Teksten van Dierentuin Antwerpen

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/127085

Dierentuin Antwerpen ()

De Dierentuin, opgericht in 1843, omvat een landschapspark naar ontwerp van Emmanuel Van Cuyck met vijvers, gras- en bloemenperken en bomengroepen. Het gebouwenbestand werd onder meer ontworpen door huisarchitecten Charles Servais, Emile Thielens Emiel Van Averbeke en René Grosemans.

De Dierentuin is beschermd als landschap bij koninklijk besluit van 26 september 1974. De Dierentuin werd ook beschermd als monument bij besluit van de Vlaamse Executieve van 22 juni 1983.

Historiek

De historische evolutie van de Dierentuin kan opgesplitst worden in vier periodes: 1843-1890, 1890-1914, 1914-1945 en vanaf 1945. Deze opdeling kan gekoppeld worden aan de vier huisarchitecten.

Ontstaan en uitbouw van de Dierentuin (1843-1890)

De Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen (KMDA) werd gesticht op 21 juli 1843 door Jacques Kets en Jan Frans Loos. Buiten de stadswallen, nabij het toenmalige Ooststation, werd een hoveniersgrond van 1 hectare 59 are 40 centiare met toegang aan de Carnotstraat gekocht. Plannen werden voorzien voor een museum, waar ook dieren een onderkomen konden vinden, een directeurswoning en een verenigingslokaal voor abonnees. Hiervoor werden de architecten Auguste Demarbaix en Auguste Lambeau aangesteld. De bouw van een neoclassicistisch museum, met links en rechts twee vierkante paviljoentjes, startte in 1843-1844. Het museum werd gesloopt in 1893, het neoclassicistisch apenhuis links in 1881. Het koffiehuis verdween reeds in 1861. De oorspronkelijke directeurswoning, een Zwitsers chalet omgeven door naaldbomen, werd in 1894 afgebroken. Twee vierkante gebouwtjes flankeerden de toegang via de Carnotstraat.

Architect Emmanuel Van Cuyk werd aangesteld om een ontwerp voor een Engelse tuin op te stellen. Hierbij werd gekozen voor een tuin met golvende grasperken, slingerende wandelwegen en waterpartijen en een afwisseling van gegroepeerde beplanting, tuinornamenten met een exotische inslag en ruïnes, tempels en oude materialen. Het personeel van de KMDA voerde het eerste plan uit. Het plantmateriaal werd aangekocht in Wilrijk, Borgerhout, Burcht en Vilvoorde. In het begin stonden J. Wanbecq en nadien J.J. Hoefkens en G.J. Van den Nest in voor de inrichting van de tuin met hulp van directeur Kets en later van zijn opvolger Jacques Vekemans (1865-1888). In 1855 bedroeg de totale oppervlakte reeds circa 9 hectare en in 1904 werd de huidige oppervlakte van circa 10 hectare bereikt, waarvoor onder meer een aantal huizen aan de Ommeganckstraat werden opgeofferd. Vanaf 1852 onderhield de firma Spoormans de tuin. Via aangelegde artesische putten en een aansluiting op het stedelijk net werd in de drinkwatervoorziening van de dieren en de watertoevoer naar de bekkens en vijvers voorzien.

In de beginperiode verbleven de dieren voornamelijk in verschillende kleine koten van hout (‘cabanes’). De in 1848 aangelegde berenkuil - afgebroken in 1887 - vormde hier een uitzondering op. Omwille van de aankoop van een groot aantal dieren in 1850 werden nieuwe dierenverblijven gebouwd, zij het eerst beperkt in omvang en architectuur.

Vanaf 1853 trad Charles Servais officieel in dienst als architect van de KMDA. Hij introduceerde, naar Engels voorbeeld, het exotisme in de bouwwerken van de Dierentuin. Zijn eerste ontwerp was dan ook het Moors geïnspireerde koffiehuis met een oranjerie ernaast, beiden in 1900 afgebroken. Vanaf 1856 startte de bouw van de Egyptische tempel en de roofvogelkooien.

