Kanton Mechelen

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ regio

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Mechelen, Willebroek
Deelgemeente Onbepaald
Straat

Administratieve gegevens

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kieskanton Mechelen van het gelijknamige arrondissement, ligt in het zuidelijke deel van de provincie Antwerpen. De Nete en de Rupel vormen de noordelijke grens. Ten zuiden sluit het kanton aan bij de provincie Brabant, ten oosten bij het kanton Duffel en ten westen bij het kanton Puurs. Het kanton omvat de stad Mechelen en de gemeente Willebroek.

De stad Mechelen staat via grote uitvalswegen doorheen drukke stadsgehuchten, in verbinding met de vrij landelijk gebleven fusiegemeenten Walem, Heffen, Leest, Hombeek en het - door de inplanting van het arsenaal - deels verstedelijkte Muizen.

Het eveneens dicht bebouwde en sterk geïndustrialiseerde Willebroek met de plattelandsgemeenten Blaasveld, Heindonk en Tisselt noemt men het "Vaartland" naar het kanaal Brussel-Willebroek (1550-1561).

Het gebied wordt doorkruist door beeldbepalende verbindingswegen tussen Antwerpen en Brussel (A12 en E19) en tussen Mechelen en Dendermonde/Sint-Niklaas. Daarnaast hebben de talrijke waterwegen een niet te verwaarlozen impact op de geschiedenis en de bebouwing van het gebied. Naast de grote, natuurlijke waterlopen zoals de Nete, de Rupel, de Dijle en de Zenne zijn de kunstmatig aangelegde Willebroekse (1550-1561) en Leuvense (1750-1753) vaart van groot economisch belang. De lokale bebouwing heeft een vrij heterogeen karakter met naast de industriezones en de verstedelijkte centra van Mechelen en Willebroek, voornamelijk kleinere, verspreide woonkernen in een natuurlijk en ruraal landschap.

LANDSCHAPSTYPERING

Het geografische "Land van Mechelen" maakt deel uit van de riviervlakte gevormd door de Dijle, de Zenne, de Rupel en de Nete. Het betreft laag gelegen land met een overwegend zandige tot licht zandlemige bodem. De vruchtbare zone in de omgeving van Mechelen is vochtig, fijn en sterk humeus. Het typisch "Mechelse" landschapsbeeld met een overwicht aan tuinderijen (groenteteelt) wordt verklaard door de aard van de bodem en door de enorme afzetmogelijkheden, bepaald door de ligging halverwege de steden Antwerpen, Brussel en Leuven.

In het noorden wordt het landschap bepaald door een opeenvolging van "broeken" en "donken" aan de oevers van de Rupel en de Nete en aan de samenvloeiing van de Zenne, de Dijle en de Leuvense vaart. De regio omvat tevens een deel van de industrie-as Antwerpen-Brussel, ontstaan aan het kanaal Willebroek-Brussel en aan de A12 Antwerpen-Brussel.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Prehistorische vondsten zowel in het Mechelse (Nekkerspoel, Heffen, Hombeek, Muizen, Walem) als in het Vaartland (Blaasveld) wijzen op een vroege bewoning van het gebied. De ontdekking in 1904 van paalwoningen, beenderen en een eikenhouten prauw te Nekkerspoel vormde een belangrijke bijdrage tot het onderzoek naar de vroegste wooncultuur.

Bij de verovering van onze gewesten door de Romeinen (eerste eeuw voor Christus) behoorde het zuidelijk deel van de huidige provincie Antwerpen tot het gebied van de Nerviërs. Sporen van de Romeinse overheersing kwamen veelvuldig aan het licht te Muizen, Leest, Heffen en Hombeek. In het hele gebied waren de oversteek- en/of aanlegplaatsen op beken en rivieren van primordiaal belang bij het ontstaan en de geschiedenis van sommige bewoningskernen (Walem, Heffen, (Neer-) Hombeek, Klein-Willebroek).

Etymologische resten in lokale plaatsnamen wijzen daarentegen op Frankische nederzettingen (onder meer Walem, Adegem, Auwegem, Geerdegem, Swyveghem). De continuïteit in de bewoning sedert de Gallo-Romeinse periode wordt geïllustreerd door de resultaten van de verschillende archeologische campagnes te Muizen die resulteerden in de vondst van onder meer een Romeinse villa, Merovingische graven en een Karolingische muntschat van circa 884.

De Karolingische periode en de feodale machtsstrijd tussen Vlaanderen en Brabant bepaalden de "onsamenhangende" geschiedenis en de verschillende juridische en bestuurlijke statuten tot op het einde van het ancien regime. De afzonderlijke entiteiten behoorden echter vanaf de vijftiende eeuw reeds tot de personele unie, die ontstond door de centralisatiepolitiek van de Bourgondische hertogen met de vereniging van de titels graaf van Vlaanderen en hertog van Brabant in handen van één dynastie.

De Heerlijkheid Mechelen met - binnen de omschrijving van dit boekdeel - het huidige Mechelen, Heffen, Leest, Hombeek en Muizen was circa 910 door Karel de Eenvoudige afgestaan aan de Prinsbisschop van Luik en bleef tot 1300 een Luikse enclave binnen het hertogdom Brabant. De Berthouts verwierven als Heren van Mechelen de voogdij over het gebied, de oorzaak van talrijke bevoegdheidsconflicten inzake heerlijke rechten. Van 1300 tot 1357 kwam de heerlijkheid gedurende een korte tijd in handen van de Brabantse hertog. Na de Brabantse successieoorlog (1356) ging het gebied door het verdrag van Ath (1357) over in het bezit van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, en in 1384 door het huwelijk van Margaretha van Male met Filips de Stoute in dat van de hertogen van Bourgondië, die in 1482 opgevolgd werden door de Habsburgers. In 1490 verhief Maximiliaan van Oostenrijk de heerlijkheid tot graafschap. In de zestiende eeuw, tijdens het bewind van keizer Karel, was de heerlijkheid Mechelen de kleinste van de Zeventien Provinciën van de Nederlanden. Ze bestond uit drie delen: de stad, het district en het ressort. Het district omvatte de dorpen Hever, Muizen met Hofstade, Hombeek, Leest en Heffen en de Mechelse gehuchten Hanswijck, Geerdegem, Auwegem of Adegem met Winket, Battel, Pennepoel, Nekkerspoel en het binnen de muren gelegen Nieuwland.

Walem behoorde als een deel van het Land van Duffel tot het Land van Mechelen (of van Arkel) in het markgraafschap Antwerpen en dus tot het hertogdom Brabant. Het was één van de domeinen van de oudste tak van het geslacht der Berthouts, gelegen in het "Waverwald".

Het westelijk deel van het huidige kanton, met Willebroek, Blaasveld, Heindonk en Tisselt, behoorde van oudsher ook tot het hertogdom Brabant; de diverse heerlijkheden kwamen in de tiende-elfde eeuw alle in de invloedssfeer van het geslacht Berthout, hetzij onder het Land van Rumst, hetzij onder de heren van Grimbergen. Later werden de heerlijkheden eigendom van lokale adellijke geslachten. Blaasveld en Willebroek werden respectievelijk in 1647 en 1661 tot baronie verheven.

