Kantons Destelbergen en Oosterzele

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ regio

Locatie

Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Destelbergen, Gavere, Melle, Merelbeke, Oosterzele
Deelgemeente Onbepaald
Straat

Administratieve gegevens

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

De kieskantons Destelbergen en Oosterzele beslaan het oostelijke en zuidoostelijke deel van het administratieve arrondissement Gent. Het meest noordelijk gelegen kieskanton Destelbergen grenst ten noorden aan het kieskanton Lochristi met de Lede als natuurlijke grens, ten oosten aan het arrondissement Dendermonde ten zuiden aan het kieskanton Oosterzele en ten westen aan de Beneden-Schelde en kanton Gent.

Het kieskanton Oosterzele wordt in het oosten begrensd door het arrondissement Aalst en in het zuiden door het arrondissement Oudenaarde. De westelijke grens wordt hier grotendeels gevormd door de Boven-Schelde, de natuurlijke grens met de kantons Gent en Nazareth. Beide kantons tellen samen 67.685 inwoners (1981) verspreid over een oppervlakte van circa 15.283 hectare, wat overeenkomt met een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 443 inwoners per vierkante kilometer.

Het hier behandelde gebied omvat echter geen stedelijke centra. De dichtst bij Gent gelegen gemeenten Destelbergen, Heusden, Melle en Merelbeke, met de stad vergroeid via grote steenwegen, vormen de meest verstedelijkte en dichtst bevolkte kernen. De grootste en dichtst bevolkte gemeente is ontegensprekelijk Merelbeke met zijn 1491 hectare en 14.022 inwoners (1981) of 940 inwoners per vierkante kilometer. Gijzenzele met 191 hectare vormt de kleinste gemeente van het gebied. De meest geïsoleerde gemeenten, opzij van de grote verkeersassen zoals Baaigem (127 inwoners per vierkante kilometer) en Munte (139 inwoners per vierkante kilometer) bleven tot op heden grotendeels agrarisch en zijn dus zeer dun bevolkt. Gavere, ondanks zijn uitstekende ligging bij de Schelde en de vroegere aanwezigheid van belangrijke heren is echter nooit uitgegroeid tot een stad. Het vervult vandaag wel een belangrijke centrumfunctie voor het omliggende platteland.

Naast de uitgesproken straatdorpen als Melle en Destelbergen of de typische pleindorpen Bottelare of Heusden behoren de meeste dorpen tot het zogenaamde "hoopdorp" type met gemengd patroon van een geconcentreerde bebouwing in de kleine dorpskernen of gehuchten en verder een lintbebouwing langs een vrij dicht wegennet. Een verspreide en ongeordende bebouwing ligt verder in het landschap. Merelbeke en Destelbergen, aan de rand van de stedelijke agglomeratie en het agrarisch gebied zijn typische voorbeelden van zo'n menggebied. Door de vroege aanwezigheid van talrijke buitenplaatsen hebben deze gemeenten zoals de overige, thans met Gent gefusioneerde randgemeenten een echte "banlieufunctie".

Pas de laatste decennia werden in de meeste, goed bereikbare gemeenten talrijke land- en tuinbouwgronden, kasteelparken, bossen en duinengebieden of moerassige gronden door verkaveling bouwrijp gemaakt voor bewoning of kleinindustrie.

LANDSCHAPSTYPERING

Geografisch behoren de hier behandelde gemeenten tot het Scheldegebied of het daarbij in het oosten aansluitende Schelde - Dender interfluvium. Het gebied ligt bovendien op de grens van de twee geografische streken van Binnen-Vlaanderen, namelijk de Vlaamse Vallei en de Vlaamse Heuvelstreek.

De meest noordelijke gemeenten (Destelbergen, Heusden en Melle), gelegen aan de Beneden- of Zee-Schelde, behoren volledig tot de Vlaamse Vallei. De meest zuidelijke gemeenten (Asper en Dikkelvenne aan de Boven-Schelde, Baaigem en Balegem) vormen al een overgangsgebied naar Midden-België met uitlopers van de Vlaamse Ardennen.

Het gebied strekt zich ook uit over vier natuurlijke streken: de zandstreek, zandleemstreek, leemstreek en het alluviaal gebied van de Schelde en de talrijke beken.

Kenmerkend voor de noordelijke gemeenten binnen de Vlaamse Vallei zijn tevens het duinengebied (een licht golvende dekzandenstreek met noord-zuid gerichte landduinen ontstaan uit zandverstuivingen na de laatste ijstijd) waarvan nog duintoppen resten te Heusden. De gemeenten Merelbeke, Bottelare, Munte liggen op de scheiding van de zand- en zandleemstreek met brede alluviale gebieden in de Scheldedorpen terwijl in de meest zuidelijke dorpen Dikkelvenne, Baaigem en Balegem de leemstreek reeds vertegenwoordigd is.

Het reliëf is zeer vlak in het alluviaal gebied van de Schelde (4 -5 meter langs de Zee-Schelde, 7-9 meter langs de Boven-Schelde) met een karakteristieke steile asymmetrische oostelijke rand bij de Boven-Scheldedorpen. Het grootste hoogteverschil tussen de valleibodem en de -rand vinden we tussen Semmerzake en Schelderode. De zandstreek heeft een bijna vlak tot zwak golvend reliëf gekarakteriseerd door een afwisseling van zwakke ruggen en depressies. Tertiaire opduikingen komen voor parallel aan de Boven-Schelde vanaf Merelbeke tot Dikkelvenne. De zandleem- en leemstreek worden gekenmerkt door een golvend reliëf (tot 71 meter) met tertiaire opduikingen (Munte, Landskouter, Balegem).

Deze verscheidenheid in bodemgesteldheid is determinerend voor de verschillende landschapstypes in het gebied.

Het oorspronkelijke natuurlandschap met kleine bossen en heidevelden in de noordelijke gemeenten contrasteert in de vroege middeleeuwen reeds met de versnipperde bosjes en cultuurgronden in het zuiden.

Het landschap, grotendeels van vroeg middeleeuwse oorsprong wordt gekenmerkt door een "open field" uitzicht met resten van regelmatige langrepelpercelering (drieslagstelsel) op de hoger gelegen kouterruggen en reuzeblokken op de omgevende minder droge gronden. In de alluviale Scheldevallei daarentegen overheersen onregelmatige blokpercelen omsloten door levende afsluitingen waardoor een gesloten landschap ontstaat. Dit was het resultaat van latere 13de-eeuwse ontginningen. Hierbij speelden de lokale heren, de heren van Rode en Gavere, en de grote Gentse abdijen; de "Sint-Baafsabdij" (onder meer te Gijzenzele) en de "Sint-Pietersabdij" (onder meer te Destelbergen) evenals de "Sint-Cornelius en Sint-Cyprianusabdij" van Ninove (te Dikkelvenne) een zekere rol.

De landbouwbedrijvigheid is voornamelijk gekenmerkt door kleine tot middelgrote bedrijven van het gemengde type met akkerbouw op de hoger gelegen droge zandgronden en hooiweiden in de natte alluviale valleien. Vooral in de noordelijke gemeenten ontwikkelde zich in de loop van de 19de eeuw een belangrijke tuinbouwactiviteit voornamelijk toegespitst op sierbloementeelt (azalea's, begonia's) in Melle (met een bekende tuinbouwschool) en Heusden en ook groene planten (ficussen, palmen, varens) onder meer in Merelbeke. Daarnaast was Merelbeke ook vooral gekend voor zijn groentenkweek, gericht op de Gentse markt.

Van het bosrijke gebied in het Merelbeekse resten nog enkele tientallen hectare op de grens van Melsen en Schelderode.

Het gebied behoort volledig tot het hydrografisch bekken van de Schelde. Vanaf de stuw van Gentbrugge spreekt men van de Beneden- of Zee-Schelde die nog onderhevig is aan de getijden. Stroomopwaarts wordt ze de Boven-Schelde genoemd en is thans grotendeels gekanaliseerd. Immers door haar gering verval had de rivier zich in talrijke meanders door de brede alluviale vallei gekronkeld wat een moeilijke doorvaart en talrijke overstromingen veroorzaakte.

Sinds de 15de eeuw zijn reeds rechttrekkingen vermeld in de omgeving van Oudenaarde en in het Land van Aalst. De landdijk van Heurne tot Eke, aangelegd in 1785 moest onder meer de dorpskom van Asper vrijwaren van overstromingen.

Vanaf de 18de en vooral in de 19de eeuw tracht men door het aanleggen van een aantal stuwsluizen de rivier onder controle te krijgen (onder meer te Semmerzake circa 1850, in 1920-22 vervangen door de huidige sluis te Asper). In de jaren 1880 hebben ook talrijke bochtafsnijdingen plaats aan de Beneden-Schelde te Destelbergen, Heusden en Merelbeke. Na de aanleg van de Ringvaart omheen Gent in 1964-69 tenslotte zorgen nieuwe profielverruimingswerken in de jaren 1970 ervoor dat de Boven-Schelde bevaarbaar wordt voor schepen tot 1350 ton, de Europaschepenmaat. Hierbij zijn nieuwe vaste wegbruggen voorzien te Merelbeke, Gavere en Semmerzake. De loop van de Boven-Schelde is hierdoor 25 kilometer verkort.

