Ruiselede

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ gemeente

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Ruiselede
Deelgemeente Ruiselede
Straat

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Ruiselede (geografische inventarisatie: 07-01-2007 - 06-01-2008).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

De gemeente Ruiselede is gelegen in het oosten van de provincie West-Vlaanderen, arrondissement Tielt, tegen de grens met Oost-Vlaanderen, ongeveer bij het middelpunt van de driehoek gevormd door Brugge (32 km), Kortrijk (39 km) en de Oost-Vlaamse provinciehoofdstad Gent (27 km). Gemeente met 5.139 inwoners (januari 2007) en een totale oppervlakte van 30,2 km² (2007).

ALGEMENE SITUERING

Ruiselede is een landbouw- en woongemeente met beperkte industriële activiteit die na de fusieoperatie van 1 januari 1977 zelfstandig is gebleven. Naast de hoofdparochie Onze-Lieve-Vrouw bestaat de gemeente nog uit enkele gehuchten die uitgegroeid zijn tot kerkdorpen, met name Doomkerke en Kruiskerke. Gemeentelijk en administratief behoort Ruiselede tot het arrondissement Tielt, kanton Ruiselede. Kerkelijk behoort het tot het bisdom Brugge. Autonoom administratief centrum met onder meer gemeentelijke diensten, cultuur centrum, openbare bibliotheek, scholen, rusthuis, sportterreinen, winkels en horeca en ambachtelijk centrum. De gemeente Ruiselede is gelegen in zandig binnen-Vlaanderen. Grenst ten noorden aan Beernem, ten westen aan Wingene, ten zuiden aan Tielt en ten oosten aan Aalter (Oost-Vlaanderen).

De excentrische dorpskern van Ruiselede ligt langs de N37, de verbindingsweg tussen Tielt en Aalter, die de gemeente van zuidwest naar noordoost in twee verdeelt. Tot op het einde van de 20ste eeuw leidt deze verbindingsweg door de dorpskern heen, waar de verbinding met Brugge via de Bruggestraat en Bruggesteenweg gemaakt wordt. Vanaf ca. 1990 wordt het verkeer op de N37 via de gewestweg (N37) rond het centrum geleid. De dorpskern loopt uit in lintbebouwing langs de vier belangrijkste invalswegen, de as Bruggestraat-Bruggesteenweg, de Tieltstraat, de Aalterstraat en de Poekestraat. Hierbuiten voornamelijk sterk verspreide, landelijke bebouwing, die naar het noorden toe nog in densiteit afneemt. Rond twee afzonderlijke parochies zijn in het noorden van de gemeente afzonderlijke bewoningskernen gegroeid. De parochie Doomkerke, sinds 1876, heeft een langgerekte kern langs de Brandstraat. De parochie Kruiskerke, opgericht in 1947, ligt aan de grens met Aalter en wordt gekenmerkt door bebouwing uit de tweede helft van de 20ste eeuw, voornamelijk gesitueerd langs de Kruiskerkestraat en de Kruisbergstraat.

Fysisch-geografische gegevens

Het centrale en zuidelijke deel van de gemeente Ruiselede behoort fysisch-geografisch tot het zandlemige Plateau van Tielt. In het noordelijke grondgebiedsdeel is er een min of meer duidelijke overgang naar het zandige Houtland. Centraal situeert zich de zogenaamde depressie van Poeke-Blauwhuis waarin zich het beekdallandschap van de Poekebeek bevindt, met - van noord naar zuid - de Wantebeek, de Klaphullebeek, de Kapellebeek-Vlaagtbeek en de Bundingsbeek-Reigerbeek als voornaamste zijvertakkingen. Ten noorden verheft zich een zandige cuesta of asymmetrische heuvelrug die zich als zogenaamd erosiereliëf uitstrekt van Hertsberge tot Lotenhulle en waarop zich de zogenaamde oude veldgebieden van Aalter (zie Bulskampveld/ Sint-Pietersveld/ Disveld/ Mostveld/ Parochieveld/ Gentse veld/ Langeveld/ Ooigemveld/ Achterste veld) bevinden.

De bodem is hoofdzakelijk samengesteld uit zandleemgronden en lemige zandgronden uit het Eoceen (40 tot 70 miljoen jaar oud). In de valleien komen klei- en natte zand- en lichte zandleemgronden voor. Ruiselede heeft een zacht glooiend landschap met hoogteverschillen die variëren van circa 12,5 meter boven zeespiegelniveau nabij de Geite-Kontenhoek in de vallei van de Poekebeek tot circa 27,5 meter in het noorden, naar het Sint-Pietersveld toe. Ter hoogte van Hekke-Grietjensgalge-Schoutskruise, in het westelijke deel van het grondgebied, komt een zandige opduiking tot circa 26,25 meter voor. Het reliëf neemt in algemene zin af naar het oosten van het grondgebied, bij het samenvloeiingspunt van de Wantebeek met de Poekebeek.

De waterlopen behoren allen tot het deelstroombekken van de Poekebeek en wateren in essentie oostwaarts af naar het Schipdonkkanaal of Afleidingskanaal van de Leie (bekken van de Gentse Kanalen). De zandige heuvelrug tussen Hertsberge en Lotenhulle en ten noorden van de parochies Doomkerke en Kruiskerke, fungeert als waterscheidingskam (zie Schobbejakshoogte/ Kruisebergen/ Hooggoed/ Zandberg). De historische loop van de Poekebeek/ Oude Kale (voorheen ook Poucke en Calene) maakt deel uit van het vroegere stroomgebied van de Durme (monding in de Schelde te Tielrode).

Bossen of bosrestanten (zie Gallatasbossen/ Vorte Bossen/ Slangebossen/ bossen nabij Axpoele) situeren zich in essentie op de randen van de vroegere veldgebieden in het noorden van de gemeente, alsook in beperktere mate in de beekvalleien. De relatief smalle valleien met vochtige beekdalgraslanden (zie Vlaagtmeersen/ Pannemeersen) wisselen af met licht geprononceerde kouterruggen met vruchtbaar open akkerland (zie Rijkegemkouter/ Oostkouter/ Axpoelekouter/ Poelvoordekouter/ Westkouter). De kouters worden doorgaans geassocieerd met de oudste bouwlanden in het grondgebied.

In het noordelijke deel van het grondgebied Ruiselede komen zogenaamde veldontginningsgebieden voor. In de historisch-geografische context van de Vlaamse zandstreek slaat de term ‘veld’ op onvruchtbare grond, arm aan houtgewassen en gelegen buiten het eigenlijke landbouwareaal. Het geregeld afbranden, afsteken van zoden ruwe humus en het laten grazen van vee zijn er de oorzaak van dat een regeneratie van het oorspronkelijke bos onmogelijk is. De noord-Vlaamse veldzone is als dusdanig een voorbeeld van een zogenaamde wastine, een oud-Nederlandse term (zie wastina/ woestijne/ woestenije) voor een door bosdegradatie ontstaan gebied, bijvoorbeeld heide, broek of moeras. Als niet ontgonnen gronden zijn de ‘velden’ hier oorspronkelijk eigendom van de graaf van Vlaanderen waarop de dorpsgemeenschappen uit de omgeving gemeenschappelijke gebruiksrechten (bvb. begrazing, houtsprokkeling, turfwinning…) konden laten gelden. Ten gevolge van de bevolkingsaangroei worden de noord-Vlaamse veldgebieden op grote schaal voor ontginning prijsgegeven vanaf de 13de eeuw. Het zijn kapitaalkrachtige instellingen zoals abdijen en stedelijke hospitalen (onder meer de Gentse Sint-Pietersabdij) die aanvankelijk pogen deze onvruchtbare gronden te ontginnen. De meeste ontginningen falen echter omwille van het marginale karakter van de zandgronden en mede door de agrarische depressie die de late middeleeuwen kenmerkt. Opvallend voor de gemeente Ruiselede is ook de grote concentratie aan voormalige veldvijvers (zie Bruwaanvijvers/ Visserij/ Geraards- of Geerkesvijvers/ Gijselovijvers/ Gallatasvijvers/ Temmermansvijver/ Berlootvijver) ontstaan na lokale ontginning van ofwel zand, veldsteen of veen/ turf al of niet in combinatie met omleiding en afdamming van waterlopen en inschakeling ten behoeve van de viskweek. Een groot aantal van deze veldvijvers is afgebeeld op historische kaarten uit de 17de en 18de eeuw.

Onder invloed van het Oostenrijkse bewind doet zich een totaal andere aanpak voor in de 18de eeuw. Uit vrees voor een nijpend houttekort in Vlaanderen worden de ‘velden’ met speculatieve doeleinden op een systematische wijze verkaveld en omgezet tot bos of –eerder uitzonderlijk zoals delen van het Sint-Pietersveld- tot akkerland. Deze ontginningen zijn vaak het initiatief van nieuwe grootgrondbezitters (onder meer Malfait, Perneel). Ook de overheid, aanvankelijk onder Frans en later ook onder Hollands bewind, voert hierbij een stimuleringspolitiek waarbij aan ontginningscampagnes belastingvoordelen worden toegekend. Aanvankelijk wordt veelal loofhout aangeplant, terwijl later (eerste helft 19de eeuw) meer wordt overgeschakeld op naaldhout omdat het door zijn snellere groei een vluggere recuperatie toelaat van het geïnvesteerde kapitaal. Vanaf het midden van de 19de eeuw, wanneeer de plattelandsbevolking blijft stijgen en het kleinbedrijf toonaangevend is in de landbouw, wordt een aanvang gemaakt met het plaatselijk ontginnen van de tot bos omgezette ‘velden’. Dit proces zet zich versterkt door toen op het einde van de 19de eeuw de kunstmest ter beschikking staat. Het omzetten van bos tot bouwland gebeurt op de meeste plaatsen met behoud van het 18de-eeuws verkavelingspatroon. Vele vroegere veldzones tekenen zich in het actuele landschap dan ook af door een dambordvormig net van eiken- en/ of beukendreven en door restanten van regelmatig geperceleerde naaldhoutaanplantingen (zie Predikherenbossen/ Parochieveld/ Hooggoed). De veldzones vormen als dusdanig jonge ontginningslandschappen.

HISTORISCHE INLEIDING

Oudste geschiedenis en bewoning

De naam 'Ruiselede' zou zijn oorsprong vinden in een Germaanse samenstelling van rietachtig (rus, ruis) en waterloop of helling (leda). Een andere hypothese verklaart de naam als Rus afgeleid van ruha of ruskjon (= ruig of met ruigte begroeid) en lede als hlipa (= lichte glooiing of heuvelrug) en zou dan betekenen een lichte glooiing begroeid met ruige gewassen.

De oudste sporen van bewoning in Ruiselede stammen uit de metaaltijden. Terwijl bewoning in zandig binnen-Vlaanderen tijdens het meso- en het neolithicum nog nomadisch was, wordt deze meer en meer sedentair naar het einde van het neolithicum toe. Bewoning situeert zich tijdens deze periode voornamelijk op de dekzandruggen. In de volgende periodes, de brons- en ijzertijd (circa 2000 jaar voor onze tijdrekening), worden de bestaande nederzettingen beter georganiseerd. Tevens winnen waterlopen aan belang bij de keuze van de locatie van een nieuwe nederzetting. Een project van de Universiteit Gent, waarbij prospectie gedaan werd door middel van luchtfotografie van het grondgebied van Oost- en West-Vlaanderen leverde in Ruiselede een 'archeologisch geraakte zone' op in de omgeving van de Klaphullebeek, waaronder sporen van een verdwenen grafheuvel van circa 1500 voor Christus met een doorsnede van ruim 40 meter op een zandige rug ten zuiden van de Klaphullebeek, nabij de (oude) Diksmuidse Boterweg.