In de periode 1847-1861 ontwikkelde zich een enorme activiteit in de nog jonge maatschappij. Op een plan van 1861 staan niet minder dan 44 constructies, waarvan alleen nog de Egyptische tempel en de roofvogelkooien min of meer onbeschadigd zijn overgebleven. De Dierentuin bestond op dat moment uit verschillende perken met wandelpaden van eenzelfde breedte. Rotsen of gras boordden de vijvers af. De vrij open grasperken waren golvend aangelegd met enkele verspreide bomen. De meeste beplantingen bevonden zich rond de dierenverblijven en de hoeken van de perken. Servais ontwierp intussen meer grote dierenverblijven in de exotische stijl, zoals bijvoorbeeld het in 1871 opgerichte en Moors geïnspireerde struisvogelgebouw, dat Emile Thielens in 1895 verbouwde tot okapi-gebouw. In opdracht van deze architect legden de Antwerpse ‘rocailleurs’ Segard-Dupas in 1877-1878, in navolging van de toenmalige landschappelijke stijl en van andere dierentuinen, een romantisch ruïnelandschap met pseudo-ruïnes van een aquaduct en met rotsen aan als verblijf voor moeflons, jaks en Noord-Afrikaanse schapen. Deze constructie verdween in 1909.

Om de grote middelstukken te behouden werden steeds meer dierenverblijven langs de periferie van het domein opgericht. De periferie was reeds volgebouwd in 1876. De tuinaanleg werd telkens aangepast aan deze constructies, waarbij het concept van de Engelse tuin gedurende de 19de eeuw goed bewaard bleef. Om het stationsgebouw te camoufleren werd oorspronkelijk een heuveltje met een standbeeld aangelegd. In 1887-1888 werd het duidelijk dat, ondanks tegenkanting van Servais, een nieuw tracé op een verhoogde bedding langs de Pelikaanstraat en een nieuw stationsgebouw de Dierentuin zouden overschaduwen.

Periode van bloei: 1890-1914

Charles Servais stierf in 1892 en werd opgevolgd door Emile Thielens. Onder zijn beleid kende de KMDA een zeer grote vernieuwingstrend, mede door de laatste gebiedsuitbreiding aan de Ploegstraat. Talloze gebouwen werden door hem ontworpen en opgetrokken, dit steeds aan de uiterste limieten van de tuin. Het exotisme van Servais werd niet verdergezet door Thielens, maar wel in stand gehouden.

Thielens kreeg eind 19de eeuw de opdracht om een feestzalencomplex te ontwerpen, dat op de locatie van de voormalige museum moest komen en enkel bedoeld was voor de leden van de KMDA. Het naar de tuin gerichte complex omvatte een feestzaal, de Marmeren Zaal (‘promenoir’), een restaurant, café, biljartzaal, trappenhuis (Karel Verlatzaal), een leeszaal, een museum en een wintertuin. De decorateurs Henri Verbuecken, Alban Chambon en Georges Hobé stonden in voor de aankleding van het interieur.

Door de bouw van het Centraal Station vanaf 1895 moest van verdere uitbreiding in westelijke richting worden afgezien. Er werd nu ook een definitieve beslissing genomen in verband met de heraanleg van de inkompartij, die van de Carnotstraat naar het Koningin Astridplein zou verplaatst worden. Aansluitend op het feestzalencomplex ontwierp Thielens in 1899 een nieuw restaurant Paon Royal, een administratiegebouw en twee ingangspaviljoentjes. Een beeldhouwwerk van Josué Dupon bekroonde het administratiegebouw en de ingangspaviljoentjes. Een nieuw restaurant in neo-Lodewijk XVI-stijl verscheen op de plaats van het verdwenen koffiehuis.

In 1908/1909 tekende Thielens zijn plannen voor de modernisering voor het zuidwestelijk deel van de Dierentuin uit. De constructie van een nieuw panoramapark, waarbij dieren in een landschap worden geplaatst dat hun oorspronkelijk biotoop evoceert, moest de spoorweghal zo veel mogelijk aan het zicht onttrekken. Om meer oppervlakte te creëren voor dierenverblijven als dienstruimten maakte hij gebruik van het nieuwe Hennebique-systeem (gewapend beton). De bezoeker werd via een wandelweg over een brug de berg op geleid. De gevel werd met similirots bekleed om het biotoop van de dieren na te bootsen. Het rotsengeheel werd ontworpen door P. Jacquet uit Brussel.