Op de steile oostelijke helling van de Scheldevallei te Dikkelvenne en Gavere, evenals bij de Molenbeekvallei te Scheldewindeke en Moortsele ontspringen verschillende bronnen van rijk mineraal en sterk ijzerhoudend water waarvan verschillende nog commercieel uitgebaat zijn.

Verschillende afgesneden Scheldebochten (onder meer te Melle, Melsen, Gavere, Merelbeke) blijven als buitendijkse meanders bewaard en vormen landschappelijk waardevolle gebieden. Het vrij gaaf bewaarde rivierlandschap tussen Merelbeke en Eke met een aantal ecologisch merkwaardige biotopen is als landschap beschermd.

STREEKEIGEN MATERIALEN

In ongeveer alle dorpen aan de Boven-Schelde vinden we vermeldingen van lokale steenbakkerijen van de zogenaamde "Scheldesteen".

Het achtergelaten slib en kleiige specie bij overstromingen of uitdieping langs de Schelde-oevers was uitstekend geschikt voor het vervaardigen van baksteen of vroegere "careelsteen" waarvan reeds ovens vermeld zijn in de 14de eeuw in het Merelbeekse.

De steenbakkerij kende zijn grootste bloei in de tweede helft van de 19de eeuw en was vooral gericht op de grote bouwactiviteit in Gent en omstreken. Het vervaardigen van de Scheldesteen bleef hier in het gebied echter louter een ambachtelijk gebeuren waarbij op de plaats van het kleisteken de stenen (hand)gevormd, gedroogd in droogloodsen en in "veldovens" gebakken werden. In Dikkelvenne is "steenbakkerij Hermie" als enige in het gebied nog steeds werkzaam.

Naast de typische Scheldesteen is vooral de zogenaamde "Balegemse steen" als het streekeigen materiaal gekend. Deze "Vlaamse zandsteen", ook Ledesteen genoemd naar een andere belangrijke steengroeve, is een zachte grijs-groene tot geel-bruine zandige kalksteen met talrijke fossielen die bij erosie een goudgele patina krijgt.

Naast de streek van Aalst (Lede, Meldert, Vlierzele) komen zandsteenlagen hierin het gebied voornamelijk voor op de heuvels van Balegem, Oosterzele (Betsberg), Gijzenzele, Landskouter en Moortsele. Het veralgemeend gebruik van de term "Balegemse steen" om alle Vlaamse zandige kalksteen aan te duiden dateert vermoedelijk pas uit het midden van de 19de eeuw toen, bij het aanleggen van de weg Balegem - Scheldewindeke de aandacht getrokken werd op steengroeven aldaar. Het is voornamelijk onder impuls van enkele leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten dat in de tweede helft van de 19de eeuw gezocht werd naar nieuwe ontginningen om de historische monumenten met het oorspronkelijke en streekeigen materiaal te restaureren.

In 1866 werden te Balegem groeven met kwalitatief evenwaardige natuursteen ontdekt die onder meer gebruikt worden voor de restauratie van de "Sint-Baafskathedraal", doch wegens de dure ontginningskosten was deze exploitatie slechts van korte duur.

Bij een uitzaveling op de Berg in 1966 kwamen opnieuw, lagen zandige kalksteen aan het licht. Deze worden tot op heden, nog steeds in open steengroeven, geëxploiteerd en sinds 1979 zelfs ter plaatse bewerkt. Ze dienen thans hoofdzakelijk voor lokaal gebruik en nieuwe bouw.

HISTORISCHE ACHTERGROND

De oudst gekende getuige van menselijke aanwezigheid in het behandelde gebied is een werktuigje in grijze vuursteen daterend uit het laat-paleolithicum (vermoedelijk tussen 14.000 en 10.000 vóór Christus) teruggevonden te Asper op het zogenaamde "Jolleveld", een grote zandrug met kouterlandschap langs de Schelde. Hier zijn tevens enkele microlitische artefacten uit het mesolithicum (8.000-4.500/4.000 vóór Christus) en talrijke vondsten uit het laat-neolithicum (vanaf circa 2.500 vóór Christus) gedaan. Belangrijk hierbij is vooral de lokalisatie van de vindplaats, namelijk op een hoger gelegen zandrug die een veilige woongelegenheid bood, geschikt voor primitieve landbouw, en bij de rivier, de toenmalige verkeers- en handelsweg.

Doorheen de verdere geschiedenis is deze continuiteit in bewoning langs de Schelde-oevers in het gebied duidelijk aan te wijzen. Een mooi voorbeeld is het site van Destelbergen (Eenbeekeinde) op de oostelijke uitloper van de hoge zandrug die aanvangt bij de samenvloeiing van Schelde en Leie, op de linker Schelde-oever. Hier is door het Seminarie voor Archeologie van de Gentse Rijksuniversiteit een belangrijk grafveld van de Urnenveldenlieden (periode late bronstijd - vroege ijzertijd, circa 1.100 tot de 5de eeuw vóór Christus) met talrijke brandgraven opgegraven. Tijdens de Gallo-Romeinse periode (57 vóór tot einde 4de eeuw na Christus) maakte dit site deel uit van de belangrijke vicus Ganda, die aan de oorsprong ligt van het ontstaan van Gent en in die tijd één der belangrijkste van het land moet geweest zijn (opgravingen van een uitgestrekt grafveld).

Op het reeds vermelde site van Asper (Jolleveld) zijn een Gallo-Romeinse en Frankische bewoningsfase teruggevonden. Het Merovingische grafveld (6de - 7de eeuw) met een vijfentwintigtal inhumatiegraven kan wijzen op een belangrijke nederzetting die aan de oorsprong ligt van het latere dorp Asper met Romaans kerkje ten oosten van dit site.

Ook de talrijke Gallo-Romeinse vondsten van Heusden (Melhoek) en Semmerzake (Dondergracht) zijn te situeren in de nabijheid van de Schelde en illustreren de materiële cultuur van deze oeverbewoners.

Deze Schelde (van het Indo-Europese S-kel = grijze rivier) wordt vanaf de Keltische periode steeds aangegeven als referentie of begrenzing. Zo is het gebied ten oosten ervan bewoond door de Keltische stam van de Nerviërs, ten westen ervan door deze van de Menapiërs, in de Gallo-Romeinse periode civitas Nerviorum en civitas Menapiorum genoemd. Tijdens de Frankische periode (5de - 9de eeuw) spreekt men van administratieve pagi of gouwen: ten westen de pagus Gandensis, ten oosten de pagus Brabantensis of Brabantgouw. De meeste gemeenten in het gebied behoren tot laatstgenoemd gebied.

Ook de toponymische studie van de dorpsnamen en de chronologie van de plaatsnamen (in de 9de en 10de eeuw) verraden een algemene vroeg middeleeuwse bewoning voornamelijk op deze hoger gelegen heuvelruggen langs de Schelde. De namen op -lare en -rode (zoals Bottelare, Schelderode, Gontrode) kunnen dikwijls in verband gebracht worden met de ontginning van bossen en blijken eveneens van Frankische oorsprong.

In de loop van de 7de eeuw kende de Scheldevallei een eerste golf van kerstening door de Heilige Amandus die in Gent de "Sint-Baafsabdij" en de "Sint-Pietersabdij" oprichtte en door de financiële steun van koning Dagobert talrijke gronden en bezittingen voor deze abdijen wist te verwerven. Waarschijnlijk is een aantal van de vroegste bedehuizen op initiatief van deze benedictijnerabdijen opgericht. De stichting van een benedictijnerabdij, toegewijd aan Sint-Pieters circa 734 (?) door de Heilige Hilduardus te Dikkelvenne op de wijk de Rotse bij de Schelde was zeker determinerend voor de vroege kerstening van de eerste Scheldedorpen.

Bij de oprichting van de bisdommen en splitsing van de kerkprovincie Reims eind 10de eeuw behield de kerk de bestuurlijke indeling van het Frankische rijk waarbij de Schelde opnieuw de grens blijft tussen het bisdom Kamerijk (ten oosten ervan) en het bisdom Doornik (ten westen).

Vooral bij het Verdrag van Verdun (843) werd de politieke rol van de Schelde onderstreept als grens tussen West-Francië, het latere Frankrijk en Lotharingen (nadien bij Oost-Francië, het latere Duitsland gevoegd). Deze vormde zo een vertikale scheiding tussen de twee grootmachten.