Op basis van de prospectie via luchtfotografie, beslist men in 1996 over te gaan tot opgravingen om lijnvormige sporen, opgemerkt in de omgeving van de omwalde hoeve "Poelvoorde" te onderzoeken. De opgravingen brengen een deel van een oud wegdek, met afwateringsgracht aan de zuidzijde aan het licht. In deze gracht worden archeologica uit de Romeinse periode aangetroffen, wat mogelijk wijst op het feit dat de weg teruggaat tot de Romeinse periode. Ook vindt men in dezelfde gracht artefacten uit de volle middeleeuwen.

De vroege middeleeuwen

Vermoedelijk ontwikkelt zich vanaf de laat-Karolingische en vroegmiddeleeuwse periode het open cultuurlandschap gekenmerkt door kouters, open akkerlandcomplexen en losse bewoningskernen. Landbouwontginningen van de eerste bewoners zijn wellicht te identificeren met kouterarealen. Op de hoge en droge plateaugronden ontwikkelen zich tussen de 7de en de 12de eeuw de kouters als eerste grote, permanent bewerkte stukken grond. Door gemeenschappelijk gebruik heeft dit landschap reeds vroeg een open karakter verkregen. Deze kouters horen bij het dorp (dorpskouters) of bij een grote hoeve of landbouwuitbating (hofkouters). Op het huidig Tielts grondgebied, maar gelegen aan de grens van Ruiselede met Kanegem, ontwikkelt zich de Rijkegemkouter, in de 9de eeuw in het bezit van de abdij van Saint-Amand-les-Eaux en als "Rickeghem" vermeld in een document van de Gentse Sint-Pietersabdij uit dezelfde eeuw. Andere koutertoponiemen die voorkomen op Ruiseleeds grondgebied zijn: "oostcouttere" en "Axpoele cautere" (beide 1489), "Poelvoorde coutere" (circa 1490), "westcoutere" (1498).

Op de Atlas der Buurtwegen (1842) is te zien hoe de grootste en meest uitgebreide kouters in de omgeving van het "Groot Goed ter Vlaagt" en het "Groot Kraaienbroek" liggen. Hiernaast valt een concentratie van grote percelen op ten zuiden van de Poekestraat in het oostelijke gedeelte van de gemeente. Deze percelen zijn niet meteen te linken aan een belangrijke landbouwuitbating. In tweede instantie vallen de minder uitgebreide kouterarealen rond het "Goed te Axpoele" , het "Goed ter Moortelwalle" (thans verbouwd, Mortelwalstraat nummer 9), het "Goed te Poelvoorde" (met bewaarde omwalling), het "Goed te Gijselo" (thans verbouwd, Gallatasstraat nummer 1) en het "Goed te Gallatas" op. Op de derde plaats zien we nog enkele kleinere uitbatingen, waarbij de percelen minder ruimte innemen en gegroepeerd zijn in de onmiddellijke omgeving van de hoeve, met name het "Klein Goed ter Vlaagt" (thans verbouwd, Smisseweg nummer 12), het "Goed te Zevekote" (thans verbouwd, Vlaagtweg nummer 18) en het "Goed te Moerkerke" (thans verdwenen, zie Kruiswegestraat).

De kerstening van Ruiselede wordt toegeschreven aan Sint-Amandus en zou in de loop van de 7de eeuw plaatsgevonden hebben.

Heerlijkheden tijdens het ancien régime

Rond het midden van de 11de eeuw schaft graaf Boudewijn V de gouwen af en verdeelt zijn grondgebied in kasselrijen. Ruiselede bevindt zich op de grens van de kasselrij Kortrijk (circa 60% van de oppervlakte van het huidige Ruiselede) en de kasselrij Gent. De grens tussen beide kasselrijen kent een grillig verloop, en bovendien liggen 'eilanden' van beide kasselrijen in elkaars gebied. Grosso modo bevindt het gebied van de kasselrij Gent zich ten oosten van de kerk. Niet enkel is de parochie Ruiselede verdeeld over de kasselrijen, maar ook nog eens erg versnipperd over meer dan zeventig heerlijkheden. Hieronder de belangrijkste.

Het bestuur van geheel de parochie Ruiselede is gecentraliseerd in de handen van de baljuw van de dorpsheerlijkheid ("'s Graven heerlijkheid" of de heerlijkheid "Vlaanderen"), die zich op Kortrijks grondgebied bevindt en een groot deel van de dorpskom omvat. Deze heerlijkheid strekt zich voornamelijk ten westen van de kerk uit tot aan de Abeelstraat, maar het grondgebied ervan is doorspekt met enclaves van de heerlijkheid Poeke, zelfs tot op het dorpsplein, waar het 'pilorijn' of heerlijkheidsteken van de heerlijkheid Poeke staat. De dorpsheerlijkheid bezit hoge, middele en lage justitie, een volle schepenbank van zeven schepenen, een baljuw en een griffier. De wet van deze heerlijkheid oefent het bestuur uit, maar niet de jurisdictie, over gans het grondgebied van de parochie.

De heerlijkheid Poeke blijkt dus zeer invloedrijk in de parochie Ruiselede. Deze heerlijkheid hangt af van het kasteel van Kortrijk, via het grafelijk leenhof van Tielt. Onder andere afhankelijk van Poeke is een "omwalde mote met bogaert, syngel ende twee stickx lants, groot 2 bunder, met een dreefken tot op de plaetse", gelegen achter de huizen op de Markt, tussen de Kasteelstraat (eventueel in de omgeving van nummer 24) en de Eyerstraat, en goed zichtbaar op de gravure van de dorpskern van Ruiselede in Sanderus' Flandria Illustrata (1641-1644). Ook het "Goed te Moerkerke", dat bestaat uit zes lenen van Poeke en zich uitstrekt tussen de Bruggestraat en de Pontstraat, met "ee(n) steene(n) huus stae(nde) up een mote, met wallen en(de) een brugghe dwelck zon(e) houdt voor huer wonyn(ghe) en(de) domicilye", zoals beschreven in een penningkohier van 1569, gelegen ten noorden van de Kruiswegestraat (zie aldaar). Op de hoek van de Knokstraat met de Bruggestraat zou zich de galg van deze heerlijkheid bevonden hebben.

De heerlijkheid Sint-Pieters-Schalklede hangt af van de aalmoezenij van de Gentse Sint-Pietersabdij en ligt binnen de kasselrij Kortrijk. Vermoedelijk ontstaat deze heerlijkheid als gift van een graaf van Vlaanderen aan de abdij. Ze heeft een baljuw en zeven schepenen en strekt zich uit over het noorden van Ruiselede, meer bepaald het zogenaamd Sint-Pietersveld en het grootste deel van de latere parochie Doomkerke. De vierschaar van deze heerlijkheid bevindt zich eertijds langs de Bruggesteenweg (zie nummers 49-51) en de galg op de grens met Wingene (zie Veldkapellestraat). Het ontstaan van het Sint-Pietersveld zou terug te voeren zijn tot 1221, wanneer gravin Johanna van Constantinopel 45 bunder veld gelegen bij het Bulskampveld (zie Beernem) aan de abdij verkoopt. "Scalclethe" wordt echter reeds vermeld in het "Liber Traditionum" (1041) van abt Wichard, waarin hij het bezit van de Sint-Pietersabdij beschrijft. Het komt in handen van de abdij door een schenking door een zekere Henfried en Eva van hun erfgoederen in "scalclethe et in matkerke". In 1163 wordt de heerlijkheid Sint-Pieters-Schalklede nogmaals vermeld wanneer graaf Diederik van de Elzas justitierechten toekent aan de Sint-Pietersabdij op grond van Schalklede. De Schalkeledemolen wordt voor het eerst vermeld in 1365 in een leenverhef voor de graaf van Vlaanderen.

De heerlijkheid Maalstapel bevindt zich in de kasselrij Gent. Het is een leen van de heerlijkheid Vinderhoute-Merendree en een achterleen van het prinselijke leenhof van Dendermonde. Dat het foncier van deze heerlijkheid zich te Ruiselede in de nabijheid van de kerk bevindt (A. Rodenbachstraat nummer 2) is een misvatting. Maalstapel is een heerlijkheid zonder foncier, een zogenaamd "vliegend leen". De gronden die tot deze heerlijkheid behoren, bevinden zich tussen de Abeelstraat en de Klaphullebeek, tot aan de grens met Schuiferskapelle (Tielt). Deze heerlijkheid heeft een baljuw, een stedehouder en een volle schepenbank van zeven schepenen. Hiernaast bezit zij alle graden van justitie (hoge, middele en lage). De galg van Maalstapel bevindt zich op de grens met Schuiferskapelle (Tielt), op de hoek van de Grietjensgalgestraat en de Galgenstraat. De molen van deze heerlijkheid staat in de nabijheid van het "Goed te Zevekote" (thans verbouwd, Vlaagtweg nummer 18) op de hoek van de Groenesprietstraat en de Vlaagtweg. Het "Klein Goed ter Vlaagt" (thans verbouwd, Smisseweg nr. 12) en het "Goed te Zevekote" zijn achterlenen van Maalstapel.

De heerlijkheid Axpoele, met foncier te Ruiselede (het zogenaamde "Goed te Axpoele") bevindt zich ten noorden van de kerk, aan de grens met Aalter. Axpoele is een achterleen van het kasteel van Kortrijk, via het leenhof van Tielt. De heerlijkheid heeft een baljuw en een stedehouder en alle graden van justitie (hoge, middele en lage). Bij het foncier hoort eertijds een kasteel, afgebeeld op de "Grenskaart tussen de kasselrijen Kortrijk en de Oudburg" van 1627, geschilderd door landmeter Lodewijk de Bersacques en afgebeeld en vermeld in A. Sanderus' Flandria Illustrata (1641-1644) als "Acxpoel Casteel". De eerste vermelding "Hackespul" gaat echter terug tot 1137 in het tweede boek van de annalen van de Sint-Bertijnsabdij. Het kasteel geraakt in verval in de tweede helft van de 17de eeuw, wordt een laatste maal vermeld circa 1713 en afgebroken in de loop van de 18de eeuw. Bij Axpoele horen een windmolen en een watermolen. De heerlijkheid Axpoele zou in 1128 de locatie zijn geweest van de Slag bij Axpoele tussen Willem Clito en Diederik van de Elzas. De heerlijkheid wordt in de tweede helft van de 18de eeuw, met hoeve, wind- en watermolen en bijhorende gronden verworven door de Familie de Preudhomme d’Hailly, toenmalige eigenaars van het Kasteel van Poeke.

In het zuidwesten van Ruiselede, aan de grens met Tielt, bevindt zich de heerlijkheid Ter Vlaagt, tijdens het ancien régime toebehorend aan de hospitaalridders van de orde van Sint-Jan van Jeruzalem (de zogenaamd 'Ridders van Malta'), meer bepaald als leen van de commanderij van Kaaster van de genoemde orde. Vermoedelijk gaat deze heerlijkheid terug tot een schenking van Zeger, kastelein van Gent, die in 1200 toetrad tot de orde van de Tempeliers en zijn allodium van "Viggezele" aan de orde schenkt. "Viggezele" maakt later deel uit van Ter Vlaagt, waaruit men afleidt dat Ter Vlaagt als heerlijkheid reeds bestaat op het ogenblik van de schenking. De heerlijkheid heeft een baljuw, een onderbaljuw, een volle schepenbank van zeven schepenen en alle graden van justitie. Het foncier van de heerlijkheid, het zogenaamd "Groot Goed ter Vlaagt" bestaat nog steeds, evenals de bijhorende kapel waar vroeger drie maal per week een mis moest opgedragen worden. Van de Vlaagtmolen bestaat nu nog de molenromp, zie Oude Tieltstraat zonder nummer De zogenaamd "Oude Wal", een verdwenen motte, net over de grens met Kanegem, en reeds vermeld in 1434 als "antiquam mottam vulgariter nuncupatam den auden Wal" behoort eveneens tot de heerlijkheid.

