Kanton Peer

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ regio

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Hechtel-Eksel, Houthalen-Helchteren, Peer
Deelgemeente Onbepaald
Straat

Administratieve gegevens

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kieskanton Peer, met de gemeenten Hechtel-Eksel, Houthalen-Helchteren en Peer, maakt deel uit van het administratief arrondissement Maaseik. Het is een aaneengesloten gebied, dat tot de in het noorden van de provincie Limburg gelegen Kempen behoort.

Administratief wordt het gebied ten westen begrensd door de provincie Antwerpen (Balen), ten westen, ten zuiden en ten oosten door het arrondissement Hasselt (Leopoldsburg, Beringen, Heusden-Zolder, Zonhoven, Genk en Opglabbeek) en verder ten oosten door het kanton Bree (Meeuwen-Gruitrode en Bocholt).

Geografisch behoort het gebied integraal tot de Kempen. Tot eind 19de - begin 20ste eeuw bestond twee derde van de beschikbare grond uit heide, bossen, moerassen en struikgewassen. Ondanks het schrale karakter van de gronden was de Kempen van oudsher een agrarisch gebied. De arme landbouwgrond, die veelal omgeven was door uitgebreide gemene heidegronden, resulteerde in een zeer verspreid nederzettingspatroon. Pas op het einde van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw werden de woeste heidegronden meer en meer in cultuur gebracht. Alle nederzettingen in het bestudeerde gebied, zelfs het overgrote deel van de enige historische stad Peer, zijn landelijke gemeenten.

De meeste dorpen kenden vooral vanaf de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw een daling van de landbouwactiviteit door opkomende industrialisering en steenkoolontginning. De laatste decennia heeft bijna elke gemeente zijn eigen industriezone(s) gekregen, waarbij vooral die van Houthalen een grote uitstraling kent. Dit resulteerde in een enorme bevolkingstoename en in toenemende bebouwing. Het aanvankelijk verspreide nederzettingspatroon raakte meer en meer verdicht, waardoor de diverse gehuchten nog moeilijk te onderscheiden zijn en het historische landschap in de verdrukking raakte.

De over het algemeen grote gemeenten in de Kempen behoren tot het type van de kerspelen, die doorgaans talrijke gehuchten of buurtschappen telden, met bij de dorpskerk het centraal of excentrisch gelegen Dorp. De fusionnering van de gehuchten vond plaats in de late Middeleeuwen en viel samen met het ontstaan van de parochies, wat dit gebeuren zonder twijfel in de hand heeft gewerkt, respectievelijk gestimuleerd. Daar een parochiegeestelijke via de opbrengst van de tienden over genoeg inkomsten moest kunnen beschikken, was het vanzelfsprekend dat een zo groot mogelijke fusie voor de pastoor gunstig was. Het merendeel van de Kempische gemeenten telt daarom ook een groot aantal gehuchten, soms tien en meer, hetgeen in het zuidelijker Haspengouw ongebruikelijk is. Er is een link tussen het aantal nederzettingen en de rentabiliteit van de bodem: twee derde van de grond bij een Kempische nederzetting was heidegrond met bossen, moerassen en struikgewassen, waaruit niet veel inkomsten te halen waren, één derde akker- en hooiland met evenwel een magere opbrengst. Hieruit volgt dat één Kempische nederzetting respectievelijk gehucht niet in het onderhoud van een pastoor kon voorzien. De lage waarde van de grond blijkt ook uit het uiterst geringe aantal kastelen in het bestudeerde gebied. Enkel Ter Dolen in Helchteren, een buitenverblijf en jachtslot van de abt van Sint-Truiden, kan als voorbeeld dienen uit het ancien regime.

De enige oude "stedelijke" kern in het gebied is Peer, dan nog met een beperkt hinterland. De bebouwing bleef er eeuwenlang beperkt tot het historische centrum en de diverse gehuchtskernen. Pas in de laatste decennia nam de verdichting en inbreiding toe in deze al bij al landelijk gebleven "stad".

LANDSCHAPSTYPERING

Het in dit boek bestudeerde gebied behoort, zoals gezegd, volledig tot de Kempen, meer bepaald tot het Kempens Plateau. In vergelijking niet de lage Antwerpse Kempen en het lage Maasland lijkt de Limburgse Kempen immers een hoogvlakte. De bodem wordt er gekarakteriseerd door een zacht glooiend reliëf, met een helling vanuit het zuiden (Lanaken, 104 meter) afdalend tot het noorden (Lommel, 50 meter). Ten gevolge van allerlei scheuren en breuken in de aardkorst kwam de Limburgse Kempen hoger te liggen dan de omliggende gebieden. Door deze hogere ligging vormde het Kempens Plateau de waterscheiding tussen het Maas- en Scheldebekken. De voornaamste deelgebieden zijn het bekken van de Warmbeek, het land van Peer-Meeuwen en het Limburgse heide- en bosgebied.

Het Kempens Plateau is fysisch-geografisch sterk verschillend van de rest van de Kempen. Het is opgebouwd uit een deltavormig grindplateau, afgezet door de Maas tijdens het Pleistoceen (700.000-150.000 jaar geleden). Het uit de Ardennen afkomstige grint vormde ooit de bedding van de Oer-Maas en beschermde de onderliggende, zachtere tertiaire afzettingen tegen erosie. Op het einde van het Pleistoceen werden de grindlagen bedekt met dek- of duinzanden waaruit zich de huidige podsolbodem ontwikkeld heeft.

De Kempen wordt in het algemeen getypeerd doof arme zandgronden en landduinen op de hoger gelegen gebieden. De oorspronkelijke bossen werden er in het verleden vrij snel gedegradeerd tot uitgestrekte "woeste" heidegronden. Tot het begin van de 20ste eeuw bestond het overgrote deel van de Limburgse Kempen uit zulke gebieden. De mens ontwikkelde hier een unieke vorm van grondverbetering, namelijk het "plaggen". Eeuwenlang werd het tekort aan stro in de stallen aangevuld met heide- en grasplaggen die in de omgeving werden gestoken. Verrijkt met mest werden deze plaggen jaarlijks uit de potstal weer op het land aangebracht en ingewerkt. Hierdoor ontstond een vruchtbare plaggenbodem met een 50 tot 60 centimeter dikke humusrijke bovengrond in de omgeving van oude woonkernen.

De herbebossingsdecreten van Jozef II in de 18de eeuw luidden het definitieve einde van de heide als cultuurhistorische landschapsvorm in. Vanaf de 19de eeuw werden grote oppervlakten landduinen en droge heidegronden met grove den bebost. Het fixeren van de zandige bodem en de bescherming van de akkers tegen zandverstuivingen waren hierbij van prioritair belang, de houtproductie in functie van de opkomende industrialisatie eerder van ondergeschikt belang. Het resultaat van deze herbebossing was een gevarieerd landschap van compartimenten bos, heide, akkerland en weilanden.

Met de intrede van kunstmest in het begin van de 20ste eeuw konden de typische Kempense "woeste" gronden verder ontgonnen worden tot akker- of weiland. Vele stuifzandgebieden werden met naaldhout beplant om ze rendabel te maken. De mechanisatie van de landbouw zorgde er verder voor dat kavels werden vergroot, hagen en houtkanten stilaan verdwenen, gronden dieper werden ontwaterd, beken rechtgetrokken en gekanaliseerd. De bloemrijke hooilanden van weleer werden stilaan, door een intensieve bemesting, vervangen door monotone raaigraslanden of maïsaanplantingen.

Het tijdperk van de industrialisatie was aangebroken. Op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw vestigden zich talrijke vervuilende industrieën in het noorden van de provincie Limburg, waarover verder meer in de paragraaf over industrieel en pre-industrieel erfgoed. De grote landschappelijke verandering in het zuidelijk deel van het Kempens Plateau (Midden-Limburg) kwam er met de ontdekking van steenkool in de ondergrond in 1901. Door de industrialisatie in het noorden en de steenkoolexploitatie in Midden-Limburg veranderde een groot gedeelte van het Kempens Plateau in nog geen halve eeuw van een in hoofdzaak semi-natuurlandschap tot een uitgestrekt stedelijk-industrieel landschap. Slechts hier en daar bleven enkele gebieden gespaard, zoals de militaire domeinen. Deze gebieden ondergingen wel de invloed van allerlei legeroefeningen, maar werden niet aangetast door intensieve landbouw, wegen- of woningbouw en recreatie.

BODEM EN STREEKEIGEN MATERIAAL

Tot het oudste bouwmateriaal, aangewend in de uiterst schaarse Romaanse bouwkunst van de streek, horen de verschillende soorten breuksteen, die waarschijnlijk afkomstig zijn uit de plaatselijke ondergrond. Hiertoe behoort ook silex of vuursteen, dat voorkomt in de onderste zones van de krijt- en kalklagen en onder meer is aan te treffen in de voormalige onderbouw van het koor van de Sint-Trudokerk van Peer. Het werd reeds in de Romeinse periode gebruikt.

Vanaf de 14de eeuw werd dit lokaal ontgonnen materiaal verdrongen door de geïmporteerde mergelsteen, die tot het midden van de 17de eeuw een belangrijke rol speelde in de traditionele bouwkunst onder de vorm van muurbanden, hoek- en negblokken. Het betreft een zeer zacht gesteente, wit tot geel van kleur, vooral bestaande uit CaCo3, al dan niet met bijmengingen. In Limburg werden drie soorten mergel ontgonnen. De "tuffeau van Maastricht" (Maastrichtiaan), die het meest werd aangewend, is een zachte, witgele steen, met groeven te Zichen-Zussen, Kanne en Sint-Pietersberg. Er zal verder steevast als "mergelsteen" naar verwezen worden. De andere twee soorten, die in het westen van de provincie gewonnen werden, kenden daar een vrijwel zuiver plaatselijk gebruik. De mergelsteen uit de groeve van Sibbe bij Valkenburg (Nederland), de enige groeve die nog wordt uitgebaat, wordt heden vooral aangewend bij restauraties.

Tot de ingevoerde steensoorten behoort voorts de Naamse kalksteen, die vanaf de tweede helft van de 17de eeuw vrijwel volledig de mergelsteen verdrong. Hij kende een zeer ruime verspreiding in de huidige provincies Luik en Limburg, maar werd ook buiten de grenzen in het hele Maasland aangetroffen. Hij onderscheidt zich van de andere hardstenen door de afwezigheid van fossielen en de effen zilvergrijze verwering. Deze steen werd vanuit het zuiden van België via de Maas geïmporteerd. Tot het midden van de 19de eeuw was het de enige gebruikte natuursteen. Daarop verdween hij als bouwmateriaal om plaats te ruimen voor natuursteen van verschillende, vaak buitenlandse origine.

Naast de conventionele bak- en natuursteenbouw wordt het bestudeerde gebied eveneens gekenmerkt door de traditionele vakwerkbouw, die zich tot in het begin van de 20ste eeuw staande hield, waarover verder meer in de paragraaf over de burgerlijke architectuur.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Vroegste tijden

De oudste bewoningssporen in het hier bestudeerde gebied gaan terug tot het paleolithicum, dat zich uitstrekt vanaf het vroegste begin tot ongeveer 8000 vóór Christus. De laat-paleolithische culturen heeft men ook in de Limburgse Kempen aangetroffen, onder meer te Helchteren. De dragers van deze cultuur, die al over een betrekkelijk grote diversiteit aan wapens beschikten, leefden van de jacht op rendieren, de verzameling van plantaardig voedsel en van de visvangst.

Van het mesolithicum (circa 8000 - circa 4000 vóór Christus), de periode waarin de temperatuur steeg en grote loofwouden en moerassen ontstonden, dateren de typische kleine stenen voorwerpen, microlithen, die doorgaans een onderdeel vormden van jacht- en vistuig. Men leefde van de jacht op kleiner wild, uitgebreid met veeteelt en de verzameling van eetbare planten. Uit het mesolithicum dagtekenen de vondsten die in Hechtel (Schaapsschoor en Kamert), Eksel, Houthalen en Helchteren (Sonnisse Heide) werden gedaan.

Het neolithicum (circa 4000 - circa 2200 vóór Christus) was een periode gekenmerkt door akkerbouw en veeteelt. Met de Michelsberger cultuur staan de gevonden vuurstenen voorwerpen in verband die op diverse plaatsen in de Limburgse Kempen werden aangetroffen. Neolithische voorwerpen werden in Hechtel, Houthalen (Tenhaagdoorn), Helchteren en Peer (Molhem) aangetroffen.

De bronstijd (circa 2200 - circa 700 vóór Christus) was een tijdperk waarin ook de handel van betekenis moet zijn geweest, daar de bronzen objecten, die aan deze periode haar naam hebben gegeven, enkel door invoer verkregen waren. In het noorden van de Limburgse Kempen zijn bronstijdgrafheuvels aangetroffen, onder meer op het Molhem (Peer) en in Wijchmaal (zogenaamd "Heksenberg"). In die grafheuvels trof men onder meer aardewerk aan, alsook enkele bronzen voorwerpen en sieraden.

De ijzertijd (circa 700 - 57 vóór Christus) wordt gekarakteriseerd door een invasie van uit Midden-Europa afkomstige volkeren, wier beschaving men naar de vindplaats Hallstatt (Salzkammergut) de naam Hallstattcultuur meegeeft. Waarschijnlijk in de La Tène-periode, de laatste eeuwen van de ijzertijd, trokken Germaanse stammen over de Rijn naar het westen. In het Limburgse gebied waren dat de Eburonen.

De Romeinse tijd

De stam der Eburonen werd in 51 vóór Christus door Julius Caesar bijna volledig uitgeroeid. Daarmee was de gehele onderwerping van Noord-Gallië voltrokken. Het westen en het zuiden van het vroegere gebied der Eburonen werd onder de naam Civitas Tungrorum ingelijfd bij het Romeinse rijk, tot het einde van de 3de eeuw na Christus als deel van de provincie Gallia Belgica, daarna als deel van de provincie Germania Secunda. Hoofdplaats van deze civitas was Atuatuca Tungrorum, het huidige Tongeren. Naast Tongeren was ook Maastricht, een in de 3de eeuw opgericht castellum ter bescherming van de Maasovergang, een belangrijk centrum. Deze centra liggen respectievelijk ten zuiden en zuidoosten van het bestudeerde gebied. De Romeinen ontsloten de ingenomen streken door de aanleg van landverkeerswegen, die naast hun militaire betekenis ook de handel stimuleerden, waarbij ook de Maas een belangrijke rol speelde. Beide genoemde centra waren knooppunten van deze Romeinse heirbanen. De belangrijkste verkeersader was de weg die van Bavai via Tongeren en Maastricht naar Keulen liep. Een tweede belangrijke weg was de heirbaan van Maastricht naar Nijmegen, die aan de linkeroever van de Maas liep en Maaseik passeerde. Ook zijn overblijfselen gevonden van wegen die hoofdzakelijk een lokaal karakter hadden, zoals de weg door de Kempen over Achel en Bree naar Rotem (Dilsen-Stokkem). Eksel, Houthalen en Helchteren ontwikkelden zich dan weer aan de Romeinse weg Tongeren via Bilzen naar het noorden. De antieke weg van Trier naar Nijmegen over Ombret en Hasselt doorliep Houthalen, die van Diest-Paal liep over het grondgebied van Peer, Grote-Brogel en Kleine-Brogel naar het noorden en die van Tongeren-Vliermaal liep over Wijchmaal naar het noorden. De aanwezigheid van deze heirbanen bevorderde ook de economische ontwikkeling en het ontstaan van grotere en kleinere nederzettingen. Op diverse plaatsen in de Limburgse Kempen werden Romeinse sporen aangetroffen. Romeinse scherven werden in Hechtel en Eksel gevonden, in laatstgenoemde gemeente (de Winner) tevens dito voorwerpen en een begraafplaats. In Wijchmaal werden eveneens stukken van Romeins aardewerk aangetroffen, alsook een drietal incineratiegraven, laatstgenoemde nabij de boerderij zogenaamd "De Kleine Blijlever". In Helchteren en Peer werden op het einde van de 19de eeuw eveneens Romeinse muntschatten ontdekt. In tegenstelling tot Zuid-Limburg met zijn belangrijke centra was het Kempenland in de Romeinse periode echter zeer dun bevolkt.

De christianisatie van het gebied hield gelijke tred met de kolonisatie. Het blijft evenwel onbekend in hoeverre de plaatselijke bevolking het christendom aanvaardde. De permanente onrust in de 4de eeuw en daarna heeft een verdere verspreiding van deze godsdienst belet. Pas in de 7de eeuw zal de reële christianisatie aanvatten. Tongeren, de hoofdstad van de Civitas Tungrorum, was de zetel van een bisdom. Deze zetel werd mogelijk al in de 4de eeuw naar Maastricht overgebracht door toedoen van de stijgende onrust in het Romeinse rijk. In 256-257 staken de Franken een eerste maal de Rijn over, waarbij Tongeren in vlammen opging en in de gehele streek van Limburg vreselijke verwoestingen werden aangericht. In 275-276 trokken ze weerom plunderend rond. Het merendeel der Romeinse villae werd in deze periode vernield, doch daarna niet meer heropgetrokken. Met de val van Keulen en het wegtrekken van de troepen aan de Rijn in het midden van de 5de eeuw bereikte de Romeinse heerschappij in de Limburgse gebieden een eindpunt.

De vroege middeleeuwen

In het bestudeerde gebied zijn er weinig elementen bekend voor de Frankische periode. Wat Tongeren en Maastricht betreft, kan men er vermoedelijk van uitgaan dat deze centra continu bewoond bleven, terwijl het christendom er stand hield. Voor de landelijke streken was dit zeker niet het geval. De Franken vestigden zich doorgaans niet in de Romeinse sites, maar bouwden hun eigen, evenwel schaarse nederzettingen uit. De laatste jaren wordt de Keltische of de Frankische oorsprong van de Kempische nederzettingen meer en meer in vraag gesteld en opteert men voor een datering in de Merovingische-Karolingische 8ste eeuw. In Houthalen werd een Merovingische gouden fibula of lunula gevonden, thans bewaard in het Musée Curtius van Luik.

Het hier behandelde gebied maakte, zeker na de Rijksdeling van 561, deel uit van Austrasië. In deze periode kwam het zwaartepunt van het Frankische rijk in het Rijn-Maasgebied te liggen, het stamgebied van de Pepiniden, een Zuid-Limburgs geslacht, dat uitgestrekte goederen bezat, zowel langs de Moezel en in de Ardennen als in de Maasstreken, onder meer in Haspengouw.