Eind 9de eeuw ontstond uit de verbrokkeling van het West-Frankische rijk het graafschap Vlaanderen met opnieuw Kroonvlaanderen, afhankelijk van de Franse koning ten westen van de Schelde en Rijksvlaanderen, afhankelijk van de Duitse keizer ten oosten ervan. Door de expansiedrang van de graven van Vlaanderen kwam Rijksvlaanderen vanaf circa 1048 eveneens onder hun gezag.

Voor hun bestuurlijke organisatie volgden de graven ongeveer de vroegere indeling der pagi. Onder Boudewijn IV (988-1035) kregen deze bestuurlijk-fiscale districten de naam van kasselrij. De juridische bevoegdheid kwam toe aan de grafelijke leenhoven.

De dorpen ten oosten van de Schelde behoorden zo tot de kasselrij van het Land van Aalst en het leenhof ten Stene te Aalst. Destelbergen en Heusden aan de westelijke Beneden-Schelde behoorden tot de kasselrij van de Oudburg te Gent terwijl Asper aan de westelijke Boven-Schelde als enige dorp in het gebied de kasselrij van Oudenaarde toekwam.

Binnen het Land van Aalst behoorden een aantal dorpen tot het Land van Rode, namelijk Schelderode, Balegem, Moortsele, Oosterzele, Schelde-windeke, Bottelare, Gontrode, Landskouter, Melle, Melsen en later ook Munte. Tot het Land van Gavere behoorden naast Gavere ook Baaigem, Dikkelvenne, Semmerzake en Vurste. Schelderode en Gavere- waren respectievelijk hoofdplaats van het Land, de baronie (1565) en later het markizaat (1682) van Rode en het Land, het graafschap (1518) en later het prinsdom (1540) van Gavere met elk hun foncier en versterkt kasteel bij de Schelde.

Enkele dorpsheerlijkheden hingen rechtstreeks af van de grote Gentse abdijen; de "Sint-Baafsabdij" en de "Sint-Pietersabdij". Sinds hun oprichting in de 7de eeuw hadden deze benedictijnerabdijen door aankoop of schenking vele gronden verworven in de omgeving van Gent. De "Sint-Baafsabdij" bezat een aantal dorpen ten noordoosten van Gent aansluitend bij het abdij domein op de linkeroever van de Beneden-Schelde. Tot de vroegste bezittingen van de "Sint-Baafsabdij" (7de eeuw) behoorde echter ook de nederzetting Gijzenzele ten zuidoosten van Gent. Dit ontginningscentrum groeide uit tot een belangrijke domeingroep waarvan gedeelten van het aangrenzende Gontrode en Landskouter afhingen.

Het domeinencomplex van Sint-Pieters strekte zich uit over enkele dorpen aan de Boven-Schelde ten zuiden van Gent aansluitend bij het Sint-Pietersdorp. Buiten dit kerngebied verwierf de "Sint-Pietersabdij" echter ook nog andere bezittingen waarvan grote gedeelten door usurpaties tussen de 8ste en 10de eeuw verloren gingen. Sinds de 10de eeuw behoorden Destelbergen en een groot gedeelte van Merelbeke (de villa Krombrugge) opnieuw aan de "Sint-Pietersabdij" toe.

De bestuurlijke en administratieve indeling bleef tot het einde van het ancien regime behouden. Op politiek vlak hadden wel belangrijke wijzigingen plaats. Door huwelijkspolitiek en oorlogen kwamen onze gewesten in de 14de-15de eeuw onder Bourgondisch gezag. Pas dan werd de rol van de Schelde als grens opgeheven. De strijd van Gent tegen de centralisatiepolitiek van Filips de Goede werd onder meer beslecht in de "slag bij Gavere" in 1453 waarbij de burcht van Gavere door de hertogelijke legers ingenomen werd en de overwonnen Gentenaars gedwongen werden zich te onderwerpen.

De 16de eeuw werd gedomineerd door godsdiensttroebelen en de beeldenstorm (1566). De meeste parochiekerken en kastelen op het platteland werden toen vernield waarbij talrijke kunstschatten verloren gingen. In 1559 werd, onder Filips II een nieuwe kerkelijke indeling ingevoerd. In het besproken gebied kwam het grootste deel van de parochies bij het nieuwe bisdom Gent.

De imperialistische expansiepolitiek van de Franse koningen (voornamelijk Lodewijk XIV) in de 17de eeuw met onder meer de invallen en doortochten van de Franse legers gepaard gaande met opeisingen en belastingen, was noodlottig voor het platteland. Ze betekenden ook de genadeslag voor het slot van Gavere dat door de Franse troepen volledig vernield werd.

De Oostenrijkse periode (1713-1792) wordt algemeen omschreven als relatief rustig en welvarend. De bloei van de huisnijverheid (linnen), de opkomst van ambachtelijke bedrijven en de invoering van de aardappelteelt op het platteland zorgden voor een zeker herstel. Door nieuwe ontginningen werden ook minder vruchtbare gronden in gebruik genomen. De gevoelige bevolkingstoename in deze periode vinden we weerspiegeld in de nog bestaande landelijke bebouwing.

Ook de handel nam toe, voornamelijk langs de Schelde die reeds gedeeltelijk rechtgetrokken was. Gavere, op het knooppunt van verschillende wegen en de Schelde werd een belangrijk centrum (daarvan getuigt nog de Markt, vroeger met talrijke 18de-eeuwse gebouwen) doch moest wachten tot de afschaffing van de heerlijke structuren om een brug over de Schelde te kunnen aanleggen (1812).

De verbetering en verharding van het wegennet wordt grotendeels aan de Oostenrijkers toegeschreven. De nieuwe Brusselse steenweg, in zuidoostelijke richting via Melle, werd reeds aangelegd circa 1704 en was tot de aanleg van de E40 autoweg de belangrijkste verkeers- en handelsweg naar de hoofdstad. De overige grote steenwegen in het gebied, de Dendermondsesteenweg in oostelijke richting via Destelbergen en de Hundelgemse- (oorspronkelijk Geraardsbergse) steenweg in zuidelijke richting via Merelbeke, Bottelare, Munte en Baaigem, werden pas begin 19de eeuw afgelijnd en gekasseid en brachten een goede verbinding tot stand met het hinterland.

Onder keizer Jozef II werd de basis gelegd van onze huidige bestuurlijke indeling: negen kreitsen (de latere provincies) gesplitst in districten (de huidige arrondissementen).

De Franse revolutie stelde definitief een einde aan het feodaal systeem. Tijdens de Franse overheersing (1794-1814) behoorde het gebied tot het "Département de l'Escaut" of Scheldedepartement dat het oostelijk deel van het vroegere graafschap Vlaanderen (met inbegrip van Zeeuws-Vlaanderen) omvatte. Hieruit groeide in 1815 de provincie Oost-Vlaanderen.

Vanaf de vereniging van onze gewesten met het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) werden de staatskundige, bestuurlijke en rechterlijke vernieuwingen bestendigd en vervolmaakt.

Kort na de onafhankelijkheid van België (1830) werd het transport ten lande grondig gewijzigd door de aanleg van de spoorweg (1835). Gent werd onmiddellijk aangesloten op het Belgische net en vormde een belangrijk knooppunt van verschillende lijnen (Gent-Mechelen 1837, Gent-Antwerpen 1847, Gent-Brussel vanaf circa 1852, Gent-Oudenaarde 1857, Gent-Zottegem circa 1861) met stationnetjes in verschillende gemeenten van het gebied.

In 1885 werd dit net nog uitgebreid door de buurtspoorwegen die eveneens vanuit Gent stervormig uitzwermden. De lijn Gent-Geraardsbergen met pittoresk tracé in eigen bedding is heden nog herkenbaar in het landschap te Moortsele.

De verdere uitbreiding en verbetering van het wegennet en afschaffing van de tolbarelen in de jaren 1860 versnelde de ontsluiting van het platteland. Via de grote steenwegen vergroeiden de randgemeenten (Melle, Merelbeke, Destelbergen) met de stad.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft het gebied relatief weinig geleden door oorlogsschade. Enkel een aantal Scheldedorpen werden de laatste dagen voor de bevrijding (van 1 tot 11 november 1918) zwaar beschoten door de Duitse troepen die zich terugtrokken over de Schelde. Vooral de Sint-Amanduskerk, de Markt, de molen en brug te Gavere, de Sint-Stephanuskerk en de molen van Melsen en de Parochiekerk Sint-Pietersbanden, brug en sluis van Semmerzake zijn toen erg beschadigd. Door de aanwezigheid van een Duits vliegveld heeft ook Lemberge als oorlogsdoelwit veel schade opgelopen.