De heerlijkheid Kraaienbroek was verdeeld in twee heerlijkheden, een noordelijk deel, Kraaienbroek-Hansbeeks, en een zuidelijk deel Kraaienbroek-Ooigems, maar met dezelfde heer en hetzelfde foncier, met name de hoeve "Groot Kraaienbroek" (zie Kraaienbroekdreef nummer 1). Beide delen hebben een baljuw, maar geen schepenen. Het is niet duidelijk of een bestaand geslacht Craeyenbroeck te Ruiselede verband houdt met de heerlijkheid. De vroegeste vermelding betreft een Gripus de Craienbrouch in 1257 in verband met de schenking van een Hoptiende en in 1418-1419 (volgens de Tieltse stadsrekening) krijgt een zekere Jan van Craeyenbrouck die te Ruuselede woont van de stad Tielt een kroon te zinen huwelicke als geschenk.

De heerlijkheid van Poelvoorde-Stoppenberghe behoort tot de kasselrij Gent en omvatte negen bunder landerijen. Het foncier (zie Zandvleugestraat nummer 12) bestaat uit een omwalde, behuisde hofstede, waarvan de omwalling tot op heden blijft bestaan. Deze heerlijkheid heeft een baljuw en een volle schepenbank van zeven schepenen. Deze worden gezamenlijk aangesteld door de heren van Hansbeke, waarvan Poelvoorde een leen is, van Hames, van Kraaienbroek en van Poelvoorde.

De heer van de heerlijkheid van Moortelwalle, met foncier in de Mortelwalstraat (nummer 9, thans verbouwd), beschikt over een baljuw, maar moet voor civiele zaken schepenen ontlenen aan de heerlijkheid Schuurveld (foncier te Lotenhulle). De gronden en lenen ervan bevinden zich in een aaneengesloten blok, gelegen langs de Poekebeek in de omgeving van het foncier.

Ook de heerlijkheid van Gijselo, met foncier gelegen in de Gallatasstraat nummer 1 (thans verbouwd) is een leen van Bellem en Schuurveld, met een baljuw en drie schepenen. De vier andere schepenen komen van het hoofdleen.

De heerlijkheid van Nevele, een leen van de Oudburg van Gent, heeft enkele enclaves in Ruiselede. Onder meer de heerlijkheid van Ten Driessche, een klein leen dat binnen het Gentse ligt en enkel recht van lage justitie bezit, en baljuw noch schepenen heeft. Deze heerlijkheid bevindt zich even ten noorden van de straat naar Poeke, in de omgeving van de zogenaamde "meulemotte" (zie Poekestraat). Er is sprake van een windoliemolen in het ontvangstenboek van Nevele uit 1635. Deze molen zou in ieder geval terug te traceren zijn tot circa 1350.

Het thans nog bewaarde "Goed te Gallatas" (zie Haantjesstraat nummer 7) vormt het foncier van de heerlijkheid van Gallatas, een leen van Kortrijk. Deze heerlijkheid gaat in ieder geval terug tot 1365, wanneer Wouter van Halewijn vermeld wordt als heer van Gallatas.

De heerlijkheid van Vossenberghe, met het "Goed ten Vossenberghe" als foncier, wordt vermeld in 1539 en heeft een baljuw en zeven schepenen.

11de eeuw

Volgens A. Verwaetermeulen wordt Ruiselede in 1001 voor het eerst vermeld als "Ruslede" en volgens De Flou komt in 1090 de benaming "Rusle" voor.

12de eeuw

Vanaf de 12de eeuw zijn meer gegevens over Ruiselede terug te vinden. In 1106 wordt het patronaatsrecht van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te "Rusleda" door Balderik, bisschop van Doornik en Noyon aan de Sint-Bertijnsabdij te St.-Omer geschonken. In 1165 bekrachtigt Giraldus als bisschop van Doornik dit patronaatsrecht over "Ruscleda".

In 1128 wordt de Slag bij Axpoele uitgevochten op Ruiseleeds grondgebied. Deze slag is het militaire hoogtepunt van de strijd voor het opvullen van het machtsvacuüm ontstaan na de moord op Karel de Goede te Brugge in 1127. Het dagboek van Galbert van Brugge, secretaris van Karel de Goede, geeft een vrij gedetailleerd verslag van deze gebeurtenissen. Na de moord wordt Willem Clito van Normandië door de Franse koning, leenheer van Vlaanderen, aangesteld als nieuwe graaf van Vlaanderen. De crisis lijkt hiermee bezworen. De steden echter, vooral Brugge en Gent, voelen zich gepasseerd door de 'verkiezing' van de nieuwe graaf, in hoge mate een aangelegenheid van de oude machten, met name de adelstand. Daarenboven is de Engelse koning niet opgezet met de nieuwe graaf. Hoewel behorend tot een Frans leen, hebben de Vlaamse steden sterke economische banden met Engeland en valt een economische boycot van dit land absoluut te vermijden.

Gent komt in opstand en stelt Diederik van de Elzas aan als tegengraaf. De opstand verspreidt zich, de wapens worden opgenomen en na enkele schermutselingen komt het tot een volwaardig treffen in Ruiselede. Het Gents-Brugse leger, gesteund door enkele 'overlopers' uit de adelstand (Iwein van Aalst en Daneel van Dendermonde), belegert de burcht van Clito-aanhanger Folket (vermoedelijk het kasteel van Axpoele). Kort daarop, op 21 juni 1128 worden ze te Ruiselede aangevallen door de harde kern van Clito's leger, bestaande uit edelen en ridders. Clito's mannen halen de overhand, het voetvolk vlucht en Diederik neemt de benen naar Brugge. Willem Clito krijgt, een maand later, bij de belegering van de stad Aalst de steun van Godfried van Leuven. Ondanks het dappere verweer van de stad, lijkt de overwinning voor Willem slechts een formaliteit. Op 28 juli 1128 echter wordt Willem door een lans in de arm geraakt en overlijdt kort daarop. Tegen alle verwachtingen in wordt Diederik van de Elzas uiteindelijk de nieuwe graaf van Vlaanderen.
Axpoele, de plaats waar de veldslag van 21 juni plaats vond, wordt een eerste maal als "Hackespul" vermeld in 1137 door Simon, monnik van de Sint-Pietersabdij te Gent, in zijn tweede boek van de annalen van de Sint-Bertijnsabij.

13de eeuw

In de eerste helft van de 13de eeuw leidt een bevolkingstoename tot de vestiging van nieuwe gehuchten aan de rand van het Bulskampveld (zie Beernem).

Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, schenkt in 1221 45 bunders wastina, onontgonnen veldgebied dat sinds eeuwen deel uitmaakte van het Bulskampveld, aan de Gentse Sint-Pietersabdij. Tijdens zijn rondreis in 1242 vermeldt bisschop Walter de Marvis deze grond als het "wastinam Sancti Petri". Dit gebied vormt de basis van het latere Sint-Pietersveld, dat onontgonnen blijft tot het einde van de 18de eeuw.

In 1242 onderneemt de Doornikse bisschop Walter de Marvis een reis doorheen zijn bisdom om de oppervlakte van verschillende parochies te bepalen. Hierbij doet hij ook Ruiselede aan. In zijn visitatieverslag is er sprake van het huis van Olivier van Bedrewane, waarmee hij vermoedelijk refereert aan de thans verdwenen omwalde site (zie Bruwaanstraat) in de huidige Vorte Bossen en vermeldt hij het huis van Willem Cure in "Godselodamme", vermoedelijk het zogenaamd "Goed te Gijselo" (thans verbouwd, Gallatasstraat nummer 1), langs de "Gijselodam" of de huidige Kruiskerkestraat. Ten laatste maakt hij gewag van het kruis "Schoonbergeik", verwijzend naar de Aalterse heerlijkheid Schoonberge met bezit aan beide zijden van de huidige Kruiskerkestraat. Mogelijk komt dit overeen met het huidige "Zandbergkruis" (cf. Zandbergstraat), dat zich aan de grens met Aalter bevindt.

In 1266 is er reeds sprake van de tempeliershoeve "Groot Goed ter Vlaagt" (zie Abeelstraat nummer 37), wanneer deze tien Doornikse ponden bijdraagt aan de zevende kruistocht. In de generale kapittels van de tempeliers is er sprake van "Ter Vlaagt" als hoofdcommanderij in 1205 en 1257.

14de eeuw

In het conflict tussen Engeland en Frankrijk (de Honderdjarige Oorlog) kiest Vlaanderen in 1297 de zijde van Engeland. Frankrijk valt Vlaanderen binnen en verovert één voor één de Vlaamse steden. Op 6 januari 1300 wordt een wapenstilstand ondertekend waarbij Vlaanderen onder het gezag van Frankrijk valt. Om dit te bekrachtigen wordt Gwijde van Dampierre, samen met zijn zonen en enkele belangrijke ridders, gevangen gezet in Frankrijk. Onder deze ridders bevindt zich een zekere Filips van Axpoele, vermoedelijk heer van de Ruiseleedse heerlijkheid Axpoele.

In een document van de Gentse gerechtelijke bedevaartplaatsen van 1305 wordt "T'ons Vrauwe te Ruuslede" vermeld als plaats waar men op strafbedevaart wordt gestuurd. Of er toen al sprake was van een ommegang met kapellen is niet geheel duidelijk.

Minstens nog tot in de 18de eeuw bevindt zich in de kerk van Ruiselede de grafsteen van ridder Jan van Axpoele en zijn vrouw Catheline Damman, die ter plaatse begraven zijn in 1361.

15de eeuw

In 1452 ontstaat een conflict tussen de stad Gent en graaf Filips de Goede in verband met een belasting op zout die de Gentenaars als onrechtvaardig beschouwen. Deze Zoutoorlog wordt grotendeels op het platteland uitgevochten. Ook Ruiselede deelt in de klappen, in het najaar van 1452 branden een aantal Ruiseleedse huizen en hoeven af.

In 1457 is er voor het eerst sprake van een "cruysweghe" te Ruiselede. Deze ommegang, waarbij men de lijdensweg van Christus volgt aan de hand van een aantal kruisbeelden, heeft als doel zich tegen ziekten te beschermen. Tegenwoordig blijft enkel de kruislinde op de hoek van de Oude Tieltstraat en de Kruiswegestraat (cf. aldaar) over als getuige van deze eens bloeiende volksdevotie, met eigen broederschap. In deze periode blijft ook Onze-Lieve-Vrouw van "Ruuslede" van belang als bedevaartsoord, wat blijkt uit de vermelding van deze bedevaart in een document uit 1458, bewaard in het Stadsarchief van Gent.

Circa 1495 ontstaat er te Ruiselede heel wat commotie omtrent Jan Rodts, bode van de schepenen van de dorpsheerlijkheid. Hij draagt de 'roede van justitie' over het dorpsplein, dat gedeeltelijk tot de dorpsheerlijkheid en gedeeltelijk tot de heerlijkheid Poeke behoort. Dit is echter een voorrecht van de heer van Poeke, de hoogbaljuw van Kortrijk of de graaf van Vlaanderen zelf. Roeland, op dat ogenblik heer van Poeke, voelt zich door Jan Rodts geprovoceerd en laat hem opsluiten. Kort na zijn vrijlating opent Jan Rodts op grondgebied van de heerlijkheid Poeke een herberg, "De Scaeck". In de processtukken rond de handelingen van Jan Rodts worden de herbergen "Den Hert", "De Swaene" en "De Scaeck", alle te lokaliseren op de Markt, vermeld.

16de eeuw

In 1515 wordt de basis gelegd van het latere Disveld (op het huidige Doomkerke), wanneer Gillis Vursbrouck en zijn vrouw Pierijne Waeghebrugghe grond, veld en vijvers aan de Ruiseleedse 'dis' schenken. Dit onontgonnen en eerder onvruchtbare terrein ten noorden van de Oude Veldstraat en ten westen van de Brandstraat, strekt zich uit tot aan de grens met Wingene.

