Hoogbouwwijk Sint-Maartensdal

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ bouwkundig geheel

Locatie

Alternatieve naam Sint-Maartensdal
Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Leuven
Deelgemeente Leuven
Straat Sint-Maartensdal
Locatie Sint-Maartensdal 1-7 (Leuven)
Status (deels) bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Herinventarisatie Leuven (geografische herinventarisatie: 01-01-1997 - 15-02-2010).
  • Synchronisatie onderzoeksproject Renaat Braem (1910-2001) (synchronisaties: 16-09-2010 - 31-10-2010).
  • Thematische inventarisatie sociale woningbouw (thematische inventarisatie: 01-10-2011 - 31-08-2016).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Hoogbouwwijk Sint-Maartensdal

Deze vaststelling is geldig sinds 15-10-2010. (Vaststellingsbesluit)

Beschrijving

In 1955 ontvangt Braem op aansturen van Franz Tielemans, burgemeester van Leuven, samen met Albert Moerkerke en Jan De Mol de opdracht voor een hoogbouwwijk op de terreinen van de Sint-Maartenskazerne in Leuven. Deze opdracht voor hoogbouw in het midden van de historische stad is uniek in de geschiedenis van de moderne stedenbouw en architectuur in België. Ook binnen de loopbaan van Braem bezet het ontwerp voor Sint-Maartensdal een bijzondere plaats. Het kondigt de overgang aan naar de biomorfe vormgeving die zijn oeuvre vanaf het einde van de jaren 1950 kenmerkt. Met het oog op het scheppen van "een aangename, ruimtelijk bevrijdende woonsfeer" zoekt Braem zowel in het stedenbouwkundig opzet als in de architecturale uitwerking bewust naar een "een levendige, bewogen vormgeving", die gebaseerd is op een organische samenhang van functie en vorm. Hij introduceert daarbij twee nieuwe gebouwtypes: de hexagonale "gekonsentreerde" toren en het langblok in visgraatvorm. Ze worden opgesteld in een geometrisch schema dat wordt bepaald door zichtassen en lichtinval. Het resultaat is een monumentale en expressieve verschijningsvorm die grondig afwijkt van bijvoorbeeld het rechtlijnig karakter van de Modelwijk op De Heizel (Brussel), die hij in hetzelfde jaar ontwerpt. Sint-Maartensdal staat dan ook bekend om het non-conformistisch karakter waarmee Braem stelling neemt tegen zowel het traditionele bouwen als tegen de gemeenplaatsen van het geijkte modernisme. De wijk wordt tussen 1960 en 1971 in drie fasen uitgevoerd volgens een sterk gewijzigd aanlegplan. Hoewel ze hierbij aan kwaliteit inboet, wordt ze in architectuurmiddens gunstig ontvangen als alternatief voor "de anonieme blokvorm waarin zoveel individualiteiten worden geperst". In 1967 ontvangt de wijk van de SBUAM (de Société des Urbanistes et Architectes Modernistes) een bijzondere onderscheiding als "meest opmerkelijke realisatie recent gebouwd in België". Ook in populaire media wordt het zonnige en menselijk karakter van de appartementsgebouwen geloofd.

Geschiedenis en context

Het ontwerp voor Sint-Maartensdal maakt deel uit van een algemeen programma van sanering en modernisering van de stadskern, opgezet door het stadsbestuur en de Samenwerkende Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken (SMGWW) van Leuven (later de Gewestelijke Samenwerkende Maatschappij voor de Huisvesting Leuven). Met het aantreden van een rood-blauw gemeentebestuur in 1953 wordt de socialistische burgemeester Franz Tielemans de bezieler van een huisvestingsbeleid dat zich tot doel stelt "op een meer moderne wijze" arbeiderswoonwijken aan te leggen in groene omgevingen. Daartoe wordt een nieuwe gemeentelijke dienst van huisvesting opgericht en wordt de samenwerking tussen het stadsbestuur en de lokale bouwmaatschappij in vaste vorm gegoten: Tielemans wordt naast burgemeester ook voorzitter van de SMGWW. Die richt zich vooral op het vervangen van krotwoningen door zogenaamde gemengde complexen waar naast "normale" gezinnen ook voormalige krottenbewoners worden gehuisvest. Binnen dit kader zien verschillende, eerder kleinschalige bouwprogramma's voor volledig uitgeruste sociale appartementswoningen met collectieve voorzieningen het daglicht. Tielemans presenteert deze nieuwe wooncomplexen als het symbool van een modern en voortvarend stadsbestuur.

Begin 1955 beslist het stadsbestuur om een grootschalige saneringsactie van de volledige binnenstad in te zetten. Speerpunt van deze operatie is het plan om op de plaats van de Sint-Maartenskazerne "een esthetisch en urbanistisch verantwoord appartementencomplex op te richten". Met de sanering van deze historisch belangrijke site komt een terrein van 4,5 hectare vlak bij het station en de industriezone aan de Vaart vrij voor woningbouw. De grond is eigendom van de stad, de te slopen kazerne van de staat. Met het oog op het verwezenlijken van zo veel mogelijk nieuwe woningen met behoud van open ruimte in de stad, wordt geopteerd voor een hoogbouwwijk met 720 woningen voor 2500 inwoners. Tot dan had de bouwactiviteit van de maatschappij zich vooral toegespitst op de Leuvense randgemeenten en op de bouw van kleinere wooncomplexen. De keuze voor hoogbouw wordt echter door alle betrokken partijen sociaal verantwoord bevonden wegens de bijzondere demografische situatie waarin Leuven zich bevindt. Door het nijpend gebrek aan bouwgrond in de stad hebben vele bewoners zich in de rand gevestigd. Met het realiseren van zo veel mogelijk goede en goedkope woningen in een luchtige en open omgeving op slechts vijf minuten van het stadscentrum hoopt het stadsbestuur een krachtige rem te plaatsen op de stadsvlucht. Tielemans ziet in het verwezenlijken van het project voor Sint-Maartensdal zelfs de mogelijkheid om "met één slag de oplossing [te] brengen aan het voor onze stad beangstigend probleem: het saneren van een oude stad zonder verlies aan bevolking". De stad Leuven, zo schrijft Tielemans in een nota, stelt met dit project dan ook "haar kandidatuur, als pilootstad in de strijd tegen de krotten". In mindere mate speelt ook het argument mee om het rode kiezerspubliek in de stad op peil te houden. Bovendien wil Tielemans Sint-Maartensdal optillen tot een werkelijk groots project: een stadswijk die net als de Modelwijk in Brussel tijdens Expo 58 dienst kan doen als "noodhotel". Dat stelt hem ook in de gelegenheid overheidsfinanciering aan te vragen, zodat de wijk zowel "in het binnenland als in het buitenland […] weerklank" kan vinden en een "Europees unicum" kan worden.