Reeds op het eind van de jaren 1920 werd de aanleg gepland van een bunkerlinie tussen de Schelde bij Kwatrecht (Wetteren) tot de Schelde bij Semmerzake en Eke en vandaar verder doorlopend tot de Leie bij Astene (Deinze). Dit bruggehoofd ten zuiden van Gent maakte deel uit van een nationaal verdedigingswerk dat de "Tête de Pont de Gand" of T.P.G. plande als uiterste verdedigingsgordel van de drie linies die ons land voorzag bij een vijandelijk offensief. Een linie van 228 bunkers diende ter ondersteuning van dit bruggenhoofd. Deze betonnen schuilplaatsen zijn gebouwd in het midden van de jaren 1930. Bij de terreinkeuze werd gebruik gemaakt van een haast ononderbroken heuvelrug die loopt van Kwatrecht over Melle, Gontrode, Gijzenzele, Landskouter, Oosterzele, Moortsele, Munte, Schelderode tot Melsen, Vurste en Semmerzake aan de Boven-Schelde. De linie omvatte twee weerstandsnesten met een concentratie van 22 bunkers op de Betsberg te Oosterzele en van 25 bunkers aan Muntekouter te Munte. Eén van de drie steunpunten was gelegen te Semmerzake en omvatte 12 bunkers. De meeste van de sterk op elkaar gelijkende kleine betonnen schuilplaatsen bleven bewaard. Een groot aantal ervan waren oorspronkelijk door een bakstenen parement gecamoufleerd tot een kleine landelijke woning. Sommige ervan bewaren nog sporen van schijnvensters. Andere bezitten nog een imitatierotsbekleding. In feite gaat het om heel eenvoudige gewapende betonnen constructies met een sasvormige ingang en licht variërende plattegrond doorgaans met slechts twee ruimten. Afhankelijk van de functie en opstelling in de bunkerlinie waren er kijkgleuven, schietgaten of een stalen waarnemingskoepel aanwezig. Militair tactisch gezien bleken zij bij de Duitse inval in mei 1940 niet zo doelmatig als gepland.

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog werden de Scheldebruggen opnieuw opgeblazen en werd Gavere zwaar beschoten. Het noordelijk deel van Merelbeke (de Stations- en Florawijk) werd op 10 april en 10 mei 1944 grotendeels vernield bij de bombardementen van het vormingsstation door de geallieerde troepen.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

De meeste dorpen van het behandelde gebied bezaten reeds in de 11de of 12de eeuw een bidplaats, in sommige gevallen zelfs al ter vervanging van een ouder bedehuis dat mogelijk tot de vroege kersteningsperiode terugging. In de Scheldedorpen ging de voorkeur uit naar een inplanting op een natuurlijke verhevenheid opduikend naast de Schelde-oever aan de rand van de dorpskern en dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van een Scheldeveer. In de andere dorpen viel de keuze voor de bouw van de kerk gewoonlijk ook op een hoger gelegen plek, al dan niet aan een verkeersweg.

Hoewel de streek rijk was aan eenvoudige Romaanse plattelandskerken is wat daarvan bouwkundig overblijft beperkt en fragmentarisch door noodzakelijke latere vergrotingen of de komplete sloping voor een nieuwe kerk. Het courante type kleine zaalkerk met recht afgesloten koor en hoog geplaatste rondboogvensters is onder andere nog herkenbaar in de later aangepaste Sint-Stephanuskerk van Melsen. De Sint-Agathakerk van Landskouter, een zaalkerk met massieve vierkante westtoren uit de 12de eeuw, is ondanks de later bijgevoegde kruisbeuken, een treffend specimen van een plattelandskerk in overgang van Romaanse naar vroeg-gotische stijl. Een illustratie van het type kruiskerkje met kruisingstoren is nog duidelijk te zien te Asper: de Sint-Martinuskerk behield er een vierkante kruisingstoren bekroond door een achthoekige klokkenkamer en het recht afgesloten koor met duidelijke Romaanse vormgeving.

De gotische kerkenbouw wordt ook hoofdzakelijk weerspiegeld in fragmenten van herhaaldelijk verbouwde of uitgebreide kerken. Vele bestaande Romaanse kerken verkregen in de gotische periode een groter koor en transept of werden in hun geheel aangepast. Elders leidden de vernieuwingen tot het plaatsen van grotere vensters of het aanbrengen van een kruisriboverwelving in plaats van de vroegere houten overwelving of afdekking. Van de meeste diende het aanvankelijk eenbeukige schip later te worden vergroot of vervangen door een nieuwe bouw. Qua type ging het voornamelijk om kruiskerkjes met achtzijdige kruisingstoren op vierkante basis. Aanvankelijk (12de en 13de eeuw) werd nog met Doornikse kalksteen gebouwd, later vooral met lokale zandige kalksteen. In opbouw en uitwerking blijkt invloed aanwezig te zijn van de Scheldegotiek, dit geldt ondermeer voor de oostbouw van de Sint-Christoffelkerk te Scheldewindeke uit de 13de eeuw. Later in de gotische periode (14de-15de eeuw) werd voor de decoratieve uitwerking veeleer aangesloten bij de Brabantse gotiek; in die zin werd de achthoekige klokkenkamer van de kerktoren te Vurste opgebouwd.

Een gave en stilistisch homogene kerk uit de 17de eeuw in sobere barokarchitectuur is de bedevaartkerk Sint-Anna (1641-1663) te Bottelare. Dit bak- en zandstenen gebouw heeft voor een barokkerk een eenvoudige structuur: de driebeukige hallenkerk eindigt op een afgerond koor en een uitgebouwde vierkante westtoren. Typisch barok is de decoratief geaccentueerde westgevel met dominante toren. Bovendien harmonieert het interieur van de Sint-Anna te Bottelare stilistisch met het overwegend barokke meubilair. Zo is de eikenhouten communiebank van 1657 een prachtig voorbeeld van barok artistiek houtsnijwerk. Ook de 18de eeuwse lambriseringen met ingewerkte biechtstoelen vormen een passend onderdeel van de rijke stoffering.

In de 17de en 18de eeuw ging de herstelling of wijziging van dorpskerken veelal gepaard met inwendige veranderingen door de aanschaf van nieuw kerkmeubilair. De 12de eeuwse Sint-Agathakerk van Landskouter werd midden 18de eeuw overwegend uitgerust met meubilair in rococostijl. Ook elders werden in de 17de en 18de eeuw portiekaltaren en lambriseringen aangebracht naast een kansel, communiebank, biechtstoelen die vaak iconografisch interessant sculpteerwerk bieden.

Een sobere classicistische bouwstijl vond toepassing in een paar eenvoudige bakstenen plattelandskerken van het type driebeukige hallenkerk met ingebouwde vierkante westtoren zoals voor de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuwkerk te Destelbergen van 1784 en de Sint-Petruskerk van Dikkelvenne van 1825. Deze simpele plattegrond bleef in de 19de eeuw aanvankelijk nog van toepassing in diverse neostijlen zoals de neoromaanse Sint-Martinuskerk van Melle van 1837-39 naar ontwerp van architect L. Minard en de neoclassicistische Sint-Martinuskerk te Balegem van 1866 naar ontwerp van architect E. de Perre-Montigny. Met hetzelfde concept werkte architect M.J. Wolters de Heilige Kruiskerk te Heusden van 1844-45 uit tot een geslaagde vroege toepassing van de neogotiek. Vermeldenswaard is ook de sobere neogotische bakstenen Sint-Bavokerk te Gontrode van 1854-55 naar ontwerp van priester-architect J.-A. Clarysse; deze eenbeukige kruiskerk kreeg een overwelving geïnspireerd door de laat-gotiek.

De tweede helft van de 19de eeuw was een periode waarin menige dorpskerk veranderingen onderging voornamelijk door de bouw van een nieuw groter schip. De toonaangevende bouwstijl was de neogotiek waardoor historisch werd aangesloten bij de doorgaans gotische en tezelfdertijd te restaureren overgebleven delen van de te verbouwen kerken. Vooral architect August Van Assche was veel gevraagd voor restauraties en veranderingen van parochiekerken. De Sint-Pietersbandenkerk van Semmerzake en de Sint-Christoffelkerk van Scheldewindeke werden door hem in neogotische stijl teruggaand op de Scheldegotiek vergroot; door daarbij gebruik te maken van Doornikse kalksteen greep A. Van Assche ook qua bouwmateriaal terug naar het verleden. De verbouwingen aan de Sint-Amanduskerk te Moortsele en de Sint-Martinuskerk van Schelderode kregen vorm in neogotische baksteenbouw. Architect Modeste De Noyette en Henri Vaerwyck hanteerden natuursteen voor de vergrote reconstructie in neogotische stijl van de Sint-Martinuskerk van Asper en de Sint-Martinuskerk van Vurste.