Op deze goederen werden in de 7de eeuw belangrijke kloosters gesticht: dat van Wintershoven met Landoaldus als spilfiguur, dat van Sint-Truiden, gesticht door de grootgrondbezitter Trudo, en dat van Munsterbilzen, gesticht door Landrada. In het begin van de 8ste eeuw richtten Harlindis en Relindis een vrouwenstift op te Aldeneik, waarbij de traditie naar Willibrord en Bonifacius verwijst. Vanuit deze stichtingen werd de herkerstening van de streek en de missionering van de noordelijke gebieden aangevat. De zetel van het bisdom Tongeren-Maastricht werd omstreeks 717 door Hubertus van Maastricht naar Luik overgebracht. Al in de Karolingische periode kende dit bisdom een goed gestructureerde organisatie in parochies en kerkelijke districten die later de naam van dekenaten kregen.

In de bestuurlijke indeling van het rijk ressorteerde het hier bestudeerde gebied onder de Karolingische gouw Taxandrië, die zich uitstrekte tot aan de benedenloop van de Maas en die dus ook de tegenwoordige provincie Noord-Brabant omvatte. Mogelijk was deze gouw, waarvan de juiste afbakening niet bekend is, in graafschappen onderverdeeld.

Bij het verdrag van Verdun (843), waarbij drie zonen van Lodewijk de Vrome het rijk verdeelden, kwam het gebied binnen het Middenrijk van keizer Lotharius I te liggen. Maar de opvolgers van Karel de Grote waren niet bij machte de groeiende desintegratie tegen te gaan. Oude gouwen en graafschappen verbrokkelden om plaats te maken voor nieuwe graafschappen. Op het einde van de 9de eeuw vonden de invallen en plundertochten van de Noormannen plaats. Ook de Kempen, waar blijkbaar buit te bemachtigen viel, bleven niet gespaard. De invallers werden door koning Arnulf bij Leuven verslagen, maar niet definitief, zodat ze pas enkele jaren later het land verlieten.

De middeleeuwen

Vanuit twee 10de-eeuwse grondslagen, de graafschappen Hocht, vermoedelijk gelegen ten noorden en ten westen van Maastricht en met kern in Lanaken, en Avernas, ten westen ervan, vormen de graven van Loon, die vazallen van de Duitse keizer waren, in de eerste helft van de 11de eeuw hun graafschap. In 1079 annexeerde Loon het oostelijke, onherbergzame deel van Taxandrië, de Limburgse Kempen. Met de inlijving in 1187 van het graafschap Duras (rond Sint-Truiden, Borgloon en Bilzen) bereikte het graafschap zijn grootste uitbreiding. Vier van de acht in onderhavig boek beschreven deelgemeenten behoorden oorspronkelijk tot dit domein, namelijk Hechtel, Houthalen, Grote- en Kleine-Brogel.

Enkele heerlijkheden ontstonden als kerkelijke goederen of werden dit in een later stadium. Helchteren en Wijchmaal behoorden tot het domein van de abdij van Sint-Truiden. Over de abdijgoederen in Helchteren oefenden de graven, van Loon sinds de 13de eeuw de voogdijrechten uit. In 1281 kocht de abdij van Sint-Truiden deze voogdijrechten af, evenals de landsheerlijke rechten. Buiten het Hoksent behoorde het verdere Ekselse grondgebied op het einde van de 7de eeuw tot het kroondomein. Einde 7de of begin 8ste eeuw schonk Pepijn II van Herstal dit vorstelijke territorium aan genoemde abdij. Peer was waarschijnlijk in de vroege Middeleeuwen het centrum van een groot Frankisch domein, zeer waarschijnlijk van de Pepiniden, van wie het in de 8ste eeuw als een vrome schenking overging naar weerom dezelfde abdij. De graven van Loon, die voogden waren over die Kempense abdijgoederen, palmden het domein en de heerlijke rechten na verloop van tijd in, zodat Peer een Loonse heerlijkheid werd.

Het bisdom Luik had zich intussen ontwikkeld tot een wereldlijke macht: in 980 verleende Otto II de immuniteit aan bisschop Notger (972-1008), waardoor de prins-bisschoppen als wereldlijke vorsten in hun gebied vazallen waren van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het prinsbisdom kende in de tweede helft van de 10de eeuw en in de 11de eeuw, de Ottoonse renaissance, een periode van enorme culturele bloei en uitstraling, terwijl de Maas een belangrijke handelsweg bleek die de economische ontwikkeling mee in de hand werkte. Bij de aanvang was de machtsconsolidatie van de graven van Loon vooral gericht tegen de toenemende invloed van het prinsbisdom aan hun zuidelijke grens. Onder druk van de Brabantse expansiedrang naar het oosten, hadden de twee rivalen, de graven van Loon en de prins-bisschoppen, allebei belang bij wederzijdse steun. Hierdoor kon het Brabantse gevaar definitief worden afgewend.

De 13de eeuw was de periode waarin veelal door toedoen of door medewerking van de landsheer een nieuw gegeven in de geschiedenis van de Limburgse streken opdook: de steden. De enige stad in het bestudeerde gebied is Peer, ook al behield dit landstadje een sterk agrarische inslag.

Circa 1300-1320 werd in Peer een burcht opgericht, die even buiten de mogelijk kort vóór 1367 opgerichte vesten was gelegen, in 1483-1488 werd verwoest en waarvan einde 16de -begin 17de eeuw enkel nog imposante ruïnes overbleven. Op 9 februari 1367 verkreeg Peer van zijn leenheerlijke grondheer Everaert van der Marck de stadstitel, met vrijstelling van bepaalde belastingen. Peer bekwam echter geen stedelijke vrijheidscharter. Alhoewel dus geen echte stad met Luiks recht, werd Peer toch sinds de 15de eeuw onder de Loonse steden vermeld. De stad mocht verder ook een waag installeren en tol heffen op de wegen. Ondanks het feit dat de promotie tot stad in 1367 een zekere welvaart en economische bloei met zich meebracht tussen de 14de en 16de eeuw, vooral door de wolnijverheid, de lakenhandel, de bewerking van leder en koper en de vervaardiging van landbouwalaam, groeide het stadje niet echt uit tot een belangrijk centrum, onder meer door toedoen van het regelmatig terugkerende oorlogsgeweld. Ook nu nog wordt de begrenzing van het stadscentrum nog steeds bepaald door de in de loop van de 19de eeuw verdwenen vesten.

Toen graaf Lodewijk IV van Loon in 1336 kinderloos overleed, ontstonden er moeilijkheden over de opvolging. Een serie conflicten, de Loonse Successieoorlogen (1336-1366), liepen uit op de inlijving van het Land van Loon bij het prinsbisdom Luik. Het graafschap werd zodoende opgenomen in de bestuurlijke organisatie van het prinsbisdom. De bisschop Jan van Arkel (1364-1378) nam de titel van graaf van Loon aan. Juridisch had dit tot gevolg dat de steden, zoals de gemeenten die reeds voordien onder Luik ressorteerden, thans het Luikse recht volgden, met beroep bij de schepenbank van Luik. Peer vormde hierop een uitzondering. Deze stad volgde niet het Luikse recht, maar wel het Loonse gewoonterecht met als beroepshof het Oppergerecht van Vliermaal. Vliermaal was de zetel van de oude gouwrechtbank, opgericht door de graven van Loon als beroepshof voor de verscheidene lokale schepenbanken. Het werd bijgestaan door de regionale banken van Bilzen, Borgloon, Montenaken en Rotem. De prins-bisschoppen behielden de instelling voor de gemeenten met Loons recht, doch vanaf 1469 werd ze naar Hasselt overgebracht, alhoewel de benaming Oppergerecht van Vliermaal bleef bestaan en het hof nog regelmatig in Vliermaal vergaderde.

De 14de eeuw werd gekenmerkt door de opkomende invloed van de ambachten. Nadat de Luikse ambachten de macht van de grote families aldaar hadden uitgeschakeld, kwamen zij in openlijk conflict met de prins-bisschoppen zelf. Deze strijd verzwakte sterk de positie van de machtige families in de Limburgse gebieden, hetgeen mee bijdroeg tot de uiteindelijke triomf van het gildewezen. Deze sterke positie maakte de aanhechting van het Land van Loon bij het prinsbisdom Luik voor de Loonse steden een aantrekkelijker alternatief dan de verouderde politiek van de graven van Loon, die weinig aandacht hadden getoond voor de stedelijke belangen.

In het midden van de 14de eeuw werd Helchteren tot driemaal toe aangevallen door ridder Hendrik van Halbeek, die een privé-oorlogje voerde met Robert van Craenwick, abt van Sint-Truiden en heer van Helchteren. De eerste keer, in 1361, plunderde hij het dorp en stak hij de hoeve Ter Dolen in brand. Op 24 augustus van datzelfde jaar werd het kasteel Ter Dolen platgebrand. Bij een derde en vierde aanval in maart en juni 1365 bood deze gemeente, met steun van onder meer Houthalen, flink verzet. Bij dit laatste treffen werden de kerk en acht huizen in brand gestoken.

Een typisch historisch fenomeen voor het bestudeerde gebied vormen de grensbetwistingen, die tussen de diverse naburige gemeenten optraden, veelal over het oneigenlijke gebruik van de talrijke "gemene" en "woeste" heidegronden, die aan de periferie waren gelegen. Deze betwistingen bleven niet zelden voortbestaan tot in de 19de eeuw.

Op 22 februari 1429 ontving Houthalen het buitenpoorterschap van Hasselt, net als andere zogenaamde "vrijdorpen" in de Kempen. Hasselt verdedigde op kosten van de gemeente de Houthalense rechten en verleende met dit poorterschap bepaalde voordelen van het stadsrecht, zoals de vrijstelling van accijnzen of verbruiksbelastingen en van marktgeld. Houthalen diende Hasselt op aanvraag van de stad in militaire conflicten bij te staan. Op het einde van de 15de eeuw was door het getaande militaire prestige van Hasselt het aanvankelijke voordeel van de vrijdorpen in een nadeel uitgedraaid.

De Bourgondische oorlogen

De telkens hernieuwde strijd voor de democratische rechten tegen de prerogatieven van de Luikse prins-bisschoppen verkreeg in de 15de eeuw de dimensie van een nationaal conflict: de prins-bisschoppen (Jan van Beieren, 1389-1418; Jan van Heinsberg, 1419-1456; Lodewijk van Bourbon, 1456-1482) richtten zich meer en meer tot de Bourgondische hertogen voor ondersteuning, terwijl de ambachten een natuurlijke bondgenoot vonden in de Franse koning, tegenstander van Bourgondië. Tijdens dit conflict liet prins-bisschop Jan van Beieren de twee hoeven van de abdij van Averbode te Spikelspade in Hechtel plunderen, aangezien de abt van Averbode niet enkel zijn sympathie had laten blijken voor de hertog van Brabant maar ook partij had getrokken voor de Luikse opstandelingen. Ook nadien werd Spikelspade door de dienstmannen van dé prins-bisschop geteisterd. Een voorname rol in genoemd conflict werd gespeeld door Raes de Riviere, genaamd Raes van Heers, die leider werd van de opstand tegen de door Filips de Goede voorgedragen en gesteunde prins-bisschop Lodewijk van Bourbon. Als aanvoerder van de Loonse gemeenten van het prinsbisdom werd hij samen met de Luikse steden verslagen te Montenaken (1465), waarna Luik werd gedegradeerd tot een Bourgondisch protectoraat. Bij de dood van Filips de Goede kwamen de door een akkoord met Lodewijk XI gesteunde Luikse steden weerom in opstand. Raes van Heers stond aan het hoofd van een deel van de stedelijke milities, die het oprukkende Bourgondische leger in 1467 te Brustem aanvielen en aldaar verslagen werden. Karel de Stoute liet de steden ontmantelen en schafte alle privileges af. Nog eenmaal kwam Luik in opstand, waarop de stad werd ingenomen en met de grond gelijk gemaakt (1468). De dood van Karel de Stoute te Nancy maakte een einde aan de Bourgondische overheersing. Maria van Bourgondië schonk de steden hun privileges terug en herstelde de edelen in hun geconfisqueerde bezittingen.

Het einde van de 15de en het begin van de 16de eeuw werden beheerst door het conflict tussen de machtige familie van der Marck, gesteund door de Franse koning, en de prins-bisschoppen Lodewijk van Bourbon en Jan van Horn (1483-1505), met aan hun zijde keizer Maximiliaan van Oostenrijk. Deze strijd groeide uit tot een heuse burgeroorlog en had zijn weerslag op het hier bestudeerde gebied. In 1482-86 vielen de soldaten van Willem van Arenberg de aan de abdij van Averbode toebehorende eigendommen van Spikelspade en De Briel aan in Hechtel. De pastorie aldaar werd in 1486 in brand gestoken. In de stad Peer had op 13 mei 1483 een moordpartij plaats door de kleine Salzar, aanvoerder van de Luikse troepen, met circa duizendvijfhonderd doden als gevolg. Vervolgens werd de stad platgebrand. Robrecht en Everhard van der Marck vestigden in februari 1490 hun hoofdkwartier in het kasteel van Vogelzang, waarna op 3 april van datzelfde jaar het grote gevecht tussen beide partijen losbrak in Zonhoven. Drieduizenddriehonderd strijders van de prins-bisschop, waaronder Jan II van Autel, heer van Vogelzang, behaalden een duidelijke overwinning. Na deze slag werd door de verslagen rebellen alom in de Kempen geplunderd.

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de Dertigjarige Oorlog (1618-1648)

Het episcopaat van Everhard van der Marck (1505-1538) hield voor het land een periode van herstel en bloei in, in de hand gewerkt door de neutraliteitspolitiek van de prins-bisschop. Hieraan maakten de godsdienstoorlogen een einde. Aanvankelijk leek het er op dat bisschop Everhard niet al te geneigd was tot een zeer scherpe repressie. Hij werd daarin ook tegengehouden door de Luikse Staten, die het voornemen hadden de Luikse privileges te beschermen en met name de straf van verbeurdverklaring van goederen gelimiteerd wilden zien toegepast. Deze tolerantie werd mee ingegeven door de handelsrelaties met de Verenigde Provinciën. Maar in de tweede helft van de jaren 1520 trad een zekere wending op: de vervolging werd scherper in het gehele bisdom Luik. Mogelijk houdt dit verband met het ontstaan van een tweede reformatorische beweging, die naar het schijnt in het bisdom Luik meer aanhangers telde dan het Lutheranisme, namelijk het Anabaptisme, dat zijn achterban vooral had in de lagere volksklassen. Meer dan het land van Luik komt het land van Loon onder invloed van deze nieuwe leren. Men trof met name relatief veel anabaptisten aan in Haspengouw en in de Kempen. Mogelijk werd het aldaar ingevoerd vanuit Maastricht. De vervolging van de protestanten nam toe onder de opvolgers van Everhard van der Marck. Zo trokken in 1543 de troepen van keizer Karel V door Overpelt om de protestanten van Sittard en Venlo te bevechten. Ondanks de aanvankelijke neutraliteit kreeg het land van Luik veel te verduren van doortrekkende troepen wanneer het openlijke conflict begon tussen Willem van Oranje en Spanje bij het begin van de Tachtigjarige Oorlog en de eerste overtocht van de Maas door Willem in 1568. Plunderingen door Hollandse en Spaanse troepen waren schering en inslag. Het Loonse platteland had verschrikkelijk te lijden en er werden gewelddaden gepleegd tegen geestelijken en kerken, wat elke sympathie bij de lokale bevolking deed wegsmelten. Ook bij de tweede inval van Oranje in 1572 kreeg het Loonse gebied het hard te verduren. In datzelfde jaar werden te Kleine-Brogel twee geuzen vermoord en vielen Oostenrijkers Peer binnen, in 1579 Spaanse soldaten, in de periode 1583-84 uitheemse troepen. In 1579 veroverde Alexander Farnese, hertog van Parma, Maastricht na een bijna halfjarig beleg. Leven en goed van de ingezetenen van het oude graafschap Loon waren niet in veiligheid, vooral niet dat van de bewoners van het platteland in de Kempen en Haspengouw. In de laatste decennia van de 16de eeuw trokken de in Brabant gelegerde, al dan niet muitende, Spaanse troepen herhaaldelijk op rooftocht in deze streken en lieten eveneens bij eventuele doortocht de bewoners en hun bezittingen in geen geval ongemoeid, alsof het vijandelijk gebied betrof. Zo trokken in 1587 Hollanders door Wijchmaal. Ook troffen Spaanse muiters Peer en andere Loonse gemeenten. In 1599 staken ze in Peer de kerk in brand, maar de toren konden ze niet innemen. De Hechtelse bevolking had op het einde van de 16de eeuw eveneens te lijden onder plunderingen van de huurtroepen van de Spaanse koning. In 1601 maakten de Perenaren hun beklag over schade aan vruchten en tienden door krijgsvolk. Als gevolg van de oorlog kenden handel, nijverheid en landbouw een terugval, met name de lakennijverheid.

Daar de Luikse prins-bisschop het neutraliteitsbeginsel niet wou opofferen door de oprichting van een eigen leger, legden de reglementen van Gerard van Groesbeek (1564) en Ernst van Beieren (1587) de landelijke gemeenten de verplichting op zich op het militaire vlak te organiseren. Deze dienstplichtigen waren de zogenaamde "huyslieden", met een kapitein aan het hoofd, de landelijke pendant van de stedelijke milities. Zij lagen aan de basis van de diverse schuttersgilden.

Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bracht een korte periode van relatieve rust en herstel. In 1619 trokken nochtans Hollanders door Wijchmaal. In 1621 werd de oorlog na het bestand hervat. In het Loonse land kwam weliswaar een voorlopig einde aan de bijna dagelijkse plunderingen, maar het gebied had, behalve van troepenlegeringen bij vlagen, nog steeds te lijden onder de eerder toegebrachte schade en rustig was het er allesbehalve. In 1629 raakte het Loonse land betrokken bij de in het Duitse Rijk uitgebroken Dertigjarige Oorlog, wanneer de legerafdelingen van de graaf van Tilly, de opperbevelhebber van de troepen van de Katholieke Liga, ter ondersteuning van de bisschop van Luik in onze streken doordrongen en Borgloon bezetten.

In 1632 werd een nieuw Staats offensief tegen de Zuidelijke Nederlanden ingezet, uitlopend in de inname van Maastricht. De gemeente Helchteren zat dat jaar diep in de schulden door de doortocht van Spaanse troepen die terugkeerden van dat beleg. In september 1633 was er legervolk in Houthalen. Ondertussen had Frankrijk zich verbonden met de Protestantse Unie tegen het Spaans-Oostenrijkse huis. Holland en Frankrijk sloten een verdrag om de Spaanse Nederlanden te veroveren. Spanje verklaarde de oorlog aan Frankrijk. In 1635 teisterden Franse en Spaanse troepen het land van Loon, waarbij de kerken en kloosters niet gespaard bleven.