Wellicht door de bekendheid die hij met het Kiel had verworven, krijgt Braem in 1955 van het stadsbestuur de opdracht voor een voorstudie die de hele onderneming kan "inleiden [...] bij de bevoegde instanties". Braem tekent een eerste rudimentair voorstel van een volledige verkeersvrije hoogbouwwijk. Hij voorziet de wijk ook van een uitgebreide gemeenschapsuitrusting: een café en een restaurant op de daken van de torens, een sociaal centrum met bibliotheek, een bewaarschool, speelpleinen, een thermische centrale en garages. Om het principe van een strikte scheiding van verkeer door te kunnen voeren, houdt Braem van bij aanvang geen rekening met het bijzonder plan van aanleg uit 1949, dat een dwarsweg voorschrijft over het terrein. Braem ziet in het ontwerp van Sint-Maartensdal ook een unieke gelegenheid om in het centrum van de stad een "prachtige groene aanleg" in te richten, die de hele stad ten goede komt. Op basis van dit eerste opzet kent de beheerraad van de lokale maatschappij op 12 oktober 1955 de opdracht voor het opmaken van het ontwerp toe aan Braem. Rekening houdend met de politieke samenstelling van het schepenkabinet en de beheerraad van de maatschappij worden de socialistische architect Albert Moerkerke uit Leuven (overleden in 1967) en de liberale ingenieur-architect Jan De Mol uit Antwerpen als partners toegevoegd. De taakverdeling is van bij aanvang duidelijk. Braem is verantwoordelijk voor het ontwerp. Moerkerke staat als lokale architect in voor de uitvoering. De Mol behartigt de administratieve kant van het ontwerp.

In 1956 verkrijgt de stad via een ruilakte met de staat de Sint-Maartenskazerne. Begin 1956 dienen de architecten een voorontwerp in voor 687 wooneenheden, dat op verzoek van Tielemans eveneens een voorstel bevat voor de aanpassing van de wijk tot hotelaccomodatie tijdens Expo 58. Het voorontwerp is opgebouwd uit twee hexagonale torens, verschillende langblokken in visgraat en twee afzonderlijke lage gebouwen voor de bewaarschool en het sociaal centrum met bibliotheek. In een aantal opeenvolgende voorstellen varieert het aantal en de positie van de langblokken. Het basisprincipe van het schema is echter steeds gebaseerd op zichtassen en perspectieven. In 1956 gaat de Nationale Maatschappij principieel akkoord met het inplantingsplan, maar weigert het café en restaurant op de daken van de torens. Met het sociaal centrum en de bewaarschool dient te worden gewacht tot na 1958. Na een aantal kleinere wijzigingen wordt in 1957 een aangepast inplantingsplan goedgekeurd, dat ook voorziet in de oprichting van een feestzaal en tentoonstellingshal door de stad op de terreinen. Op basis van dit plan wordt beslist over te gaan tot de eerste uitvoeringfase en worden de bouwaanvragen voor de twee torens, een langblok en de thermische centrale goedgekeurd. In 1958 wordt de kazerne gesloopt en verkoopt de stad 3,89 ha grond aan de maatschappij. Zelf behoudt ze een deel van het terrein voor de feestzaal en tentoonstellingshal, en een aantal bestaande gebouwen aan de zuidrand waarin zich stadsmagazijnen bevinden.

De uitvoering loopt echter onmiddellijk vertraging op. Met het aantreden van een homogeen katholiek stadsbestuur in 1959 en de vervanging van Tielemans als voorzitter van de beheerraad van de SMGWW van Leuven wordt Sint-Maartensdal onderwerp van een politieke controverse. Aan katholieke zijde wordt een scherpe campagne gevoerd tegen de "kazernebouw" en er gaan stemmen op om het terrein te verkavelen voor individuele woningen. Het plan wordt uiteindelijk niet opgedoekt maar grondig herzien. Het sociaal centrum en het kinderdagverblijf worden geschrapt. Verder eist de stad dat de verbindingsweg waarin wordt voorzien in het BPA, wordt aangelegd. Na een eerste aangepast voorstel in 1960 komen de architecten in 1961 tot een definitief aanlegplan dat volgens Braem "een verregaande banalisering [is] van de compositie". Het aanlegplan is opgebouwd rond drie torens, drie langblokken en een "verbindingsblok". Door het aanleggen van de verkeersweg over het terrein gaat het idee van een wooneenheid in een doorlopend park echter verloren. Tussen 1960 en 1971 wordt de wijk in drie opeenvolgende fasen uitgevoerd. Ook tijdens de uitvoering vindt nog een aantal wijzigingen plaats. Na aanvang van de werken wordt ook beslist de hoofdtoren te bekronen met een zendmast van 45 meter hoog, die zal uitgroeien tot het symbool van de wijk.

Het eerste inplantingsplan (1956-1957)

Met het voorontwerp van Sint-Maartensdal levert Braem een opmerkelijk masterplan af. De vraag naar een wijk met hoge densiteit in het centrum van de stad leidt tot een origineel schema, waarin rationele principes en monumentale perspectieven tot een ongebruikelijke synthese komen. Het ontwerp van Sint-Maartensdal staat, zo stelt Braem in een begeleidend schrijven, in het teken van het zoeken naar een architecturale en stedenbouwkundige oplossing die de gevraagde dichtheid realiseert en tegelijk de "essentiële waarden van goed wonen" verzekert, "zijnde licht, lucht, zon, ruimte en waar wooncomfort". De nieuwe wijk dient voorwaarden te scheppen van wonen "welke scherp […] afsteken bij de heersende woontoestanden in de oude wijken, toestanden welke immers de oorzaak zijn van de vlucht naar de voorgeborchten buiten de stad." Deze voorwaarden zijn volgens Braem alleen te verwezenlijken door een concentratie van de woningen in de hoogte, zodat voldoende open ruimte beschikbaar blijft. Braem vat de hoogbouwwijk ook op naar het CIAM-model van de woooneenheid of de neighbourhood unit, waarin de eenheid van de woningen en hun 'sociale verlengenissen' centraal staan. Woonblokken en gemeenschapsvoorzieningen dienen een aaneengesloten stedenbouwkundig geheel te vormen in een doorlopend verkeersvrij park. Met het oog op de 'eenmaking van het terrein' gaat Braem - net als bij het eerdere ontwerp voor het Kiel - in tegen het bestaande bijzonder plan van aanleg (1949), dat een dwarsweg over het terrein oplegt.

