 1872 en de modernisering van het wegennet wordt de in 1855 opgerichte parochie tijdens de tweede helft van de 19de eeuw uit haar isolement gehaald. De Kapel-, Pladijs- en Kerkstraat vormen geleidelijk aan een aaneengesloten dorpskern. De inplanting van de moderne woonwijk in het derde kwart van de 20ste eeuw tussen de Olieberg-, Pladijs- en Kapelstraat vormt een belangrijke vernieuwing en heropleving van de parochie.

Ten zuidoosten van de dorpskern bevindt zich het gehucht Belgiek, voor het eerst vermeld op de kaart van Dépot de la guerre van 1910 en gegroeid uit het historische gehucht "Hameau Hooghstraete", vermeld op de Ferrariskaart (1770-1778). Het gehucht situeert zich op een kruispunt van wegen gemarkeerd door verschillende (voormalige) herbergen.

In de tweede helft van de 19de eeuw ontstaat een tweede belangrijk gehucht, namelijk de Stationswijk. Deze wijk ontwikkelt zich rond het in 1892 gebouwde station. De bebouwing, voornamelijk daterend uit het laatste kwart van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw, situeert zich rond de Stations- en Pladijsstraat en het Stationsplein.
Naar aanleiding van het groeiende bevolkingsaantal wordt in 1960 de Sint-Jozefskapel opgericht.

Ten oosten van de dorpskern wordt door het stijgend bevolkingscijfer in de tweede helft van de 20ste eeuw een nieuwe parochie gesticht, z.g. Molenhoek. In 1963 wordt de Sint-Annakerk opgericht, een hedendaags volume gebouwd door architect Chris Vastesaegher (Brugge). Deze wijk wordt gekenmerkt door villabouw uit de tweede helft van de 20ste eeuw.

De huidige dorpskern wordt getypeerd door heterogene straatbeelden. Tal van woningen werden opgetrokken in de tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw. Verschillende woningen in de dorpskern van Deerlijk kregen in de laatste decennia een nieuw parement. Daarnaast vindt men in de dorpskern tal van nieuwbouw, voornamelijk gesitueerd langs de Harelbeke- en de Hoogstraat. Een hedendaags nieuwbouwproject vervangt het gebouwenbestand van de ververij Ovelacq.

In Deerlijk zijn slechts enkele getuigen van 18de-eeuwse bebouwing bewaard gebleven, onder meer de parochiekerk Sint-Columba (beschermd bij K.B. van 6/05/1985). Het geboortehuis van René Declercq (beschermd bij K.B. van 27/09/1979), gelegen in de gelijknamige straat is een fraai voorbeeld van een eenvoudige laat 18de-eeuwse tweewoonst. Ook de voormalige pastorie (Pontstraat nrs. 30-32), thans verbouwd tot tweewoonst, is een zeldzaam voorbeeld van 18de-eeuwse architectuur in Deerlijk.
De 19de-eeuwse bebouwing bestaat uit arbeiders- en burgerwoningen met eenvoudige bakstenen lijstgevels, al dan niet verfraaid door het gebruik van gele sierbaksteen. Ook in het begin van de 20ste eeuw zet deze traditionele baksteenbouw zich voort. Daarnaast zijn er verschillende bepleisterde en geschilderde lijstgevels, vaak horizontaal belijnd door het gebruik van schijnvoegen.
Deerlijk heeft enkele interessante burger- en herenhuizen, opgetrokken door industriëlen en meestal gelegen langs de hoofdstraten, onder meer de voormalige brouwerswoning van Jules Descheemaecker (Hoogstraat nr. 109), de woning van de textielfamilie Ovelacq (Hoogstraat nr. 134) en de woning van de familie Deknudt (Stationsstraat nr. 57). Een voorbeeld van een landelijke villa van 1935 in modernistsiche stijl is gelegen langs de Oude Heerweg (nr. 127) en werd gebouwd in opdracht van textielfabrikant J. Vanneste.
Tijdens het interbellum worden tal van woningen opgetrokken in lokale geometrische art-decostijl onder meer villa z.g. "Fraai Rozen" van 1934 (Beverenstraat nr. 42), de burgerwoning gelegen Kapel ter Rustestraat nr. 41, naar ontwerp van de Kortrijkse architect J. Moumal, het sterk decoratief uitgewerkt parement in de Schoolstraat nr. 28 en de gaaf bewaarde eenheidsbebouwing in de Stationsstraat nrs. 96-98. Ook worden verschillende woningen opgetrokken beïnvloed door de Engelse cottagestijl: Beverenstraat nr. 30, Hoogstraat nr. 117 en Kerkstraat nr. 38. Een fraai voorbeeld van modernistische interbellumarchitectuur naar ontwerp van de Kortrijkse architect W. Van Spranghe vinden we in de Pladijsstraat (nr. 231).

