erfgoedobject

Domein van de psychiatrische kliniek Sint-Alexius

landschappelijk element
ID: 134045   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134045

Beschrijving

Domein van psychiatrische kliniek, circa 6 hectare, gebouwd in 1906 naar een traditionalistisch ontwerp van Jules Coomans, één van de laatste instellingen naar het model van een gesloten blok met binnenpleinen; binnentuinen met afgezwakte geometrie, buitenpark in landschappelijke stijl; grotendeels vernield door verbouwingen en nieuwbouw na 1978.

De cellenbroeders of (naar hun patroonheilige Sint-Alexius) alexianen van Grimbergen waren afkomstig uit Mechelen. Reeds vanaf 1305 hielden enkele leken zich daar bezig met het verzorgen van zieken en het begraven van doden. In 1458 werden ze als orde erkend, legden de drie geloften af en leefden volgens de regels van Sint-Augustinus. Vanaf de 16de eeuw legden zij zich steeds meer toe op de zorg voor geestelijk gehandicapten. Aan het einde van de 19de eeuw vatten de broeders het plan op een nieuwe instelling op te richten in de nabijheid van Brussel. De wet op krankzinnigenzorg van 18 juni 1850 zou het concept van deze instelling bepalen. Aan de basis van deze wet, die een meer wetenschappelijke en humane omgang met psychiatrische patiënten beoogde, lag een rapport uit 1842 van een onderzoekscommissie voorgezeten door dokter Jozef Guislain en met Edouard Ducpétiaux als secretaris. In de visie van Guislain, tijdens de 19de eeuw de belangrijkste hervormer van de psychiatrische verpleging in België en dé inspirator van de broeders van liefde, moest elke patiënt beschikken over ruimte en openheid en moesten tuin- en landbouw een wezenlijk onderdeel vormen van elke instelling voor 'zwak­zinnigen'. Tevens werd er een strikte indeling van patiënten voorzien, niet alleen op basis van geslacht, maar ook van ziektebeeld en geneeslijkheid. Deze principes werden voor het eerst toegepast in de psychiatrische inrichting van dokter Guislain, tussen 1851 en 1876 gebouwd te Gent.

In Grimbergen werden uitsluitend mannelijke patiënten opgenomen, opgedeeld in twee strikt gescheiden secties: 1° de "vrije kostgangers, voor wie het Gesticht niets anders is dan een rusthuis in gezelschap met de Broeders" en 2° de zieken, die verpleging en toezicht behoefden. De mate van betoonde liefdadigheid was ook evenredig met het vermogen van de patiënten, die op basis daarvan in drie klassen werden ingedeeld. Op 21 januari 1899 gaf kardinaal Mercier toestemming voor de bouw van een nieuw gesticht voor 150 zieken. De bouwplannen werden in 1906 getekend door ingenieur-architect Jules Coomans (1871-1937), ooit stagiair bij Helleputte, sinds 1895 stadsarchitect van Ieper. Nog in hetzelfde jaar startten de werken. Het instituut van Grimbergen werd gebouwd volgens de principes van Guislain, maar het is één van de laatste dat nog beantwoordt aan het model van een gesloten blok met binnenpleinen. Na de Eerste Wereldoorlog zal voor psychiatrische inrichtingen het paviljoenensysteem veralgemeend worden (Zoals in het Sint-Kamillus te Bierbeek en Ave Regina te Lovenjoel), dat in Duitsland al in de late jaren 1860 voor hospitalen werd toegepast. Het eerste Belgische 'paviljoenengesticht', het Caritasinstituut te Melle, werd nagenoeg gelijktijdig met Grimbergen gebouwd.