Ondertussen hadden de Staten van Luik zich afgekeerd van de absolutistische prins-bisschoppen van het huis van Beieren. De Luikse volkspartij koos in 1635 de zijde van Frankrijk tegen prins-bisschop Ferdinand van Beieren (1612-1650). De bisschop riep in 1636 de hulp in van de keizerlijke generaal Jan van Weert. Zijn leger bestond uit vierduizend Polen, Kroaten en Beieren. De troepen plunderden gedurende vier maanden het land van Loon. Nauwelijks was Jan van Weert weg of een bende Walen kwam de burgers teisteren. De periode 1630-1640 is waarschijnlijk één van de rampzaligste uit de geschiedenis van het land van Loon. De plunderende en brandstichtende troepen brengen verschillende besmettelijke ziekten met zich mee, die in regelrechte epidemieën uitmondden. De laatste jaren van de Tachtigjarige Oorlog vielen samen met de eindfase van de Dertigjarige Oorlog. Deze situatie trok keizerlijke, Zweedse en Franse troepen naar onze streken, vooral om er winterkwartieren te betrekken of om te bevoorraden en rooftochten uit te voeren, waarbij niet zelden 4e Maas werd overgestoken en het land van Loon werd getroffen. De troepen van de landgravin van Hessen, de bondgenote van de Franse koning Lodewijk XIII, alsook die van de hertog van Lotharingen, die, nadat zijn hertogdom door de Franse koning was ingelijfd, in dienst van de regering in Brussel was getreden, verwierven daarbij een beruchte naam. In 1641 werd Helchteren door Lorreinse soldaten geteisterd. In 1639 en 1643 trokken Hollandse troepen door Wijchmaal, hetgeen in laatstgenoemd jaar aanzienlijke schade opleverde. Ook na het verdrag van Munster en Westfalen (1648) bleven vreemde troepen in het land, daar de oorlog tussen Spanje en Frankrijk bleef voortduren. Vreemde legerbenden, vooral van Franse origine, bleven het gebied in ellende dompelen. Deze vaak muitende soldateska van allerlei slag kreeg de verzamelnaam "Lorreinen" toebedeeld, waartoe naast de troepen van Karel van Lotharingen ook algemeen de legerbenden van de prins van Condé worden gerekend. Franse en Lorreinse troepen, in mindere mate Spaanse, bleven het gebied met hun rooftochten treffen tot circa 1655, in het hier bestudeerde gebied onder meer in Helchteren, Peer en Wijchmaal. Op 6 december 1648 bevochten de plaatselijke milities van onder meer Peer en Grote-Brogel de Lorreinen op de Donderslagse heide van Meeuwen en Wijshagen. Dezelfde legerbenden teisterden Hechtel in 1650. Wanneer in 1654 de troepen van de prins van Condé te Peer waren ingekwartierd, had ook Kleine-Brogel te lijden van de opeisingen van die huurlingen. De pastorie werd er geplunderd. Datzelfde jaar werd Peer door de Lorreinen, Condese en Spaanse troepen geplunderd en in brand gestoken, waarbij slechts een veertigtal huizen gespaard bleef.

Tweede helft van de 17de eeuw en de oorlogen van Lodewijk XIV (1672-1713)

Eerst in de tweede helft van de jaren 1650 werd de rust hersteld. De wederopbouw kwam op gang. Het optrekken van het stadhuis van Peer in 1637 was eerder het gevolg van het afbranden van de stad op 15 april 1619 na een blikseminslag, waarop de verstening een aanvang nam, dan van de politieke toestand, die toen nog woelig was. Vermoedelijk in de periode 1643-1662 werden verbouwingen uitgevoerd aan het neerhof van het kasteel Ter Dolen in Helchteren. Ook in de agrarische sector werd er gebouwd. In de stad Peer begon men het brandgevaarlijke vakwerk door steenbouw te vervangen. Aan het onderwijs werd niettegenstaande de oorlogssituatie in het bisdom Luik aandacht besteed en blijkbaar had het in de oorlogsjaren relatief weinig geleden. In Eksel stond er eertijds - van wanneer weet men niet - een éénklassige school op het kerkhof bij de kerk. In Houthalen stond in 1614 de school op den Aelaertshooff in het dorpscentrum. In Helchteren wordt circa 1590 kapelaan Egidius Jans als onderwijzer vermeld. De eerste vermelding van een schoolmeester in Peer dateert uit het begin van de 16de eeuw. Van 1660 tot 1673, mogelijk ook later, werd meisjesonderwijs gegeven in het klooster Agnetendal in dezelfde stad. Te Kleine-Brogel genoten de kinderen reeds onderwijs in 1606. In Wijchmaal was er al in 1616 een school op de Houterschans. De genoemde vrede was van korte duur. In 1667 eiste Lodewijk XIV een deel van de Zuidelijke Nederlanden op. De Verenigde Provinciën wensten Frankrijk niet als onmiddellijke buurman en wisten Engeland en Zweden tot hun bondgenoten te maken in de Triple Alliantie. De oorlog die het gevolg was van dit conflict duurde van 1672 tot 1678. Een deel van de legers van Lodewijk XIV trok vóór het invallen van de winter 1672-1673 terug naar het zuiden. Zij legerden zich gedeeltelijk in het prinsbisdom Luik en belastten er onder meer de Kempen en Haspengouw met aanzienlijke oorlogscontributies en opeisingen. De oorlog liep in deze wintermaanden voort, ook al bestond hij eigenlijk maar uit een va-et-vient van legerbenden, die de inwoners veel schade en overlast bezorgden. In 1672 verbleven enkele duizenden soldaten, waaronder ook Spanjaarden, in Peer. In 1673 werd Maastricht door de Fransen belegerd en veroverd. In 1674 stelden Duitse troepen Peer onder contributie, daarna deden dat Franse legers. In 1675 was de graaf van Nassau met zijn krijgsvolk in de stad gelegerd. In datzelfde jaar trokken eveneens Spanjaarden door Wijchmaal. In 1688 brak de Negenjarige Oorlog uit, waarin de coalitie van de Republiek, Spanje, Engeland, de Duitse keizer en een aantal Duitse vorsten tegen Frankrijk stond. Ook de prins-bisschop van Luik behoorde, anders dan in eerdere oorlogen, tot de tegen Frankrijk oorlogvoerende partij, nadat inspanningen om de Luikse neutraliteit te doen respecteren waren mislukt. Het land van Loon werd daardoor voor de Fransen ronduit vijandelijk gebied. Vooral Haspengouw had hieronder te lijden, maar ook de Kempen bleven niet gespaard. In de stad Peer waren troepen gelegerd. De oorlogsbelastingen die op het einde van de 17de eeuw werden opgelegd, vooral door het Franse leger, hadden de gemeente Hechtel ertoe genoodzaakt schulden te maken. In 1692 moesten de landbouwers van Spikelspade in Hechtel belastingen betalen aan de Franse ruiterijtroepen, opdat ze geen schade zouden veroorzaken. Inkwartieringen en militaire opeisingen waren er ook in Helchteren en Wijchmaal. De geallieerde troepen spaarden de bevolking evenmin. De Hollandse, Spaanse en Brandenburgse soldaten hielden plundertochten in Haspengouw en ook in de Kempen. In 1696 begonnen de vredesonderhandelingen, die in het volgende jaar tot de Vrede van Rijswijk (1697) leidden. Toch werden nog in 1701 door de geallieerde Engelsen en Hollanders de pas door de Fransen versterkte en herstelde schansen en ringmuren van Peer omgehaald.

In de Spaanse Successieoorlog (1702-1713), waarbij de Duitse keizer, de koning van Pruisen, de Republiek en Engeland tegenover Lodewijk XIV en Spanje stonden, schaarde Luik zich aan Franse zijde. Alhoewel Maastricht de kern vormde van de oorlogshandelingen, had ook het land van Loon alweer krijgsgeweld te verduren. Wijchmaal had te lijden van inkwartieringen en opeisingen. In augustus 1702 had te Hechtel een voorhoedegevecht en een hevig artillerieduel plaats, dat een van de eerste was die zich tijdens de Spaanse Successieoorlog in het land van Loon voordeden. Graaf Marlborough en zijn geallieerde troepen raakten er handgemeen met de Fransen, die de drie hoeven van de abdij van Averbode, twee te Spikelspade en de derde zogenaamd "De Briel", bezet hielden en zich later moesten terugtrekken naar Balen. De geallieerden staken de grootste van de twee hoeven te Spikelspade in brand. Ook woningen werden in het dorp platgebrand. In de zomer van 1702 zou de hertog van Marlborough zich ook hebben opgehouden in Kleine-Brogel. In 1705 kantonneerden Engelse troepen onder leiding van dezelfde hertog in Houthalen. Marlborough bezette de pastorie als hoofdkwartier om de aanval op Venlo te leiden. Tussen 1 november 1706 en 15 mei 1707 werden op bevel van de hertog elke dag 142 rantsoenen of in het totaal circa 9.900 gulden door de gemeente betaald. In Helchteren deed Marlborough eveneens van zich spreken. Zo waren de inwoners van dit dorp in 1707 verplicht rantsoenen te leveren en werd in datzelfde jaar Petrus Schepers door een soldaat neergeschoten. Het land van Loon had sterk te lijden van doortochten van geallieerde troepen op weg naar het strijdtoneel in Brabant en Vlaanderen. Onder meer Wijchmaal werd geteisterd door dit doortrekkende krijgsvolk. Er ontstonden misoogsten en zelfs hongersnood in het land van Loon, zodat men voor een deel van de bevolking graan in Holland moest kopen. Bijzonder belastend was een regiment Pruisische dragonders in onder meer Peer. De Spaanse Successieoorlog werd afgesloten met de Vrede van Utrecht (1713), gevolgd door andere vredestraktaten. De Zuidelijke Nederlanden, voor zover Spaans bezit, gingen voor de Spaanse monarchie verloren en kwamen aan de Oostenrijkse tak van het Habsburgse Huis.

Door de voortdurende doortocht van troepen die plunderden, de oogst opeisten of verwoesten, het vee roofden en huizen en kerken in brand staken, door de aanhoudende inkwartieringen en rantsoeneringen, dit wil zeggen: het laten betalen van geldsommen voor zogenaamde bescherming of om het in beslag nemen van goederen te voorkomen, door de buitengewone belastingen, die geheven moesten worden van het uitgeplunderde land om de aftocht van de vreemde huurlingen te bekomen, door de daarmee samenhangende besmettelijke ziekten, stonden de meeste Loonse gemeenten bij het begin van de 18de eeuw aan de rand van het bankroet. Zware leningen die waren aangegaan om de schulden terug te betalen, hypothekeerden de financiële toestand van de plattelandsgemeenten voor jaren. De privatisering van de "gemene" "woeste" heidegronden nam een aanvang in deze tijden, aangezien vele dorpen verplicht waren ze te verkopen. De armoede resulteerde in een grote uitwijking, vooral naar de Noordelijke Nederlanden.

De 18de eeuw

Vanaf 1745 raakte het bestudeerde gebied betrokken bij de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-48), waarbij de Franse koning Lodewijk XV, samen met Spanje, de keurvorst van Beieren en de koning van Pruisen, strijd voerde tegen keizerin Maria-Theresia, met aan haar zijde Engeland en de Republiek. De Luikse prins-bisschop kon nogmaals de neutraliteit van zijn gebied niet handhaven. Tijdens deze oorlog hadden Hannovers hun kamp opgeslagen op het Mollemer heyken in Peer. In 1743 lagen er weer Hannoverse troepen in deze stad, in 1744 Hollandse legerbenden, waarvoor voorspan moest geleverd worden. Ook de daarop volgende jaren waren buitenlandse troepen in Peer gelegerd. Op 26 november 1747 werd er zelfs een bijzondere belasting geheven om het winterkwartier te kunnen betalen en later werd aan de particulieren 3821 gulden uitbetaald voor die logementen. Ook Hechtel en Kleine-Brogel werden tijdens dit conflict herhaaldelijk geteisterd door militaire inkwartieringen en leveringen. Na de Vrede van Aken (1748) en door de toenadering tussen Frankrijk en Oostenrijk kon stabiliteit ontstaan in de regio.

Dan was het de beurt aan de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) om het land van Loon te treffen. In dit conflict streden Frankrijk en Oostenrijk tegen Pruisen en Engeland. Meermaals trokken vreemde troepen door Hechtel, Eksel en Kleine-Brogel, met alle gevolgen van dien. In Peer waren tijdens dit conflict Zwitsers, Fransen en Hannovers ingekwartierd.

De Noorderkempen beleefde in de 18de eeuw moeilijke tijden. De bevolking verarmde en dit had mee tot gevolg dat een deel van de bevolking niet meer kon leven van de opbrengsten van het boerenbedrijf alleen en deels wegtrok om elders een bron van inkomsten te zoeken. Deze situatie kwam voor in de Limburgse Noorderkempen, waar een deel van de mannelijke bevolking van voor- tot najaar te voet naar de naburige Brabantse streken, het Rijnland en zelfs de Elzas, Lotharingen en Noord-Duitsland trok om er verschillende koopwaren aan de man te brengen, in een tijd waarin men op het platteland geen winkels aantrof. Men noemde ze Teuten. De etymologie van dit woord is onzeker. Een etymologische verklaring voor de naam werd onder meer gezocht in het feit dat zij onder andere in Duitsland, het land van de Teuten of de Teutonen handel dreven. Anderen menen dat het komt van het woord tuitelen, hetgeen ruilen of versjacheren betekent. Volgens de Kempische dialectologen en toponymisten kan het woord Teut wellicht worden afgeleid van twee werkwoorden: tijgen (gotisch: tuchan) wat trekken betekent. Teut wil in dit geval zeggen: hij die trekt. Een tweede verklaring is mogelijk een afleiding van het woord "tuiten" of "toeten", wat in dit geval op een hoorn blazen betekent. De Teuten gebruikten weliswaar geen hoorn, maar een soort schalmei om hun komst aan te kondigen. Naast etymologische verklaringen zou het woord aan de geheimtaal van de Teuten ontleend kunnen zijn. Ze verkochten huis aan huis. Al naargelang hun specialiteit onderscheidde men in de teutenhandel: "koperteuten" of "goorteuten", koperslagers en ketellappers, die niet alleen beschadigde potten en pannen herstelden, maar ook nieuwe koperwaar verkochten en die ongeveer de helft van de Teuten uitmaakten; "textielteuten" of "tafteuten", handelaars in beddengoed, Brabantse kant, zijde, hoofdkussens, vilten hoeden, blauwe kielen, kousen, Mechels laken, linnen en katoenen weefsels, gordijnen, garen, naalden ..., die ongeveer één derde van de Teuten vormden; "gleisteuten", die aardewerk verkochten; "snyders", ook wel "dierenlubbers" genoemd, die zich specialiseerden in het castreren van paarden, varkens, stieren en schapen, soms ook handel dreven in deze dieren, zodat zij het beroep van veekoopman koppelden aan dat van veearts en waarvan sommigen, door het dagelijkse contact met de bevolking, zich toelegden op de verkoop van (klaver)zaden; "haarteuten", die er pas later bijkwamen, het haar van jonge boerendochters opkochten en het aan pruikenmakers in de steden verkochten. Door hun strikte onderlinge organisatie in kleine compagnies en door hun kredietstelsel onderscheidden ze zich van andere leurdersgroepen en marskramers. Eén a twee Teuten, meestal van hetzelfde dorp en vaak van aanverwante families, bundelden hun krachten om samen vanuit een bepaalde plaats hun beroep uit te oefenen. De voorwaarden werden onderhands of notarieel vastgelegd en de regels bepaalden ook de inbreng in de zaak, de verdeling van de winsten en de opname van nieuwe leden. Ieder teutengezelschap had zijn eigen gebied. Onderlinge concurrentie kwam nauwelijks voor. Gaandeweg kochten de Teuten huizen in hun werkgebied, vaak met winkelfunctie, zodat zij tijdens het werkseizoen een permanente vestigingsplaats hadden. Toch vestigden slechts enkelen zich definitief in hun werkgebied. Hoewel het ontstaan van de teutenhandel een zeer complex fenomeen is en niet aan één enkele oorzaak kan verbonden worden, menen sommige onderzoekers toch een verband te mogen leggen tussen het vrachtvervoer en de start van de teutenactiviteiten. Na het afsluiten van de Schelde door de Spanjaarden in 1585 zou het vrachtvervoer in verval zijn geraakt, zodat sommige vrachtvoerders uit bittere noodzaak moesten overschakelen op het teutenbedrijf. Andere oorzaken waren het verlies aan inkomsten door de verzwakking van de lokale wolproductie en -handel, de oorlogsomstandigheden van eind 16de eeuw die een zeer slecht klimaat vormden voor het uitoefenen van ambacht en beroep, alsook de sterke bevolkingsaangroei. Mogelijk begonnen deze teutenactiviteiten al in de 16de eeuw, maar de bloeiperiode van de handel is toch in de 18de en 19de eeuw te situeren. Deze "buitengaanders" verrijkten zich elders en richtten in de 19de eeuw in hun dorpen vaak de eerste burgerhuizen op. Ze waren ook door andere investeringen voor het bouwkundige erfgoed van belang. Vele teutenfamilies financierden immers de bouw van bedehuizen, kloosters en scholen. In Peer waren er eveneens Teuten, doch hun aantal was er evenwel veel kleiner dan in de gemeenten Eksel en Kleine-Brogel. In de twee zuidelijk gelegen gemeenten van het bestudeerde gebied, Houthalen en Helchteren, melden de bronnen geen aanwezigheid van zulke kooplui. Het aantal Teuten verminderde door de moeilijkheden die de diverse naties in de 19de eeuw de handel aandeden, door de door naburige landen aan de Teuten opgelegde verplichting zich definitief in hun werkgebied te vestigen, door de opkomst van het winkelbedrijf en door de ontsluiting en urbanisatie van het agrarische platteland. De Eerste Wereldoorlog betekende door de afsluiting van de Nederlandse grens de economische doodsteek voor de laatste Teuten. Enkele bekende teutenfamilies waren: Witters uit Eksel en Essers, Leen, Lenders, Opdeweegh en Voets uit Kleine-Brogel.