In 1956 dienen de architecten een voorontwerp in met twee "gekonsentreerde" zeshoekige torens met twintig woonverdiepingen en vier langblokken met tien verdiepingen. Voor de woonblokken acht Braem meer dan tien verdiepingen ongewenst. Gezien de gevraagde dichtheid en de beperkte oppervlakte van het terrein maakt dit, zo stelt hij in een begeleidende nota, de inplanting van compacte torens noodzakelijk. Voor de torens is volgens Braem een hoogte van twintig verdiepingen "urbanistisch gezien onschadelijk" en "economisch gezien voordelig" (op het vlak van uitrusting en bouwkost). De combinatie van woonblokken en torens voorziet ook in een menging van woningtypes: kleine appartementen in de torens, "normale" appartementen in de langblokken. De langblokken zijn volledig opgebouwd uit duplexappartementen met terras, in visgraatvorm geschakeld volgens de meest optimale bezonning. Drie langblokken zijn "dubbel" - met appartementen langs weerszijden van een centrale gang. Het vierde langblok is "enkel" met appartementen langs één zijde van een gang. Waar Braem bij eerdere wooneenheden zoals het Kiel (Antwerpen) en de Modelwijk (Brussel) pleitte voor woonblokken op pilotis past hij dit principe in Sint-Maartensdal niet toe. Op de gelijkvloerse verdiepingen van de langblokken worden kleine gezinnen en ouden van dagen gehuisvest. Enkel het vierde langblok is voorzien van een onderdoorgang.

De schikking van de woonblokken en torens wordt volgens CIAM-principes bepaald door een optimale lichtinval, een zo groot mogelijke bezonning van de buitenruimte, het creëren van een vrij uitzicht op het park - en op de Sint-Pieterskerk - vanuit de wooncellen, en het vermijden van inkijk. Zo worden alle langblokken opgesteld in de gangbare oriëntaties noord-zuid of oost-west. De compositie wordt echter eveneens bepaald door een uitgekiende stedenbouwkundige scenografie. De wijk is illustratief voor Braems opvatting van een 'driedimensionaal urbanisme', met een uitgebalanceerd evenwicht tussen torens als verticale elementen en langblokken als horizontale schermen. De inplanting van deze elementen is ook bijzonder zorgvuldig bestudeerd in het geheel van de stad.

Net zoals in de Arenawijk, de Modelwijk of de Kruiskenslei bepalen de compacte torengebouwen de hoofdlijnen van de compositie. In de eerste schets voor de wijk tekent Braem slechts één toren, in het verlengde van de Rijschoolstraat en omringd door een aaneensluitend scherm van langblokken opgesteld in U-vorm. Na een aantal varianten komt Braem tot het voorontwerp uit 1956, met twee torens in een asymmetrische compositie. De toren in het verlengde van de Rijschoolstraat is voor Braem "het hoofdmotief" van de wijk. Hij vormt het eindpunt van een as die vertrekt aan de Sint-Pieterskerk en gaat een dialoog aan met de torens van de Sint-Pieterskerk, het stadhuis en de universiteitsbibliotheek. De tweede toren vervult in het schema een soortgelijke functie: hij ligt in de as van een nieuw aan te leggen straat aan de overzijde van de J.P. Minckelersstraat. Het bijzonder plan van aanleg voor de ruimere omgeving voorziet immers in de aanleg van een nieuwe wijk tussen de J.P. Minckelersstraat en de Diestsevest. Braem stemt van bij aanvang het ontwerp van Sint-Maartensdal af op een samenhang met deze toekomstige wijk. Beide torens zijn ook van ver zichtbaar in de stad, zodat de wijk "oprijst te midden van de omliggende straten als een uitroepteken" en een nieuw seculier referentiepunt wordt in de Leuvense binnenstad. De lagere langblokken vervullen de functie van scherm. Ze worden over het terrein verspreid in een ritmische compositie van schuine lijnen die perspectieven afsluiten of creëren. Ze beëindigen de inkijk vanuit de omliggende straten en onttrekken de bestaande bebouwing aan het zicht. De inplanting van de vier langblokken evolueert in een aantal opeenvolgende inplantingsplannen van een aaneengesloten geheel in U-vorm tot een 'doordringbaar' scherm met vier afzonderlijke blokken met voetgangerspaden ertussen. Visueel blijven de langblokken vanuit de omliggende straten echter een aaneengesloten wand vormen, die een achtergrond vormt voor de torens. De langblokken schermen ook het binnengebied van de wijk af van het doorgaand verkeer in de omliggende straten.

Hoewel Sint-Maartensdal in het centrum van de stad is gelegen, voorziet Braem de wijk van een eigen sociale en culturele uitrusting. Voor de twee torens ontwerpt hij dakpaviljoenen met een café en een restaurant. Met het oog op een mogelijke private uitbating krijgen ze een aparte ingang. Tussen het langblok 3 en de centrale toren plaatst Braem een bewaarschool met overdekte speelplaats, die de ingangen van beide gebouwen met elkaar verbindt. Tussen de twee torens, grenzend aan het binnenplein, wordt een sociaal centrum met bibliotheek vrijstaand ingeplant. Deze twee lage gebouwen zijn opgevat als luchtige paviljoenen met dakstructuren in dunne betonplaten. Braem experimenteert in de ontwerptekeningen met eenvoudige geometrische vormen en koepelvormige structuren. Voor het sociaal centrum komt hij tot een betonnen dakstructuur met vouwschalen op een zeshoekig grondplan. Ook in het ontwerp van de bewaarschool wordt de figuur van de zeshoek hernomen, die het grondmotief van de aanleg van de wijk vormt. Twee winkels met woongelegenheden beëindigen de lintbebouwing langs de Sint-Maartenstraat en J.P. Minckelersstraat. Aan de randen van het terrein wordt in gemeenschappelijke parkeerplaatsen voorzien. In een latere fase maakt ook een ondergrondse garage aan de zuidelijke rand van het terrein deel uit van de aanleg.