Tijdens het ancien regime waren de prins-bisschoppen van Luik, verschillende abdijen (Grimbergen, Kortenberg, Leliëndaal en Rozendaal) en adellijke geslachten belangrijk op lokaal bestuurlijk vlak en bij het in cultuur brengen der gronden. In de middeleeuwen treden hier vooral de Berthouts op de voorgrond; vermoedelijk verwierven ze tijdens de invallen van de Noormannen de grondslag van hun macht als verdedigers, voogden en/of roofridders. Mogelijk gingen de versterkte schansen van Walem en Nekkerspoel terug tot deze strijd. In de elfde en de twaalfde eeuw bereikte dit geslacht het toppunt van zijn macht met uitgestrekte bezittingen, onder meer in de rivierendelta van Rupel, Nete, Dijle en Zenne. De economische en politieke machtsstrijd tussen de Berthouts en de hertogen van Brabant mondde uit in een nederlaag voor de eersten met de verwoesting van hun burcht te Grimbergen in de Grimbergse oorlog (1142-1159). Na de daaropvolgende verbrokkeling van hun gebied bleven de erfgenamen en de opvolgers van de Berthouts echter nog zeer machtig in de Kempen, het Wavergebied en de rivierendelta. Naast talrijke bezittingen en rechten, behielden ze de voor de Brabantse handel belangrijke inkomsten van tolgelden op de rivieren.

Tijdens het Oostenrijkse bewind (1713-1794) werd het grondgebied der Zuidelijke Nederlanden in 1787 tijdelijk ingedeeld in negen kreitsen. In de kreits Antwerpen kwam het district Mechelen nagenoeg overeen met het huidige kanton. De aanleg van het kanaal Mechelen-Leuven in de periode 1750-1752 kaderde in de algemene Oostenrijkse politiek ter bevordering van het transport.

De Franse overheersing (1794-1815) bracht in 1794 andermaal een nieuwe indeling. Hierbij werd de stad Mechelen met haar afhankelijkheden als afzonderlijk arrondissement een enclave binnen het arrondissement Brabant. In 1795 werd het hele gebied opgenomen in het Departement van de Twee Neten, een prefiguratie van de huidige provincie Antwerpen. Muizen, alhoewel horend bij de vroegere heerlijkheid Mechelen, werd bij het Departement van de Dijle gevoegd en kwam daardoor naderhand bij de provincie Brabant. De Boerenkrijg, een gewapende opstand tegen de Franse overheersing, begonnen op 12 oktober 1798 in Overmere (Waasland), verplaatste zich over Klein-Brabant naar het Mechelse en de Kempen. Door zijn strategische ligging, bepaald door de aanwezigheid van meerdere waterlopen, had het hele gebied trouwens in de loop van de geschiedenis meermaals te lijden door oorlogsgeweld en de hiermee gepaard gaande vernielingen.

Tijdens het Verenigd Koninkrijk (1815-1830) werd de provincie Antwerpen officieel opgericht. Ze bleef ongewijzigd bij het ontstaan van het Koninkrijk België; het arrondissement Mechelen is één van de drie arrondissementen van deze provincie. Door de fusies van 1977 werd Muizen, voordien bij de provincie Brabant, opnieuw bij Mechelen en de provincie Antwerpen gevoegd. Tezelfdertijd werd Willebroek uitgebreid met het gebied rondom het Fort van Breendonk, voordien behorend tot de gelijknamige deelgemeente van Puurs.

ARCHITECTUUR

MILITAIRE ARCHITECTUUR

Het "Hooghuis" en het "Tolhuis" zijn mogelijk overblijfselen van controle- en verdedigingsposten van Mechelen uit het einde van de zestiende eeuw. Omwille van het strategisch belang door de ligging op de monding van de Willebroekse vaart in de Rupel, bouwden de Spaanse troepen in 1576 te Klein-Willebroek een vesting, die na 1683 geleidelijk ontmanteld werd.

In het midden van de negentiende eeuw werd besloten Antwerpen uit te bouwen tot militair bolwerk en nationaal zwaartepunt van het Belgische verdedigingssysteem. Daartoe werd na de wet van 1859 een nieuwe omwalling gebouwd rondom de stad evenals een vooruitgeschoven gordel van acht forten (zie delen 3nd en 10n). Vooral door de snelle ontwikkeling van de artillerie verouderde dit verdedigingssysteem tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw en werd de Vesting Antwerpen meermaals aangepast en uitgebreid. Uiteindelijk besloot men het versterkte kamp uit te breiden tot aan de Rupel-Netelijn; gezien de financiële toestand werden enkel het bruggenhoofdfort te Lier en het bruggenhoofdfort te Walem opgetrokken in de periode 1878-1883. In 1906 werd een wet gestemd die voorzag in de nodige kredieten ter voltooiing van de nieuwe fortengordel. Op deze zogenaamde Hoofdweerstandsstelling werden de oudere werken (Walem en Lier) gemoderniseerd en tegelijkertijd elf nieuwe forten, waaronder het fort van Breendonk, en twaalf nieuwe schansen gebouwd. In principe was er elke vijf kilometer een fort met telkens een schans ertussen. Men onderscheidde forten van de eerste en de tweede orde; het verschil lag hierin dat de forten van tweede orde minder zwaar bewapend en kleiner waren. Daarnaast werden ze chronologisch ingedeeld in groepen volgens de bouwperiode. Zo behoort het Walemfort tot de eerste en het fort van Breendonk tot de vierde groep.

De werken, gestart in 1908, waren nog niet voltooid bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De omgeving van de forten werd in 1914 om militaire redenen systematisch met de grond gelijk gemaakt. In 1917 bouwden de Duitsers bunkers tussen de forten; tussen Schelde en Zenne waren er dat honderdvijfentwintig. Na de Tweede Wereldoorlog verloren de forten geleidelijk hun militaire betekenis; door de toekenning van nieuwe functies bleef het omgrachte gebouwenbestand zowel in Walem als in Breendonk nagenoeg bewaard.

Het oorspronkelijk bakstenen Walemfort, een sperfort van de eerste groep (1870/1890), vertoont nog veel gelijkenis met de forten van de binnenste fortengordel met hoofd- en schouderhoekcaponnières. Het fort van Breendonk, volledig van beton, is een fort van de tweede orde met samengevoegde caponnières; berucht als concentratiekamp tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het in 1948 uitgeroepen tot Nationaal Gedenkteken.

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Kerken

Gezien het overwegend rurale karakter van het behandelde gebied gaan de meeste parochies terug tot een middeleeuwse stichting. Ondanks latere aanpassingen, uitbreidingen en veelvuldig herstel na oorlogs- en brandschade, bleven zandstenen resten uit de Romaanse en de gotische periode bewaard in nagenoeg alle kerken. De oor-sprong van de Sint-Lambertuskerk van Muizen kon dankzij grondig archeologisch onderzoek gesitueerd worden in de achtste of negende eeuw; het gaat hier om een houten constructie die in de tiende eeuw vervangen werd door een "Karolingische centraalbouw". De Romaanse portaaltoren domineert van na de Tweede Wereldoorlog als enige getuige het van oudsher belangrijke dorpscentrum. De Sint-Niklaaskerk te Willebroek bleef naast de Romaanse toren - volgens sommigen zelfs met Romeinse kern - ook het oude transept en een grafkelder bewaard ; bij de grondige verbouwing van 1852-1853 door J. Schadde naar ontwerp van F. Berckmans werd het geheel vergroot in een vrij sobere stijl met neoromaanse elementen.