Naast de onveiligheid veroorzaakt door zwervende zigeuners in de tweede helft van de 18de eeuw en rondtrekkend krijgsvolk hadden beide Limburgen sedert 1730 te lijden onder een tot dan toe ongekende misdadigheid van een grote groep van eigen inwoners. In de jaren 1720 vormde zich onder leiding van de in Hoensbroek wonende vilder Mathias Ponts een wijdverspreide roversbende. Dit georganiseerde banditisme wordt veelal aangeduid met de naam Bokkenrijders, een naam die voor het eerst in 1771 opduikt. Tussen 1730 en 1794 terroriseerden deze Bokkenrijders het gebied van Maas en Rijn. Ze roofden, plunderden en legden brandbrieven. Het betrof delicten tegen personen en hun bezit, terwijl ook kerken niet ontzien werden. Drijfveer was enerzijds de grote armoede, gevolg van de voortdurende oorlogen, de mislukking van de oogst door verscheidene opeenvolgende strenge winters en de jarenlang woedende veepest. Anderzijds is het fenomeen in verband te brengen met sociale ontevredenheid en verzet tegen de gevestigde orde. De lokale gerechtelijke autoriteiten stonden aanvankelijk bij gebrek aan politie en militaire machtsmiddelen zo goed als machteloos tegen deze Bokkenrijders. Vooral in de tweede helft van de 18de eeuw werd het steeds duidelijker dat het karakter van deze benden afweek van dat van de gewone rovers- en dievenbenden, die in de eerste helft van deze eeuw ook elders voor onveiligheid zorgden. Het ging om inheemse bevolking, veelal van een lager sociaal niveau, op een merkwaardige wijze omgeven door een occulte sfeer, waarbij de zogezegde relaties met de duivel in een soort van geheim genootschap in hoofdzaak stoelden op onder foltering afgedwongen bekentenissen. Wel staat vast dat de naam Bokkenrijders aan zulke merkwaardige verhalen ontleend is en dat de sfeer, die hij oproept, door de Bokkenrijders zelf werd gecultiveerd. Jan Matthijs Clercx junior (1759-1840), secretaris van Overpelt, secretaris en schepen van Pelt en scholtus van Bocholt, die op het Hobos in Overpelt woonde, speelde een belangrijke rol bij het uiteindelijke uitroeien van deze Bokkenrijders, waarvan hij 57 leden aan de galg bracht. Een ander verhaal is in Peer gesitueerd. Nolleke van Geleen uit Bree, huisschilder en vioolspeelman, alsook bendeleider van de Bokkenrijders, maakte op het einde van de 18de eeuw een muurschildering op een schouw in het huis zogenaamd "In den Engel" op de Markt in Peer (nummer 36). Ook in de hoeve zogenaamd "De Paggers" (Schansstraat nummer 5) te Kleine-Brogel is er een getekende voorstelling van een bokkenrijder op een muur in een kamer ten zuiden.

In de periode van 1747 tot 1776 had de Kempen veel te lijden van een wolvenplaag, zodat een beloning werd gegeven aan diegene die een wolf neervelde. Iemand die een wolf gevangen had, ging daarmee rond om hem in de dorpen te tonen en ontving dan van de gemeente een beloning. Daarbij voegden zich nog de besmettelijke ziekten onder de mensen en het vee.

Onder invloed van de heersende fysiocratische denkbeelden nam de regering van keizerin Maria Theresia (1717-80) talrijke initiatieven. De ontginningswetten van 1772 waren van uitermate groot belang voor de Kempen. Ze resulteerden niet alleen in de eerste omvangrijke bosaanplantingen alhier, maar ook in het ontstaan van enkele kleine landbouwnederzettingen.

De Franse periode

Het einde van het ancien regime kondigde zich aan met de Luikse revolutie (1789). Troepen van de keurvorst van de Palts trokken door de Kempen heen en weer in hun strijd tegen de Luikse patriotten, zonder dat het tot een belangrijk treffen kwam. Het platteland kreeg, zoals gewoonlijk, verwoestingen en plunderingen te verduren. Peer moest vijftien paarden leveren om de Pruisische soldaten te transporteren. Bij een slaags geraken met Luikse troepen op 27 mei 1790 in de heide van Zonhoven werden de rijkstroepen verslagen. Toen ze op 29 juni weer de Maas overstaken, bezetten ze Peer en Bree. Datzelfde jaar moest Peer herhaaldelijk paarden en karrenvrachten leveren, zowel aan de patriotten als aan de rijkstroepen en zelfs de Paltse dragonders fourneren. In de jaren 1790 waren er alom in de Kempen opeisingen en inkwartieringen van zowel Franse, Hollandse en keizerlijke soldaten. Met de onderwerping van Luik in 1791 werd door keizer Leopold II een einde gemaakt aan de opstand. In 1791 en 1792 moesten keizerlijke troepen in Peer ondergebracht worden. In april 1792 drongen de Fransen een eerste maal het Oostenrijkse gebied binnen. Dat jaar logeerden Franse cavaliers in Peer. Op 2 september 1792 belandde te Kleine-Brogel een voorwacht Franse republikeinse soldaten. Deze eerste invasie mislukte, maar in november 1792 volgde een tweede inval, die resulteerde in een overwinning bij Jemappes, de bezetting van de Oostenrijkse Nederlanden en die van de stad Luik. Een Frans leger trok door de Kempen op naar Roermond, terwijl verscheidene plaatsen in het land van Loon werden bezet. Wanneer de Franse troepen uit Roermond terugkeerden, verbleven duizendvijfhonderd soldaten in het dorpscentrum van Houthalen. De militairen met hun paarden veroorzaakten er voor vierhonderd gulden schade. Op 5 december 1792 trokken Franse patriotten door Helchteren, waarbij ze zich evenwel goed gedroegen. Op 31 december 1792 kwam een compagnie Franse nationale grenadiers Kleine-Brogel binnen, terwijl de tweede compagnie van Picardië er negen dagen logies vroeg. Op 15 januari 1793 moesten drie karren vanuit Kleine-Brogel met de Franse troepen naar Roermond meevaren en enkele dagen later moesten paarden en gespan geleverd worden. De Oostenrijks-Pruisische troepen brachten de Fransen bij Neerwinden op 18 maart 1793 een complete nederlaag toe, die hen dwong de veroverde gebieden geheel te ontruimen. Daar de oorlog tegen de Franse republiek door de coalitiegenoten in 1793 en 1794 werd voortgezet, bleef het land van Loon doortochtgebied voor vreemde troepen. In 1793 had onder andere Wijchmaal hieronder te lijden. Op 25 juli 1793 trokken keizerlijke troepen met duizendvijfhonderd krijgsgevangenen door Peer. Dat jaar waren er ook Hannoverse troepen in de stad. Ook het volgende jaar waren er inkwartieringen in Peer. De derde Franse inval van 1794 slaagde wel. De overwinning bij Fleurus en de capitulatie van Maastricht op 4 november van dat jaar voltooiden de Franse verovering van de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Bij deze derde invasie overstroomden de Franse legerafdelingen het land van Loon, dat, anders dan bij de tweede inval, op grote schaal rekwisities en plunderingen te verduren kreeg. Zo lag in september 1794 een Frans leger van tienduizend man tien a twaalf dagen gekampeerd op 't Saercel bij de kapel van Deust in Peer.

In 1795 hield het prinsbisdom Luik op te bestaan en kreeg het gebied een volledig nieuwe bestuurlijke en administratieve indeling. De twee huidige provincies Limburg werden grosso modo verenigd in het Departement van de Nedermaas. Het werd voorlopig verdeeld in dertig kantons.

Het verzet tegen de Fransen, die kruisen, klokken en beelden wegnamen en kapellen verwoesten, van origine een verzet van plattelandsbewoners, vandaar de naam Boerenkrijg, begon in Vlaanderen en Brabant en sloeg einde oktober 1798 naar de Limburgse streken over en wel vooral naar het gebied van de Kempen en de aangrenzende gebieden van het Departement van de Roer. Op 18 november 1798 waren een vijftigtal brigands een hele dag heer en meester in de stad Peer, waarbij onder meer de rijkswachtkazerne werd geplunderd en de vrijheidsboom op de markt werd neergehaald. Op 21-22 december 1798 werden vier Franse douaniers te Eksel door Brabanders vermoord. Als straf voor deze moorden werd het dorp in 1799 gedwongen 7.280 gulden als oorlogsschatting te betalen. In Houthalen waren vijftig inwoners bereid bevonden deel te nemen aan de Boerenkrijg. In de loop van 1799 werd aan het verzet der brigands een definitief einde gemaakt. Onder het bewind van Napoleon werden de jonge mannen geregeld opgeroepen om in de Franse keizerlijke legers te dienen, hetgeen resulteerde in talrijke deserteurs.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830)

Na de nederlagen van Napoleon trokken de Fransen in januari 1814 terug uit het Departement van de Nedermaas. In 1815 werd de omvang van het grondgebied van de provincie Limburg vastgelegd als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, met Maastricht als hoofdstad. Daarmee was de eenheid, die de Franse tijd had gebracht, zelfs versterkt. In plaats van "Maastricht" en "Opper-Gelderland" opteerde koning Willem I voor de naam Limburg, opdat de benaming van het gelijknamige middeleeuwse hertogdom aan de Vesder niet teloor zou gaan.

In de jaren 1816-17 mislukte de oogst, hetgeen resulteerde in de laatste grote hongersnood in onze streken. De graanprijzen stegen reuzenhoog. Hierdoor ontstond in het begin van de jaren 1820 een overproductie, waarna de prijzen instortten.

Na het begin van de Belgische Omwenteling in 1830 vielen de Nederlanders op 2 augustus 1831 België binnen. Het doel van deze actie was de Belgen en hun pas ingehuldigde koning Leopold I te dwingen zich onder afzwering van het Traktaat der XVIII Artikelen van 26 juni 1831 neer te leggen bij de door Willem I aanvaarde Londense protocollen van januari 1831. De gebrekkig bewapende en slecht georganiseerde Belgen trokken zich in deze Tiendaagse Veldtocht via Hechtel terug naar Helchteren en later naar Houthalen, waar beide legers op 6 augustus slaags raakten in een heuse veldslag met wisselende kansen tussen de troepen van het Nederlandse reserveleger en de soldaten van het Belgische Maasleger. Het Nederlandse leger, 9.500 man sterk, had het bevel gekregen op te rukken naar Hasselt, langs de steenweg 's-Hertogenbosch-Hasselt. Het diende op 5 augustus op te rukken tot Hechtel, waar bij de bezetting van het dorp menige schermutseling viel, terwijl in het nabije Ekselse gehucht Locht een huis door de Nederlanders in brand werd gestoken en de zieke knecht van boer Willems werd gedood. Het Nederlandse leger diende op 6 augustus Helchteren en Houthalen te bezetten. Het Belgische leger, onder het bevel van de naar de opstandelingen overgelopen Nederlandse generaal Daine, telde 10.381 manschappen, 660 paarden en dertig kanonnen. Bij de hevige gevechten in Houthalen werden drie huizen in brand geschoten, werden enkele burgers gedood en sneuvelden vijftig Belgische soldaten, terwijl de verliezen aan Nederlandse kant beperkt bleven tot zestien gesneuvelden en 77 gewonden. De veldtocht duurde uiteindelijk tien dagen, waarna een wapenstilstand werd getekend. Tijdens deze Belgische onafhankelijkheidsstrijd waren er in de Limburgse Kempen heel wat bewegingen van soldaten, talrijke inkwartieringen, zware opeisingen, plunderingen en vernielingen. In 1831 werd België de facto van Nederland gescheiden.

Scheiding van de beide Limburgen en recente ontwikkelingen

Aanvankelijk bestond er geen overeenstemming over het lot van de provincie Limburg, die tot 1839 (Traktaat van Londen) bij België bleef, om dan, ondanks tegenkanting vanuit diverse hoek, gesplitst te worden, waarbij het noordelijke deel naar Nederland overging. Hasselt werd de nieuwe hoofdstad van de Belgische provincie.

De tweede helft van de 19de eeuw karakteriseert zich door een drastische evolutie in de landbouw, waarover verder meer in de paragraaf over de hoevebouw, en door de ontsluiting van het hier bestudeerde gebied ten gevolge van de aanleg van kanalen, spoorwegen, buurtspoorwegen, de uitbreiding van het wegennet en de uitbouw van industriële vestigingen en mijnontginningen, waarover zal worden uitgeweid in de paragraaf over het industriële erfgoed.

Zoals in geheel Limburg, nam op het einde van de 19de eeuw de bevolking sterk toe. Oorzaken waren de aanzienlijke stijging van de geboortecijfers, een uitgesproken daling van de sterftecijfers en een afnemende emigratie. Deze demografische situatie was uiteraard verbonden met de sociale en economische ontwikkeling in de streek en de toenemende welvaart. Vooral vanaf 1900 zette zich de doorbraak verder van een industrialisatie die al in het midden van de 19de eeuw een aanvang had genomen en waardoor de Limburgse Kempen haar agrarisch karakter zou verliezen. Van groot belang hierbij waren de ontginning van de heidevlakten, bebossingswerken, de aanleg van spoor- en waterwegen, alsook de vestiging van industrieën in de Noorderkempen. Dit bracht een groei van de arbeidersbevolking teweeg, die in grote mate te wijten was aan immigratie, terwijl het kleinschalige landbouwbedrijf behouden bleef. In het kader van de behoeften van landbouw en nijverheid ontstond een maatschappelijke groep van middenstanders en een plaatselijke, gegoede burgerij van notabelen, ambtenaren en leidinggevenden.

Als historisch belangrijke feiten voor de 20ste eeuw vermelden we enkel beide Wereldoorlogen. Op 28 september 1914 staken de Duitsers als represaillemaatregel achtentwintig boerderijen op de Locht in Eksel in brand. Vooral echter de vijandelijkheden onder de Tweede Wereldoorlog resulteerden in verwoestingen van het bouwkundige patrimonium in het bestudeerde gebied. In het bijzonder Hechtel, waar ongeveer de helft van het woningbestand werd verwoest, en in mindere mate Helchteren hadden hieronder te lijden. De militaire domeinen van Kleine-Brogel en Helchteren ontstonden in het kader van dit wereldconflict. De Duinen der gefusilleerden en het Monument van de Weerstand in Hechtel zijn eveneens getuigen van de Tweede Wereldoorlog.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

De kerkelijke organisatie liep gelijke tred met de kolonisatie. Zo ontstond in 313 het bisdom Tongeren, met als eerste bisschop de Heilige Servatius. De bisschopszetel werd mogelijk reeds in de 4de eeuw naar Maastricht overgebracht. In de 8ste eeuw kreeg het bisdom geleidelijk aan vorm, vooral door toedoen van de Heilige Hubertus, die in 718 de zetel van Maastricht naar Luik overbracht. Deze vroege christianisatie ging na de Frankische invallen volledig teloor, op een kleine kern in Tongeren en Maastricht na. De in de 7de eeuw gestichte abdijen van Wintershoven, Sint-Truiden en Munsterbilzen stonden in voor de herkerstening van Limburg.

Onder Karel de Grote situeert zich de kerkelijke organisatie in parochies, waarvan de oudste tussen 800 en 1000 werden gesticht. Dat in de Kempen de parochies zeer geleidelijk werden gevormd, is te verklaren door het dorre, verlaten karakter van de streek. Dit in tegenstelling tot vooral Haspengouw en het Maasdal, vruchtbaarder gebieden die veel vroeger bevolkt raakten. Onder de grote Kempische grondbezittingen die oorspronkelijk dezelfde parochie uitmaakten, is het grote domein te rangschikken dat Pippijn van Herstal vóór 714 aan de abdij van Sint-Truiden afstond, gelegen was rondom Eksel (Ochinsala) als centrum en dat Neerpelt omvatte, Eksel, Brogel, Wijchmaal, Peer, Helchteren en aanvankelijk zelfs Overpelt, Hechtel en Houthalen. De meeste stichtingen kwamen vanuit een religieuze instelling tot stand, zoals het Sint-Servaaskapittel van Maastricht en de abdij van Sint-Truiden. De talrijke kerken die laatstgenoemde abdij bezat langs de Dommel getuigen van haar aandeel in de kerstening van de streek van Helchteren tot Eindhoven. Verschillende grondbezitters schonken goederen en domeinen aan de rondtrekkende missionarissen, die er kapellen oprichtten. Zo ontving de H. Willibrordus van de kloosterlinge Bertilindis, dochter van Wigibald, het landgoed Hoccascaute, het Hoksent in Eksel. Enkele kerken waren eigenkerken, stichtingen van de plaatselijke heer, zoals bij voorbeeld de Sint-Martinuskerk van Houthalen, die waarschijnlijk door de heren van (Hout)halen werd opgericht. Tot 1223 was deze kerk in lekenhanden, namelijk van de gezusters Meilindis en Alidis van Hale, de laatste afstammelingen van deze heren. In een later stadium gingen deze eigenkerken eveneens over naar geestelijke instellingen. Bij de oprichting van de diaconaten in de 10de eeuw, werd het bestudeerde gebied ingedeeld bij het aartsdiaconaat Kempenland. Omstreeks dezelfde tijd ontstonden de dekenaten, die in het bisdom Luik concilia werden genoemd. De parochies van het in onderhavig boek bestudeerde gebied ressorteerden onder het decanaat of concilie van Beringen en vóór 1559 onder dat van Woensel (Noord-Brabant).

De relatief late stichting van de meeste parochies blijkt uit het quasi gebrek aan sporen van de oudste bedehuizen van hout of vakwerk, alsook uit het eerder spaarzaam voorkomen van romaanse resten die in de diverse kerken van het kanton Peer bewaard bleven. In Erpekom, een gehucht van Grote-Brogel, werden zo sporen teruggevonden van een sober en functioneel houten kerkje uit de tijd van de vroeg-middeleeuwse kerstening. Typisch is het gebruik van houw- en veldstenen als bouwmateriaal. In het hele hier bestudeerde gebied is enkel de voormalige Sint-Hubertuskapel van Erpekom te Grote-Brogel te vermelden als voorbeeld van de Romaanse stijl, gebouwd in de 11de-12de eeuw, met circa 1550 aangebouwde laatgotische toren, in de 13de eeuw verhoogd schip en lager koor met vlakke sluiting uit dezelfde eeuw. Het bedehuis werd in 1960 verkocht aan het Openluchtmuseum van Bokrijk, waar het werd heropgetrokken. Verder bleef in een oostelijk muurgedeelte van de Sint-Trudokerk van Peer mogelijk een spoor bewaard van het Romaanse kerkgebouw uit de 11de eeuw.