Het meeste kerkmeubilair dat in de 19de of in het begin van de 20ste eeuw werd vervaardigd, was bestemd voor in die periode nieuw gebouwde of vergrote kerken en was zoals de kerken zelf doorgaans in dezelfde neostijl uitgevoerd, dus overwegend neogotisch. Zo werd in de Heilige Kruiskerk van Heusden een opvallend eikenhouten hoofdaltaar geplaatst en ander rijkelijk gesculpteerd neogotisch meubilair dat met de rest van het interieur een waardevol ensemble vormt. Het atelier van de gebroeders De Clercq, verbonden aan de in 1880 opgerichte Sint-Lucasschool te Merelbeke, was gespecialiseerd in het vervaardigen van neogotische meubelen en leverde bijvoorbeeld kerkmeubilair aan de Sint-Pietersbandenkerk van Semmerzake en aan de Sint-Martinuskerk van Vurste.

Architect L. Pavot, bekend door de neogotische religieuze gebouwen die hij elders in Vlaanderen voor de jezuïeten optrok, ontwierp omstreeks 1850 voor de paters jozefieten van Melle als college met kapel een bepleisterd neoclassistisch complex waarvan het kapelinterieur opvalt door de rijke sculpturale stucdecoratie in neoclassicistische stijl. De weinige andere religieuze instellingen zijn doorgaans bakstenen gebouwen met neogotische inspiratiebron.

In de 20ste eeuw werden een paar bakstenen kerken opgetrokken met moderne vormgeving aanleunend bij de eigentijdse burgerlijke architectuur zoals de Sint-Oscarkerk (1938) van architect A. Bressers en de Florakerk (1954) te Merelbeke van architect J. Loontjens. Echt progressief van vormgeving is de moderne betonnen Pius X-kerk te Destelbergen van 1966-67 van architect L. Vervenne.

De meeste wegkapellen zijn eenvoudige rechthoekige gebouwtjes, soms met polygonale sluiting, onder zadeldak en met een voorpuntgevel, doorgaans met weinig uitgesproken stijlelementen. De Onze-Lieve-Vrouwekapel aan de Keiberg te Oosterzele van 1716 vertoont een enigszins barokke vormgeving. De Sint-Martinuskapel van de paardenommegang te Asper is traditioneler en volkser van opvatting. Een sokkelkapel van 1637 te Balegem vertoont barokke sierelementen. Een merkwaardige neogotische wegkapel in de trant van de zogenaamde stukadoorsgotiek is de Onze-Lieve-Vrouwekapel van 1847 bij het "kasteel Te Lande" te Destelbergen. In de tweede helft van de 19de eeuw en begin van de 20ste eeuw vertonen de meeste wegkapellen een neogotische inslag met baksteendecoratie en soms een gekleurde gevelberaping. Te Bottelare vormen een reeks gelijkaardige neogotische wegkapellen een Sint-Anna ommegang.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

In Vlaanderen ving de bouw van gemeentehuizen met de identiteit van een officieel gebouwtype aan in de tweede helft van de 19de eeuw. In het kanton Oosterzele bleef hun aantal vrij beperkt. Zoals elders ook gebruikelijk was bleven de meeste gemeentebesturen traditiegetrouw vergaderen in een zaal van een lokale herberg of in een of ander centraal gelegen dorpshuis. Slechts in enkele grotere gemeenten waar de demografische aangroei in de tweede helft van de 19de eeuw gepaard ging met een verstedelijking van de dorpskern of de hoofdas - in casu gewoonlijk een steenweg - werd de centrumfunctie ook door de bouw van een goed herkenbaar gemeentehuis beklemtoond. Zowel stilistisch als conceptueel refereren de gemeentehuizen aan de middeleeuwse stadhuizen. Dit historiserend gebouwtype werd dan ook bij voorkeur opgericht in een eclectische bouwtrant met voornamelijk neogotische of neo-Vlaamse-renaissance kenmerken en een traditionele materiaalkeuze (bak- en natuursteen). De oprichting van zo'n officieel gebouw met overname van typische elementen uit de stedelijke architectuur kadert geheel in het ontsluitingsproces van het platteland in de 19de eeuw. Naast het volume droeg vooral een statig uitgewerkte hoofdingang op een verhoogde begane grond met een pui en/of een toren constructief bij tot de monumentaliteit van het gemeentehuis. Een modelexemplaar is het gemeentehuis van Melle gebouwd in 1886 in neo-Vlaamse-renaissancestijl naar ontwerp van architect Jozef De Bosscher uit Heusden. Het werd niet aan het dorpsplein ingeplant maar aan de Brusselse steenweg achter een pleintje naast een ander gemeentelijk gebouw met een officieel karakter, namelijk een onderwijzerswoning van 1873 door architect Modeste De Noyette. Het gemeentehuis met gemeenteschool van Destelbergen werd in 1872 als een geheel geconcipieerd gebouw opgericht naar ontwerp van Modeste De Noyette, een architect waarop nog andere gemeentebesturen in Oost-Vlaanderen een beroep deden. Een andere combinatie van functies kwam in 1899 tot stand aan het Dorp van de kantonhoofdplaats Oosterzele: dit gemeentehuis bevat tevens het vredegerecht. Het imposant neogotisch gemeentehuis van Merelbeke van 1906 naar ontwerp van architect H. Geirnaert versterkt door zijn opvallende inplanting het pleinkarakter van de aan de Hundelgemsesteenweg nieuw gecreëerde gemeentekern.

Typische gemeentescholen kwamen er vooral in de jaren 1860 en 1870, kort nadat de subsidiëring van de scholenbouw voor kosteloos gemeentelijk onderwijs wettelijk geregeld was. Deze gemeentescholen vertonen een aantal architecturale overeenkomsten, waarschijnlijk door de van overheidswege opgelegde bouwrichtlijnen en de actieve betrokkenheid bij de bouw van enkele provinciale architecten zoals Modeste De Noyette en Edmond de Perre-Montigny. Gewoonlijk was het schoolgebouw met gelijkvloerse klaslokalen vergezeld van een al dan niet aangebouwde onderwijzerswoning met bovenverdieping zoals lagere school te Baaigem. Het zijn bakstenen gebouwen in een strenge, sobere eclectische stijl met neogotische of neoclassicistische inslag. De onderwijzerswoning is vrijwel altijd opgevat als een dubbelhuis met benadrukt of verhoogd centraal deurrisaliet. Zo'n typische gemeenteschool (1873) is nog te vinden te Vurste.

Een zogenaamd "hospice", een openbaar gebouw behorend tot de sociale sector komt slechts in enkele gemeenten voor. Gewoonlijk werd zo'n rusthuis gefinancierd door particulieren, bediend door religieuzen en thans beheerd door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn. De hier opgerichte instellingen bestaan telkens uit een breed rechthoekig hoofdgebouw middenin een omringende hof. Het monumentaal aanzien van deze baksteenarchitectuur met eclectische componenten resulteert onder meer uit de symmetrische gevelcompositie met markerende pilasters en een bekroond middenrisaliet met hoofdtoegang. Het neoclassicistisch rusthuis (1843) van Destelbergen herbergt een kapel in de centrale achteraanbouw. Het "Armhuis" van Asper gebouwd in 1863 is in zijn detailafwerking metibaksteenfriezen en hardstenen lijstwerk, een typische realisatie van architect E. de Perre-Montigny. Daaraan verwant maar eenvoudiger van uitvoering is het hospice (1859) te Merelbeke.

Pastorieën

Sinds de 18de eeuw evolueerde de pastorie tot een apart gebouwtype. Vanaf die periode werden er namelijk specifiek als pastorie gebouwde huizen opgericht of een bestaande dorpswoning aangekocht en tot pastoraal huis aangepast. Voordien was de pastoor gewoonlijk wel gehuisvest in een "betere" dorpswoning of hoeve, frequent zelfs voorzien van een omwalling, maar als huistype onderscheidde die woning zich niet van de traditionele landelijke woningbouw. Om diverse redenen werden die oudere pastorieën soms in de 19de eeuw verkocht en verwisseld voor een nieuwe "echte" pastorie. Dit was onder meer het geval voor de omwalde hoeve te Vurste die tot 1856 tot pastorie diende. In de 18de eeuw kreeg de klassieke plattegrond van de pastorie vaste voet: een ruim dubbelhuis met kamers aan weerszijden van de centrale gang. Het volume was tot het eind van de 18de eeuw gewoonlijk beperkt tot één enkele bouwlaag. De pastorie van Schelderode, een 17de eeuwse bak- en zandstenen woning aangekocht en aangepast in 1764, bleef als één van de weinige zo bewaard. De 18de-eeuwse pastorieën vertonen doorgaans een vrij traditionele bakstenen voorgevel met classiciserende, bepleisterde venster- en gevelaflijningen. Het interieur werd echter meestal wel stijlbewuster uitgevoerd : een salon en spreekkamer met versierde stucplafond en schouwmantel was dan ook niet ongewoon voor een pastorie. Een fraai voorbeeld is de pastorie (1744) te Destelbergen van de Gentse "Sint-Pietersabdij". De rood- en geelgekalkte voorgevel is traditioneel maar het interieur is stilistisch wel opgesmukt. Bottelare kreeg in 1773 een nieuwe pastorie, ook door toedoen van de Gentse "Sint-Pietersabdij" zoals een gevelsteen met wapenschild verraadt. Evenals de meeste andere 18de-eeuwse pastorieën werden de pastorie van Bottelare en de pastorie van Gontrode in de 19de eeuw met een bouwlaag verhoogd en aangepast. Die verbouwde pastorieën bewaren echter wel soms nog een mooie 18de-eeuwse trap zoals in de pastorie van Baaigem of een schouwmantel zoals in de pastorie te Munte.