Na de Tweede Werldoorlog zijn er tal van woonuitbreidingen o.m. ten noorden van dorpskern de z.g. "Bloemen"- en "Koningswijk" en ten zuiden z.g. "Braamakker". Ten noordoosten wordt de z.g. "Vogelwijk" gesticht.
Door de aanleg van de E 17 en de Ringlaan N 36 wordt het gebied ten zuiden van de dorpskern sterk aangetast. Hierdoor verdwijnen een aantal belangrijke historische hoeves en wordt het oorspronkelijke stratenpatroon in deze zone sterk aangetast.

Buiten de dorpskern, in het zuidelijk deel van de gemeente vindt men verspreide hoevebouw en kleinschalige landelijke architectuur.
Deerlijk kende een opvallend rijk patrimonium van historisch belangrijke hoeves, waarvan de ontstaansgeschiedenis van de in het noorden gelegen hoeves vaak teruggaat tot de 11de en 12de eeuw, de ontginnigsperiode van het Medelewoud. Enkele nog bewaarde voorbeelden zijn het "Goed Ten Bruyele" (Desslegemstraat nr. 44) en het "Siongoed" (Paanderstraat nr. 108).
Door de toenemende industrialisatie van de gemeente en de bevolkingsgroei en daaruit volgende nood aan bouwgronden bleef er van deze rijke geschiedenis echter weinig zichtbare sporen bewaard. Een groot aantal hoeves werd de afgelopen decennia afgebroken of sterk verbouwd en hebben een nieuw of vernieuwd woonhuis. De niet meer uitgebaatte hoeves werden aangepast tot louter woonfucntie.
De bewaarde hoeves sluiten typologisch aan bij het type met losstaande bestanddelen en hebben vaak een 19de-eeuws of zelfs 20ste-eeuwse uitzicht. Historisch interessante hoeves zijn: het "Goed te Brande" (Brandsmisstraat nr. 20), "Veymerschhof" (Gaaistraat nr. 4), "Oud Ridderhof" (Gaversstraat nr. 104), "Hof van Ingelmunster" (Heesterstraat nr. 71), "'t Klaverhof" (Hoekstraat nr. 1), "Hof Houfstraete" (Hoekstraat nr. 6) en "Wittenberghof" (Ter Donkt nr. 6).

Het grondgebied wordt ook gekenmerkt door een groot aantal wegkapellen. Enkele kapellen gaan terug op oudere 18de-eeuwse stichtingen. De meeste bedehuisjes dateren uit de 19de eeuw, ten gevolge van de toenemende volksdevotie en Mariaverering. Verschillende van deze kapellen werden vernieuwd in de 20ste eeuw. Eén van de belangrijkste kapellen van Deerlijk is de kapel ter Ruste, gebouwd in 1639 en in neogotische stijl verbouwd op het eind van de 19de eeuw (beschermd bij M.B. van 27/04/2005).