De oudste kerken van het studiegebied worden bestempeld als Kempische baksteengotiek, een nevengroep van de Brabantse gotiek. In de Kempen waar van nature geen zandsteen aanwezig is, is de ter plaatse vervaardigde baksteen, zowel in constructieve als in decoratieve toepassingen, het meest gebruikte bouwmateriaal. Mergel-, zand- en hardsteen werd doorgaans slechts sporadisch aangewend bij de torens, en dit onder de vorm van speklagen, maaswerk, spitsboogfriezen, water- en daklijsten, hoek- en negblokken en afzaten. De volledig zandstenen toren van de Parochiekerk Sint-Ursula van Kleine-Brogel vormt hierop een uitzondering. Zeer karakteristiek zijn de stoere doorgaans voorstaande westertorens - op de hoeken verzwaard met overhoekse en naar boven toe verjongende steunberen, de gesloten gevelvlakken sober versierd met spitsboognissen, blinde arcades en dito maaswerk -, die in onveilige tijden een schuilplaats boden aan de kwetsbare plattelandsbevolking. Steunberen en geprofileerde bakstenen vensteromlijstingen vormen de enige opsmuk van zij-, transept- en koorgevels. Plattegrond, opstand en inrichting vertonen eenzelfde eenvoud: een doorgaans driebeukig schip met vlak afgesloten transept en driezijdige koorsluiting, een basilicale opstand, achtzijdige pijlers of zuilen met octogonale sokkel en analoge imposten en relatief kleine muuropeningen.

De gotische stijl is meer dan de Romaanse in de kerkenbouw vertegenwoordigd. Eén van de fraaiste voorbeelden vormt de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën te Houthalen-Laak met laatgotische toren, vermoedelijk uit het begin van de 16de eeuw en in 1776-79(?) voorzien van een barokke klokvormige bedaking met lantaarn en peervormige spits, en laatgotisch schip (vermoedelijk begin 16de eeuw), waarvan het mergelstenen gedeelte en de sluiting zouden kunnen teruggaan tot het begin van de 15de eeuw.

De overige gotische gebouwen bleven eerder fragmentarisch bewaard en werden deels doorgaans neogotisch herbouwd: de Sint-Trudokerk van Peer, de "kathedraal der Kempen" en voorbeeld par excellence, heeft nog haar toren en koor uit de 15de eeuw, terwijl het schip en grotendeels ook het in kern van 1422 daterende transept in 1895-97 werden herbouwd naar ontwerp van architect H. Martens uit Stevoort; de Sint-Ursulakerk van Kleine-Brogel behield haar toren uit de 15de eeuw, die weliswaar in 1907 werd verhoogd en aangepast, terwijl het kerkgebouw, naar ontwerp van architecten H. Martens uit Stevoort en V. Lenertz uit Leuven, van 1907-08 dateert; de Sint-Martinuskerk van Houthalen bewaarde haar koor van 1437 en haar toren van circa 1500, terwijl het bedehuis in 1938-39 werd herbouwd naar ontwerp van architect J. Deré (Hasselt); de Sint-Trudokerk van Eksel bewaarde haar middenbeuk uit eind 15de eeuw, haar in 1517 voltooid koor, transept en zijbeuken, terwijl de drie westelijke traveeën en de toren in 1905 tot stand kwamen naar ontwerp van H. Martens (Stevoort) en V. Lenertz (Leuven), de Sint-Trudokerk van Grote-Brogel heeft nog haar laatgotische toren van circa 1500, terwijl de kerk in 1896-98 werd herbouwd naar ontwerp van architect E. Serrure (Sint-Truiden); van de Sint-Lambertuskerk van Hechtel bleef de toren uit eind 15de eeuw bewaard, terwijl het bedehuis werd herbouwd in 1938-39 naar ontwerp van architect J. Vanden Daele (Heverlee).

Noch in de 16de, noch in de 17de eeuw was er een belangrijke bouwactiviteit in het hier bestudeerde gebied. Hel aanhoudende doortrekken van plunderende troepen, hetgeen resulteerde in opeisingen, inkwartieringen en epidemieën, stortte de plaatselijke bevolking in grote armoede. Daarbij komt dat talrijke bedehuizen door dit krijgsvolk werden beroofd en beschadigd. Het doorbladeren van de kerkvisitaties in deze eeuwen schetst het beeld van gebrekkig onderhouden, in verval geraakte bedehuizen, waarbij constant tot herstel wordt aangespoord. Uitzonderingen hierop vormen de hogerop aangehaalde laat-gotische torens en dito componenten van bedehuizen, die evenwel veelal bij het begin van de 16de eeuw werden opgetrokken, vooraleer de godsdienstoorlogen dus een aanvang hadden genomen. Enkel de traditionele Deusterkapel in Peer uit de tweede helft van de 17de eeuw, die in 1717 naar het westen toe werd vergroot, en de laatgotische Hoksentkapel in Eksel uil de 16de - begin 17de eeuw, met portaal uit de achttiende eeuw, kwamen in deze troebele periode tot stand.

Ook in de eerste helft van de 18de eeuw was het allesbehalve rustig in het hier bestudeerde gebied. In tegenstelling tot andere Limburgse gebieden is in de Kempen op het einde van de 18de eeuw geen heropleving van de kerkenbouw te constateren, waardoor classicistische voorbeelden ontbreken. De reden hiervoor dient waarschijnlijk gezocht in de stagnerende bevolkingscijfers, waardoor de noodzaak tot vergroting of nieuwbouw zich niet opdrong.

Na de gotische periode is de 19de eeuw, en dan vooral hel einde ervan, dan wel de tijd van de grote kerkenbouw. Ondanks de herstellingen en gedeeltelijke herbouwingen van de 18de eeuw, verkeerden de meeste bedehuizen in de 19de eeuw in zeer slechte staat In de meeste gevallen werd in plaats van voor restauratie, voor de bouw van een compleet nieuwe kerk geopteerd.

De eerste helft van deze eeuw wordt stilistisch gekarakteriseerd door het neoclassicisme, waarvan in het hier bestudeerde gebied geen enkel voorbeeld voorkomt.

De doorbraak van de neogotiek situeert zich in Noord-Limburg pas in de laatste decennia van de 19de eeuw met de bouw van de parochiekerk Sint-Trudo te Helchteren (1890-95, H. Martens uit Stevoort; vergroting met één travee en heropbouw van de toren in 1910-11), en de gelijknamige, hogerop al ter sprake gebrachte kerk te Grote-Brogel (1896-98, E. Serrure uit Sint-Truiden. Gezien het manifeste gevaar voor ontkerstening van de Noorderkempen bij de overgang van een landelijke naar een industriële samenleving, zette de katholieke kerk een actieve missionering op in de nieuw ontstane nijverheidscentra. Tussen 1900 en de Eerste Wereldoorlog werden in Noord-Limburg, naast een aantal kloosterkerken of -kapellen, diverse monumentale parochiekerken gebouwd. Het betrof doorgaans neogotische nieuwbouw of dito uitbreiding van bestaande kerken. De reeds genoemde teutenfamilies hebben een cruciale rol gespeeld in de financiering van deze nieuwe bouwactiviteiten. Ook de subsidiëringspolitiek van de overheid was van wezenlijk belang. Noord-Limburg, en met name Peer, was immers de draaischijf van de politieke activiteiten van Joris Helleputte (1852-1925), die onder meer in het vanaf 1890 uitgegeven weekblad De Kempen zijn ideeën verspreidde over een corporatistische samenlevingsopbouw. Helleputte volgde de bouw van de diverse kerken op de voet. Hij bekeek deze bouwdossiers vanuit een dubbele invalshoek: enerzijds als mandataris en later minister, anderzijds als architect, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en pleitbezorger van de neogotische bouwkunst. Hieruit vloeide voort dat hij in 1899 architect V. Lenertz op het voorplan zette en met de hulp van de Koninklijke Commissie voor Monumenten aan de plaatselijke bouwmeester H. Martens toevoegde in verscheidene bouwprojecten. Eens deze samenwerking een feit, werden de dossiers gemakkelijker vergund en betoelaagd. De Limburgse bouwpastoors hadden echter voor de oudheidkundige scrupules waarmee de baanbrekers van de gotische heropleving bezield waren eind 19de eeuw geen budget en waarschijnlijk ook weinig geduld. Nuttigheids- en zuinigheidsoverwegingen wogen zwaarder door dan esthetische. Van de kant van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en haar Limburgse afdeling klonk rondom 1900 zelfs manifeste bezorgdheid over de haast waarmee kerkontwerpen werden uitgetekend. Volgens de monumentenzorgers werd te weinig rekening gehouden met de eisen van een "authentieke" stijl. In 1907 beklaagde de Koninklijke Commissie voor Monumenten zich erover dat voor dorpskerken haast voortdurend een sjabloonachtig typeontwerp werd gepresenteerd.

De neoromaanse stijl komt in het bestudeerde gebied veel minder voor. Als enige voorbeelden gelden de kerk Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen in het Peerse gehucht Linde (1858-59, Herman Jaminé uit Hasselt; vergroting naar het westen toe en herbouw van de toren in 1910-11, H. Martens uit Stevoort en V. Lenertz uit Leuven), en de van een lichte neoclassicistische inslag voorziene, in 1939-40 vergrote Sint-Trudokerk van Wijchmaal (1878, Stapper uit Hasselt).

Het is het vermelden waard dat in het grensgebied van de Noorderkempen heel wat Nederlandse aannemers bij de bouwactiviteiten betrokken waren.

Daar het bevolkingscijfer in de Limburgse Kempen in de 20ste eeuw gestaag toenam, ontstond de noodzaak in de nieuwe bewoningskernen parochies op te richten, waar nieuwe bedehuizen tot stand kwamen, die ofwel traditionele elementen als spitsbogen en baksteenmateriaal omzetten in een vernieuwde context ofwel in mindere of meerdere mate modernistisch van opvatting zijn. Voorbeelden van de eerste soort zijn: de Sint-Lambertuskerk te Houthalen-Meulenberg (1942 en 1948), de Sint-Hubertuskerk in het gehucht Erpekom te Grote-Brogel (1960, Maris uit Zonhoven) en de kerk Sint-Jozef Werkman te Houthalen-Laak (1964, J. Dewandre uit Hasselt). Een modernistische kerk verrees in het Peerse gehucht Wauberg (1963, Reynaerts). Het belangrijkste en meest monumentale modernistische project, de kerk voor de mijncité Meulenberg in Houthalen, naar ontwerp van architect I. Isgour (Brussel), werd niet gerealiseerd tengevolge van de grote crisis van 1957 en het sluiten van de koolmijn in 1964.

Het bestudeerde kanton is een aantal belangrijke kapellen rijk, waarvan twee deel uitmaakten van een kluis, met name de al genoemde Deusterkapel in Peer, alsook het bescheidener bedehuisje van het gehucht Linde (Peer), mogelijk de Sint-Donatuskapel uit eind 18de - eerste helft 19de eeuw. Andere relatief grote kapellen zijn de al aangehaalde Hoksentkapel in Eksel en de neogotische kapel van het Medisch Pedagogisch Instituut Sint-Elisabeth te Wijchmaal (1933).

De overige gebouwen zijn kleine, stilistisch gezien veelal neogotische bedehuizen of kapellen waarvan traditionele elementen als de spitsboog in een nieuwe context opduiken. Ze dateren voor het merendeel uit de tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw. Noemen we de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand en de H. Philomena op het vroegere Marktplein van Hechtel (midden 19de eeuw), het Kapelleke van het Bomen in Peer (1857), de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Rust of Zavelkapel te Kleine-Brogel (1858), de Onze-Lieve-Vrouwekapel langs de Baan naar Bree te Grote-Brogel (tweede helft 19de eeuw), de Dullerkapel in Peer (tweede helft 19de - begin 20ste eeuw), de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes op het Marktplein van Eksel (einde 19de eeuw - begin 20ste eeuw), de gelijknamige kapel te Wijchmaal (1884), de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand of Gilliskapelleke te Kleine-Brogel (1892), de Laarderkapel te Grote-Brogel (1907-08), en de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten in Helchteren (1935). De enige kapel in neoromaanse stijl in het hier bestudeerde gebied is de Sint-Hubertuskapel in het Wijchmaalse gehucht Dijk (1892-93). Speciale vermelding verdient tevens de van grafnissen voorziene Masykapel in Houthalen-Oost (1904), in neo-Byzantijnse stijl opgetrokken naar het model van het mausoleum van Galla Placidia in Ravenna en één van de eerste Limburgse betonnen constructies in zijn soort. Bij beide laatste voorbeelden handelt het telkens om een centrale aanleg.

Enkele oudere kleine voorbeelden zijn de Sint-Catharinakapel te Houthalen-Lillo (1617), de Sint-Bernarduskapel van de Locht in Eksel (1661), de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Onrust (1688, heropbouw in 1980) in Houthalen-Laak, de Kapel van het Vlasmeer in Eksel (18de eeuw), de Kapel van het Mussennest in dezelfde gemeente (einde 18de - begin 19de eeuw, portaal van begin 20ste eeuw), de Kapel van de Winner eveneens in Eksel (einde 18de - begin 19de eeuw, heropbouw in 1978 iets verderop) en de al genoemde Sint-Donatuskapel in het Peerse gehucht Linde (einde 18de - eerste helft 19de eeuw).

Een vermeldenswaard verschijnsel zijn de kluizen geweest, namelijk de hogerop vermelde, thans verdwenen exemplaren in de nabijheid van kapellen.

Van het enige belangrijke klooster in het kanton Peer, het circa 1430 gestichte Agnetendal in Peer, bleven slechts beperkte restanten bewaard, meer bepaald een vleugel in traditionele Maasstijl, daterend van 1698, waarbij niets van de omgevende hoeve behouden bleef.

De overige kloosters dateren alle uit eind 19de.t begin 20ste eeuw en vertonen veelal neogotische of eclectische stijlkenmerken. Noemen we het voormalig klooster van de zusters van Sint-Philippus Neri te Kleine-Brogel (1912-13, F. Theuwissen uit Lommel), het klooster van de zusters van Maria in het Peerse gehucht Linde (eerste helft 20ste eeuw) en het voormalige klooster van dezelfde zusters te Grote-Brogel (circa 1912-13), beide laatste annex scholen. Als hekkensluiter vermelden we het Instituut Sint-Elisabeth te Wijchmaal, met later uitgebreid voormalig klooster van de zusters van Sint-Vincentius a Paulo (1922) en voormalige meisjesschool van 1912-13, vergroot in 1936 en 1951.

Voor de periode na de Tweede Wereldoorlog vermelden we enkel het nog traditioneel opgevatte voormalige broederklooster te Houthalen-Meulenberg (1950-51) naar ontwerp van architect I. Isgour (Brussel) en het aldaar door dezelfde architect ontworpen, maar modernistische voormalige zusterklooster, waarvan de eerste steen in 1956 werd gelegd.

Een voor het Maasland typisch fenomeen vormen de kalkstenen grafkruisen, waarvan talrijke exemplaren op de kerkhoven van het bestudeerde gebied behouden bleven, namelijk in Eksel, Peer, Grote-Brogel, Kleine-Brogel en Wijchmaal. Hun aantal was bij de aanvang nog omvangrijker, maar de onachtzaamheid van de bevoegde instanties resulteerde in de teloorgang van een aanzienlijk deel van het bestand.

Zij duiken op in het gebied ten oosten van de lijn Givet-Namen-Tienen-Hasselt-Eindhoven-Nijmegen, terwijl de oostelijke grens minder duidelijk af te bakenen valt. De oudste voorbeelden dateren uit het begin van de 16de eeuw, doch komen in het hier behandelde gebied niet voor. Qua typologie zijn de kleinste grafkruisen het oudst. De jongste exemplaren reiken tot de eerste helft van de 19de eeuw. Het merendeel is echter in de 17de eeuw situeerbaar. Zij bevatten belangwekkende gegevens in verband met de lokale geschiedenis en werpen soms zelfs een licht op gebeurtenissen uit de Europese geschiedenis, zoals de grafkruisen voor mogelijke slachtoffers van epidemieën tengevolge van oorlogen in de 17de en 18de eeuw.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Algemeen kan men stellen dat de specifieke architecturale rijkdom van het bestudeerde gebied gelegen is in de hoevebouw en de doorgaans in de centra opgetrokken burgerhuizen, van notabelen, handelaars en ambachtslui. Grote steden komen in de regio evenwel niet voor. Enkel Peer is een historische stad, die echter steeds kleinschalig is gebleven met een grotendeels tot vandaag de dag sterke agrarische periferie.

De arme zandbodem maakte dat de Limburgse Kempen nooit uitgroeide tot een landbouwgebied bij uitstek zoals Droog-Haspengouw. Tot in de 16de eeuw waren wol en vlasvezels de grondstoffen van de laken- en linnenproductie, die bestemd was voor de uitvoer, maar de crisis in deze eeuw, onder meer wegens de betere Engelse wol en door de oorlogsomstandigheden, herleidde deze Kempische bedrijvigheid tot huisnijverheid. De schapen- en bijenteelt, waartoe de uitgestrekte gemeenschappelijke heidegronden zich goed leenden, behoren tevens tot de oudste bedrijvigheden in de Kempen. Wel kan in verband met het Kempische fenomeen van de keuterboerkes meteen genuanceerd worden dat de landbouwer in deze contreien doorgaans eigenaar was van zijn klein bedrijf, terwijl in het zogezegde rijke Haspengouw het meestal om pachthoeven ging. Uitzondering voor het hier bestudeerde gebied vormen de hoeven die door de abdijen van Sint-Truiden, Floreffe en Averbode werden opgetrokken, aanvankelijk door religieuzen werden uitgebaat maar al vlug werden verpacht.

Over de algemene kenmerken van de architectuur in het voormalige prinsbisdom Luik werd in de vorige inventarissen van de provincie Limburg meermaals uitvoerig uitgeweid. Voor de specifieke eigenschappen van de vakwerkbouw verwijzen we graag naar het boekdeel 14N4 van de reeks Bouwen door de Eeuwen Heen over het kanton Borgloon. De gehele Kempische regio kenmerkt zich door de bouwwijze in vakwerk, die ook elders in Limburg veelvuldig voorkomt, vooral in Vochtig-Haspengouw en de Voerstreek. Het betreft een heuse traditie, die zelfs tot in het begin van de 20ste eeuw bleef voortduren. In essentie is het een houtskelet, bestaande uit een paar achter elkaar geplaatste gebinten: een steeds wisselend samenstel van verticale stijlen en horizontale balken, verstijfd door middel van schuingeplaatste schoren. De gebinten worden met elkaar verbonden door balken, die er overheen gelegd worden, de gebintplaten. Het houtskelet vormt de dragende constructie voor het dak, gevormd rondom een reeks kapgebinten, in het bestudeerde gebied uitsluitend van het ankerbalkstandjuktype. Het wordt aanvankelijk in of op de grond geplaatst, later op een stenen fundering als bescherming tegen opstijgend vocht. Het houtskelet wordt verder aangevuld met wandregels, die dienen om het met leem bestreken vlechtwerk waaruit de wanden bestaan te dragen. De vakwerkbouw in Limburg, behalve in Voeren, behoort zonder uitzondering tot het type met ankerbalkgebint. Bij deze bouwwijze wordt de horizontale balk aan beide einden met een pen door de stijlen gestoken en daarachter met een wig verankerd. In Limburg wordt een wandvullingsmethode gebruikt, waarbij de stokken, waarrond de vitsroeden gevlochten worden, in de regels bevestigd worden door middel van gaten en een gleuf, terwijl de regels zelf in het wandvlak liggen en op die manier zichtbaar blijven. Deze wanden hebben geen enkele dragende functie in de constructie. De oudste voorbeelden waren voorzien van overkragingen.