Thielens koos bij zijn ontwerp van de gevel van het aquarium en reptielengebouw voor een Romeinse tempel op een rots. Verder was hij ook verantwoordelijk voor de bouw van het flamingorestaurant (gebouwd in 1893, vernieuwd in 1983), het hertenverblijf (voor 1900 gebouwd en in 1991 aangepast), het in 1898 opgerichte verblijf voor de Congopauwen, de in 1971 tot planetarium en later tot leslokalen omgebouwde melkerij (1898), het makigebouw van 1901 en het runderengebouw van 1909.

De uitbouw van de Zoo tot 1910 had een nefaste invloed gehad op de tuin. Deze werd gehomogeniseerd met de aanleg van brede en vrij rechte wandelpaden, afgeboord met ijzeren boogjes en lage begroeiing van gras of bloemen. Bloemen werden in eenvoudige sierperken in patronen aangeplant. Bij de inrichting van de tuin en beplanting, met veel open graspartijen, werden bepaalde doorzichten gecreëerd. De vijvers vormden rustpunten en verblijfplaatsen voor vogels. De sobere dierenperken, van de wandelwegen gescheiden door traliewerk en een balustrade, hadden weinig beplanting.

Dierentuin tijdens de wereldoorlogen: 1914-1945

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het dierenbestand sterk uitgedund. De feestzaal werd ingericht als ziekenverblijf. In 1917 troffen zes bommen de Dierentuin, waardoor de volière, het roofdierengebouw en het verblijf van de struisvogels zwaar getroffen werden. Dankzij de steun van het Belgische Koloniale Bestuur en de schenking van dieren door andere dierentuinen kon de Zoo na de Eerste Wereldoorlog snel haar dierenbestand heropbouwen.

Omstreeks 1935 startte de KMDA met de modernisering van de Dierentuin. Deze was voornamelijk gericht op de aanleg van bloemen en planten in de tuin en de creatie van een nieuw natuurlijk park met zo min mogelijk traliewerk onder leiding van hoofdhovenier Florent Blockx, zoon en opvolger van Louis Blockx. De kleine vijver voor de melkerij werd gedempt en werd vervangen door een aangelegde ‘Vlaamse tuin’. De grote vogelkooi werd afgebroken en op de fundering ervan kwamen twee aparte dierenverblijven voor watutsirunderen naar het ontwerp van de nieuwe huisarchitect Emiel Van Averbeke.

Vanaf 4 september 1944 verbleef de verzetsgroep ‘De Witte Brigade’ voor twee maanden in de Zoo. Op 17 november 1944 bezetten de Britten de Dierentuin, waarbij rond de kiosk barakken werden opgetrokken en de feestzaal als dancing werd ingericht.

In de periode tussen 1914 en 1945, met haar twee wereldoorlogen en economische crisis, was alle aandacht gericht op het voortbestaan van de KMDA. Voor grote infrastructuurwerken was geen geld voorhanden. Vermeldenswaardig voor deze periode is de ontluikende tendens om de dieren niet langer achter tralies maar in ruime open perken tentoon te stellen.

Dierentuin als modelzoo: na 1945

Na de Tweede Wereldoorlog was de zwaar door bommen getroffen Dierentuin dringend aan herstel toe; het was René Grosemans die deze taak op zich nam. Het vernielde antilopengebouw en het leeuwenpaleis werden afgebroken. De visie van de nieuwe directeur, Walter van den Bergh, resulteerde in een verbouwingsplan waarbij de nog bruikbare constructies geheel of gedeeltelijk werden ingeschakeld en drie typen van dierenverblijven werden voorzien. Het centrale deel van de tuin kreeg een rustiek karakter. De gebouwen werden steeds meer aan de rand van de Dierentuin geconcentreerd. De diensten werden in een panoramapark gecentraliseerd en er werden onder andere een laboratorium, apotheek, observatiekamer en quarantainehokken gebouwd. Voor de tuinaanleg moesten de doorzichten behouden blijven, de struiken kort gehouden sierperken aangelegd en er moest een nieuwe creatie aan de ingang komen. De toenmalige hoofdhovenier L. Vlieghe bouwde de botanische tuin verder uit. Bijgevolg verschenen er steeds meer sierplanten en exotische planten in de Dierentuin.

Vanaf de oprichting van de KMDA werd er ook muziek gemaakt in de tuin. De concerten, in de eerste plaats bedoeld als vermaak voor de leden, bereikten in de loop der jaren een hoog artistiek niveau. De kiosk speelt dan ook een belangrijke rol. Ze werd verschillende malen vervangen, maar haar centrale plaats voor het museum bleef steeds behouden. De huidige kiosk werd ontworpen door René Grosemans in 1947.