Schetsen tonen het belang dat Braem hecht aan de aanleg van de buitenruimte en de groenvoorziening. Braem streeft er uitdrukkelijk naar dat de groenruimte - Braem spreekt van een tuin - een "zo natuurlijk mogelijk karakter zou behouden". De beplanting bestaat hoofdzakelijk uit gras en lage struiken. Kleine bomengroepen worden ingezet als plastische elementen die contrasteren met de architectuur. Aan de zuidelijke rand schermt een rij populieren de wijk af. De groenaanleg wordt doorsneden door voetgangerspaden en pleinen in beton-grasdallen, aangelegd volgens een hexagonaal patroon. Tussen de gebouwen ontstaan zo ruime groene perspectieven, waarbij de "blokken als het ware uit het gras en de verdere beplanting […] oprijzen". Een grote vijver, en een aantal kleine pleinen op de randen van het terrein en op de kruispunten van voetpaden, passen zich in de hexagonale basisstructuur van de aanleg in. Net als op het Kiel besteedt Braem bijzondere aandacht aan speelruimte voor kinderen. De aanleg bevat twee kleuterspeelplaatsen, waaronder een speeltuin met zandbak naast de bewaarschool. In contrast met de geometrische aanleg van de wijk krijgt het speelplein een vloeiende organische vorm. Braem ontwerpt ook de speeltuigen: een kegelvormig klimrek en een draairad. Ook voor de zitbanken werkt Braem ontwerpen uit.

Het voorontwerp bevat ook een plan voor de aanpassing van de hoogbouwwijk tijdens de Wereldtentoonstelling van 1958. Braem stelt voor de woontorens en langblokken om te vormen tot hotelaccomodatie voor 3681 volwassenen (met kind) door alle kamers in te richten als studio's met een eigen lavabo. Per drie hotelkamers staat een gedeelde badkamer ter beschikking. Voor voeding, dienst en ontspanning wordt grotendeels gerekend op de gemeenschapsuitrusting: de dakpaviljoenen op de torens doen dienst als luxerestaurant en -café, het sociaal centrum als gewone eetgelegenheid. De bewaarschool behoudt haar functie. Verder wordt de wijk aangepast met tijdelijke houten paviljoenen voor extra restaurants en met tijdelijke parkeergelegenheden voor 450 auto's. Voor de paviljoenen tekent Braem constructies met schaaldaken en piramidedaken, op eenvoudige zeshoekige grondplannen.

In oktober 1957 stelt Braem aan het stadsbestuur ook drie mogelijkheden voor om op het terrein een tentoonstellingshal en stadsfeestzaal op te richten. Hij schuift daarbij zelf de optie naar voren om het noordelijk uiteinde van het langste blok weg te laten en op het vrijgekomen terrein een grote hal in te planten. Om de architecturale eenheid van de wijk te bewaren, maakt Braem ook een aantal volumestudies voor het gebouw, waaronder een ontwerp met een elegante schaalbetonconstructie. Het uiteindelijk voorstel herneemt het ontwerp van het sociaal centrum: een dak met een betonnen vakwerkstructuur op een zeshoekig grondplan. Het inrichtingsplan met tentoonstellingshal wordt in 1957 goedgekeurd voor uitvoering. In dit plan krijgt de thermische centrale ook haar kenmerkende vorm: een driehoekig grondplan met hellend dak. De dakpaviljoenen zijn weggevallen.

Het definitieve inplantingsplan (1960-1961)

Met de bedoeling de wijk "te ontdoen van een bepaalde opvatting" vraagt het nieuwe stadsbestuur in 1959 om het inplantingsplan te wijzigen. De stad eist onder meer dat de verbindingsweg waarin was voorzien in het BPA uit 1949, ook daadwerkelijk wordt aangelegd. Aangezien twee langblokken deels op het tracé van deze weg zijn ingeplant moet de volledige compositie worden aangepast. Bovendien gaat de aanleg van de verbindingsweg volledig in tegen de geest van het oorspronkelijk ontwerp, waarin de rust van de gemeenschappelijke tuin en de eenheid van de woonsfeer centraal staan. Om veiligheidsredenen eist het stadsbestuur ook dat de thermische centrale in het noorden van het terrein wordt ingeplant. De bouwmaatschappij stelt op haar beurt dat de bouw van een sociaal centrum en bewaarschool niet tot haar taken behoort en dat de winkels en speelplaatsen overbodig zijn. In dezelfde periode wordt ook beslist de wijk aan de andere kant van de J.P. Minckelersstraat niet uit te voeren zoals gepland, zodat de tweede toren zijn stedenbouwkundige betekenis verliest.

In een eerste voorstel voor een inplantingsplan met dwarsweg (november 1959) behoudt Braem in grote lijnen de opstelling van de langblokken. De centrale toren verschuift echter naar de andere kant van het terrein, maar behoudt zijn ligging in het verlengde van de Rijschoolstraat. In het zuidwesten van het terrein tekent Braem vier extra torens met tien tot twintig verdiepingen. De thermische centrale is verschoven naar het noorden van het terrein. Om het idee van een samenhangende wooneenheid te behouden, voorziet Braem in voetgangersbruggen over de verbindingsweg. In 1960 leggen de architecten een tweede, herwerkt aanlegplan voor aan de bouwmaatschappij (goedgekeurd in april 1960). Om onbekende redenen wordt dit plan opnieuw herwerkt. Uiteindelijk wordt in 1961 een 'definitief' plan goedgekeurd, met drie torens en drie dubbele langblokken (met in totaal 786 woningen) in een symmetrische opstelling rond een monumentale centrale as. De toren in de as van de Rijschoolstraat, die nog steeds twintig verdiepingen telt, is in dit plan duidelijk prioritair. De twee andere lagere torens (elk met zestien verdiepingen) staan aan de andere kant van het terrein opgesteld langs weerszijden van de centrale as. Verder voorziet het plan in drie dubbele langblokken van elk tien verdiepingen. Twee van deze langblokken worden eveneens symmetrisch opgesteld langs de verbindingsweg, wat een buitengewoon monumentaal perspectief op de 'hoofdtoren' met zich meebrengt. De twee lagere torens liggen in het verlengde van de assen van de langblokken 1 en 2. Hoewel het plan grondig is herwerkt, blijft een aantal basisprincipes van het eerste inplantingsplan behouden, zoals het hoofdmotief van de toren in het verlengde van de Rijschoolstraat. De langblokken vervullen ook nog steeds de rol van scherm. Waar dit scherm in het eerste inplantingsplan achter de twee torens was opgesteld - komende van het stadscentrum - staat het nu in het midden van het terrein. Van dit plan bestaat een variante, met een piramidaal uitgewerkt langblok 3 en een schuin aflopend verbindingsblok. Alle plannen uit deze fasen worden voorzien van voetgangersbruggen over de verbindingsweg (niet uitgevoerd).