In de steden begon het versteningsproces en de bedaking met pannen vroeger dan in de landelijke gebieden, waar de steenbouw pas vanaf het einde van de 19de eeuw systematisch werd doorgevoerd. In de stedelijke kernen stonden de huizen dicht bij elkaar, wat uiteraard het brandgevaar verhoogde. Vooral na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd het vakwerk door stenen gebouwen vervangen. Eerst op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw werden de lemen wanden van de hoeven meer en meer verdrongen door bakstenen muren, waarschijnlijk eveneens omwille van het brandgevaar. In het bestudeerde gebied bleef de vakwerkbouw, die overal tot het ankerbalkgebinttype behoort en in de meeste deelgemeenten voorkomt, uitsluitend in de hoevebouw bewaard, weliswaar doorgaans fragmentarisch en veelal toegepast in de dienstgebouwen. Enkel een tussenvleugel van de Genaderse Watermolen te Houthalen ('t Genaderen, zonder nummer) vormt hierop een uitzondering. Vrijwel al deze gebouwen zijn relatief recent. Het oudste gaat, althans na grondige "restauraties", in kern terug tot 1642 (het zogenaamde "Kelchterhoef", Kelchterhoefstraat nummer 7 in Houthalen), de meest recente dateren van het begin van de vorige eeuw. Dit stijlen regelwerk met lemen en/of bakstenen vullingen is in de Limburgse Kempen duidelijk minder behouden gebleven dan in Vochtig-Haspengouw. Waarschijnlijk is in het hier bestudeerde gebied al heel wat van het oorspronkelijke bestand in de loop der tijden verloren gegaan, terwijl andere getuigen in Bokrijk verzeild geraakten. De enige vrij gaaf bewaarde voorbeelden in situ betreffen een kleine langgestrekte hoeve in Grote-Brogel (Oude Weyerstraat, zonder nummer), waarbij vakwerk zowel in de woonhuisvleugel als in een van de twee dienstgebouwen opduikt, en verder de hoeve Mieneke in Houthalen (Kelchterhoefstraat zonder nummer).

Wat betreft de stads- en dorpswoningen, de pastorieën en de woonhuizen van hoeven, komt in het behandelde kanton slechts één gaaf bewaard voorbeeld voor van de Maasstijl, de doorsnee-architectuur van de woningbouw in de periode 1600-1750, die in haar details kan aansluiten bij de renaissancestijl, de barok of de Lodewijk XIV-stijl. Het gaat om de pastorie van de premonstratenzerabdij van Floreffe in Houthalen (Pastoriestraat nummer 13).

In dit gebouw uit het tweede kwart van de 18de eeuw komen weliswaar geen stereotiepe natuurstenen muurbanden voor, maar door het gebruik van Naamse kalksteen bij de van hoekblokken voorziene omlijstingen van deuropeningen wordt de traditionele baksteenbouw niettemin verlevendigd. Enkele bepleisterde stadswoningen van Peer hebben een kern in Maasstijl die mogelijk teruggaat tot de tweede helft van de 17de eeuw. Bij de woonhuizen van de hoeven zijn er geen typische voorbeelden van deze Maasstijl aan te treffen, doordat natuursteen noch voor muurbanden, noch voor hoek- of negblokken, werd aangewend. De hoeven, gelegen Konijnenstraat nummer 6 te Hechtel en Ondermeel nummer 40 in Peer, gaan in kern respectievelijk terug tot 1742 en 1737, maar hebben voornamelijk een 19de-eeuwse ordonnantie.

De tweede helft van de 18de eeuw valt samen met het classicisme. Na 1750 komt het Oude Land van Loon via Luik onder prominente Franse invloed. De periode tot circa 1780 karakteriseert zich door de Lodewijk XV-stijl in een regionaal afgeleide vorm. Van het rococo zijn in het bestudeerde gebied geen voorbeelden aan te treffen, noch in het exterieur, noch in het interieur.

De laatste decennia van de 18de eeuw worden getypeerd door de Lodewijk XVI-stijl, eveneens in de regionale Luikse vormentaal. "Edele eenvoud" wordt de maat der dingen. Deze stijl omvat ook het eerste kwart van de 19de eeuw, het tijdperk van het zogenaamde laatclassicisme.

Vrijwel naadloos gaat dit laatclassicisme in het tweede kwart van de 19de eeuw over in het neoclassicisme, dat zich door een kariger materiaalgebruik en verstrakking van de vormentaal van de Lodewijk XVI-stijl differentieert.

Eerst in de tweede helft van de 19de eeuw sluit de burgerlijke architectuur aan bij de internationale stijlstromingen, met hun historicisme, neostijlen en eclectisch vocabularium. Men dient er zich echter rekenschap van te geven dat het kanton Peer een overwegend landelijk gebied uitmaakt, waar de diverse bouwstijlen met een begrijpelijke vertraging werden ingevoerd, elke hang naar decoratie uit de toon viel en de natuurstenen componenten uit de gevels verdwenen. Grote uitzondering op deze regel vormen de teutenhuizen, wat de burgerlijke architectuur betreft ronduit de meest streekeigen categorie woningen. Met hun overdadige eclectische bepleistering, veelal met overwegend neoclassicistische inslag, gecombineerd met een vaak symmetrische ordonnantie, getuigen ze niet alleen van de groeiende rijkdom die de buitengaanders door hun handel in het buitenland wisten te vergaren. Soms vertonen ze in dit grensgebied een voornamelijk Hollandse stilistische invloed. Af en toe wordt zulke bepleistering op een oudere kern aangebracht, zoals bij het logements- en teutenhuis Linmans, Berkenlaan nummer 4 te Eksel.

De eerste helft van de 20ste eeuw kenmerkt zich, omwille van het overwegend rurale en traditionele karakter van het bestudeerde kanton en dit ondanks de sinds het einde van de 19de eeuw op gang gekomen industrialisatie in de Noorderkempen en de daaruit voortvloeiende demografische expansie, vooral door een voortleven van de 19de-eeuwse bouwstijlen in de eerste twee decennia. Voorbeelden van vernieuwende architectuur komen dan ook zo goed als niet voor. Enkele burgerwoningen uit deze periode vertonen spaarzame florale decoratieve elementen, die eerder schuchter refereren aan de art nouveau. De schaarse voorbeelden van interbellumarchitectuur kaderen binnen de toenmalige tendensen, met zowel regionalistische inslag als late cottage-allure. Het enige "kubistisch expressionistische" voorbeeld uit de jaren 1920-30 is de woning Franssens in Houthalen (Stationsstraat nummer 107). Een late getuige vormt het na september 1944 door architect J. Gilson (Brussel) aangepaste gedeelte van de Villa Primavera te Hechtel (Peerderbaan nummer 17). De architecten woning van 1941, Markt nummer 35 in Peer, vertoont een afwisselende volumewerking.

Het modernisme baant zich pas na de Tweede Wereldoorlog een weg en dan nog schoorvoetend en op beperkte schaal door middel van de realisaties van architect I. Isgour (Brussel) in het mijndorp Houthalen, waarover verder zal worden uitgeweid in de paragraaf aangaande het industriële erfgoed.

Hoevebouw

De hoevebouw is in eerste instantie een utilitaire bouwwijze, waarvan de uitwerking is afgestemd op het soort bedrijf dat erin wordt uitgebaat. Hierbij spelen verschillende factoren een rol.

De bodemgesteldheid is van cruciaal belang voor de omvang van het bedrijf. De Kempen was geen graanstreek, daar de zandige bodem er te arm was. De Kempische landbouwer was niettemin doorgaans eigenaar van zijn grond en trachtte in eerste instantie in zijn eigen levensbehoeften te voorzien. Deze factoren verklaren waarom de landbouwbedrijven eerder kleinschalig bleven en de typisch Kempense hoeven een langgestrekt volume vertonen. Een evolutie naar het type van boerderijen met losstaande elementen of in gesloten vorm, zoals bij voorbeeld in Haspengouw, ging aan deze streek grotendeels voorbij, enkele uitzonderingen niet te na gesproken. De kleine Kempische boerderij telde drie à zeven hectaren land, de "grote" tien à vijfentwintig hectaren. Deze laatste, relatief grotere oppervlakte gaat terug op een zeer oude hoevemaat: de in de Middeleeuwen gestichte hoeve, de mansus, had hier inderdaad een oppervlakte van twaalf bunder of ongeveer vijftien hectaren.

Een tweede factor is van historisch-economische aard. De landbouwproductie was tot midden 19de eeuw, en in sommige streken als de Limburgse Kempen tot het einde van de eeuw, in hoofdzaak gericht op zelfvoorziening. Hierdoor bleef het gemengde bedrijf, bestaande uit akkerbouw en veeteelt, de norm. Alleen de schaarse grotere bedrijven produceerden vanaf de 18de eeuw een overschot voor de markt, waarbij vooral boter werd verhandeld.

In de 19de eeuw was het kleinbedrijf in de Kempen een veel voorkomend fenomeen. Het betrof van oudsher een zoals gezegd overwegend gemengd bedrijf met een kleine veestapel, die de nodige mest leverde voor de akkerbouw, in een periode waarin van kunstmest nog geen sprake was. De omvang van de veestapel was rechtstreeks evenredig met die van de gemene weidegronden, wat veronderstelde dat een groot gedeelte van het areaal diende braak te blijven, wat dan weer een rem betekende op mogelijke nieuwe ontginningen en uitbreiding van het akkerland. Hieruit blijkt weerom dat de meeste bedrijven noodzakelijkerwijs zeer klein waren. Een gemengd bedrijf veronderstelt de aanwezigheid van zowel schuren als stallen. De stalruimte was in verhouding tot de schuurruimte echter zeer gelimiteerd. Vererving en opsplitsing veroorzaakten bovendien een verdere inkrimping van de landbouwbedrijven.

De kleinschaligheid van de landbouwbedrijven kan men aflezen van het historische kaartmateriaal (Ferrariskaart van 1771-77 en Atlas van de Buurtwegen van 1844-45). Ze bestonden uit één gebouw, al dan niet voorzien van een beperkt aantal kleine dienstgebouwen, die losstaand bij het hoofdgebouw werden opgetrokken. Deze kaarten reveleren tevens het voor de Kempen typische verspreide nederzettingspatroon met her en der concentraties van kleine kernen.

Pas vanaf het midden van de 18de eeuw werden in de akkerbouw en in de veeteelt belangrijke vernieuwingen doorgevoerd. Vooreerst werden de werktuigen verbeterd, vooral de ploeg, waarbij de ossen als trekkracht goeddeels werden vervangen door paarden. De tweede groep verbeteringen bestaan uit wijzigingen in de productiemethode en in het oogstschema, onder meer door vruchtwisseling zonder braakligging van gronden. Deze versterking van de akkerbouw vereiste meer en betere bemesting, die bereikt werd door het telen van gewassen die als veevoer konden worden gebruikt, zodat de veestapel kon worden uitgebreid, waardoor de hoeveelheid mest toenam, nodig om het akkerareaal te vergroten en de akkerbouw te intensiveren. Bovendien kwam de verdeling van de gemeenschapsgronden op gang, die voorheen een rem betekenden op een rationele en intensieve bewerking. Deze verdeling verliep langzaam. Eerst in de loop van de 19de eeuw namen verkaveling en ontginning een grotere omvang aan. Door de kleine omvang van hun bedrijven waren de gemene heidegronden voor de boeren lange tijd van ontzettend belang geweest, ook nadat de verdeling van deze gronden vanaf de tweede helft van de 18de eeuw langzaam veld won, zoals hogerop aangetoond. Ze fungeerden eeuwenlang als natuurlijke weiden voor de vele schapen. De afgemaaide heide werd uitgestrooid in de potstal om als strooisel met de mest gemengd te worden. Om de houtvoorraad aan te vullen, werden op de heide brandplaggen gewonnen en werd uit venen turf gestoken. Tijdens de bloei van de heide werden bijenkorven uitgezet. De honing werd als zoetmiddel gebruikt, de was voor het maken van kaarsen. Dit fenomeen verklaart de aanwezigheid van bijentassen op enkele in dit gebied bestudeerde hoeven, bij voorbeeld Voortstraat nr. 1 in Peer. De schapen- en bijenteelt kenden in de loop der jaren wel een enorme daling, een tendens niet alleen in de Kempen, maar ook in België en de beide provincies Limburg. De inkrimping van de heide en de vestiging van industrie vormden wel de belangrijkste oorzaak. Het schaap had daarenboven door het toenemende gebruik van kustmest zijn vroegere functie als mestproducent kwijt gespeeld. In Limburg werden tussen 1846 en 1870 ongeveer twintigduizend hectaren ontgonnen, vooral in de kantons Achel, Bree en Peer. De gronden bleken grotendeels slechts geschikt voor bebossing, zodat de ontginners zeer kapitaalkrachtig moesten zijn, omdat bossen pas na heel lange tijd geld opbrengen. Gedurende een ruime periode zou men uit deze bossen het mijnhout halen, zoals bij voorbeeld het geval was met de uitgestrekte heidegronden die door de familie Leirens-Eliaert, textielindustriëlen uit Aalst, in de tweede helft van de 19de eeuw werden aangekocht in Helchteren en daarna met dennen werden beplant. Daar men in de Kempen nog zozeer volgens het oude principe van de zelfverzorging werkte en men zo weinig producten, voornamelijk boter, aan de markt bracht, had de daling van de landbouwprijzen in het laatste kwart van de 19de eeuw er geen catastrofale gevolgen. In de loop van het einde van de 19de eeuw en de 20ste eeuw kwijnde de graanbouw wel bijna volledig weg, mede door de concurrentie van Amerikaanse granen. Bij het begin van de 20ste eeuw beheerste rogge de graanteelt. Sinds 1910 kende deze teelt evenwel een geleidelijke daling. Door de geleidelijke invoering van kunstmeststoffen steeg niettemin de productie in de akkerbouw. Toen de boeren de resultaten van deze kunstmest zagen, gingen zij op grote schaal tot ontginning over en werden vele woeste gronden in cultuurareaal - en niet in eerste instantie meer in bos - omgezet. De plaatselijke notabelen en boeren van Peer hadden een belangrijk aandeel in de stichting van de Belgische Boerenbond op 20 juli 1890, die tegemoetkwam aan de grote behoefte aan voorlichting van de boeren. Deze boerenbond stimuleerde rond 1900 de oprichting van boerenleenbanken en veeverzekeringen. De eerste coöperatieve veeverzekeringen ontstonden in 1891 en 1892 in de Kempische dorpen, onder meer te Grote-Brogel en Peer. Raiffeisenkassen ontstonden in Limburg vanaf 1893. Dank zij al deze op structurele verbeteringen gerichte activiteiten was circa 1900 een nieuw type landbouwbedrijvigheid tot stand gekomen. Granen en wol werden in toenemende mate importartikelen. De Limburgse landbouw ging zich meer toeleggen op de productie van slachtvee en op de tuinbouw. De eeuwenlang vaste verhouding tussen akkerbouw en veeteelt op het traditionele gemengde bedrijf werd nu definitief verbroken. De akkerbouw werd nu dienstbaar aan de veeteelt. Het zwaartepunt van de rundveeteelt lag bij het melkvee. Boterproductie, varkensmesterij en kippenhouderij werden de belangrijkste inkomstenbronnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte het tekort aan mijnhout een aanzienlijke ontbossing nodig. Sinds de jaren 1960 werd het groenvoergewas maïs vanuit Amerika in onze streken geïntroduceerd. De Kempische akkerbouw onderging sindsdien een grondige verandering. Thans is maïs het voornaamste akkerbouwgewas geworden. Na 1960 stortte de haverteelt in elkaar, vanaf het moment dat de tractor het boerenpaard overbodig maakte. Gerst kende een zwakke toename. Boekweit is al geruime tijd uit de landbouwtellingen geschrapt. Aardappelteelt en nijverheidsgewassen als suikerbieten en vlas kwamen in de Kempen nooit echt van de grond. Sedert de Tweede Wereldoorlog is het aantal landbouwbedrijven fel gedaald, terwijl de gemiddelde bedrijfsoppervlakte door schaalvergroting naar verhouding toenam.