In 1519 wordt Jan Rodts andermaal vermeld i.v.m. met de locatie van de vierschaar te Ruiselede. Deze bevindt zich vanouds voor de herberg "De Zwaan". Al vóór 1500 installeert Jan Rodts in de omgeving van zijn nieuwe herberg "De Scaeck", een nieuwe, lagere vierschaar, waar recht gesproken wordt voor de dorpsheerlijkheid. Bij zijn terugkeer in 1519, na een lang verblijf in Spanje in dienst van Keizer Karel, laat Jan, heer van Poeke, de vierschaar van zijn grondgebied weghalen.

Rond het midden van de 16de eeuw krijgt Ruiselede het economisch moeilijk wanneer, ten gevolge van de strenge winter, de graanprijzen verdubbelen tot zelfs vervierdubbelen.

Bij de herindeling van de bisdommen in 1559 wordt Ruiselede overgedragen van het bisdom Doornik naar het bisdom Gent, dekenij Tielt.

In 1564 wordt jonkheer Philips van Liedekerke vermeld als eigenaar van het "Goed te Kraaienbroek", wanneer hij een groot glasraam schenkt aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

In 1569 wordt een penningkohier opgesteld van het Ruiseleedse grondgebied. Hierin is sprake van een zekere Laurein Drypont als pastoor van Ruiselede, die "een huus stae(nde) up een mote rondtom(m)e bewalt met een brugghe" bewoont. Tevens is er in dit penningkohier sprake van "een(en) gheleerden schoolmeester" als eigenaar van een huis bij de kerk dat hij laat gebruiken als weeshuis en schoolgebouw. Hiernaast blijkt dat "Den Hert" en "De Zwaan" blijven bestaan als herberg, terwijl "De Meulemotte" (zie Poekestraat) en "De Roose" (zie Markt) voor het eerst als herberg vermeld worden.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) krijgt de streek rond Ruiselede het zwaar te verduren. In 1581 zijn Brugse vrijbuiters op doortocht. De Onze-Lieve-Vrouwekerk wordt in 1584 door Hollandse troepen geplunderd en in dezelfde periode (tussen 1584 en 1586) in brand gestoken.

Ten gevolge van de verzanding van de Zwingeul zoekt Brugge aansluiting met het Gentse waterwegennetwerk om de verbinding met de zee te vrijwaren. In 1290 is voor het eerst sprake van een mogelijke vaarverbinding tussen Brugge en Gent. Op het einde van de 16de eeuw wil Brugge de verbinding maken met de Leie, stroomopwaarts van Gent, te Gottem-Grammene (Oost-Vlaanderen), waardoor deze stad haar economische belangen in het gedrang ziet komen. Twee commissarissen worden afgevaardigd om het mogelijke traject, dat ook Ruiselede aandoet, te bezoeken. De bedoelde verbinding zou de loop van de Poekebeek volgen tot aan de monding van de Wantebeek. Het "Zwyngerecht" en de "Nieuwen Dam" bevinden zich in de omgeving van deze monding, maar de exacte locatie is onduidelijk. Vanaf dan zou men de loop van laatstgenoemde beek circa 500 m stroomopwaarts volgen, vanwaar men verder noordwaarts zou graven op grondgebied Aalter tot aan de Brugse Leie. In 1585 worden de werken stilgelegd nadat er verzet rijst van meerdere steden in het Schelde-Leiebekken, die vrezen dat de nieuwe Zuidleie hun vaarverkeer en handel zou benadelen. De verbinding tussen de Brugse Leie en de Wantebeek is op dat ogenblik reeds ver gevorderd. Ook vandaag bestaat deze nog in de vorm van het Oud Leiken te Aalter (zie Oudleikestraat).

De Bruggelingen hebben echter ook een octrooi voor een tweede traject, dat eveneens bezocht wordt door een commissie bestaande uit landmeters en afgevaardigden van het landbestuur, van Gent en van Brugge. Het tweede plan zou het grondgebied van Ruiselede volledig doorkruisen en grosso modo de huidige loop van de Wantebeek volgen. Van in de Vorte Bossen zou dan een kanaal moeten gegraven worden westwaarts tot op het grondgebied van Wingene. Door toenemend protest van Gent, Deinze, Antwerpen en andere gemeentes en steden die afhankelijk zijn van de Leie voor hun economie, en de Tachtigjarige Oorlog, besluit men de plannen voor het kanaal voorlopig op te bergen. In het begin van de 17de eeuw wordt uiteindelijk het kanaal Gent-Brugge gegraven, waarbij men het grondgebied van Ruiselede volledig links laat liggen.

Ondertussen eist de Tachtigjarige Oorlog zijn tol. Op het einde van de 16de eeuw lijdt Ruiselede onder de plunderingen van Spaanse troepen. Tussen 1588 en 1590 zijn Ruiselede en de omliggende gemeenten nagenoeg ontvolkt. Vanaf 1592 begint een langzame heropleving.

17de eeuw

Gedurende de 17de eeuw blijft het godsdienstconflict tussen Spanje en de Nederlanden aanslepen. Ruiselede blijft hier tevens de gevolgen van ondervinden: een dekanaal visitatieverslag van 1610 maakt melding van de vernielde kerk. Ook herbergen moeten het ontgelden: in 1619 wordt een schaderapport opgesteld waarop de volgende nieuwe herbergnamen terug te vinden zijn: "Het Gouden Hooft", "Den Keijser", "Het Haentij" (zie Haantjesstraat, Brandstraat nummer 11), "Den Boucquedt" en "De Roskam" (zie Aaltervoetweg).

In 1621 wordt, nog steeds in het kader van de Tachtigjarige Oorlog, een houten fort opgericht op de hoek van de Wantestraat en de Klaphullestraat. Deze verdediging staat op de "Grenskaart tussen de kasselrijen Kortrijk en de Oudburg" van 1627, geschilderd door landmeter Lodewijk de Bersacques aangeduid als "d'Ersgat" (of aarsgat = ondereind van een gevelde boom). Vermoedelijk verdwijnt het fort al in de loop van de 17de eeuw.

Uit het verslag van de visitatie van bisschop A. Triest in 1624 blijkt de kerk reeds gedeeltelijk heropgebouwd. In het daaropvolgende jaar vermeldt de bisschop voor het eerst de ommegangskapellen in zijn visitatieverslag. (Een omzendbrief van pastoor Franssen uit 1662 bevestigt echter dat de ommegang reeds meer dan 200 jaar bestaat, dus reeds vóór 1462).

In 1627 schildert landmeter Lodewijk de Bersacques de "Grenskaart tussen de kasselrijen Kortrijk en de Oudburg". Het grensgebied tussen beide kasselrijen doorsnijdt Ruiselede waardoor deze parochie een belangrijke rol speelt voor de afbakening van beide gebieden. Van Ruiselede wordt enkel dit grensgebied en dus niet de volledige gemeente afgebeeld. Veel belangrijke gebouwen zijn op deze kaart te zien, onder andere de dorpskern met kerk, het kasteel van "Acxpoel", en de Axpoelmolen en de omwalde motte "den Borwaan" (cf. Bruwaanstraat). Meerdere belangrijke hoeves, vaak tevens zetels van heerlijkheden zoals "Goed te Gijselo" (Gallatasstraat nummer 1), "Goed te Gallatas" (zie Haantjesstraat nummer 7), "Goed te Kraaienbroek" (zie Kraaienbroekdreef nummer 1), "Goed ter Moortelwalle" (zie Mortelwalstraat), "Goet te Buren" (zie Mortelwalstraat), "Goed ter Straten".

Circa 1630 wordt de kerk verder onder handen genomen: pastoor Bultinck laat het schip en de zijbeuken herbouwen. In 1633 stelt de bisschop bij zijn visitatie vast dat de kerk "prachtig gerestaureerd en mooi versierd" is. De pas heropgebouwde kerk wordt echter niet op prijs gesteld door de plunderende Franse troepen die haar in 1645 in brand steken en een dertigtal huizen in de omgeving verwoesten. Ondanks alles blijft de kerktoren overeind en in 1652 wordt aan de heropbouw begonnen.

De kerk met dorpskern staat afgebeeld in Sanderus' Flandria Illustrata (1641-1644) met het noorden langs onder georiënteerd. De driebeukige, gotische kerk met vieringtoren heeft een ingang in de noordelijke viering waarvan de natuurstenen omlijsting heden nog herkenbaar is. Het kerkhof is met een ovalen omheining afgebakend en toegankelijk aan de zuid-, oost- en noordkant (de ovalen structuur is in 2006 bij de heraanleg van de dorpskern hernomen). Rond de kerk is de Markt en de aanzet van de A. Rodenbachstraat, Aalterstraat, Bruggestraat, Kasteelstraat met een aantal afgebakende, behuisde percelen met moestuinen en boomgaarden getekend. Langs de A. Rodenbachstraat staat de brouwerij en woonhuis van de brouwer Jan Vanden Hende (zie nummer 2) afgebeeld. Langs de zuidkant is de zogenaamd Motebeek (volgt het tracé van de huidige G. Gezellelaan) en de driehoekige 'motte' (zie Polenplein) met een brugje over de beek te zien. In de blok tussen de Kasteelstraat en de Bruggestraat is een tweede motte met ronde omwalling herkenbaar eventueel te situeren in de omgeving van Kasteelstraat nr. 24.

Halverwege de 17de eeuw maakt het noordelijk deel van Ruiselede deel uit van het zogenaamde Bulskampveld, een uitgestrekt, onontgonnen gebied dat zich ten zuiden van het kanaal Gent-Brugge bevindt tussen Bellem en Ruddervoorde. De zandgrond maakt dit gebied ongeschikt voor de landbouw. De ondiepe hellingen worden afgedamd tot visvijvers en de heidegronden doen dienst als gemeenschappelijke weiden.

In 1668 wordt met de Vrede van Aken een einde gemaakt aan de Devolutieoorlog tussen Frankrijk en Spanje omtrent de heerschappij over de Spaanse Nederlanden, waardoor de kasselrij Kortrijk bij Frankrijk ingelijfd wordt. Het bestuur van de dorpsheerlijkheid blijft verantwoordelijk voor de goede gang van zaken in de parochie. De kasselrij Oudburg van Gent blijft echter tot de Spaanse Nederlanden behoren met bestuurlijke moeilijkheden als resultaat. De vijandelijkheden gaan zo ver dat de parochianen van Spaans Ruiselede een smeekschrift richten aan de koning met de vraag bij Frankrijk ingelijfd te worden. Deze vraag valt echter niet in goede aarde bij de leden van het college van de Oudburg en verergert het conflict. Bij de Vrede van Nijmegen in 1678 komt de kasselrij Kortrijk opnieuw onder de heerschappij van Spanje, waardoor er een einde komt aan de gespannen situatie.

In 1680 wordt door landmeter J. Deplancke een figuratieve kaart opgemaakt met afbeelding van de dorpskern met de kerk. Ditmaal naar aanleiding van een conflict over de afbakening van de grens tussen de dorpsheerlijkheid en de heerlijkheid Poeke die over het dorpsplein van Ruiselede loopt. Het noorden bevindt zich onderaan rechts. De kerk staat afgebeeld in de toestand na de brand van 1645, zonder zijkoor en bedaking van het hoofdkoor. Op het plein voor de kerk staat de schandpaal van de heerlijkheid Poeke. Voorts staan rond de Markt een aantal huizen getekend waaronder de herbergen "den Arent", "de Roose", "den Keijsere","den Hert" en "den Leeuw".

In 1683 biedt een herbergentelling zicht op de uitgaansmogelijkheden in Ruiselede. Er worden 13 herbergen bij naam genoemd, waaronder enkele oude bekenden: "den Hert", "den Leeuw", "de Roose", "den Keijsere", "den Arent", "de Muelemotte", "het theerschat", "de Claphulle", "de Boecqueestoppel", "het Aengen" ("'t Haentjen"), "het Swijngen" ("'t Zwijntje"), "de Bursse" en "het Panhuis".