Dergelijke "aanpassingen" van oude parochiekerken, vaak uitlopend op een drastische verbouwing, waren schering en inslag in de loop van de negentiende eeuw en werden uitgevoerd onder toezicht van de provinciale architecten. De Sint-Martinuskerk in Hombeek, opklimmend tot de dertiende eeuw, werd in 1855-1858 verbouwd tot een plomp aandoende kruisbasiliek met neoromaanse elementen, naar ontwerp van J. Schadde. De aanpassingen van de transeptloze Sint-Niklaaskerk te Leest van 1852-1855 door F. Berckmans en de Sint-Amanduskerk van Heffen in 1834 door L. Serrure en 1853 door F. Berckmans en J. Schadde, leunen aan bij de neogotische stijl, evenals de driebeukige kerk van Sint-Jan-de-Doper en Sint-Amandus van 1854-1856 door F. Berckmans te Heindonk. De door J. Schadde vergrote kerken met name in 1864-1868 de Sint-Amanduskerk van Blaasveld en in 1855-1861 de Sint-Jan-de-Doperkerk van Tisselt werden na het oorlogsgeweld van 1914-1918 volgens hun negentiende-eeuwse uitzicht heropgebouwd door E. Careels; de beschermde kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand te Walem, werd na de brand van 1952 gereconstrueerd naar ontwerp van J. Willems in 1956-1957, evenwel met behoud van de gotische westertoren. Gezien de toenmalige houding ten opzichte van de neogotiek en de omvang van de schade werd door de K.C.M.L. geopteerd voor "een herstel dat een gevoelige verbetering, gebaseerd op vereenvoudiging" zou tot stand brengen.

Met uitzondering van Tisselt, Hombeek, Muizen en Willebroek behielden al deze kerken tot op heden hun omringend kerkhof.

De stadsuitbreiding van Mechelen in de negentiende eeuw resulteerde in de stichting van nieuwe parochies buiten de muren en de bouw van voornamelijk neogotische kerken in de gangbare materialen: Sint-Jan-Berchmanskerk van 1906 door H. Meyns en Sint-Jozef-Colomakerk van 1913-1916 door E. Careels. De oudere parochies in de Mechelse stadsuitbreiding, in casu Nekkerspoel en Battel, kregen analoog een nieuwe kerk: de neogotische Sint-Libertuskerk van 1911-1913 door Ph. Van Boxmeer en de neoclassicistische hallenkerk toegewijd aan Sint-Jozef van 1862-1867, vergroot in 1900 door J. Barbier. De inplanting van het arsenaal en de bijhorende accommodatie lag aan de basis van de oprichting van de neogotische Sint-Albertuskerk van 1909 te Muizen.

Een gelijkaardig verschijnsel deed zich voor te Klein-Willebroek waar, mogelijk onder invloed van de sterke demografische groei van Willebroek, door de bouw van de neogotische Sint-Libertuskerkkerk van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen in 1898-1901 door L. Blomme en E. Careels tegemoet werd gekomen aan de eeuwenlange vraag naar een eigen parochiekerk.

Tijdens het interbellum bouwde men te Mechelen in 1925-1926 de art-deco-getinte Sint-Gummaruskerk naar ontwerp van J. Huygh en S. Van Craen. Te Willebroek werd de kerk van de Heilige Familie van 1932 door J. Van de Vondel opgericht als noodkerk voor de nieuwe parochie. Beide kerken kaderen in de infrastructuur van de nieuwe sociale woonwijken. In dezelfde optiek bouwde men later in 1964-1966 te Willebroek de sobere kapel van Sint-Jozef-Ambachtsman en in 1965-1968 de Heilige Kruiskerk, beide naar ontwerp van M. Dessauvage, met functioneel gebruik van baksteen en beton.

Kapellen

Met uitzondering van de hoger vermelde kapel van Sint-Jozef-Ambachtsman, de meermaals aangepaste zeventiende-eeuwse kloosterkapel van Heindonk en de neoclassicistische kapel van 1853 in het Sancta-Mariaklooster te Willebroek, is vooral de inplanting van kleinere, meestal rechthoekige, bakstenen wegkapellen opvallend. De meeste zijn toegewijd aan Maria. De oudste, de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn te Heffen, werd gebouwd in 1643 ter vervanging van een oudere, op de plaats waar in het begin van de zestiende eeuw reeds sprake is van de verering van een miraculeus, houten Mariabeeld. Deze stemmige kapel in traditionele bak- en zandsteenstijl werd omwille van het toenmalige overstromingsgevaar opgetrokken op een circa één meter hoog terras. De latere kapellen uit de negentiende en de twintigste eeuw sluiten nauw aan bij de gebruikelijke neostijlen zoals het neoromaanse kapelletje van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk van 1913 te Mechelen, de neobarokke Sint-Annakapel van 1913 te Leest en de neogotische Onze-Lieve-Vrouwekapel van 1927 te Willebroek, alle naar ontwerp van de Mechelse architect C. Van den Bergh.

Vrij origineel is de polygonale Sint-Franciscuskapel van 1807 in het Broek te Blaasveld, horend bij het "kasteel van Blaasveld".

Kloosters

Ondanks de belangrijke impact van meerdere kloosters in de regio, zijn er nagenoeg geen materiële getuigen aanwezig. Het klooster van Leliëndaal te Hombeek, opgericht in 1231, verdween tijdens de zestiende-eeuwse godsdienstperikelen. In de lage weilanden aan de Zenne resten nog slechts de fundamenten die gedurende meerdere opgravingscampagnes werden bestudeerd. Eenzelfde lot onderging de priorij van Muizen, aanvankelijk een cisterciënzer-, later een bernardinerklooster, met resten van de omheiningsmuur aan de Dijle. Het augustinessenklooster Vallis Pacis (1486) te Heindonk werd omwille van de vele overstromingen, de godsiensttroebelen en financiële problemen in het begin van de zeventiende eeuw verlaten. De verbouwde kloosterkapel van Heindonk in traditionele bak- en zandsteenstijl bleef tot 1856 in gebruik als parochiekerk en werd nadien omgevormd tot gemeentehuis, school en onderwijzerswoning. De voor Walem belangrijke "abdij van Rozendaal" ligt op het grondgebied van Sint-Katelijne-Waver.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

Gemeentehuizen

Vermits de hier te behandelen gemeentehuizen overwegend te situeren zijn binnen de dorpsarchitectuur, betreft het doorgaans sobere bakstenen constructies op rechthoekige plattegrond met eigentijdse stijlkenmerken verwijzend naar het neoclassicisme (Walem, voormalig gemeentehuis van 1849), de neotraditionele stijl (Heffen, gemeentehuis van 1870, V. Louckx), de neorenaissance (Leest, gemeentehuis en onderwijzerswoning, 1882, L. Blomme), of de eclectische stijl (Muizen, gemeentehuis van 1869, L. Spaak). Het na de Eerste Wereldoorlog heropgebouwde gemeentehuis van Blaasveld (1922) leunt met zijn kolossale pilasterorde en frontongevel aan bij het neoclassicisme.