Grosemans verrijkte de Dierentuin verder met drie opmerkelijke constructies, met name het primatengebouw (1957), het roofdierencomplex met dolfinarium (1967) en een bij het panoramapark aansluitende rotstuin en het meer recente apengebouw (1976). Het zalencomplex werd aangepast en vernieuwd onder leiding van Rie Haan (1958-1960). Hierbij werd recuperatiemateriaal van Expo ’58 gebruikt.

De tuin telde onder leiding van L. Vlieghe en T. Walschap omstreeks 1966 ongeveer 1200 soorten en variëteiten, met onder andere loofbomen, coniferen, palmen en een orchideeënreeks. Een volledig bevloeiingssysteem tot behoud van het bomenbestand werd ingevoerd in 1982. Vanaf 1986 werden steeds meer bloemperken in mozaïekvorm aangelegd.

Restauratiewerken van het Dierentuincomplex werden in 1985 en de daarop volgende jaren uitgevoerd onder leiding van Guy Demoor en Luc Fornoville, met onder meer de renovatie van het reptielengebouw. In 1993 werden, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Dierentuin, de vier grote leeuwenbeelden van Alphons van Beurden van het gesloopte leeuwenpaleis naar de ingang verplaatst. De zuidelijke hoek van de tuin onderging in 2002 een grote aanpassing met een vernieuwing van het nijlpaardengebouw en de aanleg van een moerasbiotoop naar ontwerp van P. De Sterck en G. Dewaele.

Beschrijving

De Dierentuin van Antwerpen, in de volksmond de Zoo genoemd, wordt aan de westzijde begrensd door het Koningin Astridplein-Pelikaansstraat, waar hij achter het Centraal Station doorloopt, aan de zuidzijde door de Ploegstraat, aan de oostzijde door de westelijke huizenrij van de Ommeganckstraat en aan de noordzijde door de zuidelijke bebouwing van de Carnotstraat.

Het landschapspark, naar ontwerp van Emmanuel Van Cuyck (1845), bestaat uit een langs vijvers gegroepeerd samenhangend geheel van pleinen, gras- en bloemenperken en bomengroepen. Het padenverloop is bochtig en weinig opvallend. Talloze beelden, waaronder verscheidene van bekende kunstenaars, verfraaien de tuin. Het panoramapark in het zuidwesten van het domein, in 1908 ontworpen en uitgevoerd door Emile Thielens en tuinarchitect Louis Blockx, is opgevat als een golvende vallei tussen hoge namaakrotswanden van beton, overspannen door een rustiek uitziende betonnen brug met balustrade in imitatieboomstructuur. De betonconstructie is opgetrokken volgens het systeem Hennebique.

De Belgische Dendrologische Inventaris vermeldt voor de Dierentuin de aanwezigheid van een wingerdbladige zomereik (Tilia platyphyllos ‘Vitifolia’) met een stamomtrek van 2,87 meter, twee gewone platanen (Platanus hispanica (x)) met stamomtrekken van 5,20 en 5,48 meter, een witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum ‘Baumanii’) met een stamomtrek van 3,54 meter, een Chinese balsempopulier (Populus simonii) met een stamomtrek van 1,99 meter, drie oosterse platanen (Platanus orientalis ‘Digitata’) met stamomtrekken van 3,44, 3,99 en 4,41 meter, een Japanse goudlarix (Pseudolarix amabilis) met een stamomtrek van 1,40 meter, een gewone trompetboom (Catalpa bignonioides) met een stamomtrek van 2,70 meter, een gele paardenkastanje (Aesculus flava) met een stamomtrek van 2,77 meter, twee veldiepen (Ulmus minor) met een stamomtrek van 2,50 meter, een veldiep (Catalpa ovata) met stamomtrekken van 2,17 en 3 meter, een Montpellieresdoorn (Acer monspessulanum) met een stamomtrek van 1,53 meter en een ruwe iep (Ulmus glabra ‘Cornuta’) met een stamomtrek van 3,31 meter.