In het definitieve plan zijn de collectieve voorzieningen verdwenen, maar het bevat wel een aantal nieuwe elementen. Een laag "verbindingsblok", bestemd voor kroostrijke gezinnen, verbindt de inkompartijen van de langblokken 2 en 3 (niet uitgevoerd). Daardoor ligt de inkom van langblok 3 centraal in plaats van aan de uiteinden van het gebouw, zoals bij de andere langblokken het geval is. Het verbindingsblok is opgebouwd uit twee woonlagen, met appartementen met vier slaapkamers, op een zuilengalerij van 4,50 meter hoogte. Het neemt de stedenbouwkundige schermfunctie over van het vroegere langblok 2. Braem voorziet in deze fase ook, op gronden van de stad, in een ondergrondse garage voor een 100-tal wagens op de zuidelijke rand van het terrein. Braem stelt voor om bovenop de garage woningen in zaagtandformatie te bouwen, die plaats bieden aan kroostrijke gezinnen of ouderen van dagen (niet uitgevoerd). Deze dienen "het nuchter aspect van dergelijk gebouw […] te verbeteren" en de bestaande bebouwing aan het zicht te ontrekken. Voor de constructie ervan verwijst Braem naar het voorbeeld van de bejaardenwoningen op het Kiel. De stad verklaart zich principieel akkoord met het oprichten van de parkeergarage, onder voorbehoud dat ze de gronden niet onmiddellijk beschikbaar kan stellen. Over de gezinswoningen heerst onduidelijkheid. Nog in 1961 gaat de uitvoering van de eerste bouwfase van start. In 1964 wordt nogmaals een nieuw aanlegplan goedgekeurd, waarin een aantal kleine wijzigingen wordt aangebracht. Langblok 3 wordt licht verschoven, waardoor het verbindingsblok korter wordt. Het aantal gezinswoningen ligt in dit plan ook lager. In 1965 dient Braem een aanlegplan in met bijzonder gedetailleerde instructies voor de groenaanleg. Daarin is sprake van vijf verschillende boomsoorten en twaalf struiksoorten. De vijver wordt voorzien van een bamboebeplanting. Dit groenplan wordt niet uitgevoerd.

Typologie en constructie van de torens

Tijdens het ontwerpproces wijzigt de opbouw van de torens en de langblokken nauwelijks. Beide introduceren een nieuwe gebouwtypologie in het oeuvre van Braem. Ze zijn het resultaat van een zoektocht naar een zo hoog mogelijke woonkwaliteit, gecombineerd met een rationeel ruimtegebruik en de economische randvoorwaarden van de sociale huisvesting. Ze zijn ook het resultaat van het zoeken naar een bewogen, levendige vormgeving, die in dienst staat van "een aangename moderne ruimtelijk bevrijde woonsfeer". In een begeleidend schrijven bij de voorstudie uit 1955 vergelijkt Braem de 'economie' van Sint-Maartensdal met die van het Kiel. In vergelijking met het Kiel, zo stelt Braem, is de planopvatting spaarzamer. De langblokken hebben appartementen aan beide kanten van de gang. De torens maken een sterke concentratie van liften, trappen en leidingen mogelijk. Ook de constructiewijze is goedkoper: de gebouwen zullen worden opgetrokken in dragende betonmuren in plaats van skeletbouw. Gezien de beperkte realisatietermijn - initieel was het de bedoeling de wijk tegen 1958 te voltooien - worden enkel eenvoudige constructiesystemen toegepast. Waar de planopbouw van bij aanvang vastligt, wijzigt de vormelijke expressie in de loop van het ontwerpproces. In de tweede ontwerpfase wordt de constructie expressief uitgedrukt in de gevelopbouw. De studies voor de betonstructuur worden zowel voor de torens als voor de langblokken gemaakt door het Technisch Bureel Constructor, waarmee Braem al eerder samenwerkte.

Braem start het ontwerpproces van de torens met een vergelijkende studie van verschillende types. Van een rechthoekige toren, een toren volgens het type toegepast op het Kiel, en een hexagonale toren berekent hij de effectieve woonoppervlakte, de buitenomtrek en de oppervlakte voor circulatie. De meest optimale vorm - met het minste ruimteverlies, de grootste concentratie van nutsvoorzieningen en de grootst mogelijke lichtinval - zo besluit hij, is de toren die de cirkel het meest benadert: de hexagonale toren. In de keuze voor een zeshoekige vorm valt ook het puristisch denken van het vooroorlogs modernisme te herkennen, dat ervan uitgaat dat eenvoudige geometrische vormen de basis zijn van alle natuurlijke verschijningsvormen.

In de eerste fase van het ontwerp voor Sint-Maartensdal (1956-1957) ontwerpt Braem twee torens met twintig verdiepingen. In de tweede fase (1960-1961) tekent hij een toren met twintig verdiepingen (met 120 appartementen) en twee torens met zestien verdiepingen (met elk 96 appartementen). De torens volgen steeds dezelfde constructieve opbouw en planindeling. De dragende betonstructuur bestaat uit een zeshoekige centrale kern met een open trapkoker en een liftbatterij, en zes dragende radiale muren loodrecht op elke zijde van de kern. Elke verdieping telt zes kleine woongelegenheden die worden ingepast tussen de stervormige binnenmuren: twee studio's, twee appartementen met één slaapkamer en twee appartementen met twee slaapkamers. Een smalle galerij rond de open koker bedient de appartementen. Een kleine centrale hal geeft toegang tot de badkamer, de slaapkamer(s) en de woonkamer met keuken. De dienstruimten worden tegen de kern geschoven, zodat de leidingen gegroepeerd kunnen worden. De woonkamers en slaapkamers kijken met grote ramen uit over de omgeving. Net als in andere woningbouwprojecten streeft Braem naar een totaalinrichting van de woonomgeving. De appartementen zijn voorzien van standaardkeukens, badkamers en inbouwkasten. Ze zijn betrekkelijk klein, maar door de grote raamoppervlakte zeer helder.