Coomans ontwierp een U-vormig complex met een grosso modo symmetrische grondplan. De binnenruimte werd opgedeeld door twee verbindingsvleugels. Hierdoor ontstonden drie binnenplaatsen, waarvan de achterste werd afgesloten door een muur. De ingangspartij en de twee erachter gelegen parallelle verbindingsvleugels werden centraal van een haaks volume voorzien, respectievelijk de ontvangstzaal, de kapel en een dienstruimte. In de eerste binnenplaats was een watertoren voorzien, die reeds in 1923 door een groter exemplaar vervangen werd. Aan de veldzijde waren er eveneens verschillende aanbouwsels, die de omringende ruimte in binnentuinen opdeelden. Behalve de aanbouwsels, gaat het om volumes van twee bouwlagen onder zadeldaken van zwarte pannen. De stijl is eclectisch met – vooral in de voorgevel – verwijzingen naar de traditionele stijl. Zo worden de bruine – en voor de voorgevel rode – bakstenen lijstgevels verlevendigd met speklagen en ontlastingsbogen van geglazuurde steentjes en de uitgespaarde venstertraveeën (behalve in de voorgevel) herinneren vaag aan de 'Brugse travee'. Andere verwijzingen naar de traditionele bouwkunst en neostijl zijn uiteraard ook de hoog oplopende trapgevel boven het middenrisaliet met de hoofdingang, de op trapgeveltjes uitlopende dakvensters, de lelievormige sierankers, de spitsboogvensters van de kapel, sommige met gebrandschilderde glas-in-loodramen, de kapeldeur met neogotische briefpanelen en vierpasmotieven en een fraai gesculpteerde makelaar met de beeltenis van Sint-Jozef onder een baldakijn met hogelspits… Een als briefhoofd bedoelde litho met een gezicht in vogelvlucht vanuit het oosten geeft een beeld van het volledig ommuurde complex na de voltooiing van de werken in 1909 – vermoedelijk wel wat geïdealiseerd en uiteraard nog zonder de begraafplaats van de broeders in de westpunt van het domein. Een dubbele, 150 m lange dreef – op de litho naar verhouding veel te kort weergegeven – verbond het complex met de Grimbergsesteenweg. De vier bomenrijen – Hollandse en zilverlinden (Tilia x europaea, T. tomentosa), witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum) en bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') gemengd – zijn nog grotendeels aanwezig, maar de oorspronkelijke twee rijstroken hebben plaats gemaakt voor een centrale, geasfalteerde rijweg. De tramrijtuigen op de litho zijn reëel, zoals blijkt uit een ansichtkaart uit dezelfde periode, want bij de keuze van de locatie heeft de bereikbaarheid ongetwijfeld een rol gespeeld, in dit geval de nabijheid van de in 1891 geopende buurtspoorweg Brussel-GrimbergenHumbeek. Opvallend op de litho is de verlichting van het domein: naar verhouding kolossale sneeuwklokjes (op de foto's hebben ze normale afmetingen) – gaslampen op gietijzeren zuiltjes, sinds lang verdwenen – die in elk tuincompartiment (zowel de binnenhoven als de buitentuinen) een centrale positie innemen in plaats van een tuinvaas of een beeld. De gaslampen zijn het enige tuinmeubilair dat op de litho wordt afgebeeld. Foto's uit de jaren 1930 tonen echter een overvloed aan beelden (Heilig Hart, Sint-Alexius, Sint-Jozef, engelbewaarder, Goede Herder…) en in de zuidpunt van het domein is er nog een Lourdesgrot, een rooms-katholieke versie van de klassieke tuinfolly en een obligaat onderdeel in menig klooster-, pastorie- en pensionaatstuin, in dit geval opgebouwd uit plaatselijke zandsteenknollen en overschaduwd door vier oude esdoorns waarvan een bontbladige en een bruinrode cultivar (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii', A. platanoides 'Schwedleri'), die tot de oorspronkelijke aanplanting behoren.

De indeling van de diverse tuincompartimenten wordt gevormd door geometrische patronen, die door hun afgeronde hoeken, hun licht opbollende opbouw en hun invulling (boompjes en ongesnoeid struikgewas, gras) een beetje 'landschappelijk' overkomen. Op foto's uit de jaren 1930 komt dit landschappelijk aspect nog sterker tot uiting. Meestal gaat het om een kruismotief met op het kruispunt een rotonde met de onmisbare gaslamp, maar twee compartimenten hebben een stervormige indeling. De rond 1900 opflakkerende belangstelling voor klassieke 'Franse' tuinen komt nog het meest tot uiting in de 'plate-bande' voor het instituut, een strook over de hele breedte (140 m) van het ommuurde gedeelte van het domein, geritmeerd door struiken en op vijf plaatsen onderbroken door ronde perken, de middelste daarvan – voor de hoofdingang – met een stervormig bloemenmozaïek. De omgeving van het ommuurde complex wordt op de briefhoofdlitho niet als akker afgebeeld, maar als een iel bosplantsoen, met ver uit elkaar staande bomen en struiken. De contouren van dit 'buitenpark', ontsloten door twee lusvormige wandelpaden, worden weergegeven op de stafkaart van 1909, die ook de ligging van de moestuin ten zuidwesten van het complex aanduidt. Op de stafkaart van 1961 worden de wandelpaden ook nog afgebeeld. Het landschappelijk karakter van dit buitenpark, waarin naaldbomen prominent aanwezig waren, blijkt uit een foto genomen in de jaren 1930. Het ommuurde gedeelte, het buitenpark en de oprijlaan besloegen samen zowat 6 hectare.