De gebouwen (besproken bij de bescherming van de Dierentuin als monument) zijn overwegend ingeplant aan de rand van het terrein. Het beschermde landschap omvat onder meer volgende gebouwen:

  • het aquarium en reptielengebouw;
  • het café-restaurant Paon Royal;
  • de directeurswoning;
  • de Egyptische tempel voor grote Afrikaanse diersoorten;
  • het gebouw voor lama’s, guanaco’s en alpaca’s
  • het gebouw voor watutsi, runderen en bizons;
  • het hertengebouw;
  • de inkompartij;
  • het kangoeroe-gebouw;
  • het melkerijgebouw;
  • het mensapengebouw;
  • het neushoorngebouw;
  • het nijlpaardengebouw;
  • het okapi-gebouw;
  • het paviljoen met walvisgeraamte;
  • een reeks burgerhuizen (langs de Ommeganckstraat);
  • het restaurant in neo-Lodewijk XVI-stijl;
  • het rhesusapen-paviljoen;
  • het roofdierengebouw en dolfinarium;
  • de roofvogelkooien;
  • de rotonde volière;
  • het runderengebouw;
  • het secretariaatsgebouw;
  • het toegangsgebouw tot de feestzaal;
  • het varkensgebouw;
  • vier winkelhuizen (langs het Koningin Astridplein);
  • het vogelpaleis;
  • het zalencomplex.

Het nijlpaardencomplex werd in 1886 naar ontwerp van Servais gebouwd (verbouwd in 1952 en 2002) in neo-Babylonische stijl. De varkenskoten en pauwenvolière van 1861 (verbouwd tot in 1991), het antilopengebouw uit 1872 (verbouwd in 1958), de eendenvolière uit 1876 (in 1997 omgebouwd tot Vriesland), de volière met rotonde van 1878 (in 1961 verbouwd) en het alpacagebouw, dat door Thielens in 1900 werd uitgebreid naar ontwerp van Servais, vormen overblijfselen van de eerste aanlegfase van de Dierentuin onder leiding van architect Servais. Het aquarium en reptielengebouw bevinden zich op de locatie van de afgebroken panoramarotonde, door Servais ontworpen in Indisch-Moorste stijl.

De Dierentuin werd voorgedragen voor bescherming omdat ze verschillende belangrijke functies heeft, onder meer volkseducatie, toerisme, een biologisch en zoölogisch studiecentrum. Bovendien heeft de Zoo een belangrijke esthetische en wetenschappelijke waarde. Na de bescherming van de gevelwanden langs de Leysstraat en het voorstel tot bescherming van het Centraal Station werd beslist het stadsbeeld rondom het Astridplein in stand te houden door ook de Dierentuin te beschermen. De gevels van de dierentuingebouwen langs het plein vertonen een opvallende architecturale waarde. Opvallend is het spelen met kleurwaarden door het gebruik van bijzondere materialen, eveneens uniek in de stad. Het interieur van de Marmeren Zaal is tevens een treffend voorbeeld van kleurentoepassing bij de materiaalkeuze. Het Centraal Station en de Dierentuin vormen dan ook één geheel, dat getuigt van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang van de 19de eeuw.

  • Archief Onroerend Erfgoed Antwerpen, DA000325, Dierentuin Antwerpen, briefwisseling KCML (1974).
  • DE MOOR G. & VAN DEN BOSSCHE H. 1986: Antwerp Zoo: a dynamic monument in a unique 19th century setting, A future for our past 29, 18-20.
  • JAENEN M. 2012: De dierentuin van Antwerpen: een tuin- en bouwhistorisch verhaal, Monumenten en Landschappen 31.3, 32-49.
  • Belgische Dendrologie Belge, Dierentuin [online] (geraadpleegd op 17 september 2014).

Auteurs:  Plomteux, Greet; Steyaert, Rita; Cox, Lise
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Plomteux G. & Steyaert R. & Cox L. 2014: Dierentuin Antwerpen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/432553 (geraadpleegd op ).


Dierentuin Antwerpen ()

In de gewone omgangstaal aangeduid als Dierentuin modo Zoo, aan de westzijde begrensd door Koningin Astridplein-Pelikaansstraat, waar hij achter het Centraal Station doorloopt, aan de zuidzijde door de Ploegstraat, aan de oostzijde door de westelijke huizenrij van de Ommeganckstraat en aan de noordzijde door de zuidelijke bebouwing van de Carnotstraat.

De Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen (KMDA) werd gesticht op 21 juli 1843 door J. Kets en F. Loos. Buiten de stadswallen, nabij het toenmalige Ooststation, werd een hoveniersgrond gekocht van 1 hectare 59 are 40 centiare met toegang aan de Carnotstraat. In 1855 bedroeg de totale oppervlakte reeds circa 9 hectare en in 1904 werd de huidige oppervlakte van circa 10 hectare bereikt, waarvoor onder meer een aantal huizen aan de Ommeganckstraat werd opgeofferd (zie bouwaanvragen van 1898). Plannen werden voorzien voor een museum, waar ook dieren een onderkomen konden vinden, een directeurswoning en een verenigingslokaal voor abonnees; hiervoor werden de architecten A. Demarbaix en A. Lambeau aangesteld; de geplande gebouwen werden gerealiseerd alsook een apengalerij, een achthoekige kooi en twee rustieke kooien.

In 1851 werd K. Servais als architect aan de KMDA verbonden; in de periode 1847-61 werd een enorme activiteit in de nog jonge maatschappij ontwikkeld; op een plan van 1861 tellen we niet minder dan vierenveertig constructies, waarvan nu alleen nog de Egyptische tempel en de roofvogelkooien min of meer onbeschadigd zijn overgebleven.

K. Servais stierf in 1892 en werd opgevolgd door Emile Thielens. Onder zijn beleid kende de KMDA een zeer grote vernieuwingstrend, mede door de laatste gebiedsuitbreiding aan de Ploegstraat. Talloze gebouwen werden door hem ontworpen en opgetrokken en dit steeds aan de uiterste limieten van de tuin; belangrijk voor deze periode is ook de aanleg van het Panoramapark in samenwerking met L. Blockx.

Door de bouw van het Centraal Station vanaf 1895 moest van verdere uitbreiding in deze richting worden afgezien. Er werd nu ook een definitieve beslissing genomen in verband met de heraanleg van de inkompartij, die van de Carnotstraat naar het Koningin Astridplein werd verplaatst.

In de periode tussen 1910 en 1945, met haar twee wereldoorlogen en economische crisis, was alle aandacht gericht op het voortbestaan van de maatschappij; voor grote infrastructuurwerken was geen geld voorhanden. Vermeldenswaardig voor deze periode is de ontluikende tendens om de dieren niet langer achter tralies maar in ruime open perken tentoon te stellen. Na de Tweede Wereldoorlog is de zwaar getroffen Dierentuin dringend aan herstel toe; het is René Grosemans die deze taak op zich neemt en de tuin verrijkt met drie opmerkelijke constructies, met name het primatengebouw (1957), het roofdierencomplex met dolphinarium (1967) en het meer recente apengebouw (1976); het zalencomplex werd aangepast en vernieuwd onder leiding van Rie Haan (1958-60). Een volledig bevloeiingssysteem tot behoud van het bomenbestand werd ingevoerd in 1982.

Bij Koninklijk Besluit van 22 juni 1983 werd de de Dierentuin in zijn geheel als monument en als landschap beschermd.

Restauratiewerken van het Dierentuincomplex werden uitgevoerd onder leiding van G. Demoor en L. Fornoville, in 1985 en de daarop volgende jaren.

Het landschapspark naar ontwerp van E. Van Cuyck, 1845, bestaat uit een langs vijvers gegroepeerd samenhangend geheel van pleinen, gras- en bloemenperken en bomengroepen; het padenverloop is bochtig en weinig opvallend. Talloze beelden, waaronder verscheidene van bekende kunstenaars verfraaien de tuin. De gebouwen zijn overwegend ingeplant aan de rand van het terrein.

Vanaf de oprichting van de KMDA werd er ook muziek gemaakt in de tuin; de concerten, in de eerste plaats bedoeld als vermaak voor de leden, bereikten in de loop der jaren een hoog artistiek niveau. De kiosk speelt dan ook een belangrijke rol; ze werd verschillende malen vervangen, maar haar centrale plaats voor het museum bleef steeds behouden; de huidige kiosk werd ontworpen door René Grosemans in 1947.

  • Stadsarchief Antwerpen, Bouwdossiers D2, 1898, Modern Archief 20.331, dosssier 471; Modern Archief 20.337, dossier 1658.

Bron: PLOMTEUX G. & STEYAERT R. met medewerking van WYLLEMAN L. 1989: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 3nc, Brussel - Turnhout.
Auteurs:  Plomteux, Greet; Steyaert, Rita
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Plomteux G. & Steyaert R. 1989: Dierentuin Antwerpen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/150331 (geraadpleegd op ).