Voor Braem is het ontwerp van de torens gebaseerd op 'natuurlijke' principes. In een tekening uit 1955 - "structuur en biologie van de torens" - vergelijkt hij de constructieve opbouw van de toren met die van een plant. De centrale betonkoker vat hij op als de dragende stengel die de bladeren (de appartementen) voorziet van 'voeding'. Naar analogie van de vaatbundels van een plant worden alle leidingen in drie verticale schachten geconcentreerd. De dragende muren "in stervorm", die tegelijk een windverband vormen, zorgen voor de "grootst mogelijke stabiliteit". De constructie is ook zo bedacht dat ze snel en goedkoop kan worden uitgevoerd. Braem stelt een snelle wijze van opbouw voor "door aanwending van geprefabriceerde elementen in gemineraliseerde houtvezels, met vulling in beton - met eenvoudige bewapening". Waar Braem het basisconcept van de torens dus baseert op prefabricatie, zullen ze op aansturen van de Nationale Maatschappij worden uitgevoerd in dragende betonmuren, in situ gestort, waarop monolithische vloeren rusten. Met het oog op een snelle afwerking wordt de betonstructuur ook "veredeld" voor binnengebruik. Dankzij een speciale bekisting voor de vloerplaten (gladde gebakeliseerde houten platen) dienen de zolderingen niet te worden bepleisterd. Ook worden alle openingen voor leidingen op voorhand aangebracht. Niet-dragende scheidingswanden worden uitgevoerd in lichte betonblokken.

In de eerste ontwerpfase wordt de dragende betonstructuur volledig binnen de toren geplaatst, wat de "bevrijding der gevels" mogelijk maakt. Braem ontwerpt een gladde geringde gevel met horizontale bandvensters afgewisseld met een massieve bekleding in baksteen. De vloerbalken worden niet doorgetrokken in de gevel. Braem maakt ook verschillende kleurenstudies, steeds gebaseerd op de primaire kleuren wit, blauw en rood. In de loop van 1956 evolueert hij echter naar een meer brutalistische vormgeving met sterk gelede volumes waarin de constructie expressief wordt aangewend. Gelijktijdig met het weglaten van het dakpaviljoen verschijnen er zes betonnen ribben op de hoekpunten van het grondplan. In de volgende ontwerpen voor de torens worden daar zes extra ribben aan toegevoegd in het verlengde van de dragende binnenwanden. De ribben worden bekleed met beige baksteen. Ook de vloerbalken worden expressief aangewend in de gevelopbouw: ze vormen doorlopende horizontale banden in zichtbeton (schokbeton). De twaalf ribben en de doorlopende vloerbalken benadrukken zowel de hexagonale vorm als de dragende structuur van de toren. Ook de functionele indeling wordt daarmee naar buiten toe uitgedrukt. De gevelvlakken tussen de ribben worden ingevuld met een strakke geometrische compositie met witte sandwichpanelen in geëmailleerde glasalplaat, beige baksteen, glas en raamwerk in gevernist kambalahout. Voor het metselwerk stelt Braem het systeem voor van geprefabriceerde gevelplaketten dat hij ook in het Kiel toepaste: zelfdragende betonelementen met een parement in tegelverband. De torens krijgen zo een zeer 'beeldende' vormgeving, gebaseerd op primaire vormen, constructieve principes en functionele indeling. Ze zijn exemplarisch voor Braems opvatting dat de basis van "alle goede architectuur" bestaat uit het "bewuste evenwicht tussen functie, constructie en uitdrukking", en dat dit "het bouwprincipe van de natuur zelf" is.

Net als in andere ontwerpen voor geconcentreerde torens besteedt Braem bijzonder veel aandacht aan de bekroning. Die staat voor hem symbool voor een solidaire gemeenschap en voor een "volgehouden vormwil". In de eerste ontwerpfase zijn de torens uitgerust met dakpaviljoenen met een café en een restaurant. Voor deze paviljoenen tekent Braem verschillende ontwerpen, met schaaldaken of tentdaken. Uiteindelijk opteert hij voor een prismatisch zeshoekig paviljoen dat met een kleinere buitenomtrek het grondplan van de toren herneemt. Wanneer in december 1956 de Nationale Maatschappij het café en het restaurant weigert, verhuist Braem de machinekamer van de kelder naar het dak. In het ontwerp dat in 1960 wordt goedgekeurd voor uitvoering, bestaat de bekroning uit een bureau met dakterras, met erboven de machinekamer. Hand in hand veranderen daarmee ook de grondplannen voor de sokkels van de torens. De sokkel is opgebouwd uit een gelijkvloerse verdieping en een tussenverdieping. In de eerste ontwerpfase bevat de sokkel een aparte ingang voor het café of restaurant. De inkompartij van de hoofdtoren verleent ook rechtstreekse toegang tot de bewaarschool en het sociaal centrum. De tussenverdieping bevat bergruimtes. Hoewel de planindeling van de sokkels verandert, blijft de architecturale opvatting behouden. De inkompartijen worden als transparante paviljoenen onder de torens geschoven. Binnentuinen laten de natuur doordringen tot in de woonsfeer. In het kader van een 'totaalarchitectuur' ontwerpt Braem ook de belkasten, parlofoonstandaards en raam- en deurprofileringen.

In 1963, na de aanvang van de werken, wordt het plan voor de hoofdtoren nog eens aangepast. Op aansturen van Braem wordt de toren bekroond met een zendmast, die de toren een zeldzame sculpturale kracht verleent in het stadsbeeld. De zendmast is opgebouwd uit een antenne van 45 meter hoog in roestvrij staal, op een opvallende betonconstructie met radiale lamellen. Ondanks financieringsproblemen en een weigering van de bouwvergunnning wordt de mast in 1965 aangebracht. De toren met antenne, die met een totaal van 115 meter het hoogste gebouw van Leuven is, wordt het symbool van Sint-Maartensdal. Volgens de criticus K.-N. Elno laat de toren met zijn bekroning "vermoeden dat zinnige hersymbolisering van het gemeenschapsleven in onze mystiek-vijandige moderniteit, mogelijk blijft". De zendmast toont volgens hem een alternatief voor de veelheid "aan individualistische sprieten van statuswaan […] op een architecturaal verwaarloosd dak boven een liefdeloze samenhokking van welvaartmensjes".