In 1686 wordt het "Rendebouck der Heerelichede van Ste Pieters gheseyt schalcklede toebehoorende d'Aelmoeserye" opgesteld. Het Sint-Pietersveld behoorde tot de eigendommen van deze aalmoezenij van de Sint-Pietersabdij. Het wordt hier voorgesteld als een kleine driehoek, met als naam "Bulscampvelt". Dit onontgonnen heidegebied sluit aan bij het grotere Bulskampveld. In het renteboek valt te lezen dat hier in de 17de eeuw nog turf gestoken wordt. Pas vanaf 1770 brengt de Sint-Pietersabdij deze gronden in cultuur. Uit het renteboek blijkt nog dat de gronden van de heerlijkheid Sint-Pieters-Schalklede liggen op het huidige Doomkerke tussen de "brantstraete", "sant straete", "dixmuytschen botterwegh" en de "straete commende van tswyntgen naer brugghe". Ook de "veltstraete", "haemerstraetien", "wijt straete" en de "brugghe wegh" worden vermeld.

1688 betekent de start van de kloostergemeenschap in Ruiselede, wanneer een groepje "geestelijke dochters" in de Bruggestraat gaat samenwonen onder het motto "ora et labora". De orde wordt gesticht door Elisabeth Van Hulle. De gemeenschappelijke woning staat bekend onder de naam "Spinhuys" (cf. Bruggesteenweg nr. 29), naar de voornaamste bezigheid van de zusters. De officiële erkenning als kloosterorde volgt pas later.

Op het einde van de 17de eeuw krijgt het Vlaamse platteland het weer hard te verduren ten gevolge van oorlogstroebelen. In 1692 is er sprake van armoede en honger en in 1695 wordt de kerk eens te meer geplunderd.

18de eeuw

In 1717 wordt het oostelijk deel van de kerk, vernield in 1645, herbouwd. Men merkt eveneens de slechte staat van de toren op, die bij het luiden van de klokken dreigt in te storten. Men beslist de toren te verstevigen en de kerk te vergroten. De werken hiervoor vinden plaats tussen 1720 en 1722.

In het begin van de 18de eeuw wordt het gemeenschapsleven in het zogenaamde "spinhuys" geordend volgens een regel waarin de dagbestedingen van de zusters tot in de details beschreven worden. De nadruk ligt op gebed en meditatie, maar er wordt ook les gegeven aan de arme kinderen van de parochie. Rond 1728 worden de bezigheden van de zusters uitgebreid met het runnen van een kostschool voor meisjes. In 1730 bestaat de gemeenschap uit een 20-tal zusters.

In 1730 is er sprake van pastoor Joannes Desmet die de ommegang (her?)opricht als bedevaart voor alle noden.

In 1744 wordt de "Hostens Molen", ook wel "Kruiswegemolen" (zie Kruiswegestraat zonder nummer) opgericht. Deze wordt in 1856-1857 met 23 meter verhoogd.

In de tweede helft van de 18de eeuw kent Vlaanderen een periode van relatieve rust en vrede met bevolkingsgroei als gevolg. Hierdoor stijgt de behoefte aan landbouwgrond en worden economisch weinig nuttige gronden ontgonnen. In 1770 wordt de ontginning van het Sint-Pietersveld aangevat door de bouw van een woning en stal door timmerman Jan Baptist Van Hove. Vanaf 1777 start de ontginning van het Bulskampveld. De vijvers worden drooggelegd, de heidegronden bebost en de bebossing in akkerland omgezet.

In 1774 wordt het runderbestand in Ruiselede aangetast door een zogenaamde "koeplaag". Er wordt een schutkring opgezet en de besmette dieren worden afgeslacht. Een kaart van landmeter P.J. Lemaieur duidt de geraakte hoeves aan, die zich voornamelijk in het zuidwesten van de gemeente bevinden.

Op de Ferrariskaart (1770-1778) is Ruiselede afgebeeld met concentratie van de bebouwing in een kleine dorpskern met een uitloper langs de huidige Bruggestraat, en daarbuiten sterk verspreide bebouwing. Het landschap wordt beschreven als hoofdzakelijk vlak, met een gesloten karakter door de vele hagen. De Poekebeek wordt aangeduid als de "Caele". Ten noorden van de Wantebeek (op de kaart aangeduid als "Veldtbeek") begint een bosrijk gebied, doorsneden door rechte dreven met nagenoeg geen bebouwing. Ten noorden van de huidige Maria-Aalterstraat begint een onontgonnen veldgebied, dat volgens de kaart deel uitmaakt van een groter geheel het "Bisschop Veldt".

Een telling van de herbergen in 1779 over de hele kasselrij Kortrijk levert in Ruiselede een lijst van 19 herbergen op, waarvan tien oude en negen nieuwe. Als oude herbergen worden "Den Hert" (alwaer de vierschaere van dheere Vanpoucques gehouden wordt), "den Leeuw", "de Swaene", "de Meulemotte", "de Roscam", "het Haentjen", "het Zwyn", "de Wante", "de Claphulle" en "de Burse" genoemd. De nieuwe herbergen zijn: "de Roose", "huys sonder uytsteeckbert staende dichte by het kerckhof bygenaemd den Vorten Wolfe", "de Dry Coningen", "den Nachtegaele", "Cruyswege", "Waepen van den heere baron Vanpoucques", "den Arent" (centrum), "de Spoele" en "het Vliegend Peert".

In 1785 wordt een plan opgemaakt van de bestaande kasseiwegen. Dit "Plan figuratif van het dorp of plaets van Ruysselede" toont de verharde wegen in de dorpskern, in totaal circa 2 km. Het gaat hier om de grote invalswegen: de Aalterstraat is verhard over een afstand van circa 600 m, tot aan het kruispunt met de Ommegangstraat, de G. Gezellelaan (richting Poeke) tot aan de hoek met de Verlovestraat (245 m), de Tieltstraat tot aan de Kapellestraat ( 362 m) en de Bruggestraat tot aan de hoek met de Knokstraat (709 m). In de Oostenrijkse periode (in andere gemeenten dé periode bij uitstek voor het aanleggen van steenwegen) wordt te Ruiselede de bestrating van de wegen niet verder uitgebreid.

In 1786 is voor het eerst sprake van de mogelijke oprichting van een nieuwe parochie en noodkerk in het noorden van Ruiselede, langs de Bruggesteenweg, nabij de huidige Gallatasbossen (het latere Doomkerke). De plannen worden pas 80 jaar later uitgevoerd.

De Franse Revolutie maakt een einde aan deze relatief rustige eeuw. Door de overwinning van de Fransen op de Oostenrijkers te Jemappes in 1792 wordt Vlaanderen bij Frankrijk ingelijfd. In de daaropvolgende turbulente periode heroveren de Oostenrijkers Vlaanderen met hun overwinning te Neerwinden in 1793 maar delven definitief het onderspit bij de slag van Fleurus in 1794.
Door de wet van 1 oktober 1795 wordt Ruiselede definitief bij de Franse Republiek gevoegd en heel wat administratieve veranderingen doorgevoerd. In het "Leiedepartement", ongeveer het huidige West-Vlaanderen vormt Ruiselede een kanton op zich, bestuurd door een aantal administrateurs, onder leiding van een président. De vroegere prochie wordt verdeeld in zeven wijken: "Zandvleuge", "Strokot", "Axpoele", "Molenakker", "Middenwijk", "Vlaagtwijk", "Zuidwijk". Bij een volkstelling, georganiseerd door de Franse overheerser, blijkt dat Ruiselede op het einde van de 18de eeuw reeds 5.051 inwoners telt, ongeveer het dubbele tegenover het begin van de eeuw. Hierin spelen de vrede, het wegblijven van besmettelijke ziekten, gekoppeld aan de invoer van nieuwe voedingsgewassen (aardappel) en de opkomst van de huisnijverheid een belangrijke rol.

De antiklerikale Franse overheid laat alle uiterlijke tekenen van godsdienst verwijderen en eist in 1797 de sleutels van de kerk op. De Ruiseleedse pastoor Van Kerchove en zijn onderpastoors weigeren de gevraagde "eed van getrouwheid" aan de Franse Republiek af te leggen. Het volgende jaar wordt de kerk als gerechtsgebouw ingericht. Hiernaast treedt een nieuwe wet op de conscriptie in voege, waardoor iedere jonge man als soldaat in het Franse leger kan worden opgeroepen. Dat alles leidt uiteindelijk tot een opstand. Eind oktober bereikt deze zogenaamde Boerenkrijg Ruiselede vanuit Schuiferskapelle (Tielt). De opstandelingen richten onder andere de Calvarieberg, die door de Fransen verwijderd is, opnieuw op en hakken de vrijheidsboom, symbool van het Franse revolutionaire gedachtegoed, onder meer Van Ruiselede gaat het verder naar Poeke. Begin november pakken de Fransen een aantal Ruiseleedse opstandelingen op en wordt het Christusbeeld verbrand. De Ruiseleedse notabelen leggen op 11 november noodgedwongen de "eed van getrouwheid" aan de Franse Republiek af.

De school van het "Spinhuys" wordt door de Franse overheerser in gebruik genomen als geseculariseerde "école primaire", gemeenteraadszaal en –secretariaat, (voorheen in "De Zwarte Leeuw"). De gebouwen van het "Spinhuys" worden op 20 november 1799 openbaar verkocht als zwart goed. De kopers, de gebroeders De Roo uit Tielt en Gent, zonen van de Ruiseleedse griffier Jan De Roo (1711-1786), zie A. Rodenbachstraat nummer 2, hebben een affectieve band met Ruiselede. Door uitblijven van betaling wordt de koop in 1803 nietig verklaard en kan de congregatie de gebouwen opnieuw verwerven.

19de eeuw

Rond het begin van de 19de eeuw start de ontginning van het Achterste Veld, een heidegebied aan de grens met Aalter in de omgeving Kruisbergestraat-Woestestraat, nabij het Zandbergkruis. Door de Franse bezetting komt dit gebied, Parochieveld genoemd, in handen van de gemeente, die deze economisch weinig waardevolle grond verdeelt in kleine percelen en in cijnspacht geeft (zie Krommekeerstraat). De gemeente blijft eigenaar, de pachter is verantwoordelijk voor het bouwen van een woning. Van deze eenvoudige lage huisjes is weinig bewaard. In dezelfde periode worden de laatste woeste gronden van het Bulskampveld ontgonnen.

Ondertussen gaan de hervorming van de Franse overheerser verder. Het kantonbestuur, in 1795 ingesteld, wordt al in 1800 vervangen door een conseil municipal, bestaande uit een maire en adjoints. Ruiselede fungeert in de Franse tijd ook als gerechtelijk kanton met vrederechter voor het grondgebied van Ruiselede en Wingene. In 1801, onder het bestuur van Napoleon wordt godsdienst uit de illegaliteit gehaald en mag de eucharistie opnieuw gevierd worden.

Vanaf 1801 gaat er twee maal per décade een markt door, maar nog tijdens hetzelfde jaar wordt dit teruggebracht tot één.

In 1804 mogen de kloosterzusters een pensionaat oprichten waar jonge meisje zullen onderricht krijgen in Frans, Nederlands, kantwerken, breien en borduren.

Nog in 1804 wordt de grens bij keizerlijk decreet van 24 juni tussen Ruiselede en Aalter gewijzigd en aangeduid met een grenspaal (zie Krommekeerstraat). Een deel woeste grond op Aalters grondgebied wordt bij de gemeente Ruiselede gevoegd. Dit Parochieveld bestaat ten westen uit de Kruisebergen, in het midden uit bossen met de Geeraardsvijvers, en ten oosten uit het Achterste Veld, gelegen aan de zandberg of voorheen de vroegere "Aelterschen Berg" (zie Kruisbergstraat, Zandberg, Zandbergstraat).