Het feit dat de landbouw werd beoefend door kleine gemengde bedrijven uit zich ook in de hoevevorm. De Kempische hoeve was een langgestrekte hoeve van één bouwlaag. Woonhuis, stallingen en schuur waren doorgaans onder één dak verenigd. Soms werd er nog een schob of bergplaats aangehecht. Door de lange gevel naar de zon te richten kon het meeste licht en warmte worden opgevangen en was het kwetsbare strodak, dat later veelal door een pannen bedaking werd vervangen, het beste beschermd tegen de felle westenwinden. Die bescherming werd ook geboden door een rij lindebomen die vaak nu nog de hoeve aan de westkant afschermen, alsook vaak door een klein westelijk dakschild. Op de nok van het strooien dak pinde men met vetplanten verstevigde graszoden vast. De hoeven waren meestal van een moestuin voorzien. Het woonhuis bestond uit een woonkeuken, het zogenaamde "huus", en twee of drie slaapkamers. Doorgaans waren er ook op de zolder nog bijkomende slaapvertrekken voor de jongens, terwijl de meisjes doorgaans in de opkamer sliepen, waaronder zich de kelder bevindt. De leefruimte beperkte zich in de meeste hoeven tot de keuken, waartoe de woonhuisdeur toegang verleent, sommige boerderijen hadden ook nog een "voorkamer" of "beste kamer", die via de woonkeuken bereikbaar is en waarvan de open haard ruggelings tegen deze in de keuken is geconstrueerd, zodat men maar één schouwpijp nodig had. Deze voorkamer deed ook dienst als slaapkamer voor de boer en de boerin. Indien er geen voorkamer was, dan sliepen boer en boerin in een aparte slaapkamer. Er waren ook enkele kleinere vertrekken zoals de "spin", een koele bergruimte. De vloer bestond meestal uit aangestampte leem of aarde. Maar in de Limburgse Kempen komt het ook wel voor dat de vloer van de voorkamer belegd werd met kleine uitgezochte steentjes, die in een bed van klei of moerasgrond, in patroontjes werden gelegd. Voor de vloer van de keuken gebruikte men in de Limburgse Kempen dan weer grotere keien. In de haard in de keuken werd vooral turf en hout gestookt, terwijl het haardvuur diende als verwarmingsbron voor de gehele hoeve en als kookplaats. Hier werd ook de koeketel boven het haardvuur opgehangen, waarin het veevoeder werd klaargemaakt, een stevige soep van wortelen, bieten, kaf, rapen, zemelen, aardappelen en bruikbare onkruiden, die door middel van een draaiboom van het haardvuur in het woonhuis via een luik in de binnenmuur naar de belendende koeienstal werd gewenteld. Dit verklaart de stereotiepe ordonnantie van de Kempische langgestrekte hoeve: de koeienstal bevindt zich overwegend tussen het woonhuis en de schuur. Deze stal was bereikbaar via de woonkeuken. De vloer van de potstal was schuin hellend naar achter toe ruim één meter dieper uitgegraven dan de begane grond. Door de vermenging van haar uitwerpselen met stro en heideplaggen zorgde de koe voor stalmest die de akkerbouw moest bevorderen. Zulke potstallen waren evenwel niet hygiënisch en zijn in de loop van de 20ste eeuw vrijwel volledig verdwenen. Water haalde men uit de eigen waterput, die zich meestal in de tuin achter of voor het huis bevond.

In de tweede helft van de 19de eeuw evolueert de indeling van het woonhuis naar één waarbij de woonhuisdeur toegang verleent tot een centrale gang tussen woonkeuken en kamer. Beide vertrekken beschikken in dit geval over een stookplaats. Deze indeling van het woonhuis en zijn ontwikkeling gelden ook voor de woonhuizen van de hoeven met losstaande elementen.

Om het brandgevaar tegen te gaan en waarschijnlijk ook onder invloed van de ontwikkelingen binnen het boerenbedrijf, wordt de "grote" Kempische boerderij gekarakteriseerd door een tweeledige bouw, waarbij een monumentale losse schuur evenwijdig of haaks ten opzichte van het woonhuis met stadstaat. Het straatbeeld en de gerieflijkheid bepaalden mee de wijze van opstellen van deze schuur. Zo was het zelfs mogelijk dat de tot de hoeve toegang verlenende zandweg tussen woonstalhuis en schuur lag, een schikking die volgens Dr. Jozef Weyns (1967) alleen in de Kempen is terug te vinden. Daarnaast had men meestal ook nog een aantal bijgebouwen: een karschob, turfhuis, varkenshok met "huisken" of wc, paardenstal, schaapskooi, bakhuis met oven. Voor de Kempen is er van een vaste schikking van deze dienstgebouwen geen sprake. Iets verderop stonden de mutsert en de strooiselhoop. Voorbeelden van hoeven met losstaande bestanddelen komen in het gehele bestudeerde gebied voor.

Door de kleinschaligheid van de bedrijven en de beperkte veestapel komt in de Limburgse Kempen de gesloten hoevevorm quasi niet voor, zoals wel vaak in Droog-Haspengouw het geval is. Twee voorbeelden uit het kanton Peer vormen de hoeve, Groene Woudstraat nummer 2 te Kleine-Brogel, en de hoeve zogenaamd De Paggers, Schansstraat nummer 5, in dezelfde gemeente.

Een late ontwikkeling, vooral vanaf de tweede helft van de 19de eeuw en doorlopend tot in de eerste helft van de 20ste eeuw, resulteert in het ontstaan van de boerenburgerhuizen, waarbij het woonhuis losgemaakt wordt van het erf en met de voorgevel aan straatzijde wordt opgesteld. Door het fenomeen van de keuterboerkes is deze evolutie in het bestudeerde gebied eerder zeldzaam. Noemen we slechts de hoeve met gedeeltelijk losstaande bestanddelen, Kluisstraat nummer 20, in het Peerse gehucht Einde. Tot hetzelfde type behoren de stadshoeven, waarvan in Peer een beperkt aantal voorbeelden behouden bleef. De gebezigde materialen zeggen doorgaans iets over de ouderdom van de hoeve. De donkere Rekemse handgevormde baksteen en de gebogen zwarte of rode Vlaamse pan zijn vanzelfsprekend ouder dan de rodere "machinesteen" en de mechanische pan, die pas tussen beide wereldoorlogen gebruikelijk werden. Ook de vervanging van het traditionele zadeldak door een geknikte variant wijst op een latere bouwfase, te situeren op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Vandaag de dag zijn vele van de Kempische langgestrekte hoeven aangepast en/of uitgebreid. Zo veranderden vaak de stal en/of de schuur in een bijkomende woonruimte en werden elders op het erf immense losstaande stallen opgetrokken ten gevolge van de schaalvergroting van de bedrijven tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw.

Opvallend in de Kempen zijn de afgezonderde nederzettingen die aan kloosters of abdijen toebehoorden, vrijwel steeds de begevers van de parochiekerken aldaar. Aanvankelijk waren deze domeinen voorzien voor eigen gebruik en werden ze bewerkt door lekenbroeders. Typevoorbeelden zijn Hengel- en Kelchterhoef onder Houthalen, in de 12de -13de eeuw in het bezit van de abdij van Floreffe. Tot begin 14de eeuw verbleven er zeker kloosterlingen op de domeinhoeven, terwijl het abdijbezit nadien werd verpacht. In 1400 stond er op Hengelhoef een bedehuis. Beide hoeven waren tevens van belang voor de schapen- en bijenteelt. Verder werd er vis gekweekt in de vennen en aan houtbouw gedaan in de bossen. Over het neerhof van het Kasteel van Ter Dolen in Helchteren, eigendom van de abdij van Sint-Truiden, zal verderop in de paragraaf over de kastelenbouw worden bericht. Spikelspade, vooreerst vermeld in 1160, was met drie hoeven, waaronder de hoeve De Briel, het voormalige domein van de norbertijnen van Averbode in Hechtel tot aan de Franse Revolutie. Ook daar was een bedehuis voorhanden. Al deze gebouwen verdwenen echter onder de slopershamer.

Sommige van deze hoeven waren cijnshoven. Op het einde van het ancien régime, bij de verkoop van de kerkelijke bezittingen, kwamen ze doorgaans in het bezit van rijke stedelingen. Hengelhoef en Kelchterhoef in Houthalen kwamen in de tweede helft van de 20ste eeuw in handen van mutualiteiten of overheid, om uit te groeien tot toeristische trekpleisters.

Nog tot omstreeks 1870 werd circa 70 procent van het landbouwareaal gebruikt voor de graanteelt. De concurrentie van de goedkopere, Amerikaanse granen, die resulteerde in een crisis ten gevolge van een scherpe daling van de graanprijzen, betekende tenslotte het definitieve einde van het gemengde bedrijf. De nood aan specialisatie leidde op het einde van de 19de eeuw tot diepe structurele wijzigingen. Het gewone stramien van de veeteelt in dienst van de akkerbouw werd omgedraaid. In plaats van op graan- en wolproductie kwam de klemtoon te liggen op de kweek van slachtvee en de tuinbouw. De teelt van voedergewassen nam toe en vele akkers werden tot weidegronden omgevormd. Boterproductie, varkensmesterij en kippenhouderij werden belangrijke bronnen van inkomst. De schapen- en bijenteelt werden bijna volledig opgedoekt. Het geschetste agrarische patroon zal de hele eerste helft van de 20ste eeuw de toon zetten.

Openbare gebouwen

Daar het bestudeerde gebied geen grote stedelijke kernen telt, is het aantal openbare gebouwen beperkt en van bescheiden omvang. Dit wordt duidelijk aangetoond door het stadhuis van Peer, dat van 1637 dateert en daarmee het oudst bewaarde stadhuis van Limburg is. Ondanks restauraties en herstellingswerken, gaat het hier om een gaaf bewaard en typisch voorbeeld van de traditionele Maasstijl, terwijl de aandaken, met dubbel uitgezwenkte top, schouder- en topstukken, van Rijnlandse barokke invloed getuigen.

De landelijke gemeenten behielden slechts zelden hun klein gemeentehuis, met eerder uitzonderlijk tegen de achtergevel aanleunend schooltje zoals in Helchteren (tweede helft van de 19de eeuw). Het enige behouden exemplaar in neoclassicistische stijl is het voormalige gemeentehuis van Eksel uit het derde kwart van de 19de eeuw. De deels voormalige gemeentehuizen van Hechtel, Houthalen en Grote-Brogel dateren alle uit de tweede helft van de 20ste eeuw.

Tot deze categorie gebouwen behoren ook de onderwijsinstellingen, onder meer de katholieke schooltjes, soms annex klooster of onderwijzerswoning, die in dezelfde perioden in de landelijke gemeenten werden opgericht in traditionele baksteenbouw of eclectische stijl. Naast de hogerop bij de kloosters reeds genoemde voorbeelden, zijn gelijkaardige items aan te stippen in Hechtel (Hasseltsebaan zonder nummer), Eksel (Kapelstraat zonder nummer) en Houthalen (Kleuterweg nummer 15). Ook de gemeenteschooltjes sluiten hierbij stilistisch aan, bij voorbeeld de voormalige jongensschool van Hechtel, terwijl de oudste voorbeelden neoclassicistische stijlkenmerken vertoonden, zoals de in 1967 afgebroken jongensschool, onderwijzerswoning en aanvankelijk tevens gemeentehuis (1843-44) in Eksel.

De wijkschooltjes, die buiten de dorpskern in relatief later ontstane nederzettingen tot stand kwamen, dateren doorgaans uit het interbellum.

Naast de hogerop bij de religieuze architectuur reeds aangehaalde grotere schoolcomplexen is verder als voorbeeld te vermelden: het sterk aangepaste Don Boscocollege in Hechtel, dat in kern opklimt tot het einde van de 19de eeuw.

Vier voorbeelden van na de Tweede Wereldoorlog zijn de Savioschool van 1948-53 naar ontwerp van architect I. Isgour (Brussel) in de Houthalense wijk Meulenberg, waar de traditionele baksteenbouw werd gecombineerd met het modernere beton, de bakstenen kleuterschool van 1948-54 van dezelfde architect in genoemde wijk, de van 1957-58 daterende, ronduit modernistische voormalige Mijnwerkersschool in de Pastoriestraat in Houthalen, eveneens van de hand van I. Isgour, en de in 1962-65 opgetrokken Filip Neri Middenschool in Houthalen (Lyceumstraat nummer 11), naar ontwerp van architect A. Hoppenbrouwers (Brussel), een voorbeeld van het zogenaamde brutalisme.

Kastelen, buitenplaatsen en schansen

Het type van de op defensie ingestelde, versterkte burcht karakteriseert de bouw der kastelen tot de 14de eeuw. Deze burchten zijn gebouwd in mergel. Vele dienstgebouwen en zeker de hoevegebouwen waren echter nog steeds in stijl- en regelwerk. Zo werd in Peer circa 1300-20 een voorbeeld van dit type opgetrokken, bestaande uit een poortgebouw, een neerhof en een woonhuis voor de heer, gelegen even buiten de stadsvesten, niet ver van de voormalige Nieuwpoort, ter hoogte van het huidige Sint-Lambertuscollege. Het omgrachte complex deed dienst als gedeeltelijke verblijfplaats van de schout of drossaard en als gevangenis. In 1483-88 werd het verwoest in de strijd tussen de aanhangers van van der Marck en van Hora. In het begin van de 16de eeuw had het geheel het uitzicht van een waterburcht. Op het einde van de 16de en in het begin van de 17de eeuw waren er alleen nog imposante ruïnes over. Kort vóór 1900 werd alles genivelleerd. Tot circa 1950 waren er nog sporen van de watergracht. Bij bouwwerken circa 1992 stootte men op grachten en muren van deze verdwenen burcht. Van het boven aangehaalde kasteel resten dus alleen archeologische sporen en archivalische aanwijzingen. Het enige nog grotendeels in situ bewaarde, weliswaar in de loop der tijden aangepaste kasteel in het kanton Peer is Kasteel Ter Dolen in Helchteren (Eikendreef nummers 17 en 21). Het was oorspronkelijk een sterkte, tevens buitengoed en zomerresidentie van de abt van Sint-Truiden. Kasteel en neerhof gaan in kern terug tot begin 16de eeuw, maar werden in de volgende eeuwen aangepast, het kasteel in classicistische stijl in het laatste kwart van de 18de eeuw. Door zijn geometrische aanleg en zijn deels opengewerkte wanden, alsook door de toegenomen decoratie, herinnert dit waterslot nog weinig aan de gesloten feodale burchten, maar evolueert het overduidelijk naar de grotere openheid van de halfversterkte landhuizen. De oudste gedeelten van Kasteel Ter Dolen zijn nog in Maasstijl, met zijn combinatie van bak- en mergelsteen.

De andere voorbeelden van "kasteelbouw" betreffen eerder landhuizen of villa's uit de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, die voor hogere burgerij en adel, vaak stedelingen, in een neo- of eclectische stijl tot stand kwamen. Noemen we in Houthalen Kasteel Luciebos van 1924-26 (Luciebos nummmer 4), en in Helchteren de Villa Leirens-Eliaert van circa 1860 met latere uitbreiding (Heerkensweg nummer 2-2 A). Kasteel zogenaamd Engelhof dateert van 1903 en maakt deel uit van het hoevecomplex Hengelhoef in Houthalen.

Kasteel Ter Dolen, de twee genoemde landhuizen en Kasteel Engelhof zijn omringd door hun parken en/of bossen, waarvan sommige een aanzienlijke oppervlakte beslaan en/of van een imponerende landschappelijke pracht zijn. Deze parken in landschapsstijl kwamen vanaf de tweede helft van de 18de eeuw in de plaats van de klassieke hovingen, moestuinen en parken in geometrische of Franse stijl.

Een typisch fenomeen voor de Limburgse Kempen vormen de schansen, versterkte vluchtplaatsen in het open veld die door de buurtschappen werden opgericht om gezin en vee te beschermen. Aanleiding vormden de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), waarin rondtrekkende huurlingenlegers de streek plunderden. De oprichting gebeurde op gemeenschapsgrond en in of bij een depressie voor de watervoorziening in de schanswal. De schansen waren voorzien van een watergracht, een met houtgewas begroeide aarden wal en een ophaalbrug. Ze hadden een gemiddelde grootte van 50 aren à 1 hectare, grootte die voornamelijk werd gedetermineerd door het aantal gezinnen van een nederzetting. Het vrije gedeelte, de binnenschans, werd verdeeld in schansplaatsen van 40 tot 70 vierkante meter. Op zulke schansplaats kon een gezin een houten schanshuisje of -hut oprichten, waarin bij dreigend gevaar de voornaamste huisraad en het vee konden worden ondergebracht. Alleen diegenen die ervoor betaalden of die hielpen in het onderhoud mochten een toevlucht zoeken op de schans en er een schuilhut bouwen. Aan het hoofd van een schansgemeenschap stond de schansmeester, bijgestaan door rotmeesters. De rotten, groepen van tien a vijftien man, stonden in voor de verdediging en het onderhoud van de schans. De verdedigingswaarde van deze versterkte vluchtplaatsen was echter minimaal. Ze boden de plaatselijke bevolking slechts een gebrekkig en tijdelijk onderkomen, maar waren hoegenaamd niet geschikt een werkelijke aanval te keren. Op het einde van de 18de eeuw verloren de schansen hun betekenis, werden door de gemeentebesturen als weiland en visvijver (de gracht) verhuurd en nadien meestal verkocht. Zo bestonden er schansen in Hechtel, Eksel, Houthalen, Helchteren, het Peerse gehucht Linde, Grote-Brogel, Kleine-Brogel en Wijchmaal. Van het merendeel van de op de historische kaarten betuigde schansen in het bestudeerde gebied bleven restanten bewaard als omgrachtingen en vijvers en/of veldnamen op het vlak van de toponymie. Het feit dat Peer geen schansen bezat, heeft alles te maken met de voormalige aanwezigheid van een burcht en stadsomwallingen aldaar, waardoor de defensieve behoefte aan schansen er minder groot was.

ECONOMIE, PRE-INDUSTRIEEL EN INDUSTRIEEL ERFGOED

Nijverheid was in de Limburgse Kempen, waar ook de landbouw minder rendeerde, nagenoeg onbestaande tot het einde van de 19de eeuw, toen de zinkfabrieken van Overpelt en Lommel werden opgetrokken. Enkele uitzonderingen waren de in de 19de eeuw actieve steen- en pannenbakkerijen in Eksel, Houthalen, Peer en Wijchmaal, alsook de enkele in de 18de eeuw werkzame pijpenbakkerijen in Peer. In deze stad werd er ook koper en zilver verwerkt, laatstgenoemd materiaal met eigen merktekens, alsook landbouwalaam vervaardigd. In Grote-Brogel noteerde men in 1833 twee kleine teerbedrijfjes.

De landbouw is van oudsher niettemin een belangrijke economische bedrijvigheid gebleven, ook in de kleinschalig en landelijk gebleven stad Peer. Zij resulteerde in een aantal agrarisch verwerkende nijverheden, meestal voortgesproten uit kleine, traditionele bedrijven en Kempische huisnijverheid. Het stadje Peer bloeide door de wolnijverheid en de lakenhandel tussen de 14de en de 16de eeuw. Ook vanuit Grote-Brogel werd er laken vooral naar Antwerpen geëxporteerd. In Hechtel en enkele naburige gemeenten werden in de 16de-17de eeuw visnetten voor Holland en Zeeland gemaakt, als gevolg van de hennepbouw. Omzeggens elk dorp had vroeger zijn eigen melkerij. Verder ontstonden leerlooierijen in Eksel en Peer, alsook een wasblekerij in genoemde stad. In 1948 ontstond te Grote-Brogel de thans nog actieve Kempische Wolspinnerij.

Brouwerijen, wind- en watermolens hoorden alom bij de traditionele bebouwing als noodzakelijke infrastructuur voor de lokale behoeften. Elke gemeente omvatte van oudsher één of meerdere brouwerijen, waarvan de voormalige brouwerij achter het huis Witters in Eksel (Kerkstraat nummer 29) een voorbeeld vormt uit het begin van de 20ste eeuw.