Het sedert de negentiende eeuw sterk verstedelijkte Willebroek kreeg in 1930 een gemeentehuis, dat imposanter aandoet door de natuurstenen voorgevel in neorenaissancestijl naar ontwerp van G. Careels.

Rust- en gasthuizen

De progressieve, sociale bewogenheid van L. De Naeyer uitte zich te Willebroek in het voorzien van woongelegenheid met de nodige infrastructuur voor de werknemers. In 1908 opende mevrouw De Naeyer het "Hospice De Naeyer", dat in 1974 volledig verdween en plaats maakte voor het nieuwe ziekenhuis "Ten Bosch" (1988). De aan de Mechelsesteenweg gelegen kinderkribbe, door het echtpaar in'1889 opgericht ter herinnering aan hun overleden kind, verdween in 1953.

De architectuur voor caritatieve instellingen beperkt zich voorts tot enkele rustoorden te Mechelen, opgevat als kleine wooneenheden: het U-vormig ingeplante rustoord(1931, J. Van Meerbeeck en H. De Keye) bestaat uit enkelhuisjes in spiegelbeeldschema, terwijl rustoord "De Schijf" (1949, J. Faes) vrijstaande huizengroepen heeft.

Scholen

Het eerste onderricht stond onder toezicht van de kerkelijke overheid. Ten gevolge hiervan ontstonden de eerste zondagsscholen. In Hombeek was reeds sprake van een school in 1598.

Van revolutionaire betekenis voor het schoolgebeuren was de onderwijswet van 23 september 1842 die bepaalde dat elke gemeente een eigen lagere school moest hebben. Bestaande vrije scholen werden om praktische redenen vaak door de gemeente aangenomen; daarnaast werden in de tweede eeuwhelft talrijke nieuwe schooltjes opgetrokken. Door de opgelegde richtlijnen aangaande ligging, grootte, inrichting en meubilair hebben ze dezelfde architecturale karakteristieken: sobere, bakstenen constructies met een eenvoudige interpretatie van neotraditionele elementen. Naast de klassenvleugel van één bouwlaag werd en onderwijzerswoning voorzien. Dergelijke gemeenteschooltjes vinden we nog te Heffen (onderwijzerswoning en jongensschool, 1875, L. Blomme), en te Walem (gemeenteschool, 1873, L. Blomme). In enkele gevallen hebben we te doen met een dubbele school bestaande uit aparte vleugels voor jongens en meisjes, bijvoorbeeld in Hombeek (stedelijke basisschool, 1871-1876, L. Blomme), en in Mechelen (school en bibliotheek, ontworpen door V. Louckx in 1879-1881, en de Stedelijke basisschool Victor Van de Walle uit 1898-1901 door T. Vanden Bergh). Hierbij dient vermeld dat in verhouding tot de bevolkingsdichtheid de scholen in de verstedelijkte gebieden talrijker en monumentaler van opzet zijn. Bovendien vertonen ze meer diverse stijlkenmerken; zo werd voor de laatst vermelde scholen gebruik gemaakt van neo-Vlaamse-renaissance-elementen, terwijl de gemeenteschool van Willebroek (1901-1906, E. Careels) opgericht werd in neotraditionele stijl.

Rond de eeuwwisseling werden ook de Mechelse vrije scholen, verbonden aan een klooster en/of parochie, opgetrokken in de gangbare neostijlen: de Sint-Jan Berchmansschool voor meisjes (1889-1903), en de Sint-Jan Berchmansschool voor jongens(1901-1902), respectievelijk met neogotische en neo-Vlaamse-renaissance-kenmerken en beide naar ontwerp van de Brugse architect H. Meyns, voorts de neogotische Sint-Jozef-Colomaschool (1905-1907, J. Verholen).

Vanaf het interbellum verschijnt in beide netten een architectuur, die kenmerkend is voor de toenmalige opvattingen omtrent opvoeding, gezondheid en esthetiek. In de periode 1927-1930 wordt te Mechelen het Provinciaal Instituut voor Tuinbouwonderwijs gebouwd naar ontwerp van de modernistische architect J. Lauwers; omstreeks dezelfde tijd ontwerpt stadsarchitect D. Vermeulen enkele noemenswaardige scholen voor lager en kleuteronderwijs, onder meer de basisschool aan de Battelsesteenweg (1933), en de bassischool Maurits Sabbe(1928-1934); voor de bouw van deze scholen werden de nieuwe zakelijkheid en meer landelijke stijlen samen toegepast.

Te Willebroek werden de vrije basisschool Don Bosco (1936, J. Van de Vondel), de Sancta-Mariakleuterschool (1934-1936, J. Van de Vondel), en de gemeentelijke kleuterschool (1931-1932, J. Chabot), opgericht in nieuwe zakelijkheid.

Andere openbare gebouwen

Een opvallend openbaar gebouw is de Mechelse gevangenis van 1871-1874 naar ontwerp van D. Dekeyzer, met monumentaal, neoclassicistisch poortgebouw bij de aanzet van de Liersesteenweg.

Vermelden we in Mechelen nog de stedelijke badinrichting en voormalige douane van 1915 en volgende, in neo-Vlaamse-renaissancestijl, uitgevoerd door architect A. Van Haesendonck en gelegen aan het Rode Kruisplein.

Te Willebroek werd in 1930 naar ontwerp van de Brusselse architect F. Brunfaut, als het ware de huisarchitect van de socialistische partij te Brussel, een "Volkshuis" opgericht met naast een gelagzaal een zaal met accomodatie voor toneel-, muziek- en filmvoorstellingen.

Pastorieën

Alhoewel in de landelijke gemeenten zoals Walem (1415) en Leest (1628) reeds vroeger sprake is van een pastorie, zal deze pas in de loop van de achttiende eeuw geleidelijk evolueren tot een apart gebouwentype zonder strikte stijlkenmerken: een meestal omgracht en vrijstaand dubbelhuis met klassieke plattegrond: een centrale gang met aan weerszijden kamers, waaronder een spreekkamer. De pastorie van Walem met klassieke bakstenen gevels dateert ondanks negentiende- en twintigste-eeuwse aanpassingen uit de periode 1763-1764. Na het slopen van de oude omgrachte pastorie van Leest werd ter plaatse van de boomgaard een gelijkaardig "nieuw pastoreel huys" gebouwd in 1774-1776.

De negentiende-eeuwse pastorieën zoals de pastorie van Tisselt (naar verluidt van 1827), de pastorie van Willebroek(eerste helft negentiende eeuw), en de pastorie van Battel (circa 1862) blijven sober van concept en uitzicht.