In 1807 worden voor het eerst straatnaamborden en huisnummers aangebracht. In hetzelfde jaar wordt gezocht naar een nieuwe locatie voor de begraafplaats. Men vindt de bestaande begraafplaats aan de kerk onhygiënisch, en bovendien wordt deze te klein. Verschillende percelen worden overwogen, plannen getekend door architect Vancaeneghem, maar na grondig onderzoek blijft alles voorlopig bij het oude.

Bij een nieuwe volkstelling in 1815 is het bevolkingsaantal gestegen tot 5.796 inwoners.

In 1821 wordt door pastoor Vandamme een aanvraag ingediend om een school op te richten op het Parochieveld. In 1822 in gebruik genomen (zie Zandberg nummers 8-16).

In 1827 wordt een nieuwe gemeenteschool opgericht in de Bruggesteenweg (nummers 112-114), ter vervanging van de oude, die te bouwvallig geworden is.

Uit een volkstelling in 1836 blijkt dat de bevolking uit 6.792 inwoners (bijna duizend meer) te bestaan.

Bij de zoektocht nar een locatie voor een suikerfabriek door de "Société de Bruges pour la fabrication de sucre de betteraves" wordt uiteindelijk geopteerd voor het Sint-Pietersveld. Nieuwe gebouwen (zie Bruggestraat nummers 128-134) worden in 1836 opgericht, met de bedoeling het gehele productieproces, van biet tot afgewerkt product, ter plaatse te laten uitvoeren. In 1839 gaat de fabriek echter reeds failliet. De slechte kwaliteit van de grond op het Sint-Pietersveld zal hier zeker een rol hebben gespeeld.

Tussen 1840 en 1850 wordt de Aalterstraat vanaf de hoek met de Poekevoetweg aangelegd. Tot dan ging de verbinding met Aalter, na het eerste, rechte gedeelte van de straat tot aan de Poekevoetweg, langs kleine wegen.

De vlasproductie is in de eerste helft van de 19de eeuw van groot belang voor de economie in het Tieltse en ook in Ruiselede. Tot het midden van de 19de eeuw gebeurt de verwerking van het vlas nog gedeeltelijk thuis.
Circa 1840 wordt de Knokmolen in de Knokstraat opgericht.

In 1842 wordt in opdracht van de overheid de Atlas der Buurtwegen opgesteld, teneinde de bestaande kleine wegen en wegels in kaart te brengen. Voor de dorpskern van Ruiselede geeft deze grosso modo dezelfde situatie weer als de Ferrariskaart: lintbebouwing langs de Bruggestraat en verspreide bebouwing langs de overige straten. In het noorden van Ruiselede is de ontginning van de veldgebieden goed op gang gekomen, te merken aan de aanwezigheid van een netwerk van loodrechte dreven enerzijds en kleine percelen, vaak met bijhorende woning, in de omgeving van het Parochieveld en de Krommekeerstraat, anderzijds.

In 1843 neemt pastoor Carolus Doom het initiatief tot het grotendeels herbouwen, herinrichten en uitbreiden van de kloosterschool met pensionaat van de zusters Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Er wordt een nieuw bejaardentehuis en weeshuis opgetrokken. In 1846 worden de zusters officieel als kloosterorde erkend volgens een nieuwe regel, opgesteld in 1844 door pastoor Doom. Tussen 1842 en 1848 verdubbelen de kloostergebouwen in omvang.

De Strokotmolen (zie Schoutskruisestraat) wordt opgericht in 1844.

Naar aanleiding van een publicatie van 1844 door kanunnik Charles Carton over de Slag van Axpoele wil de gemeente het wapenschild van de heren van Axpoele als gemeentewapen nemen. Dit wordt door het K.B van 28 augustus 1847 bekrachtigd.

Rond het midden van de 19de eeuw begint in Vlaanderen een periode van armoede en hongersnood, te wijten aan de teloorgang van de huisnijverheid, gecombineerd met twee mislukte oogsten. In 1848 wordt door de gemeente een werkschool opgericht op een onbekende locatie in de dorpskern, met als doel via het aanleren van spinnen en weven de thuisnijverheid opnieuw op gang te brengen en in goedkope arbeidskrachten te voorzien.

In hetzelfde jaar worden de gebouwen van de suikerfabriek op het Sint-Pietersveld opgekocht door de staat en omgevormd tot Staatsweldadigheidsschool met een modelboerderij. Vijfhonderd jonge landlopers krijgen er onderdak en leren een beroep. Deze hervormingsschool opent in 1851.
De zogenaamde "Axpoele-school" (zie Oudleikestraat nummer 20) wordt in 1853 opgericht op initiatief van pastoor Carolus Doom en volgens de literatuur bekostigd door de familie de Formanoir de la Cazerie (zie Aaltervoetweg nummer 9).

Tussen 1864 en 1866 worden onder impuls van pastoor Carolus Doom de plannen om een nieuwe parochie op te richten in het noorden van de gemeente, op het gehucht het Haantje, eindelijk uitgevoerd. De povere kwaliteit van de bodem in deze omgeving maakt ze weinig interessant voor de landbouw. Dit deel van de gemeente is vanouds dan ook weinig bebouwd. Tijdens de Franse bezetting wordt deze grond, in het bezit van de Sint-Pietersabdij te Gent, als 'zwart goed' verkocht aan een aantal rijke Brugse families, onder andere de familie Gilliodts. Langs de Brandstraat verrijzen een kerk, gewijd aan Sint Carolus Borromeus, de pastorie, en een school. In 1866 wordt even ten noorden het zogenaamde "Kasteel De Roo" opgetrokken. De familie de Roo, die dit kasteel als buitenverblijf gebruikt, blijft doorheen de jaren een belangrijke geldschieter voor de ontwikkeling van Doomkerke. De bakstenen voor het oprichten van deze gebouwen worden ter plaatse gebakken in een veldoven, uit klei gewonnen op een stuk grond achter "Pestels hof". De komst van de infrastructuur, in de vorm van een kerk en een school maakt deze tot dan toe waardeloze grond rijp voor verkaveling. De eigenaars van de grond laten huizen optrekken, vaak in dezelfde, plaatselijke baksteen, om deze vervolgens te verkopen. Zo ontstaat de typische aaneengesloten lintbebouwing van deze parochie. De erkenning als parochie laat echter op zich wachten.

In 1872-73 wordt de Onze-Lieve-Vrouwekerk verbouwd door provinciaal architect Pierre Nicolas Croquison. De bestaande vieringtoren wordt afgebroken en vervangen door een nieuwe westtoren. Tegelijkertijd wordt de kerk in westelijke richting met één travee verlengd. Een nieuw Mariabeeld boven de kerkdeur wordt ingehuldigd in 1873.

Eveneens in 1873 wordt gestart met de bouw van een nieuw gemeentehuis (zie Markt nummer 1). Tot dan toe is de gemeentelijke administratie ondergebracht in herberg "De Zwaan" (zie Bruggestraat nummer 2). De nood aan een nieuw gemeentehuis laat zich reeds sinds 1864 voelen, maar het duurt lang eer deze plannen tot uitvoering gebracht worden. Meerdere ontwerpen passeren de revue en uiteindelijk wordt via een wedstrijd het ontwerp gekozen van de relatief onbekende architect Henri de Fernelmont. In 1876 is het nieuwe gebouw afgewerkt en in gebruik genomen.

In 1874 wordt de "Axpoele-school" overgenomen door de zusters Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Zij maken er een zondagsschool van met een kleine bibliotheek en een congregatie. De school houdt op te bestaan na de Tweede Wereldoorlog.

In 1876 wordt Doomkerke verheven tot autonome parochie.

In 1879 wordt in de Aalterstraat een nieuwe "Vrije Knechtenschool" opgericht in het kader van de schoolstrijd tussen katholieken en liberalen. Het katholiek onderricht wordt hier in de Aalterstraat gegeven door lekenonderwijzers, het liberaal onderwijs blijft in de Bruggestraat (nr. 112-114).

Tijdens de laatste twintig jaar van de 19de eeuw emigreren veel inwoners van Ruiselede naar Noord-Amerika om daar hun fortuin te gaan zoeken. Vooral de parochie Doomkerke in het noorden van de gemeente, wordt getroffen door deze uittocht, aangezien de grond daar nauwelijks geschikt is voor landbouw en de bevolking er in armoede leeft.

In 1884 worden een kloosterwoning en school opgericht op de latere parochie Kruiskerke, langs de Kruiskerkestraat (zie nummers 12-14 ).

In 1886 wordt de tramverbinding tussen de stations van Tielt en Aalter aangelegd. Deze verbinding doet ook Ruiselede aan. De lijn voor de stoomtram wordt gerealiseerd tussen juni en november van dat jaar en plechtig ingehuldigd op 5 december. Vanaf 7 december rijdt de tram regelmatig door de Tieltstraat via de Kasteelstraat en de Markt naar de Aalterstraat.

In 1893 wordt de Axpoelewindmolen (zie Axpoelmolenstraat nummer 1), gelegen tegenover herberg "De Roskam", op de hoek van de Aaltervoetweg en de Axpoelmolenstraat, afgebroken.

In 1896 nemen de Broeders der Christelijke Scholen het bestuur van de "Vrije Knechtenschool" in de Aalterstraat over. Ze houden op vraag van brouwer Joseph Dewulf school in de lokalen van de Katholieke Jongerenkring "Den Tap" (zie Aalterstraat nummer 10).

20ste eeuw

In 1900 zijn de wegen in de dorpskern verhard, de grote invalswegen (Aalter-Tielt en Ruiselede-Beernem) zijn gekasseid, de secundaire wegen blijven onverhard. Langs de Bruggesteenweg bevinden zich tolbarrières die door de gemeente verpacht worden, onder andere aan herberg "De Klaphulle".

In 1906 wordt het begin van de Bruggestraat aanzienlijk verbreed. Plannen hiervoor bestonden reeds in 1866 maar hebben 40 jaar op de uitvoering moeten wachten. Een tiental huizen aan de oostkant worden afgebroken en op de nieuwe rooilijn heropgebouwd.

Uiteindelijk wordt in 1908 het kerkhof ontruimd en de nieuwe begraafplaats aan de Poekevoetweg in gebruik genomen.

In 1911 worden de ommegangkapellen hersteld door pastoor Gustaaf D'Hoore. Hij laat in elke kapel één smart van Onze-Lieve-Vrouw plaatsen, bestaande uit een gipsen afbeelding met in het voetstuk de letter "M" verwerkt.

In 1912 volgt de opening van een nieuwe tramlijn, die Gent via Nevele en Poeke met Ruiselede verbindt. Het Polenplein wordt daartoe aangelegd als 'tramstatie' met goederenstation. Ook de tramlijn Aalter-Tielt wordt verlegd om langs deze nieuwe 'tramstatie' te passeren.

Circa 1914 wordt een imposante nieuwe vleugel aan het klooster (zie Bruggestraat nummer 29), zijde van de Pensionaatstraat (zie nummer 10), opgetrokken voor de huisvesting van het pensionaat. Het ontwerp is van de Gentse Sint-Lucasarchitect Stéphane Mortier.

De Staatsweldadigheidsschool op het Sint-Pietersveld speelt een belangrijke rol in de Eerste Wereldoorlog. Achter de gebouwen leggen de Duitsers een vliegveld voor bommenwerpers aan. Om veiligheidsreden worden de gebouwen ontruimd en de bewoners overgebracht naar Merksplas. De jongensschool voor kinderen van het personeel dient als slaapzaal voor Duitse soldaten.

In 1923 wordt het vroegere kerkhof ingericht als gemeentepark en wordt er een monument voor de gesneuvelden opgericht.

In 1926 richt de Ruiseleedse architect Joseph Dewulf één van zijn vroegste woningen op (zie Tieltstraat nummer 13). Tijdens het interbellum tot ver in de tweede helft van de 20ste eeuw speelt hij een belangrijke rol in het uitzicht van Ruiselede, onder meer door het ontwerpen van enkele openbare gebouwen (zie Aalterstraat nummer 10, zie Pensionaatstraat nummer 10, Brandstraat nummer 105) en meerdere woonhuizen.