De 19de-eeuwse pastorieën tellen twee bouwlagen en sluiten stilistisch aan bij het burgerhuistype. De pastorieën uit de eerste eeuwhelft en het midden van de 19de eeuw hebben veelal een vlakke bepleisterde lijstgevel van vijf traveeën enkel verrijkt door een centrale hardstenen deuromlijsting met neoclassicistische inslag, dikwijls ook voorzien van een klokkenstoel midden op het dak. Ingeplant in een omheinde tuin nabij de kerk onderscheidden zij zich vroeger sterker van de toen nog overwegend één verdieping hoge dorpshuizen. Een typisch voorbeeld is de pastorie van Vurste gebouwd in 1854-56. Meer allure heeft de pastorie van Dikkelvenne van 1865: de deurtravee werd uitgewerkt tot een risaliet met frontonbekroning en een hardstenen portiek. In een paar gemeenten werd in de tweede helft van de 19de eeuw een nieuwe pastorie opgericht, ongeveer gelijktijdig met de bouw van een grotere nieuwe parochiekerk in neostijl. Architect E. de Perre-Montigny ontwierp zowel de kerk als de pastorie te Balegem en de pastorie van Merelbeke. Zij dateren respectievelijk van 1871 en van 1873; beide bakstenen pastorieën vertonen gelijkaardige bouwkarakteristieken (onder meer lisenen, rondboogvensters met traceerwerk, baksteendecoratie) en zijn sterk verwant met de onderwijzerswoningen die dezelfde architect ontwierp. Pastorieën gebouwd in het laatste kwart van de 19de eeuw zijn doorgaans bakstenen constructies met eclectische inslag.

Burgerhuizen en rijhuizen

Vóór 1800 was het aantal burger- of herenhuizen op het platteland die veeleer aanleunden bij de stedelijke privé-architectuur vrij beperkt. Naast de pastoor telde het dorp soms nog een brouwer, olieslager of een andere belangrijke ingezetene die opvallend beter gehuisvest was dan de doorsnee dorpelingen. Eén van de zeldzame overgebleven voorbeelden met uitgesproken 18de-eeuwse stijlkenmerken is een vroeger brouwershuis (1781) te Asper; versieringselementen in Lodewijk XVI-stijl verlenen de één verdieping hoge bepleisterde lijstgevel een bijzondere allure.

In de loop van de 19de eeuw groeide het aantal dorpsnotabelen aan met een advocaat, dokter, dierenarts, notaris of een ander magistraat die kapitaalkrachtig genoeg was om een ruime woning van het type rijhuis met bovenverdieping te laten optrekken. Deze herenhuizen ingeplant aan de straat of achter het hek van de omringende tuin waren dikwijls vergezeld van een koetshuis of andere afhangen. Aan belangrijke verkeersassen zoals de grote steenwegen en in de buurt van stations vestigde zich ook een zich stelselmatig uitbreidende klasse van handelaars behorend tot de dorpsburgerij. Tot het midden van de 19de eeuw pasten de overwegend sobere lijstgevels van deze burgerhuizen een vlakke bepleistering of gevelberaping toe met aflijnende platte banden zoals een herenhuis te Destelbergen. De typische dubbelhuisopstand kreeg een extra accent door een hardstenen deuromlijsting met een neoclassicistisch geïnspireerde vormgeving zoals het herenhuis in de Tramstraat te Heusden. Het tweeverdiepingshuis met gevelberaping vond verspreid navolging als type betere dorpswoning en dorpsherberg bijvoorbeeld te Dikkelvenne "In de Fontein - Oud Gemeentehuis" en te Bottelare.

In de tweede helft van de 19de eeuw werden de bepleisterde burgerhuizen talrijker die met hun neoclassicistische stucdecoratie direct aansluiten bij de stadswoningen uit dezelfde tijd. Een fraai voorbeeld daarvan is een notariswoning te Bottelare. Aan de steenwegen naar Gent komen rij- en arbeiderswoningen in seriebouw zowel met gevelbepleistering als beraping frequent voor. Bakstenen burgerhuizen uit het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw brachten fragmentarische toepassingen voort van de gangbare neostijlen in een gevel met verwerking van natuursteen, gekleurde of geglazuurde baksteen, of tegels. Vooral de talrijke bloemisten uit die periode bouwden villa's in dergelijke bouwtrant zoals aan de Brusselse steenweg te Melle. Sporadisch duiken invloeden op van de art nouveau in details zoals hout- of ijzerwerk van deuren en balkons of/en bloemmotieven in sgraffiti of faience. Een mooie realisatie in die zin is de dokterswoning (1904) in Oosterzele. Een minimale inbreng van de art deco is terug te vinden in de decoratieve gevelcementeringen van een paar bescheiden dorpshuizen zoals aan de Lembergestraat te Landskouter. Ook uitingen van de modernistische architectuur uit de jaren 1920 en 1930 zijn zeldzaam. Ook in de vrij grote nieuwe woonwijken die aansluiten bij de Gentse stedelijke agglomeratie bleef het functionalistisch bouwen in nieuwe zakelijkheid zoals de villa in de Palmdreef te Melle uitzonderlijk.

Hoevebouw

In het bestudeerde gebied vormt de hoevebouw kwantitatief de belangrijkste component van de landelijke architectuur. De meerderheid van de bevolking was er immers tot in de 20ste eeuw actief in de landbouwsector.

Een verspreide inplanting van hoeven, soms geconcentreerd aan een vroegere "dries", is overal kenmerkend. Verschillende hoevetypes komen naast elkaar voor. Grotere hoeven zijn samengesteld uit losse bestanddelen in U-vorm; dit type overweegt in de zandstreek of noordelijk deel van het gebied. Het semi-gesloten en gesloten hoevetype domineert in de zandleemstreek of het zuiden. Toch ging het daar in oorsprong doorgaans om hoeven van het semi-gesloten type die in de loop van de 19de eeuw dicht werden gebouwd. Kleine boerderijen behoren dikwijls tot het langgestrekte type of hebben één bijbehorend dienstgebouw. Het bakhuis dat ook op de kleine hoeve thuishoort staat gewoonlijk wel apart.

De voorgevel van het boerenhuis, een rechthoekige woning van één bouwlaag, werd bij voorkeur georiënteerd naar het zuidoosten of zuiden. Het aantal omwalde hoeven is beperkt: slechts abdijhoeven, onderdelen of overblijfsels van heerlijke sites of belangrijke hofsteden, in oorsprong opklimmend tot de late middeleeuwen of ouder, werden van een omgevende walgracht voorzien. Van het aanvankelijk heerlijk karakter van sommige grote hoeven getuigt nog de aanwezigheid van een alleenstaande duiventoren op het binnenerf, bijvoorbeeld in een hoeve aan de Ommegangstraat te Asper, .

Hout en leem bleven nog gebruikelijke materialen voor de hoevebouw tot in de 19de eeuw. Vanaf de 18de eeuw overheerste echter baksteenbouw. De meeste bewaarde hoeven dateren uit het eind van 18de en uit de 19de eeuw. We troffen slechts schaars fragmentarische overblijfsels aan van vakwerk en leembouw. Sporen van versteende vakwerkbouw zijn te zien in een erfgevel van een boerenhuis te Asper en van leembouw in een paar schuren, onder meer van dezelfde gemeente: hoeve aan de Galgenstraat en hoeve aan de Veldstraat en voor een deel van een bakhuis te Scheldewindeke (hoeve aan Hettingen). Andere herinnneringen aan dit vroeger bouwsysteem zoals houten verankeringen komen meer voor (Vurste, hoeve aan de Evenakkerstraat).

Ondanks de aanwezigheid van zandsteengroeven werd dit bouwmateriaal slechts in geringe mate toegepast op belangrijke grote hoeven ; bovendien was de zandsteen als substantie niet nadrukkelijk zichtbaar door de gebruikelijke gekleurde pleisterlaag die contrasteerde met de traditioneel witgekalkte bakstenen erfgevel. Zandsteen werd in de 17de eeuw en tot midden 18de eeuw hoofdzakelijk aangewend voor de omlijsting van korfboogdeuren en het ovaal bovenlicht dat de voordeur soms vergezelde, voor de omlijsting van vensters en hun kozijnen. Te vermelden als mooie voorbeelden zijn : "'t Hof te Baaigem"(1645) en hoevecomplex van 1740 te Baaigem, hoeve "Clays van Muntestede" te Munte en boerenhuis te Gijzenzele. Enkele daarvan bewaren ook een binnendeur naar de pronkkamer in een geprofileerde zandstenen omlijsting bekroond door een nis voor een heiligenbeeld. Het enige courante versieringselement van de boerenhuisgevel was een deuromlijsting van kleine baksteen zoals te Vurste, hoeve aan de Leenstraat en te Scheldewindeke, hoeve aan de Hauwsestraat. Vermeldenswaard is ook de veel voorkomende gesculpteerde balkzoolversiering van de houten zoldering in de voornaamste vertrekken van de boerenwoning, soms vergezeld van een ingekerfd jaartal.