BENOIT F., Deerlijk volgens het Twintigste - Penningkohier van 1572, in Derlike, nr. 1, 1988, p. 13-30.
BENOIT F., Deerlijk op het einde van de 16de eeuw, in Derlike, nr. 2, 1990, p. 35-43.
BRUGGEMAN A., Deerlijk op het einde der 18de eeuw, in Derlike, nr. 1, 1998, p. 3-9, 35-43; nr. 2, 1998, 54-62; nr. 3, 1999, p. 67-79; nr. 1, 1999, p. 3-9; nr. 2, 1999, p. 38-43.
CORNILLY J., Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen, Deel I, Arrondissementen Ieper, Kortrijk, Roeselare, Tielt, Brugge, 2001, p. 40-42.
DEFRAEYE H., 200 jaar onderwijs in Deerlijk, Deerlijk, 1990.
DEMEYERE M., De crisis in de Deerlijkse linnenweverij, 140 jaar geleden, in Derlike, nr. 1, 1981/82, p. 6-13.
DESCHIETER J., DE CLERCQ W., Een ververij bekent kleur: archeologische bewoningssporen op het Ovelacqterrein te Deerlijk, in Derlike, nr. 1, 1997, p. 31-29.
DESCHIETER J., DE CLERCQ W., Karolingische vondsten in de Ovelacqput. Het archeologisch noodonderzoek van 1999, in Derlike, nr. 3, 2000, p. 87-91.
DESCHIETER J., DE CLERCQ W., Romeinen en middeleeuwers in een Deerlijkse bouwput: Archeologisch noodonderzoek op het Ovelacqterrein (1997), in Derlike, nr. 4, 1999, p. 100-138.
DESPRIET P., Het kasteel van de heerlijkheid van Assche, in Derlike, nr. 3, 1980-1981, p. 131-151.
DESPRIET P., Inleiding tot de geschiedenis van Deerlijk, in Derlike, nr. 4, 1986/87, p. 99-133.
DESPRIET P., De Sint-Columbakerk in Deerlijk, in Jaarboek van de Geschied- en heemkundige kring De Gaverstreke, 5, 1977, p. 10-48.
DE WAELE G., De Deerlijkse linnennijverheid tussen 1830 en 1860; de traditionele huisnijverheid volop in crisis, in Jaarboek van de Geschied- en heemkundige kring De Gaverstreke, 11, 1983, p. 155-179.
Dit is West-Vlaanderen, steden-gemeenten-bevolking, dl. 1, St.-Andries, 1959, p. 311-323.
HASQUIN H., Gemeenten van België. Geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek, dl. 1, België, 1980, p. 166-167.
HELLIN P., De Heerlijkheid Ten Assche in Deerlijk (1350-1500), in Derlike, nr. 1, 1993, p. 9-23.
TACK L., Een studie van het Deerlijkse wegennet tussen 1950 en 2000, in Derlike, nr. 2, 2001, p. 14-30, 57-86.
UYTTENHOVE K., Het voetspoor van de meetser. Onderzoek naar de lokalisatie van Renier te Deelijk, in Derlike, nr. 1, 1996, p. 3-22.
VANDENBROUCKE M., Van ontoegankelijk woud tot nijverige gemeente. Een verhaal over het Deerlijks historisch landschap, in Derlike, nr. 1, 2005, p. 12-19.
VANOVERBERGHE J., Sint-Lodweijk 150 jaar parochie, in Derlike, nr. 2, 2005, p. 35-72.

Bron: De Gunsch A. met medewerking van Moeykens S. & Callens T. 2007: Inventaris van  het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Deerlijk, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL34, (onuitgegeven werkdocumenten).

Relaties

maakt deel uit van Deerlijk

Deerlijk (West-Vlaanderen)

omvat Achterstraat

Achterstraat (Deerlijk)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Brandsmisstraat

Brandsmisstraat (Deerlijk)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Heestertse steenweg

Heestertse steenweg (Deerlijk)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Heestertstraat

Heestertstraat (Deerlijk)

omvat Heuvel van het Banhoutbos

Deerlijk (Deerlijk), Heestert, Zwevegem (Zwevegem)

omvat Vogelwijk

Driesknoklaan, Merellaan, Mezenlaan, Vinkenlaan, Zwaluwenlaan (Deerlijk)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.