In 1932 wordt langs de Kruiskerkestraat naast het reeds bestaande klooster de kapel, later kerk op het Ruiseleeds Veld opgericht, op initiatief van pastoor Joseph van Rijckeghem. Hier ontstaat later de parochie Kruiskerke.
In 1934 bouw van de nieuwe klaslokalen aan de Poortefrankstraat.
In 1937 wordt een Heilig Hartbeeld ten noorden van de kerk geplaatst. In datzelfde jaar verlaten de Broeders de school in de Aalterstraat en wordt het onderricht overgenomen door lekenonderwijzers. Tegelijkertijd neemt men in deze periode nieuwe klaslokalen in gebruik.

In 1938 geeft het klooster de opdracht aan architect Gaston Vanden Heuvel (Knesselare) een lagere school voor meisjes te bouwen in de Pensionaatstraat (zie nummer 23).

Op 8 september 1944 wordt Ruiselede bevrijd door de 1ste Poolse Pantserdivisie van generaal Maczek. Gevechten vinden voornamelijk plaats langs de Bruggesteenweg, Kasteelstraat, Markt en Aalterstraat waarbij verschillende huizen worden vernield.

In 1946 vestigt Albert Maene zich als koster te Ruiselede (Aalterstraat nummer 27). Tevens verkoopt en bouwt hij instrumenten, voornamelijk piano's. Jongste zoon Chris wordt steeds nauwer betrokken bij het familiebedrijf. In 1975 worden de gebouwen van voormalige brouwerij "De Molen" (zie Aalterstraat nummer 4) aangekocht en gerestaureerd. In 1985 koopt het groeiende bedrijf gronden aan op de ambachtelijke zone (Industriestraat nummer 5) voor het oprichten van ateliers, toonzaal en kantoren. Thans zijn er reeds vestigingen in Gent en Brussel. Een nieuw complex langs de Industriestraat wordt in 2008 in gebruik genomen.

In 1947 begint men met de bouw van een nieuwe pastorie op het Ruiseleeds Veld. Later dat jaar, op 28 september wordt de nieuwe parochie Heilige Kruisverheffing Kruiskerke ingehuldigd. De eerste pastoor is Arthur Van Staen. Hij overlijdt drie jaar later en met de overbrenging van zijn stoffelijke overschot wordt de nieuwe begraafplaats te Kruiskerke (zie Kruiswegestraat zonder nummer) ingehuldigd.

In 1956 wordt de torenspits van de kerk, die bij de bevrijding vernield geraakte, heropgebouwd.

In 1970 wordt het pensionaat (zie Bruggestraat nummer 29 - Pensionaatstraat nummer 10) uitgebreid met een moderne nieuwe vleugel, parallel aan deze uit 1914. Het ontwerp is ditmaal van de Ruiseleedse architect Joseph Dewulf.

Vanaf 1971 wordt de indeling van Ruiselede in wijken, waarbij een adres bestaat uit de wijknaam met nummer, langzaam afgeschaft ten voordele van een moderner systeem met straatnamen en nummers.

In 1972 worden de plannen opgemaakt voor een nieuwe verkaveling bestaande uit 25 sociale woningen en zes bejaardenwoningen langs een nieuw aan te leggen weg, de Toekomstlaan. De sociale wijk wordt nog eens uitgebreid met 30 sociale woningen in de Tuinwijk.
In hetzelfde jaar wordt een eerste ontwerp gemaakt voor het sportcomplex met jeugdcentrum, dat in 1975 opgericht wordt op voormalige tuingrond van Tieltstraat nummer 20.
Bij de fusie van de gemeenten in 1977 blijft Ruiselede bestaan als zelfstandige gemeente.

In 1981 wordt een gedeelte van de dorpskern beschermd als dorpsgezicht bij Koninklijk Besluit van 8 april. Dit oorspronkelijke dorpsgezicht bestaat uit de Onze-Lieve-Vrouwekerk (die beschermd wordt als monument) met het gemeentehuis, gemeentepark en omgeving als dorpsgezicht.

In 1983 wordt ook het gemeentehuis als monument beschermd.

In 1988 start men met de aanleg van een nieuwe Ring (N37), die de Aalterstraat met de Tieltstraat verbindt en het centrum moet ontlasten van het doorgaand verkeer tussen Tielt en Aalter.

In 1995 worden de Visserijvijver (zie Krommekeerstraat) en de omliggende bossen door de gemeente aangekocht en opengesteld voor het publiek.

In 1999 wordt het beschermde dorpsgezicht bij Ministerieel Besluit van 12 februari uitgebreid. Het herenhuis met hek (zie Aalterstraat nummer 7) wordt als monument beschermd en het dorpsgezicht wordt aanzienlijk uitgebreid en omvat nu ook de Aalterstraat (nummers 2, 3, 4, en 5), de A. Rodenbachstraat (nummers 1,-3, 2, 5 en 7), de Kasteelstraat (nummers 7, 9, 13, 16-22, 17, 24, 26-28) en Markt (nummer 2).

In 2003-2004 worden de Aalterstraat en de Tieltstraat heraangelegd als eerste aanzet voor de dorpskernvernieuwing. Vervolgens komt de Aalterstraat aan de beurt en in 2006 wordt gestart met de restauratie van de kerk en de heraanleg van het centrale plein rond de kerk, waarbij men teruggrijpt naar de ovale structuur zoals afgebeeld in Sanderus' Flandria Illustrata.

De lagere school in de Pensionaatstraat (cf. nr. 23) wordt in 2003 gerenoveerd en krijgt een nieuwe vleugel naar ontwerp van de Ruiseleedse Ir. Arch. Freddy De Schacht. De oude katholieke jongensschool in de Poortefrankstraat wordt in 2006 omgebouwd tot bibliotheek en muziekschool (zie Nieuwstraat nummer 8) door architectenbureau Buro II uit Roeselare.

RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BOUWKUNDIG ERFGOED

De kern van Ruiselede situeert zich rond de Markt met centraal de beeldbepalende aanwezigheid van het gemeentehuis en de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Het kerndorp wordt gevormd door de Markt en aansluitend de Kasteelstraat, Bruggestraat, A. Rodenbachstraat, G. Gezellelaan, Nieuwstraat, Verlovestraat, Poortefrankstraat, Pensionaatstraat en het begin van de Aalterstraat.
Lintvormige uitwaaieringen langs de Bruggestraat (noord), Aalterstraat (noordoost), Poekestraat (oost) en Tieltstraat (zuid). De vroegere verbindingsweg Tielt-Aalter doorkruist aanvankelijk de dorpskern, maar is heden vervangen door de zuidelijke Ring, de N37. Deze loopt ten zuidoosten van de dorpskern. In het noorden wordt de bebouwde kom begrensd door de Poekebeek. De westkant wordt grosso modo afgebakend door de Groenestraat en de Kruiswegestraat. Tussen de Aalterstraat en de N37 is een ambachtelijke zone ingeplant, langs de Bruggestraat het slachthuis.

In het noorden van de gemeente liggen de parochies Doomkerke met de Brandstraat, en Kruiskerke met de Kruiskerkestraat als hoofdweg. Tussen beide parochies en het kerndorp situeert zich het gehucht de Klaphulle. Buiten deze kernen hoofdzakelijk landelijk gebied met verspreide bewoning en in het noorden enkele belangrijke natuurgebieden en een voormalige veldzone (Sint-Pietersveld) aansluitend bij het Bulskampveld (zie Beernem).
Nog in het noorden heeft de aanwezigheid van de Gemeenschapsinstelling Bijzondere Jeugdbijstand leefgroep "De Zande" (zie Bruggesteenweg nummers 128-134) met gebouwen, personeelswoningen (zie Wingene) en omliggende gronden een belangrijke impact hebbend op de omgeving.

Op de "Grenskaart tussen de kasselrijen Kortrijk en de Oudburg" van 1627, geschilderd door landmeter Lodewijk de Bersacques, is de aanleg van de dorpskern met uitwaaierende straten herkenbaar evenals op de gravure uit Sanderus' Flandria Illustrata (1641-1644). In het landelijk gebied staan op de Grenskaart de meeste belangrijke wegen aangeduid. Op de Ferrariskaart (1770-1778) is er langs de Bruggestraat lintbebouwing en al dan niet aaneengesloten bebouwing langs de Aalterstraat en A. Rodenbachstraat te zien. In het landelijke gebied is er een concentratie van bewoning in de gehuchten de Klaphulle en 't Haantje (later Doomkerke) en is de hoevebouw toegenomen. Behalve de aanleg van een aantal dreven is het noordelijk veldgebied nog onontgonnen.
Op de Atlas der Buurtwegen (1842) is de exploitatie met aanleg van rechthoekige percelen volop aan de gang.

De bebouwing in de dorpskern, beschermd als dorpsgezicht, is geconcentreerd rondom de belangrijkste in- en uitvalswegen. De basisbebouwing is gekenmerkt door heterogene rijwoningen, in kern opklimmend tot de 18de eeuw, maar hoofdzakelijk uit de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Huizen met neoclassicistische gevels in het begin van de Aalterstraat (onder meer het als monument beschermde herenhuis met hek, nummer 7), de Bruggestraat, A. Rodenbachstraat, Kasteelstraat.
De Kasteelstraat en het eerste deel van de Oude Tieltstraat worden getypeerd door de aanwezigheid van een aantal vrijstaande herenhuizen. Deze woningen met kasteelallures uit de tweede helft van de 19de en begin van de 20ste eeuw, hoofdzakelijk opgetrokken in een neoclassicistische stijl, liggen in ruime, omhaagde tuinen.
Historiserende stijlen geïnspireerd op lokale voorbeelden komen voor langs de Aalterstraat, Bruggestraat, Kasteelstraat en ook bij het klooster in de Bruggestraat en school langs de Pensionaatstraat. De Bruggestraat heeft een opvallende rij herenwoningen met eclectische gevels, gerealiseerd na de rooilijnwijziging van 1905. Voorts eenheidsbebouwing van arbeiderswoningen onder meer in de A. Rodenbachstraat en Aalterstraat.
Weinig typische woningen of gevels uit het interbellum, o.m. langs de Kasteelstraat en de Bruggestraat.
Merkwaardige aanwezigheid in het centrum van een dorpshoeve aan de G. Gezellelaan eventueel met een 17de-eeuwse kern en in de buurt van een nu verdwenen motte. Van de dertien molens die het molendorp Ruiselede indertijd rijk was blijven er nog drie over.
Rond de oude kern enkele verkavelingen en tuinwijken in de omgeving van de Tieltstraat, Oude Tieltstraat en Ommegangstraat.

De parochies Doomkerke en Kruiskerke worden gekenmerkt door langgerekte lintbebouwing langs de hoofdstraten. De kern van Doomkerke met kerk, school en kasteel heeft langs de Brandstraat een eerder compacte bebouwing in de buurt van de kerk (beschermd als monument) met kerkhof (beschermd als landschap), met een zeer homogeen karakter ten gevolge van de quasi simultane bouw en het gebruik van dezelfde (lokaal gebakken) baksteen. Heden gaat deze homogeniteit echter meer en meer verloren ten gevolge van afbraak en (ver)nieuwbouw. Richting noord en aan de Bruggesteenweg is de bebouwing meer open. Het kasteel is opgenomen in het beschermde landschap Sint-Pietersveld.
De jongere parochie Kruiskerke met kerk en school heeft recentere en meer vrijstaande bewoning en enkele verkavelingen.