Met de stijging van het aantal parochies verschijnen rond de eeuwwisseling nieuwe kerken aansluitend bij de gangbare neostijlen; de corresponderende pastorieën werden gewoonlijk ongeveer gelijktijdig en in harmonie met het kerkgebouw opgetrokken, zoals deze van Sint-Jozef-Coloma (1903) en de Sint-Libertuskerk (1912) in neo-Vlaamse-renaissancestijl naar ontwerp van Ph. Van Boxmeer. De meeste pastorieën blijven ook in de twintigste eeuw een sobere vormgeving behouden. De neotraditionele pastorie van Heindonk (1918, E. Careels), en de neoclassicistische pastorie van Blaasveld (1922) werden heropgebouwd na de Eerste Wereldoorlog. In de nieuwe parochie Sint-Gummarus te Mechelen bouwde men een art-deco-getint totaalconcept met kerk, pastorie en school naar ontwerp van J. Huygh en S. Van Craen (1925-1926).

Privé-architectuur

Volkshuisvesting

Her en der bewaarde boerenarbeiderswoningen, eenvoudig van opzet en zonder specifieke stijlkenmerken, geven een weerspiegeling van de wooncultuur van de landelijke bevolking.

De woningbouw ten behoeve van de fabrieksarbeiders ontstond in het kielzog van de industriële revolutie en komt in het besproken gebied voornamelijk voor in Mechelen en Willebroek, waar collectieve woonwijken een vertrouwd beeld zijn.

Het voor de Mechelse stadsuitbreiding zo karakteristieke fenomeen van de volkshuisvesting wordt in de gemeente-inleiding uitvoerig toegelicht.

Aanvankelijk op initiatief van privé-personen zoals L. De Naeyer te Willebroek of bedrijven zoals A.S.E.D. en een hele schare van kleine en grote speculanten te Mechelen, komt de sociale woningbouw na de Eerste Wereldoorlog onder overheidscontrole met de oprichting van de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen in 1919, spoedig gevolgd door de stichting van lokale maatschappijen zoals de Mechelse Goedkope Woning (1921).

Woningbouwmaatschappijen, huurders- en koperscoöperatieven bouwen tuinwijken of zetten de traditie van geschakelde seriebouw voort; de bijhorende infrastructuur verschilt naargelang van de ligging. In Willebroek werd in 1917 een wedstrijd uitgeschreven voor de wederopbouw van de vernielde wijken en de bouw van een tuinwijk op de Hoge Heide. Het "artistieke" winnende project "Garden-City" van architecten A. De Mol en E. Van Averbeke werd echter niet gerealiseerd; de uitvoering werd toevertrouwd aan gemeentearchitect en landmeter G. Van Dyck.

Karakteristiek voor de volkshuisvesting op het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw zijn de lange rijen enkelhuisjes met bakstenen of gecementeerde lijstgevels van twee traveeën, één, anderhalve of twee bouwlagen en rechthoekige of licht geloogde muuropeningen onder pannen zadeldaken. Het grondplan van deze huizen is stereotiep met een kleine voorplaats en gang aan de straat, een trapzaal tussen voor- en achterplaats of in het verlengde van de gang, een bredere achterplaats met pomphuis, een koertje of een tuin. Opvallend in Mechelen zijn de talrijke, door de bezettersfamilie Klerkx gecementeerde en van haar signatuur voorziene gevels.

Na de Tweede Wereldoorlog kende de sociale woningbouw een grootschalige uitbreiding, waarbij naast eengezinswoningen ook geopteerd werd voor kleinere flatgebouwen en hoge bouw. Aan de sociale woningbouw zijn namen verbonden van toonaangevende lokale architecten zoals J. Chabot, J. Schaerlaken, J. Faes en vele anderen. Te Willebroek werd vanaf de jaren 1950 massaal verkaveld en gebouwd: nieuwe woonwijken ten zuidwesten van het centrum, zoals Den Brand I en II en Willebroek-Stad, bepalen het hedendaagse uitzicht

Burgerhuizen

In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vinden we in de regio vrij stereotiepe, bepleisterde of gecementeerde lijstgevels met enkel- of dubbelhuisopstand, doorgaans twee tot drie traveeën en drie bouwlagen. Ze sluiten, afhankelijk van de decoratieve vormentaal, aan bij het neoclassicisme, de neo-Vlaamse-renaissance of de art nouveau. Voor de meeste burgerhuizen was de eclectische vormentaal richtinggevend en zelden of nooit werden ontwerpen met meer dan een lokale uitstraling gerealiseerd.

In Mechelen vestigde de burgerij zich bij voorkeur aan de grote uitvalswegen, nabij de afleidings-Dijle en in de omgeving van de Leuvensevaart (de gehuchten Auwegem en Battel). De oudste "burgerhuizen" hun naam waardig zijn meestal neoclassicistische dubbelhuizen, opklimmend tot het derde kwart van de negentiende eeuw en gelegen aan de Nekkerspoelstraat. Een mooi voorbeeld van een eenheidsbebouwing in neo-Vlaamse-renaissancestijl zijn de negen woningen aan de Frans Halsvest. Voorts treffen we her en der in de stad art-nouveau-getinte burgerhuizen aan; het enige in uitgesproken art-nouveaustijl is het herenhuis aan de Brusselsesteenweg, een kopie van het eigen huis van architect F. Hemelsoet in Schaarbeek. Typisch, vooral in het Mechelse straatbeeld, zijn de glimmende, ivoorkleurige faience-parementen met kleurrijke tegelpanelen waarop onder meer florale motieven en vrouwenhoofden.

Te Willebroek, waar de woningbouw in nauw verband staat met de groei van de industrie, verschijnen talrijke winkelhuizen om aan de behoeften van de groeiende bevolking te voldoen. In het centrum vinden we meerdere art-nouveau-getinte voorbeelden.

Ook na de Eerste Wereldoorlog bleef de eclectische, op klassieke voorbeelden geïnspireerde stijl, vele bouwlustigen bekoren; denken we te Mechelen maar aan een aantal huizen gebouwd door F. Segers. Huizen in de zogenaamde "cottagestijl" komen, met uitzondering van enkele villaatjes in de buurt van de Leuvensevaart te Mechelen, vrijwel niet voor.

In het tweede kwart van de twintigste eeuw trad met de opkomst van de art deco en de nieuwe zakelijkheid qua uiterlijke vormgeving een vernieuwing op in de architectuur. Verspringende, geometrische bakstenen volumes met afgeronde hoeken en decoratieve metselverbanden worden asymmetrisch doorbroken door rechthoekige en ronde muuropeningen met metalen schrijnwerk en kleurig glas in lood.

Vertegenwoordigers in de streek zijn J. Chabot en J. Schaerlaken waarvan diverse realisaties opgetekend werden. Vermelden we daarnaast J. Faes, J. Lauwers, J. Van de Vondel, P. Lejon en A. Verreyt als lokale ontwerpers; de Gentenaar G. Eysselinck kan te Mechelen als "gastarchitect" worden vermeld; te Willebroek realiseerde J. Ritzen een dokterswoning van 1932 en P. Rome een woning met notarispraktijk. Daar de stedenbouwkundige context, met name smalle kavels met rijhuisbebouwing, weinig variatie toelaat, sluit het grondplan van deze modernistische woningen meestal aan bij de klassieke plattegrond. Bij vrijstaande of half open bebouwing werd de binnenindeling soms aangepast en werd veel aandacht besteed aan de trapzaal, vaak met een grote glaspartij in de gevel; karakteristiek hierbij is het decoratief gebruik van glas in lood. Onder invloed van het toenemend autobezit komen er vanaf het tweede kwart van de twintigste eeuw garages en verschuift de woonzone naar de tweede bouwlaag.