Typologie en constructie van de langblokken

De langblokken, met een lengte van ongeveer 90 meter en een hoogte van tien verdiepingen, worden gekenmerkt door een zeer expressieve en levendige vormgeving. Waar in de eerste ontwerpen voor de wijk sprake was van één "enkel" langblok, zijn in de gerealiseerde wijk alle blokken "dubbel". Ze zijn opgebouwd uit duplexappartementen, in visgraatformatie geschikt langs weerszijden van een lange gang die het blok in de hele lengte doorkruist. Twee woonlagen bevatten telkens 24 of 26 appartementen, die alle beschikken over een klein terras. Net als de torens zijn de blokken opgebouwd uit een eenvoudige constructie van dragende dwarswanden in gewapend beton, die tegelijk een windverband vormen. De dragende dwarsmuren worden als scheidingsmuren voor de terrassen naar buiten toe doorgetrokken. In een nota stelt Braem dat hij met het ontwerp van de dubbele langblokken een aantal belangrijke vernieuwingen wil doorvoeren. De typologie en de constructiewijze beschouwt hij als het voorlopig eindpunt van een zoektocht. Ze beantwoorden "aan het streven der Nationale Maatschappij van de Huisvesting naar een bouwwijze welke het betrachten van een hoog woonpeil verenigt met de noodzakelijke ekonomie". De eerste stap in deze zoektocht was het relatief dure experiment met het galerijtype in betonskeletbouw op het Kiel. Daarna is men overgegaan tot dragende betonmuren, wat veel goedkoper bleek te zijn. Om de overspanningen tussen deze muren te beperken kwam men tot oplossingen waarin de woningen twee verdiepingen besloegen. Zo is men, zo stelt Braem, gekomen tot het type van het duplexappartement dat beperkte overspanningen combineert met het beperken van gangen. De logische stap die in Sint-Maartensdal wordt gezet, is het verdubbelen van de woningen langs beide zijden van een centraal gelegen gang. Door de woningen schuin op te stellen naar het zuiden toe, zo beargumenteert Braem, wordt een goedkope constructie gecombineerd met een hoge woonkwaliteit.

Een belangrijke meerwaarde van het gaandeweg in de sociale huisvesting ontwikkelde type schuilt er volgens Braem ook in dat het duplexappartement zich typologisch nauwelijks onderscheidt van het gebruikelijke eengezinshuis, "het woningtype dat de meeste bewoners wellicht reeds gewend zijn". Trap- en liftkokers aan beide uiteinden van het gebouw geven toegang tot een centrale gang, die Braem opvat als "de voortzetting van de straat". Vanuit deze gang betreedt men een kleine hal met trap, vestiaire en toilet. Die geeft op dezelfde verdieping toegang tot een ruime woonkamer met volledig uitgeruste open keuken en een klein terras. Net als in een gezinswoning bevindt het nachtgedeelte zich op de bovengelegen verdieping. De verloren hoeken die ontstaan door de visgraatformatie, worden benut als bergplaats of technische kokers. In de kelder beschikt elke woning bovendien over een eigen bergplaats. De planoplossing, zo beargumenteert Braem, laat ook zonder wezenlijke wijziging van de binnenverdeling (en dus de constructie), een variatie toe van woningen met één, twee of drie slaapkamers. De schuine opstelling van de appartementen, gecombineerd met de uitstekende dwarswanden, bezorgt iedere woning een balkonterras met een zekere intimiteit. Bovendien wordt de individualiteit van de woning en het gezin naar buiten toe uitgedrukt.

Het plan in zaagvorm heeft ook een buitengewoon plastisch effect. Door de visgraat naar buiten toe te accentueren met de uitstekende dwarswanden en door de vijf woonlagen van telkens twee verdiepingen duidelijk aan te geven in de gevel, ontstaat een levendig ritme. Dit wordt versterkt door het materiaalgebruik en de gevelgeleding, die de functionele indeling en de constructieve principes naar buiten toe uitdrukken. Net als in de torens maakt Braem een gevarieerd gebruik van cordons in zichtbeton, gevelplaketten in beige baksteen, glasalplaten en kambalahout. Naast witte glasalplaten past Braem in de langblokken ook blauwe glasalplaten toe voor de verdiepingshoge deuren naar de terrassen. Samen met het gelig coloriet van de Clartex-golfplaten van de balustrades zorgt dit voor levendige kleurcontrasten. De monumentale circulatiekokers aan het uiteinde van de blokken voegen krachtige verticale accenten toe. Vormgegeven volgens het hoofdmotief van de zeshoek zijn ze deels bekleed met beige gevelplaketten, deels uitgevoerd in mat glas - waardoor licht wordt getrokken in de centrale gangen. In de gevelopbouw van de kokers worden eveneens de verdiepingen aangegeven met doorlopende banden in zichtbeton. Net als bij de torens worden in de langblokken functionele indeling, constructie en vormelijke expressie tot een synthese gebracht.

Enkel het langblok 3 wijkt af van deze opbouw. Omwille van het geplande verbindingsblok heeft het een centrale inkompartij. Open noodtrappen en gesloten vuilschuiven aan beide uiteinden geven het blok echter een soortgelijke expressie. Het langblok 2 vormt een architecturale eenheid met de thermische centrale, net als op het Kiel en in de Modelwijk een opvallend gebouw. Met een hoge slanke schouw die een eenheid vormt met het langblok, en een hellend dak op een driehoekig grondplan beoogt de centrale een dramatisch effect. De schouw is bekleed met dezelfde gevelplaketten in beige baksteen als de woonblokken en eveneens geleed met horizontale cordons in zichtbeton. De stookplaats heeft een aluminium dakbekleding, zijwanden in zichtbeton, bekist met verticale latten, en een transparante voorgevel met betonribben. Net als in andere wijken beoogt Braem met het zichtbaar maken van de stookplaats voor voorbijgangers en bewoners "de aders en slagaders van het organisme demonstratief [te] tonen".

De langblokken oogsten in architectenmilieus en populaire media lovende kritieken als een vernieuwende typologie die een belangrijke verbetering inhoudt ten aanzien van de anonimiteit van het merendeel van de modernistische woonblokken. Er klinkt vooral appreciatie voor het feit dat elk appartement zijn "eigen gevel" heeft en voor de levendige vormgeving, die beide bijdragen tot een "menselijke" architectuur. Geert Bekaert schrijft in een artikel naar aanleiding van de toekenning van de SBUAM-prijs aan Sint-Maartensdal dat de wijk in haar geheel een indruk oproept van levendigheid, opgewektheid en helderheid, die vooral toe te schrijven is aan het beweeglijke en felle ritme van de langblokken. "Eigenlijk", zo stelt hij ook, "kan men van geen woonblokken meer spreken. [...] Niet het geheel overweegt, maar de opbouw door de afzonderlijke wooncellen". K.-N. Elno verwijst naar de langblokken als de "beelding van een goed, lotsverbonden wonen".