Als landbouwgemeente beschikt Ruiselede over een groot agrarisch gebied, voornamelijk ten noorden en ten westen van de dorpskern doorkruist door landelijke wegen aansluitend op de noord-zuidas van de Bruggestraat-Bruggesteenweg, Brandstraat-Smisseweg en Kruiskerkestraat-Wantestraat. Het landschap wordt getypeerd door hoeven met akkers en weilanden met open karakter. De boerderijen gaan vaak terug op middeleeuwse structuren. Van de historische hoeves, vaak de zetel van een heerlijkheid, zijn enkele nog gedeeltelijk omwald. Enkele hoeves beschikken over 18de-eeuwse boerenhuizen. Meestal echter hebben de boerderijen nieuwe of vernieuwde gebouwen en is er een opvallende aanwezigheid van grootschalige runder- en varkensteelt.
Ten zuiden van de N37 ligt een weinig versnipperd landbouwgebied, afgesneden van de gemeente, en met de Poekestraat als oost-west as. Overwegende aanwezigheid van weilanden.

Het hydrografisch netwerk bestaat uit enkele beekstelsels die de gemeente van oost naar west doorkruisen. De beekvalleien, herkenbaar in het landschap door gebruik van gras- en hooilanden, zijn schaars bebouwd.

Open gebied rond het Sint-Pietersveld en het Ruiseleeds Veld met dreefstructuren als bepalende lijnelementen in het landschap. Gekenmerkt door akkerbouw op de eerder droge gronden en in het westen begrensd door een fijnmazig patroon van dreven en bossen en schaarse bewoning.
Ten noorden van de Wantebeek is er een afwisseling van weilanden en bossen en minder hoevebouw. De bossen situeren zich overwegend tussen Doomkerke en Kruiskerke. De Bruggesteenweg loopt tussen de Gallatasbossen en de Vorte Bossen. De Vorte Bossen en het Schoonbergbos-Slangebossen (beschermd als landschap) zijn door dreven met elkaar verbonden. Ten oosten daarvan ligt een veldgebied aansluitend op het Egypteveld en Hoogveld op grondgebied Aalter.

  • ARCHIEF RUIMTELIJKE ORDENING WEST-VLAANDEREN – ONROEREND ERFGOED, Archiefnrs. W/ 00523, W/01028, W/01558, W/01559.
  • RIJKSARCHIEF BRUGGE, Kaarten en plannen, nr.1509.
  • RIJKSARCHIEF GENT, Kaarten en plans, nr. 1585.
    RIJKSARCHIEF GENT, Kaarten en plans, nr. 2436.
  • BRAET M., Boerenkrijg te Ruiselede 1797-1799, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 16, nr. 2, 1999, p. 51-61.
  • BRAET M., De Nachtegaal, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 10, nr. 4, 1993, p. 139-148.
  • BRAET M., Het dagboek van Galbert en de slag van Axpoele (1128) in de oudste annalen en kronieken, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 20, nr. 2, 2003, p. 62-68.
  • BRAET M., Het Ruisleeds Veld: parochie met een boeiend verleden, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 14, nr. 3, 1997, p. 107-168.
  • BRAET M., Mijmeringen bij documenten en foto's 120 jaar Doomkerke, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 13, nr. 4, 1996, p. 156-176.
  • BRAET M., Op en rond Tieste Van Ackers hof, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 15, nr. 2, 1998, p. 51-60.
  • BRAET A., Ruiselede in moeilijke tijden (1550-1600). Sociaal-economische schets, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 18, nr. 3, 2001, p. 111-146.
  • BRAET M., Rusleda 900 jaar. Een kroniek 1106-2006, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 23, nr. 4, 2006, p. 163-240.
  • BRAET M., 'Ruyslede by Tielt' dorpsgezicht in Sanderus' Flandria Illustrata' (1644), in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 20, nr. 4, 2003, p. 167-172.
  • BRAET M., Tempeliershoeve ter Vlaegt en de Orde van Malta te Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 21, nr. 4, 2004, p. 147-170.
  • BRAET M., Verklaring van de Ruiseleedse straatnamen, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 23, nr. 1, 2006, p. 3-41.
  • BRAET M., COPPENS W., DEBACKER R., DEGUFFROY G., MEULEBROUCK G., De O.-L.-Vrouwkerk van Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 9, nr. 2, 1992, p. 57-88.
  • BRAET M., VAN HULLE D., Stichting van Gillis Vursbrouck en Pierijne Waeghebrugghe te Ruiselede in 1515, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 20, nr. 3, 2003, p. 137-144.
  • CLAEYS J., De hongerjaren 1840-1850 te Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 16, nr. 1, 1999, p. 29-39.
  • COORNAERT M., RYCKAERT M. en VANDERMAESEN M., De Witte Kaproenen. De Gentse opstand (1379-1385). De geschiedenis van de Brugse Leie, Gent, 1979.
  • CORNILLY J., Monumentaal West-Vlaanderen, dl. 1, Brugge, 2001, p. 205-211.
  • DE BACKER R., De Ferrariskaart van Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 1, nr. 1, 1984, p. 35-39.
  • DE BACKER R., De heerlijkheden van Ruiselede in kaart, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 5, nr. 3, 1988, p. 149-165.
  • DEBACKER R., Fotoreportage: De bevrijding van Ruiselede in 1944, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 1, nr. 2, 1984, p. 100-109.
  • DEGUFFROY G., Een hoeve nader bekeken: Het leen ten Hulle, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 3, nr. 2, 1986, p. 58-68.
  • DEGUFFROY G., Ruiseleedse kapellen en kruisen, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 12, nr. 3, 1995, p. 91-152.
  • DEGUFFROY G., 't Haantje… vredig vergeten gehucht, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 2, nr. 1, 1985, p. 94-98.
  • DEGUFFROY G., DEPREDOMME J., Ruiseleedse plaatsnamen, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 10, nr. 4, 1993, p. 163-195.
  • DEMYTTENAERE A. en VAN CAENEGHEM R., De moord op Karel de Goede, Leuven, 1999.
  • DEPREDOMME J., Het Zandbergkruis vroeger en nu, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 2, nr. 2, 1985, p. 3-13.
  • DEPREDOMME J., Rond Axpoele en zijn kruis, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 8, nr. 3, 1991, p. 99-111.
  • DEPREDOMME J., Ruiselede anno 2000. Beknopte beschrijving en historisch overzicht, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 18, nr. 4, 2001, p. 175-186.
  • DEPREDOMME J., Ruiseleedse gebouwen en plaatsnamen op de Grenskaart van 1627, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 2, nr. 2, 1985, p. 87-92.
  • DE SMET G., Historiek van de kerk te Ruiselede (900-1968), Ruiselede, 1968.
  • DE VLIEGHER L., Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen 9: De molens van West-Vlaanderen, Tielt, 1984, p. 350-359.
  • DEVYT C., Westvlaamse Windmolens – Inventaris volgens de toestand op 1 januari 1965, Brugge, 1966, p. 104-106.
  • DE WULF G., Nog een brouwerij te Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 3, nr. 1, 1986, p. 72-76.
  • D'HOOP F.-H., Cartularium. Recueil des chartes du prieuré de Saint-Bertin à Poperinghe et de ses dépendances à Bas-Warneton et à Couckelaere, déposées aux archives de l'état à Gand, Brugge, 1870, p. 221.
  • GELAUDE F., Coeyplaege te Ruiselede in 1774, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 15, nr. 2, 1998, p. 61-88.
    GELAUDE F., Ruiseleedse vlasteelt in 1811, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 4, nr. 3, 1987, p. 135-136.
  • GELAUDE F., VAN WONTERGHEM E., Ruiseleedse kroniek van 1801, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 6, nr. 4, 1989, p. 191-199.
  • GELAUDE F., VAN WONTERGHEM E., Ruiseleedse kroniek van het jaar 1802, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 7, nr. 2, 1990, p. 81-86.
  • GELAUDE F., VAN WONTERGHEM E., Ruiseleedse kroniek van het jaar 1804, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 8, nr. 2, 1991, p. 57-66.
  • GELAUDE F., VAN WONTERGHEM E., Ruiseleedse kroniek van het jaar 1807, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 9, nr. 4, 1992, p. 185-193.
  • GELAUDE F., VAN WONTERGHEM E., Ruiseleedse kroniek van het jaar 1810, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 11, nr. 2, 1994, p. 65-75.
  • GELAUDE F., VAN WONTERGHEM E., Ruiseleedse kroniek van het jaar 1900 (2), in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 17, nr. 2, 2000, p. 82-95.
  • GELAUDE F., VAN WONTERGHEM E., Ruiselede op de vooravond van het jaar 1800, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 6, nr. 1, 1989, p. 15-27.
  • Gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Ruiselede, Brugge, 2007.
  • HOLLEVOET F., Het fort in Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 5, nr. 1, 1988, p. 26-38.
  • HOLLEVOET F., Het Spinhuys zonder spinsters (1799-1803), in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 5, nr. 3, 1988, p. 102-108.
  • LEMEY P., Ruiselede en 't vlas, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 4, nr. 3, 1987, p. 125-134.
  • NUYTTEN R., Bisschop Triest bezoekt Ruiselede (1), in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 3, nr. 2, 1986, p. 114-120.
  • NUYTTEN R., Ruiselede – 1106, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 1, nr. 1, 1984, p. 4-8.
  • SEMEY J., Ruiselede: grafheuvels uit de bronstijd, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 11, nr. 3, 1994, p. 103-110.
  • SILVERSMET T., Verzameld archief van Ruiselede, deel 1, Westvlaams Genootschap voor Familie- en Wapenkunde i.s.m. Heemkundige Kring "Oud Ruysselede", s.d., s.l.
  • STOCKMAN L., Een dorpsgezicht van Ruiselede in 1680, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 1, nr. 2, 1984, p. 76-78.
  • VAN BELLEGHEM D., Ruiselede. Van boerenstiel naar agro-economie, in UYTTENHOVE P. e.a., Recollecting Landscapes. Herfotografie, geheugen en transformaties 1904 – 1980 – 2004, Gent, 2006, p. 253-271.
  • VANCOPPERNOLLE M., Een kwarteeuw parochie Kruiskerke 1947-1972, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 2, nr. 1, 1985, p. 24-26.
  • WONTERGHEM E., Honderd jaar buurtspoorwegen te Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 4, nr. 2, 1987, p. 67-86.
  • WONTERGHEM E., Over cafés gesproken: onze Ruiseleedse herbergen, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 19, nr. 1, 2002, p. 13-20.
  • VERHOUSTRAETE A., Feodaal overzicht van Ruiselede, Maldegem, overdruk uit Appeltjes van het Meetjesland, jg. 16, 1965.
  • VERMEULEN F., HAGEMAN B., Opgravingen te Ruiselede Poelvoorde 1996, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 14, nr. 1, 1997, p. 3-17.
  • VERWAETERMEULEN A., Oude spelling der dorps- en steênamen van West-Vlandren, in Biekorf, jg. 4, 1893, bijblad p. 40-82.

Bron: Van Vlaenderen P. & Vranckx M. 2008: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Ruiselede, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL39, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Van Vlaenderen, Patricia & Vranckx, Martien

Datum tekst: 2008

Relaties

omvat Dorpskern Ruiselede

A. Rodenbachstraat, Aalterstraat, G. Gezellelaan, Kasteelstraat, Markt, Nieuwstraat (Ruiselede)

omvat Hoogveld, Blekkerbos en omgeving

Aalter (Aalter), Ruiselede (Ruiselede)

omvat Kasteeldomeinen Drie Koningen en Lippensgoed-Bulskampveld, Vagevuurbossen, Sint-Pietersveld en Predikherenbossen

Beernem (Beernem), Hertsberge (Oostkamp), Ruiselede (Ruiselede), Wingene (Wingene)

omvat Rijksopvoedingsgesticht en omgeving

Bruggesteenweg, Vagevuurstraat (Ruiselede), Sint Pietersveld (Wingene)

omvat Vallei van de Poekebeek met kasteeldomein van Poeke

Lotenhulle, Poeke (Aalter), Ruiselede (Ruiselede)

omvat Vallei van de Wantebeek met Vorte Bossen, Slangenbos en Schoonbergbos

Aalter (Aalter), Ruiselede (Ruiselede)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.