De villawijken rond Mechelen, onder meer in de buurt van het Vrijbroekpark, nabij Kauwendaal en aan de Baron Empainlaan, dateren van na de Tweede Wereldoorlog. Wat betreft de landelijke fusiegemeenten zijn het vooral de woningen van de dorpsnotabelen die in de vooroorlogse periode aansluiten bij de hoger vermelde stijlevolutie. Vanaf het interbellum vervaagt het onderscheid tussen de landelijke en de stedelijke architectuur. Getuige hiervan zijn de diverse voorbeelden van nieuwe zakelijkheid.

Hoevebouw

De jongste decennia worden gekenmerkt door een sterk toenemende tendens om landelijke zones in te palmen voor woonfunctie en de nog bestaande hoeven te verbouwen tot "fermette". De hierdoor ontstane fragmentarische toestand van bewaring geeft niet langer een representatief beeld van de traditionele hoevebouw. Enige grote getuige te Willebroek is de voormalige abdijhoeve "De Vleug", oorspronkelijk een gesloten hoeve in traditionele bak- en zandsteenstijl met huidig uitzicht van 1783. Ook in het Mechelse zijn her en der nog traditionele hoevekernen bewaard, waaronder het "Hof van Geerdegem" een voormalig buitengoed van de paters oratoren, het zogenaamde "Hooghuis" vermoedelijk opgericht als Spaans fort en de gerestaureerde "Geesthoeve Ter Eeckle".

Te Leest wordt de eertijds geconcentreerde landbouwbedrijvigheid met grote veldencomplexen en bijhorende ontginningshoven, nog duidelijk aangetoond door de toponymie en het voortbestaan van een aantal, oorspronkelijk omgrachte, monumentale hoeven. Vrij intact is de zogenaamde "Cruyninghemhoeve" met losstaande bestanddelen in traditionele bak- en zandsteenstijl, die opklimmen tot het begin van de achttiende eeuw. De bewaarde hoeven van de overige historische sites werden in meer of mindere mate aangepast in de loop van de negentiende en de twintigste eeuw ten gevolge van de evoluerende bedrijfsnoden, zoals de "Rendelbeekhoeve", herbouwd in 1818 en het oorspronkelijk daarmee verbonden "Hof ten Holsen". De zogenaamde "Steynemolen" met zijn frontongevel van 1781 is het laatste overblijfsel van het gelijknamige "speelhuys". In de andere Mechelse randgemeenten is de inplanting van dergelijke historische hoeven minder frequent. Een uitzondering hierop is de zeventiende-eeuwse "Hanswijckhoeve" (Muizen), een voormalige kloosterhoeve in traditionele stijl, die gerestaureerd werd in functie van de inrichting als natuureducatief centrum; ook de achttiende-eeuwse U-vormig ingeplante hoeve nabij de kerk van Hombeek, die eertijds mogelijk behoorde tot het "hof Wolfsputte", kan in dit verband worden aangehaald.

In het negentiende-eeuwse aanbod, hoe beperkt ook, is vooral het langgestrekte type met woning en bedrijfsgebouwen onder één doorlopend pannen zadeldak, vertegenwoordigd; sporadisch komen U-vormige inplantingen voor. Opgetrokken uit baksteen - al dan niet beschilderd of gecementeerd - vertonen deze sobere constructies geen uitgesproken stijlkenmerken.

Paalschuren komen voor in Battel (woonstalhuis aan de Hogeweg), Heffen (Hooiendonkhoeve), Willebroek (hoeve aan de Heindonksesteenweg) en Heindonk (hoeve aan de Kleine Bergen).

Kastelen en buitenplaatsen

Evenals rondom andere stedelijke kernen zijn er in de Mechelse omgeving een aantal, meestal omgrachte kastelen en buitenplaatsen die in oorsprong teruggaan tot een middeleeuwse hoeve. Namen als "Swyveghem" te Muizen en "Eggelgem" te Hombeek, wijzen op een Frankische stichting. Andere kastelen klimmen op tot de feodale periode en speelden een rol in het domaniaal systeem. Zo worden "De Borght" in Mechelen en "Battenbroek" in Walem door sommige historici aangeduid als burchten van de lokaal belangrijke familie Berthout. De zestiende en de zeventiende eeuw worden gekenmerkt door de bouw van "huysen van plaisantie" als statussymbool van de aristocratie. Afhankelijk van de welstand van de eigenaar en de stijlevolutie werden de lusthoven nadien aangepast en verbouwd en de omliggende parken aangelegd naar de smaak van de tijd. Door de toenemende verstedelijking deinden de woonzones uit en kwamen de buitenplaatsen soms in druk bebouwde gebieden te liggen. "De Borght" op de Dijle-oever te Mechelen vormt een oase aan de rand van de stad; "Tivoli" is met zijn omringend park een drukbezochte recreatieve, groene zone aan de drukke uitvalsweg van Mechelen richting Antwerpen en kasteel "de Kraag" in Willebroek wordt omgeven door woningen opgericht ten behoeve van de A.S.E.D.-werknemers. Zeer karakteristiek in dit verband is Muizen waar in de twintigste eeuw de krans van kastelen nagenoeg volledig verdween en de domeinen verkaveld werden; van het kasteel "Vennecourt" bijvoorbeeld bleef in de recente woonwijk enkel een gedeelte van de omgrachting bewaard (Vennecourtlaan 25). Ook elders resten alleen de inplanting of sporadische materiële sporen: op enkele fragmenten na verdween het kasteel van Willebroek, tijdens de Brabantse Omwenteling (1789) en de Boerenkrijg (1798); in het Broek te Blaasveld werd het kasteel in het midden van de twintigste eeuw vervangen door een eigentijds landhuis en in Muizen kreeg het "Muizenhuis" zijn huidig uitzicht bij de verbouwing van 1959-1965 die uitgevoerd werd met gerecupereerde baksteen van het vroegere kasteel en dat van Vennecourt.

Het oudste, vrij gaaf bewaarde kasteel, met name "Expoel" bevindt zich te Hombeek, waar een ouder kasteel in het eerste kwart van de achttiende eeuw verbouwd werd. Dit oorspronkelijk feodale leengoed met enkele hoeven is reeds sinds 1736 in het bezit van de familie de Meester die in de loop der jaren verschillende verbouwingswerken liet verrichten; het park in Engelse stijl dateert van na de aanleg van de spoorweg Mechelen-Dendermonde (1837). In dezelfde deelgemeente zou ook het "Hof ter Heyde" -naar verluidt opklimmend tot de villa novastichting "Curtis de Hoxdonck" uit het begin van de dertiende eeuw- in zijn huidige vorm als omgracht complex met verankerde bakstenen gebouwen, ontstaan zijn in de achttiende eeuw. Het sterk aangepaste, doch in kern classicistische, kasteel "de Kraag" zou dateren van 1756. "Planckendael" te Muizen, volgens sommige historici reeds een site in de Romeinse tijd, werd in 1780 herbouwd als hof van plaisantie met een frontongevel in een sobere rococostijl.