Jeneverstokerijen waren er in Peer en Grote-Brogel. De uit Eindhoven afkomstige familie Bijvoet richtte in 1833 in Hechtel een likeurstokerij op, die in f938 ten gevolge van de economische crisis werd overgenomen door de gebroeders Scheelen. In 1945 werd er een nieuw bedrijf opgezet, dat thans nog bestaat.

De voornaamste drijfkracht werd geleverd door molens, in het bestudeerde kanton waarschijnlijk alle graanmolens.

Watermolens zijn er in Houthalen op de Laambeek ('t Genaderen zonder nummer), en in Peer op de Dommel (Molhemstraat nummer 71). De eerste kreeg een metalen rad ter vervanging van het houten en de tweede verloor zijn rad. De oudste vermeldingen van deze watermolens gaan terug tot de 14de en 15de eeuw, terwijl de bewaarde gebouwen bij het Houthalense voorbeeld hun kern uit de 18de eeuw behielden.

Alleen Eksel telt een houten windmolen (Windmolenstraat zonder nummer), tot 1970 in gebruik.

De kleine kapitaalsinvesteringen en het voorhanden zijn van vele arbeidskrachten waren stimulerende factoren voor de ontwikkeling van de Noord-Kempische sigarennijverheid circa 1850, die vanuit Nederland werd opgezet, daar de Nederlandse fabrikanten na de Belgische onafhankelijkheid vreesden een belangrijke afzetmarkt te zullen verliezen. Vlak over de grens, te Valkenswaard, Eindhoven en elders, had immers altijd een bloeiende sigarennijverheid bestaan. Het lag voor de hand dat deze Nederlandse fabrieken op niet te grote afstand vestigingen in België oprichtten, zodat zelfs een gebeurlijke uitwisseling van arbeidskrachten mogelijk was. De eerste kernen ontstonden dan ook in de Limburgse Kempen. De ontwikkeling van deze lokale industrie ging tot 1914 in stijgende lijn, maar werd door de Eerste Wereldoorlog gefnuikt. Na een korte heropleving was het verval definitief, onder meer door de achteruitgang van de Belgische sigarenindustrie in het algemeen, de te hoge prijzen ten gevolge van de te hoge accijnsrechten, de scherpe concurrentie van het nabije Nederland na de bevrijding, de crisis van de jaren 1930 en de opkomst van de mijnen en de sigaret. Vóór de Eerste Wereldoorlog telde men in de Limburgse Noorderkempen inderdaad honderden sigarenmakers en vormden de sigarenfabrieken, vaak opgericht in de stationsbuurten of langs belangrijke invalswegen in deze streek lange tijd de zo goed als enige uiting van industrieel leven. De eerste sigarenfabriek werd in 1832 in Peer opgericht door de firma Jan Hoefnagels & Zoon van Valkenswaard. In 1865 nam Hoefnagels' neef, Jan-Hendrik Timmermans, de firma over en bracht ze naar Wijchmaal over, waar hij in 1867 bij het station, samen met een zekere Raeymakers, vermoedelijk een geldschieter, een nieuwe fabriek oprichtte. De eerste fabriek in Peer legde dus de basis voor de sigarennijverheid in en rond het stadje, die verder werd gestimuleerd door het feit dat de reiziger van Hoefnagels, de heer Croymans in Wijchmaal in 1900 zelfstandig begon te werken, gevolgd door de meestergast Gelders in Peer, terwijl beginjaren 1930 J. Adriaensen uit Turnhout beroep deed op een andere meestergast om te Hechtel een tabakverwerkende fabriek te stichten, waarvan de arbeiders door de vorige fabrieken werden geleverd. De tweede kern van de sigarennijverheid werd door de firma van de uit Gelderland afkomstige Michel Feyen in Eksel gesticht, die kort daarop in 1893 door de ingeweken Nederlander Henri Geurts werd overgenomen en door hem in 1922 werd vergroot. In 1934 werd deze fabriek gesplitst: de zoon Jacques bleef te Eksel en Henri ging naar Wijchmaal. In 1960 sloot de laatste sigarenfabriek in de Noord-Limburgse Kempen, namelijk die van Jacques Geurts & C° in Eksel, haar deuren. Volledigheidshalve moet men hieraan toevoegen dat in Eksel al eerder twee andere sigarenfabrikanten actief waren: Charles Indekeu-Tielen (1879-1910) en J. Geunes (1884-1893), laatstgenoemde aan de Ekselse spoorweg gevestigd. In Hechtel arriveerde al zeer vroeg, namelijk in 1832, de Eindhovenaar Antoon Byvoet en startte er, naast zijn handel in koloniale waren, een karotten-, snuif- en tabakkerfabriek zogenaamd " 't Kapelleke". De sigarenfabricage begon in Hechtel circa 1905, wanneer de in Woensel geboren Henri Clercx een fabriek oprichtte bij het tramstation. Al vóór de Eerste Wereldoorlog ging deze firma over naar Turnhoutenaar Malfet, die de productie voortzette tot in de jaren 1930. Circa 1920 was te Hechtel de sigarenfabriek Max & Schaeken bedrijvig aan de Peerderbaan, die beginjaren 1930 overging naar de hogerop al genoemde J. Adriaensen, eveneens uit Turnhout. Op dit ogenblik schiet er praktisch niets meer over van de eens zo bloeiende nijverheid. Enkel de in 1867 opgetrokken sigarenfabriek van J.W. Hoefnagels en zonen in Wijchmaal (Spoorwegstraat zonder nummer), en de bedrijfsgebouwen van de sigarenfabriek van Henri Geurts in Eksel (Stationsstraat zonder nummer) bleven tot vandaag de dag bewaard.

De mijnbouw kwam in het hier bestudeerde gebied, zoals elders in Limburg, pas in de 20ste eeuw op gang. De ontdekker van de Limburgse steenkool, de Leuvense hoogleraar André Dumont voerde al eind 1901 een proefboring uit in Houthalen. In 1902 wist hij te As bij proefboringen de eerste steenkolen naar boven te halen. Maar het duurde nog vele jaren vooraleer men uit deze ontdekking profijt trok. Financiële kringen in Brussel, onder andere de Société Générale, en in Wallonië gaven er de voorkeur aan de verouderde en slecht renderende Waalse mijnen verder te exploiteren en in verband daarmee de mijnontginning van de Kempen te vertragen. Op 6 november 1911 verscheen het Koninklijk Besluit van de concessie Houthalen. Op 9 augustus 1920 kreeg de maatschappij Huwart-Dumont toestemming om haar concessie in te brengen in een toen nog op te richten nieuwe vennootschap, de latere Société Anonyme Charbonnages de Houthaelen (Naamloze Vennootschap opgericht op 27 juli 1923). In 1930 vatte men met de schachtzinking aan. De kolenproductie startte eindelijk vanaf 1939. De Oude Cité, bestaande uit de eerste dertig door de mijn opgetrokken arbeiderswoningen, kwam ten noorden van de mijnzetel (hoofdgebouw) tot stand in de jaren 1930. Deze bebouwing sluit nog aan bij de tuinwijkgedachte. Met de kolenproductie in het vooruitzicht legde de mijn vanaf 1938 een nieuwe cité aan op de heide van Meulenberg. De tuinwijkgedachte was inmiddels al enigszins voorbijgestreefd en de architecten kozen nu voor een meer moderne aanpak, met een symmetrisch en rastervormig stratenpatroon, voorzien van acht rotondes. Dit nieuwe stedenbouwkundige plan hield van meet af aan rekening met de hiërarchie in het mijnbedrijf, die tot uiting komt in de plaats en de omvang van de bouwblokken. Ook na de Tweede Wereldoorlog werd de wijk nog verder uitgebreid. De eerste woningen sluiten aan bij de sobere, functionele architectuur van de jaren 1930. De woningen voor (technische) ingenieurs en de sociale voorzieningen, als scholen, casino en logementshuis Falanstère, die de uit Wit-Rusland afkomstige Brusselse architect I. Isgour optrok in de jaren 1950, zijn daarentegen overwegend modernistisch van opvatting. In 1964 fusioneerde de mijn van Houthalen met die van Helchteren-Zolder, waardoor de sluiting nagenoeg een feit werd. De mijn van Houthalen zou sinds deze fusie nog enkele jaren blijven functioneren omwille van zijn schachten, die in dienst bleven voor materiaalaanvoer, bijkomende luchtvoorziening en het optrekken van steenafval.

Transportinfrastructuur. In heel de Noord-Limburgse Kempen bestond op het einde van de 18de eeuw geen enkele verharde weg. Eerste stap in de ontsluiting was de aanleg van de kasseiweg 's Hertogenbosch-Eindhoven-Hasselt-Luik, waarvan het ontwerp al van 1712 dateerde. Circa 1745 waren de twee eerste stukken klaar, meer bepaald Luik-Hasselt en 's Hertogenbosch-Best. Het traject Hasselt-Lommel was omstreeks 1788 voltooid. Pas in 1818 werd ook het laatste stuk Lommel-Best afgewerkt. Om de weg te doen renderen was het de voerlieden verboden, op straffe van boete en betaling van het dubbele van het tolrecht, een zijweg te nemen binnen de omtrek van een halfuur, tenzij het ook een rijksweg betrof. Tot na 1830 was deze steenweg de enige gekasseide baan, die Hasselt met de omliggende streken verbond.

In 1845-46 kwam de weg Maaseik-Bree-Peer-Hechtel tot stand, in 1855-57 de Kiezel Kleine-Brogel van dit dorp naar Peer. Ook de Steenweg naar het Kamp (van Beverlo), de huidige Kamperbaan in Hechtel, dateert uit de 19de eeuw. De as Peer-Valkenswaard werd in 1858 aangelegd.

De weg van Hechtel via Kleine-Brogel naar Lozen kwam er in de periode 1878-91. Vanaf 1908 werd de baan Heusden-Helchteren-Bree aangelegd. Van de Noord-Zuid-verbinding, de N74, werd het noordelijke deel in het begin van de jaren 1980 afgewerkt, het zuidelijke deel tot aan de tijdelijke rotonde in Hechtel dateert uit het midden van de jaren 1990.

De huidige E 314 autosnelweg Leuven-Lummen-Genk-Aken, die in Houthalen de zuidelijke grens vormt met Zonhoven, werd vanaf 1977 aangelegd.

In 1843-46 werd het belangrijke Maas-Scheldekanaal gegraven, dat volledig buiten het kanton Peer ligt maar voor dit gebied ook repercussies had. Reeds tijdens de regering van Albrecht en Isabella (1598-1648) ontstonden de eerste plannen om door middel van de Fossa Eugeniana de Rijn, Maas en Schelde met elkaar te verbinden en alzo een barrière te vormen tegen de Noordelijke Nederlanden. Het Verdrag van Munster (1648), waardoor de Rijn-, Maas- en Scheldemonding onder de heerschappij van de Noordelijke Nederlanden kwamen, verhinderde dit project. Later in de Franse tijd (1806-15) waren er opnieuw plannen voor zulke aanleg (Grand Canal du Nord). Om dit kanaal van Antwerpen via Lommel, Hamont, Helden, Venlo en Stralen naar Neuss, dat Schelde, Maas en Rijn met elkaar had moeten verbinden, volledig binnen Frans grondgebied te kunnen aanleggen, was in 1807 het Franse Luyksgestel tegen het Nederlandse Lommel omgeruild. Met het kanaal tussen Neuss en Venlo werd in 1808 een aanvang gemaakt, maar het werd niet voltooid. In 1811 werden de werkzaamheden stopgezet wegens Napoleons campagne in Rusland en wegens de inlijving in 1810 van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk. Antwerpen had nu immers een natuurlijke verbinding met de Rijn. De Noordervaart bij Nederweert is het enige deel van dit project dat bevaarbaar werd. Bij Koninklijk Besluit van 24 oktober 1834 maakte de kersverse Belgische Staat zijn voornemen tot kanalisatie van de Kempen openbaar. Op 12 juli 1838 kende de provincieraad een belangrijke subsidie toe voor het graven van een Kempisch kanaal van Bocholt over de Blauwe Kei naar Antwerpen. Door het Koninklijk Besluit van 10 september 1842 werd de leiding toevertrouwd aan hoofdingenieur U. Kümmer. De sectie Bocholt-Blauwe Kei-Herentals werd op 21 september 1846 beëindigd. Eerst in 1856 kwam men in Antwerpen aan. De volledige verbinding van Maas en Schelde kwam pas tot stand in 1859. Het tracé van Bocholt tot Antwerpen was 86,4 kilometer lang en telde zeventien sluizen. Omwille van de verbinding met het kamp van Beverlo en wegens het vooruitzicht van industrialisatie van het zuidelijke gedeelte van de Kempen, werd in 1855 van Blauwe Kei in Lommel een aftakking van het Maas-Scheldekanaal gegraven naar Leopoldsburg. Dit kanaal van Beverlo werd in gebruik genomen in 1857. In eerste instantie konden beide kanalen geen grote nijverheidsvestigingen aantrekken. Het Albertkanaal, de in 1930-39 gegraven rechtstreekse verbinding tussen Luik en Antwerpen, maakte het Kempisch Kanaal met zijn vele sluizen minder snel en aantrekkelijk voor de scheepvaart. Daardoor verminderde het belang ervan. Het kanaal wordt nu nog enkel gebruikt ten bate van enkele lokale industrieën en de recreatievaart.

In 1864-65 kwam de thans verdwenen en grotendeels tot een fietspad omgevormde spoorlijnverbinding Hasselt-Eindhoven via Achel tot stand. In de periode 1870-79 werd de spoorweg Antwerpen-Mönchen-Gladbach, de zogenaamde "IJzeren Rijn", aangelegd, hetgeen de economische groei op langere termijn sterk bevorderde. De planning van dit tracé dateert al van 1830, maar de Nederlanders verhinderden het project. Pas in 1868 wilden ze hun principiële toestemming geven. Van dan af waren er drukke discussies over de aanleg en vooral over het te volgen tracé. Er waren twee mogelijkheden: ofwel het zuidelijke traject via Mol-Leopoldsburg-Peer-Bree en Thorn naar Roermond, ofwel het noordelijke traject dat een meer rechtlijnig tracé betrof via Mol-Lommel-Neerpelt naar Weert en Roermond. Op 13 juli 1869 adviseerde de Limburgse provincieraad het zuidelijke traject. Op 14 oktober 1869 werd de concessie voor de lijn Antwerpen-Mönchen-Gladbach verleend aan de Société Anonyme des Chemins de Fer du Nord de la Belgique. Toch zou het nog tot 1878 duren vooraleer men met de eigenlijke aanleg kon beginnen. Finaal werd toch geopteerd voor het noordelijke tracé. In de loop van 1879 nam de maatschappij Grand Central Belge deze spoorweg in exploitatie. De IJzeren Rijn was hoofdzakelijk als goederenlijn ontworpen. Dit vervoer kende blijkbaar veel succes, want in 1893 besloot de Grand Central Belge zelfs tot het dubbelsporig uitbouwen van de enkelsporig aangelegde lijn. Maar zover is de maatschappij niet geraakt, want de Belgische staat nam vanaf 1897-98 de exploitatie van het traject over. De spoorlijn bracht al vlug een emigratiebeweging voort, vooral naar Waalse en Duitse industriesteden. Pas op langere termijn droeg de spoorlijn bij tot een gunstig klimaat voor de vestiging van grootindustrieën. Tot 1914 kende de IJzeren Rijn een bloeiend bestaan. De Eerste Wereldoorlog was het begin van de teloorgang: neutraal Nederland verbood elk verkeer en sedert 1918 veroorzaakte de Nederlandse tarieven-politiek een drukke doortocht via de alternatieve zogenaamde "oorlogs IJzeren Rijn" doorheen de Voerstreek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog activeerden de Duitsers weer het noordelijke tracé, dat ze in 1944 vernield achterlieten. De Amerikanen herstelden de lijn. Door de sterke bevolkingsaangroei en gebrek aan plaatselijke werkgelegenheid werd het reizigersvervoer, dat in 1953 tussen Mol en Hamont vervangen werd door autobussen, vanaf 1978 weer op het spoor gezet. In 1991 werd het internationale verkeer op het noordelijke tracé stilgelegd, in afwachting van een akkoord met concurrent Nederland.

In Houthalen werden in 1923 en 1925 twee koolmijnlijnen aangelegd, waarvan de eerste van Winterslag naar Houthalen in laatstgenoemd dorp werd opgebroken en de tweede van Houthalen via Zolder en Beringen naar Heppen thans nog bestaat. In 1926 werden deze nieuwe lijnen met een dubbel spoor tot in Hasselt doorgetrokken en op de lijn naar Diest aangesloten.

Op 9 januari 1888 werd een lijn van de buurtspoorweg niet stoomtram ingehuldigd tussen Leopoldsburg en Bree via Hechtel, Wijchmaal, Peer en Grote-Brogel, de eerste Limburgse tramlijn. Ze werd verlengd tot Maaseik op 1 mei 1890 en werd opgebroken en vervangen door een autobusdienst op 5 oktober 1947.

De afbouw van de koolmijn van Houthalen vanaf 1964 en de aanleg van de autostrade Leuven-Lommel-Genk-Aken vanaf 1977 vormden de aanleiding om in Houthalen op de vroegere mijngronden een industrieterrein van nationaal belang te creëren.

Industrieparken doken de laatste decennia ook in andere deelgemeenten op. Dit resulteerde onder meer in een verdichting van de woongebieden, gepaard gaande met een steeds noodzakelijker behoud van de schaarser wordende groene zones. Het merendeel van de beschermde landschappen in het kanton Peer ligt in natuurgebied en wordt voor de toekomst hopelijk gevrijwaard door verbetering van de waterkwaliteit en het visbestand.

Het zogenaamde "lokale", al dan niet "Vlaams" erfgoed, bestaande uit hoeven, teuten- en arbeiderswoningen, dorpskerken en kapellen, is vaak kwetsbaar bij herbestemming. Voor het behoud ervan hangt veel af van de broodnodige aanstelling van erfgoedspecialisten op gemeentelijk en provinciaal niveau en een liefst geoliede samenwerking tussen de diverse administratieve echelons van het Vlaamse Gewest. Mogen de meest waardevolle gebouwen in het kanton Peer voor de toekomst behouden blijven.

Bron: Pauwels D. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Peer, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N3, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Pauwels, Dirk

Datum tekst: 2005

Relaties

omvat Hechtel-Eksel

Hechtel-Eksel (Limburg)

omvat Houthalen-Helchteren

Houthalen-Helchteren (Limburg)

omvat Peer

Peer (Limburg)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.