Alle schuren hebben de vorm van een dwarsschuur, dikwijls geïncorporeerd in een grotere bedrijfsvleugel of later gedeeltelijk omgevormd tot stallen. Sommige oude exemplaren bewaren een indrukwekkend eiken gebint dat de houten skeletbouw van de vroegere schuren illustreert; de omgebouwde schuur te Lemberge bleef zo'n schuurgebint met jaartal 1692 bewaard. Wanden met houten beschieting komen hier en daar nog voor (Gontrode, "Mullemhoeve"). De meest verspreide bakhuisvorm was van het tweeledige type, frequent gelegen aan de straat zoals de hoeve aan de Driesstraat te Melle, . Slechts uitzonderlijk leunt de bakoven aan bij een ander bedrijfsgebouw.

Kastelen en buitenplaatsen

Kastelen in de middeleeuwse betekenis van burcht of versterkte woning met toebehoren van een feodaal heer of vorst komen niet meer voor maar hebben in het geïnventariseerde gebied wel degelijk bestaan. De aanwezigheid van de Schelde ligt, gezien haar strategisch, politiek en economisch belang als verkeersader, zeker mede aan de basis voor de oprichting van een aantal verblijven met in oorsprong een defensieve functie. Zo bezaten de heren van Gavere sinds de twaalfde eeuw een versterkte waterburcht naast de Schelde die behoorde tot de belangrijkste militaire versterkingen stroomopwaarts de Schelde tussen Gent en Oudenaarde. De aanleg ervan met donjon, versterkte ringmuur, poorttoren en houten brug over de brede ringwal was vergelijkbaar met de Gentse grafelijke burcht. De burcht van Gavere verdween kompleet na vernieling in de 17de eeuw.

De heer van Heusden en burggraaf van Gent ambieerde circa 1200 eerst ook de bouw van zo'n versterkt kasteel; hij breidde echter een bestaande castrale motte nabij de Schelde uit tot een tweeledige militaire versterking met een achtvormige walgracht die samen met wat rudimentaire puinen werd gerestaureerd.

Ook elders aan de Schelde bezaten lokale heren een omwald "foncier" of heerlijke verblijfplaats mogelijk van het type kleine ringwalburcht of castrale motte (verdwenen onder meer te Melle, Semmerzake, Schelderode). Van sommige wordt ook beweerd dat ze de functie van militair bolwerk aan de Schelde vervulden; hun defensieve functie kon echter evengoed enkel afgestemd geweest zijn op de verdediging van het eigen bezit. De versterkte motte met ringgracht raakte namelijk door overname bij de lokale aristocratie sterk verspreid en vond vooral om prestigieuze redenen navolging tot in de late middeleeuwen. Zo ontstonden vele omgrachte versterkte hoeven en herenverblijven met een neerhof. Van deze sites is dikwijls nog niet duidelijk of zij in oorsprong teruggaan op een bestaande versterking met mottetoren of op een oudere landbouwnederzetting.

De talrijke latere lusthoven of huizen van plaisance en jachtverblijven die vooral sinds de 16de eeuw in trek kwamen bouwen met hun enkelvoudige of samengestelde omgrachting vaak voort op bestaande heerlijke verblijven of hoeven. Welstellende stedelingen en patriciërs zochten bij voorkeur een tweede verblijf aan te kopen in de bosrijke zone gevormd door Destelbergen, Heusden, Melle en Merelbeke, die via de Schelde en de steenwegen vanuit Gent vrij vlug en gemakkelijk te bereiken waren. Vernielingen aangericht in de 16de en 17de eeuw en andere woonbehoeften waren aanleiding tot de wederopbouw van vele van die landadelverblijven en buitenplaatsen. Architecturale overblijfselen uit de voorafgaande eeuwen zijn dan ook exceptioneel en fragmentarisch.

De oudste bewaarde kasteeltjes of landadelverblijven zijn bouwwerken uit de 16de en de 17de eeuw, een tijdvak waarin de woonfunctie de overhand haalde op de verdedigingsfunctie. De geslotenheid van de vroegere burchten en dominante torens had plaats gemaakt voor één of meerdere rechthoekige woonvleugels met vele vensters in de buitenmuren. Defensieve karaktertrekken kwamen wel nog tot uiting in hun concept van waterkasteel en de compacte, dikwijls haast vierkante plattegrond met een hoger opgaande traptoren.

Andere overblijfselen van weerbaarheid van feodale verblijven zoals versterkte toegangspoorten verdwenen doorgaans met de latere wijzigingen aan dergelijke domeinen. Zo tekende Sanderus het U-vormige "Kasteel Succa" te Destelbergen en het L-vormige "Kasteel de Bueren" te Melle nog met een binnenplaats afgesloten door een gekanteelde muur. Beide kastelen vormen naast "Kasteel Notax" te Destelbergen, ondanks de latere ingrepen, de best bewaarde en meest interessante voorbeelden uit die periode.

"Kasteel de Potter" in Melle bewaart nog een torenachtig poortgebouw tussen opper- en neerhof van het vroeger waterkasteel. Dergelijke adellijke domeinen waren geconcipieerd als economisch zelfstandige entiteiten en behielden de tweeledige structuur van opper- en neerhof met boomgaard en moestuin; de kasteelhoeve lag daarbij traditioneel als een beschermend element nog vóór het eigenlijke kasteel. In vele gevallen verdwenen de eigenlijke kasteeltjes en bleef enkel de hoeve nog bestaan zoals van het "Hof van Boekhoute" te Oosterzele en "Hof ten Rattepade" te Moortsele. Het huidig boerenhuis van het "Spaans hof" te Heusden illustreert met zijn bakstenen trapgevels en weliswaar deels gedichte zandstenen kruiskozijnen de traditionele bouwtrant van de adellijke landhuizen.

Nieuwe opvattingen inzake kasteelbouw met Franse inspiratiebron en typerend voor de 18de eeuw vonden duidelijk hun neerslag bij de opbouw van "Kasteel Baudries" te Dikkelvenne en "Kasteel Smissenbroek" te Oosterzele. De hang naar openheid, planmatigheid en grootsheid uit zich architectonisch in een ruimere en axiale opstelling in U-vorm van kasteel en bijgebouwen en in hun symmetrische gevelopstand. Deze geconstrueerde regelmaat wordt ondersteund door de parkaanleg met axiale toegangsdreef en door het grachtenpatroon. Het kasteel is een breed classiciserend rechthoekig gebouw met een geaccentueerde centrale hoofdingang, met apart uitgewerkte koepelvormige dakbekroning. Koetshuis, paardestallen en personeelswoningen zijn ondergebracht in twee gelijkaardige parallelle vleugels haaks vóór het kasteel. Veranderingen aan bestaande buitenplaatsen volgens de jouissante mentaliteit van toen gaf met een nieuwe parkaanleg ook aanleiding tot de bouw van nieuwe typische bij gebouwen zoals een oranjerie, theepaviljoentjes, gloriëtten, ijskelders. In het park van "kasteel Borgwal" te Vurste werd een Chinees tuinpaviljoen boven een ijskelder gebouwd.

De classiciserende bouwstijl bleef sterk doorleven in de vele nieuwe neoclassicistische of in die zin vernieuwde zomerverblijven die in het begin en het midden van de 19de eeuw tot stand kwamen. Algemeen toegepaste bouwkenmerken zijn een evenwichtige gevelcompositie met bepleistering, soms met pilastergeleding en centraal middenrisaliet zoals voor "kasteel Stas de Richelle" te Heusden. Een paar empire buitenplaatsen ontleenden aan de Palladiaanse bouwstijl de kenmerkende centrale rotonde met koepel en belvedère. Architect Pierre-Dominique Velleman paste dit toe bij de verbouwing van "kasteel Steevliet" te Melle. De meest opvallende realisatie in de geest van Palladio is "kasteel Crabbenburg" (1821-1823) te Destelbergen naar ontwerp van Jean-Baptiste van de Cappelle, een toonaangevend Gents architect uit de empireperiode.