De uitvoering (1960-1971)

De wijk wordt tussen 1960 en 1971 uitgevoerd in drie verschillende fasen. De eerste bouwfase (1960-1965) omvat de hoofdtoren (met 120 appartementen), de langblokken 1 en 2 (met respectievelijk 120 en 130 appartementen) en de thermische centrale. Op de zendmast na, die in 1963 als bekroning wordt toegevoegd aan de toren, verloopt de uitvoering volgens plan. In de tweede fase (1964-1967) worden de twee torens van zestien verdiepingen uitgevoerd (elk met 96 appartementen). De gebouwen uit de twee eerste fasen worden uitgevoerd door Algemene Aannemingen Van Laere uit Burcht. In de tweede fase wordt ook de Leibeek, die aan de noordkant van het terrein loopt, verlegd en overwelfd. De aanleg van de buitenruimte en de infrastructuur (rioleringen e.d.) laat op zich wachten. Aan het einde van de tweede bouwfase is het park, dat via het Fonds Brunfaut dient te worden gerealiseerd, nog steeds niet aangelegd. Uiteindelijk zullen de stadsdiensten de groenaanleg overnemen. Daarbij blijft van het oorspronkelijke plan nagenoeg niets behouden. Ook de verbindingsbruggen over de dwarsweg, die de eenheid van de wijk moesten verzekeren, worden niet uitgevoerd.

In de derde fase (1968-1971) wordt het langblok 3 uitgevoerd door de aannemer Vanderstraeten uit Lummel. In 1968 stelt Braem zelf voor om het verbindingsblok tussen langblok 2 en 3 niet uit te voeren. Daarmee beoogt hij een snelle afwerking van de wijk en het drukken van de totale kosten. Tegelijkertijd doet Braem een aantal voorstellen om aan het langblok 3 'ritmische motieven' toe te voegen. Deze zijn exemplarisch voor de interesse van Braem op dat ogenblik in het parallellisme tussen ruimtelijke en muzikale compositie. In 1969 verwerpt de maatschappij het ontwerp van een monumentale "kolom met rythmische motieven" die dient te worden aangehecht aan het derde langblok. Waar de bouwmaatschappij de sculptuur beschouwt als een vrijstaand kunstwerk, maakt het voor Braem integraal deel uit van het gebouwontwerp. In 1970 ontwerpt Braem voor de centrale inkompartij van het langblok 3 een ritmisch betonreliëf. Dit reliëf wordt wel uitgevoerd en is vandaag gerenoveerd. Samen met de organisch vormgegeven toegangsdeuren voegt het een bijzonder sculpturaal element toe aan het langblok. In 1968-1969 maakt Braem in opdracht van de Stedelijke Gezondheidsdiensten ook een ontwerp voor de verbouwing van de thermische centrale tot een dodenhuisje en verzamelplaats voor huisvuil (niet uitgevoerd).

Aan de zuidzijde van het terrein, waar Braem ter afsluiting van het bouwblok in een rij eengezinswoningen had voorzien op een ondergrondse parkeergarage, wordt in 1972 een appartementsgebouw van acht bouwlagen opgetrokken naar het ontwerp van het Leuvense bureau Formanova. In 1994 opent de stad op de plaats waar in het eerste inplantingsplan de stadsfeestzaal en tentoonstellingshal waren gesitueerd, een buurtcentrum naar het ontwerp van de stadsarchitect Roger Jacobs. Tussen 1998 en 2002 worden in opdracht van Dijledal (de vroegere SMGWW, vandaag Heuvelhof) de torens ingrijpend gerenoveerd door het Leuvense architectenbureau A33. A33 herschikt de appartementen volledig en voegt een tweede trappenhuis toe. De ruwbouw wordt behouden, maar wordt voorzien van vliesgevels op een aluminium draagstructuur. De oorspronkelijke kleurcontrasten van beige baksteen, betonnen cordons, witte glasalplaten en houten raamprofielen maken daarbij plaats voor roodkeramische en zinken gevelbekledingen met grijs buitenschrijnwerk. Vanaf 2004 ondergaan de langblokken een nog ingrijpendere renovatie, geleid door het studiebureau A.R.T., waarbij naast het materiaal- en kleurgebruik ook de plastische expressie van de gebouwen verloren gaat. Het bestaande terras wordt aan de leefruimte toegevoegd. Aan de gevel wordt een nieuw terras bevestigd. De levendige vormgeving met uitstekende dwarswanden maakt daarbij plaats voor een gladde gevel met hangende terrassen.

  • Archives d'Architecture Moderne, Archief Renaat Braem, Dossiernummer 103.
  • Dijledal, bouwdossier.
  • Stadsarchief Leuven, Bouwdossiers 113.486, 116.222, 118.012, 116.342, 120.920, 118.330.
  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, Archief Renaat Braem, 384.
  • BEKAERT G. 1967: Richting Sint-Maartensdal, De Standaard 17-18 maart, 13.
  • BRAEM R. & DE ROEY J. 1969: Vivre heureux dans la cité de Braem, Marlux 3.2, 5-21.
  • CALLEWAERT M. 1961: 780 (zonnige) appartementen op de plaats van 1 (sombere) kazerne, Gazet van Antwerpen 10 maart, s.p
  • DE VLIES P. 1971: Gewestelijke Samenwerkende Maatschappij voor de Huisvesting Leuven 50, Leuven.
  • ELNO K.-N. 1965: Fraai wonen in een Leuvens dal, De Nieuwe 51, 3.
  • LEPLAT J. 1998: Aspecten van de renovatie van Sint-Maartensdal, Leuven (onuitgegeven verhandeling K.U.Leuven).
  • TIELEMANS F. 1955: De saneringsactie te Leuven, Huisvesting 3-4, 348-352.
  • VAN DE MAELE J. 2008: Felbevochten vergroeningen. Stadsnatuur in Leuven, 1918-1958. Gewijzigde versie, oktober 2009 (onuitgegeven masterproef K.U.Leuven).

Bron: VAN HERCK K. 2010: Sint-Maartensdal. In: BRAEKEN J. (ed.) 2010: Renaat Braem 1910-2001. Architect, Relicta Monografieën 6. Archeologie, Monumenten en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, Brussel, deel 2, 148-157.

Auteurs: Van Herck, Karina

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Dirk Boutslaan

Dirk Boutslaan (Leuven)

maakt deel uit van Jan-Pieter Minckelerstraat

Jan-Pieter Minckelersstraat (Leuven)

maakt deel uit van Sint-Maartensdal

Sint-Maartensdal (Leuven)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Sint-Maartenstraat

Sint-Maartenstraat (Leuven)

Geen afbeelding beschikbaar

is gerelateerd aan Priorij van Sint-Maartensdal

Sint-Maartenstraat zonder nummer, Leuven (Vlaams-Brabant)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.