Rond 1934 werd aan de buitenzijde van de oostelijke omheiningsmuur een hoeve toegevoegd. In 1938 werd tussen de oostelijke dwarsvleugel en de hoeve een nieuwe keuken gebouwd en het jaar nadien rechts van de oprijlaan nog een dokters- en directeurswoning, nu 'Samaritaan' genoemd. De oorspronkelijke structuur werd ingrijpend aangetast in 1978, toen de hoeve werd afgebroken en vervangen door een sportcomplex. Tussen 1983 en 1989 werden aan de noordoostzijde drie nieuwe paviljoenen ('Erasmus', 'Celsus' en 'Galenos') opgetrokken en tussen 1993 en 1999 werden alle gebouwen achter de tweede verbindingsvleugel gesloopt, alsook de westelijke dwarsvleugel ter hoogte van de tweede binnenplaats. In de plaats hiervan kwamen er een nieuw technisch lokaal, de gedeeltelijk vrijstaande paviljoenen 'Avicenna', 'Averroës' en een medisch centrum. In 1998 droegen de alexianen het beheer en de uitbating van het ziekenhuis over aan de broeders van liefde. In een derde fase, van 1999 tot 2002, verdween de resterende westelijke dwarsvleugel op een klein stuk na, en kwamen er links van de ingangsvleugel een daghospitaal en rechts een keuken en een cafetaria. Buiten de Lourdesgrot, een Madonnabeeld, de beplanting van de oprijlaan en, verspreid over het domein, een twintigtal bomen – bruine en gewone beuk, witte paardenkastanje, Hollandse linde, Noorse esdoorn (Acer platanoides), bontbladige esdoorn, gewone es (Fraxinus excelsior) – is er van de oorspronkelijke tuinaanleg niets meer overgebleven. De 'plate-bande' voor het instituut werd een geasfalteerd parkeerterrein. De huidige moestuin en de serre – ook nu nog onderdeel van de therapie volgens de aanbevelingen van Guislain, maar niet afgebeeld op de briefhoofdlitho – en het alexianenkerkhofje overleefden dit alles.

  • Kadaster Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Grimbergen 1910 nr. 43.
  • ADRIAENSSENS A. e.a., Werken van barm­hartigheid. 650 jaar Alexianen in de Zuidelijke Nederlanden, tentoonstellingscatalogus, Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens te Leuven, Arca Lovaniensis 12, jaarboek 1983.
  • ASSOCIATION FERROVIAIRE DES CHEMINOTS DE CHARLEROI, De buurtspoorwegen in de provincie Brabant, Ed. Gérard Blanchart & Cie, 2000, p. 12.
  • BOGAERT C., LANCLUS K. & VERBEECK M. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen (12n2), 1989, p. 99-103 en 267-268.
  • DENEEF R. e.a., Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee, in Cahier M&L, nr. 9, Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2004, p. 22-28 en 67-75.
  • GUISLAIN J., Leçons orales sur les phrénopathies, ou Traité théori­que et pratique des maladies mentales: cours donné à la clinique des établisse­ments d'aliénés à Gand, Gent, Hebbelynck, 1852, p. 340.
  • PEVSNER N., A history of building types, London, Thames and Hudson, 1976, p. 156.
  • SMETS M. e.a., Resurgam – de Belgische wederopbouw na 1914, Brussel, Gemeentekrediet, 1985, p. 218.
  • STOCKMAN R., Mijmeringen, Gent, Guislain museum, 1988.
  • VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Grimbergen, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 42-46.

Bron     : DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs : Cresens, André, Deneef, Roger, Van Damme, Marjolijn
Datum  : 2011


Relaties

  • Is deel van
    Grimbergsesteenweg
    Grimbergsesteenweg (Grimbergen)

  • Omvat
    Psychiatrische kliniek Sint-Alexius
    Grimbergsesteenweg 40 (Grimbergen)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Domein van de psychiatrische kliniek Sint-Alexius [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134045 (Geraadpleegd op 27-06-2019)