Naast de oorspronkelijke haast vierkante plattegrond met rond centraal salon (later gewijzigd) is de als klassieke tempel met fronton uitgewerkte portiek een zuiver Palladiaans vormelement. "Kasteel Grenier" aan de Schelde te Gavere gebouwd in 1837-39 door architect Bruno Renard (Doornik) bezat vroeger ook een zuilenportiek tegen het middenrisaliet van de voorgevel. Rondboogvormige deurvensters in plaats van een geaccentueerde hoofdingang raakten ook op andere zomerverblijven in zwang. De Gentse architect Louis Minard werd voor meerdere dergelijke nieuwe of te vernieuwen zomerverblijven te Melle en Merelbeke gevraagd (oranjerie en "Kasteel Piers de Raveschoot" te Melle van 1833).

De kasteelbouw uit de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw bracht een grotere verscheidenheid in bouwstijl en bouwmaterialen. Naast de adel wensen nu ook industriëlen en andere nieuwe rijken een buitenhuis of woning met kasteelallures te bouwen. Dit gaf vaak aanleiding tot de bouw van grootsprakerige en pronkerige constructies in eclectische of een of andere neostijl zoals het kasteel van baron Braun in neo-Franse-renaissancestijl van 1881 te Heusden in de en "kasteel Bergwyk" te Merelbeke van 1899 door architect Jozef de Waele in neo-Vlaamse-renaissancestijl. Er werd teruggegrepen naar traditionele bouwmaterialen (bak- en natuursteen). Een in het oog springend constructief onderdeel van de middeleeuwse kastelen, namelijk de toren wordt een haast onafscheidelijke component. Een bijzondere consequente uiting van de neogotiek, gefundeerd op bouwtypes en gotiek van eigen bodem, en een geslaagd pittoresk ensemble is het kasteel voor zichzelf gebouwd te Schelderode door architect Florimond Van de Poele circa 1865. De samenwerking met baron Jean Bethune, voorman van de Sint-Lucasgotiek, resulteerde ook binnenshuis in staaltjes van ambachtelijk vakmanschap.

Nog een kasteel met sterke enting op architectuurvormen uit het eigen nationaal verleden, in casu van Engeland, is het kasteel Drory te Merelbeke gebouwd circa 1898 voor een heer van Engelse afkomst. De ontwerper, architect A. Marchand, ontwierp zowel in Vlaanderen als Wallonië, talrijke villa's die aanleunden bij de traditionele Engelse landhuizen. Naast het uitzonderlijke bouwmateriaal (natuursteen) valt kasteel Drory ook op door de verwevenheid van neogotische met art nouveau elementen. De typische cottagestijl met kleurrijke imitatievakwerkbouw was gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw vrij geprefereerd als bouwtrant zowel voor gewone als grote villa's die als kasteel betiteld werden (Wit kasteel ten Spieghele te Scheldewindeke; villa van architect A. Marchand te Melle; het huidige gemeentehuis van Gavere van 1926).

Economie, pre-industrieel en industrieel erfgoed

Tot het midden van de 19de eeuw was de economische activiteit louter toegespitst op de landbouw. De meest voorkomende agrarische nijverheden, de maalderij, stokerij en brouwerij, waren bovendien kleinschalige ambachtelijke bedrijfjes die vooral op eigen en lokale behoeften waren afgestemd.

De oudst toegepaste mechanische drijfkracht voor de maalderij was de waterenergie, aangewend in watermolens. Dit soort molens was slecht vertegenwoordigd in de streek wellicht omdat de landschappelijke voorwaarden, namelijk een waterloop met voldoende debiet, ontbraken. Aan de Molenbeek of Gondebeek, een beek die ontspringt in het zuiden van het heuvelachtige Balegem, noordwaarts vloeit en uitmondt in de Schelde, bleven drie watermolens bewaard. Geen enkele daarvan is echter nog in bedrijf. De watermolen van Balegem en de watermolen van Moortsele werden respectievelijk al vermeld in de 15de en 16de eeuw. Beide zijn van het type bovenslagmolen met verticaal metalen rad en een goot die het water aanvoert tot de schoepen van het rad. In het molenhuis van de watermolen van Moortsele bleef de maalinstallatie aanwezig. De watermolen Van Roo te Gontrode was ook al werkzaam in de 16de eeuw en leverde drijfkracht voor een graanmaalderij, olieslagerij en een zagerij. Een turbinemolen vervangt sinds circa 1925 de vroegere watermolen; een oude maalstoel bleef bewaard.

Wat de windmolens betreft, die waren vroeger aanzienlijk talrijker aanwezig. Alleen de gemeente Balegem biedt met zijn drie gerestaureerde windmolens nog een beeld van het vroeger gemiddelde molenbestand per gemeente. Op dit ogenblik rest er nog één houten windmolen, namelijk de Windekemolen. Deze open staakmolen op teerlingen, gebouwd in het begin van de 19de eeuw in Henegouwen, is thans de grootste houten windmolen van Oost-Vlaanderen. De meeste stenen windmolens waren korenmolens met tevens een stampkot of olieslagerij. Het zijn ronde bakstenen beltmolens van het boven kruiertype zoals de Klepmolen van Balegem. De Guillotinemolen van Balegem dateert nog van 1798; de molen van Schelderode werd nog in 1907 gebouwd ter vervanging van een houten windmolen. De oudste stenen windmolen, de Tarandusmolen van 1771 te Dikkelvenne heeft geen wiekenkruis meer evenmin als de Prinsenmolen van Baaigem. Daarnaast zijn er nog acht niet beschermde bakstenen molenrompen bewaard waaronder een stellingmolen te Semmerzake met gemetste galerij. De merkwaardige stellingmolen van Melsen, gebouwd in 1772 als oliemolen werd gedeclasseerd na sloping van de hoge bakstenen galerij.

De graanstokerij was een typische nevenactiviteit van het boerenbedrijf. Nagenoeg ieder dorp bezat één of meerdere grote hoeven met stokerij. De meeste werden in het begin van de 20ste eeuw opgedoekt en lieten weinig architecturale sporen na. Twee typische landbouwstokerijen met hun technische installatie bleven volledig bestaan. De thans niet meer actieve stokerij Van de Velde te Landskouter bewaart een interessant gebouwencomplex. In de graanschuur-maalderij staat een monument van industrieel erfgoed: mogelijk de oudste stoommachine van België van het type verticale stoommachine en vermoedelijk geconstrueerd in 1837 te Gent door H. Hisette. De stokerij Van Damme te Balegem is nog werkzaam als graanjeneverstokerij en bewaart een stoommachine van 1890 en een ambachtelijke stookinstallatie.

De vele lokale bierbrouwerijen gingen eveneens teniet en de architecturale resten ervan zijn doorgaans weinig relevant. De brouwerij Huyghe te Melle bouwde in 1938-40 een nieuw bedrijf met verticale brouwerij in een betonnen skeletbouw met modernistisch uitgewerkte straatgevel.

Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw kenden vooral de gemeenten aan de Schelde die het dichtst aansloten bij de Gentse agglomeratie een grotere verscheidenheid aan kleinnijverheid gebonden aan de Schelde zoals pottenbakkerij, huidevetterij , ververij. Het randstedelijk gebied nam op een bescheiden wijze ook deel aan de industrialisatie. Met de uitbouw van het spoorwegnet en het vormingsstation van Merelbeke verlegde zich daar het zwaartepunt naar de buurt van het station. De voornaamste economische activiteit sinds het eind van de 19de eeuw te Merelbeke en Melle bleef echter de tuinbouw en bloemisterij. Ook deze bedrijven vestigden zich bij voorkeur in de omgeving van het station tussen en aan de Hundelgemse steenweg en Brusselse steenweg. Eén van de weinige relevante industriegebouwen is de nog werkzame tapijtfabriek Royal Axminster te Heusden. Dit industrieel complex werd in het begin van de 20ste eeuw opgericht vlakbij een laadstation van de buurtspoorlijn Gent-Wetteren en paalde aanvankelijk ook aan deze spoorlijn. In de laatste decennia werden enkele nieuwe industrieparken opgericht vooral in de buurt van opritten en verkeerswisselaars van de autostrades en de ringautoweg R4 die de E17 (Antwerpen-Rijsel) en de E40 (Brussel-Oostende) verbindt met Gent-Zeehaven. Als gevolg van de aanleg van deze autowegen werden vooral Destelbergen, Heusden, Melle en Merelbeke nog aantrekkelijker als woongemeente voor pendelaars. De verkaveling van gronden voor villabouw gaat in deze gemeenten dan ook nog steeds verder door.

Bron: Bogaert C. & Verbeeck M. 1989: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Gent, Kantons Destelbergen - Oosterzele, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 12N2, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Bogaert, Chris & Verbeeck, Mieke

Datum tekst: 1989

Relaties

omvat Destelbergen

Destelbergen (Oost-Vlaanderen)

omvat Gavere

Gavere (Oost-Vlaanderen)

omvat Melle

Melle (Oost-Vlaanderen)

omvat Merelbeke

Merelbeke (Oost-Vlaanderen)

omvat Oosterzele

Oosterzele (Oost-Vlaanderen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.