Het merendeel van de overige kastelen en buitenplaatsen in het kanton werden onder invloed van het classicisme in de loop van de negentiende eeuw verbouwd of opgericht in laat- of neoclassicistische stijl: kasteel "Tivoli" te Mechelen in 1802 met uitbreidingen van 1904 en 1922, kasteel "Bel Air" te Blaasveld in 1810 en aangepast in 1865, "Kapel- of Heffenhof" te Heffen in 1830, kasteel "Moyson" te Leest in 1842; te Mechelen kasteel "Kauwendaal" circa 1840-1845 en kasteel "Emmaüs" in de eerste eeuwhelft met latere neogotische toren, het empire-getinte "Wol(fs)putte" in Hombeek circa 1844 en het "Hof ter Linden" in Mechelen circa 1880-1884. Karakteristiek zijn de sobere, bepleisterde en beschilderde lijstgevels met een deurrisaliet al dan niet verrijkt met een balkon. Ook de Heindonkse kastelen "Sparrebos" en "De Bocht" op de Rupeldijk, beide ontstaan als jachtslot, werden in de negentiende eeuw verbouwd en aangepast. Het voormalige "Caputsteen", sinds 1959 Koninklijk Atheneum en Rijksmiddenschool 2, met een traditionele zeventiende-eeuwse kern, werd circa 1860 in neotraditionele stijl "gerestaureerd" en kreeg in 1908 zijn huidig volume en uitzicht naar ontwerp van C. Van den Bergh. Bijgebouwen, dikwijls ouder of jonger dan het kasteel, liggen naargelang hun functie verspreid over het domein. Kasteel "Tivoli" heeft een opmerkelijk Herculestempeltje uit het begin van de negentiende eeuw.

ECONOMIE, PRE-INDUSTRIEEL EN INDUSTRIEEL ERFGOED

Technologische vernieuwingen, gewijzigde produktiemethoden en economische verschuivingen leidden in de tweede helft van de twintigste eeuw tot het ontstaan van geplande industrieterreinen. Deze grote, beeldbepalende inplantingen werden voorzien aan de rand van de agglomeraties en in samenhang met de beschikbare verkeersinfrastructuur.

Van de vooroorlogse industrie bestaan nog verscheidene vestigingen in de woonzones. Het Arsenaal dat samen met het omringende stadsdeel vanaf 1836 tot stand kwam, is hiervan het meest frappante voorbeeld.

De bekende Mechelse meubelindustrie wordt vertegenwoordigd door de "Meubelfabriek Van Craen" (circa 1920-1930) de oudste nog werkende meubelfabriek van de stad. De meubelfabriek Usine à Vapeur met fabricage aan de lopende band worden gerenoveerd en volgens de hedendaagse tendens ingericht als bureaus en "lofts". In de Nijverheidsstraat zijn de oude fabrieksgebouwen van de voormalige "Manufacture beige de textilose", opgetrokken circa 1904, nog aanwezig.

De talrijke aanwezigheid van (voormalige) brouwerijen wijst op het belang van deze eertijds ambachtelijke industrietak. In Mechelen bleven de voormalige mouterijgebouwen van de "Malterie Vander Molen" (circa 1885) en "Versailles" (1897) als tastbare getuigen bewaard, zij het dan met een andere bestemming. Ook te Willebroek paste men de vroegere brouwerijen aan: "St.-Nikolaas" met ast en mouterij - een tijdlang ingericht als brouwerijmuseum (1973-1987) - werd reeds in 1939 verbouwd tot garages; "de Ster" en "Lamot" worden gerenoveerd en ingericht met woongelegenheden. De vroegere bedrijvigheid van de brouwerij te Heffen wordt gewijzigd voortgezet in de huidige drankenhal. De bedrijfsgebouwen zijn opgetrokken uit baksteen, al dan niet verrijkt met een sobere eclectische decoratie. De ast van brouwerij "St.-Nikolaas" behield de karakteristieke gek, terwijl in brouwerij Lamot interieurelementen bewaard bleven.

Van de spectaculaire industriële geschiedenis van Willebroek resten, naast moderne bedrijven, op de oostelijke vaartoever de oude gebouwen van de fabrieken Denaeyer, die vanaf 1860 de beeldbepalende industrialisatie van de gemeente inzetten. De diverse werkplaatsen van het vroegere A.S.E.D., in de volksmond "den Ammoniak" (vanaf 1926-1928) bestrijken een terrein ten noorden van het station. De doorgaans sobere en functionele constructies illustreren voornamelijk door het materiaalgebruik de overgang van traditionele naar moderne bouwtechnieken: de oudere gebouwen met gietijzeren draagstructuur en volle bakstenen gevels leunen nog enigszins aan bij de neotraditionele of neoclassicistische stijl terwijl de fabrieken uit het interbellum met betonnen draagstructuur soms art-decokenmerken vertonen. Na de Tweede Wereldoorlog verschijnt de stalen skeletbouw met bakstenen invulwanden en lichte dakconstructies van glas en metaal.

Watertorens vormen een apart gebouwentype met een eigen evolutie binnen de industriële architectuur. Deze van de voormalige Denaeyerfabrieken (Willebroek), een metalen constructie met intzekuip op open voet, dateert van 1903. De watertoren van het vroegere A.S.E.D., met betonnen intzekuip op piramidale voet, werd in 1929 opgetrokken, deze van Rateau(Muizen) in 1931 en deze van het Arsenaal in 1946. Recentere watertorens vinden we te Leest (watertoren van 1963) en te Mechelen (watertoren aan de Generaal De Wittelaan en watertoren aan de Kruisbaan), respectievelijk naar ontwerp van W. Bresseleers van 1961-1968 en van F. Mortelmans van 1979-1980.

Transportwegen

Kunstmatige waterwegen

Naast de natuurlijke, bevaarbare waterwegen zijn de Willebroekse en de Leuvense vaarten van groot belang voor de ontsluiting en de latere industrialisering van de regio. Op vraag van de stad Brussel, verleende Maria van Bourgondië in 1477 een octrooi voor de aanleg van een kanaal tussen Brussel en de Rupel, als alternatief voor de Zenne. Ondanks hardnekkig verzet van Mechelen, dat in de vaart een ernstige bedreiging zag voor haar inkomsten uit tolgelden en stapelrechten, werd het kanaal onder leiding van J. de Locqenghien, van 1550 tot 1561 gegraven van aan de Rupel in Willebroek, via Vilvoorde naar Brussel. Hiermee is de vaart één der oudste en voornaamste van Europa en tegelijkertijd de oudste van onze kunstmatige waterlopen. Het kanaal met een totale lengte van 30 kilometer, was voorzien van vijf, pas door L. da Vinci ontwikkelde, schutsluizen met dubbeldraaiende, beklampte punt-deuren, onder andere te Willebroek en te Tisselt. In 1573-1575 bouwde men om de getijden te weren het sas in Klein-Willebroek. Het nog bestaande sashuis in traditionele bak- en zandsteenstijl, dateert van 1608 en was gedurende eeuwen de pleisterplaats van hoogwaardigheidsbekleders bij de overstap op het traject Brussel-Antwerpen. Tot 1830 bleef de Willebroekse vaart nagenoeg ongewijzigd; na de industriële revolutie echter vermeerderde de tonnenmaat van de schepen-, waardoor het aangewezen was het kanaal te verdiepen en de bruggen en de sluizen aan te passen (1829-1836). Omwille van een zandplaat in de Rupel werd ook de monding van het kanaal verlegd; de sluis (1575) van Klein-Willebroek werd gesloopt en meer oostwaarts, ter plaatse van de vroegere strategische Spaanse vesting, vervangen door de huidige (Klein-Willebroek, Sasplein). De omschakeling tot zeekanaal gebeurde, met uitzondering van de oorlogsjaren, in de periode 1900-1922 en omvatte de aanleg van een nieuwe kanaalarm naar Hingene/Wintam; Bij deze werken verdwenen de sluizen van Willebroek en Tisselt. De huidige kanaalwerken, gestart in 1968, beogen een directe verbinding met de Schelde.

De Leuvensevaart of het kanaal Mechelen-Leuven verbindt het Brabantse hinterland met het Scheldebekken. Zeventiende-eeuwse plannen voor een kunstmatige waterweg Leuven-Rupel werden, in het kader van het transitoverkeer van de zee naar Oostenrijk, opnieuw bekeken in de achttiende eeuw. Keizerin Maria-Theresia verleende, ondanks herhaald Mechels verzet, in 1750 eens te meer een octrooi tot het graven van het kanaal, dat in 1752 in gebruik kwam. Aanvankelijk waren er drie sluizen, namelijk te Kampenhout, te Mechelen (Brusselsesteenweg) en te Battel (Zennegat); de in 1757 vernielde sluis aan de Brusselsesteenweg te Mechelen, werd - tegelijkertijd met de bouw van een sluis te Tildonk - vervangen door bijkomende sluizen in Battel en Boortmeerbeek (1760-1763). De Zennegatsluis, een getijdesluis, en de Battelsluis, met negentiende-eeuws sluiswachtershuis zijn schutsluizen van het type buiksas met twee kolken, voorzien van houten puntdeuren. Om de technische evolutie van de scheepvaart op te vangen werd ook hier de vaart in 1835-1837 en in 1895 verdiept. Een negentiende-eeuwse veerwachterswoning, oorspronkelijk met gebruikelijke herberg, bleef bewaard te Muizen.

Te Mechelen werd, waar de Dijle de stad verlaat in 1905-1907, onder leiding van ingenieurs Pierlot en Weyts, een dok voor de binnenscheepvaart gegraven.

Spoorwegen

De aanleg van de eerste spoorwegen met Mechelen als centrum had een enorme weerslag op de bebouwing en de industrialisering van het gebied. De oprichting van stations, meestal aan de grens van een agglomeratie, gaf het onstaan aan nieuwe wijken, gepaard gaande met de vestiging van bedrijven. In aansluiting met het station van Mechelen ontstond aan de Leuvensesteenweg (Mechelen en Muizen) de Centrale Werkplaats of Arsenaal. Na een eerste inplanting in 1836, groeide dit complex in de negentiende en de twintigste eeuw uit tot een indrukwekkende industriële concentratie voor de herstelling en het onderhoud van spoorwegrijtuigen. Als strategisch doelwit, werd het Arsenaal zwaar geteisterd bij bombardementen in 1944; onmiddellijk na de oorlog werd met de heropbouw begonnen. Van de uitbreiding van het rangeerstation op grondgebied Muizen bleef het bureau van het locomotiefdepot van 1913 bewaard.

Het station van Nekkerspoel van 1912-1913 werd opgericht in neo-Vlaamse-renaissancestijl met karakteristieke bak- en natuurstenen gevels; vooruitstrevend is het gebruik van gewapend beton (vloerplaten) en stalen gebinten.

De particuliere spoorlijn Mechelen-Terneuzen (1870), sinds 1956 heropend tussen Mechelen en Sint-Niklaas, had een halte te Willebroek. Na de aanleg van de lijn Antwerpen-Aalst (1881) werd het station verplaatst naar het kruispunt van de twee lijnen. Samen met de verhoging van de spoorwegberm, werd in 1913-1914 een eclectisch stationsgebouw opgericht dat tevens dienst deed als telegraafrelais. Het gebouw behield tot op heden zijn merkwaardig interieur met neorenaissance- en art-nouveau-kenmerken.

In Mechelen resten, op de lijn naar Dendermonde, twee spoorwachtershuisjes van einde negentiende - begin twintigste eeuw: spoorwachtershuisje aan Geerdegem-Schonenberg en één uit het begin spoorwachtershuisje aan de Brusselsesteenweg.

Bruggen

Alom bekend is de "brug van Willebroek" (1947-1953), die de in de Tweede Wereldoorlog verwoeste brug over het kanaal vervangt. Het kunstwerk is een hoge hefbrug van het portaaltype in stalen vakwerkbouw, volgens negentiende-eeuwse constructiemethodes opgericht door de Société Anonyme des Ateliers de Construction de Willebroek.

Een draaibrug met enkel spoor, "De Meute", verbindt de beide vaartoevers op de spoorlijn Mechelen-Sint-Niklaas (1911, 1949-1950, Willebroek).

Aansluitend vermelden we te Klein-Willebroek op de Oostvaartdijk;het bewaarde bruggehoofd en de pijlers van de "Weduwe Van Enschodt"-brug van 1853-1945 naar ontwerp van ingenieur Ch. Tossijns; het was de laatste tolbrug van België en ze speelde als Rupelovergang een belangrijke rol bij de bevrijding van Antwerpen in 1944.

De drie indrukwekkende spoorwegbruggen van geklonken staal te Mechelen (Mechelen, "Vierdeelbrug") behoren tot het Vierendeeltype en dateren van 1935/1941 en 1957. De bakstenen spoorwegbruggen van de verhoogde berm tussen het station van Nekkerspoel en Mechelen-Centraal werden ontworpen door ingenieur Weyts (1897) en ingenieur Castiau (1905). De zogenaamde ijzeren "wafelijzerbrug" over het afleidingskanaal van de Dijle is van 1905, de stalen draaibrug over de Leuvensevaart, ter hoogte van de Battelsesteenweg, van 1928.

De bebouwing van het kanton Mechelen omvat zowel stads- als plattelands- en industrie-architectuur zodat verscheidenheid onvermijdelijk is. De diversiteit en de evolutie van de regio van ruraal gebied tot deels verstedelijkt en industrieel landschap wordt in belangrijke mate bepaald door de rol die de diverse transportwegen speelden in de geschiedenis en uit zich in de heterogeniteit van het architecturale aanbod.

Bron: Kennes H., Plomteux G. & Steyaert R. 1995: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kanton Mechelen, Bouwen door de eeuwen heen in in Vlaanderen 13N2, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Kennes, Hilde; Plomteux, Greet & Steyaert, Rita

Datum tekst: 1995

Relaties

omvat Mechelen

Mechelen (Antwerpen)

omvat Willebroek

Willebroek (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.