Domein van het Gravenkasteel

inventaris landschappelijk erfgoed \ historische tuin of park

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Grimbergen
Deelgemeente Humbeek
Straat Warandestraat
Locatie Warandestraat 100-102 (Grimbergen)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie tuinen en parken in noordwestelijk Vlaams-Brabant (geografische inventarisatie: 1999 - 2011).
Toegankelijkheid Niet toegankelijk

Juridische gevolgen

Beschrijving

Domein van circa 80 hectare, grotendeels bebost, met een omwald kasteel uit de 14de eeuw, heropgebouwd rond 1600 en eclectisch (vooral Vlaamse renaissance) verbouwd tussen 1861 en 1904; sterrenbos uit het midden van de 18de eeuw; gedeeltelijk ommuurde moestuin en aanleg in landschappelijke stijl in de onmiddellijke omgeving van het kasteel (circa 20 hectare); monumentale bomen, onder meer een libanonceder.

Het kasteel van Humbeek

Het Gravenkasteel, of 'Lundenkasteel', ligt wat geïsoleerd ten opzichte van de dorpskern in het uiterste noorden van de gemeente, op de westoever van het zeekanaal Brussel-Antwerpen. Het waterkasteel, voor het eerst vermeld in een akte van 1374 naar aanleiding van de oprichting van een kapelanij, werd waarschijnlijk gebouwd door de familie van Bouchout, sinds 1315 heren van Humbeek. De bouwgeschiedenis van het huidige ensemble gaat vermoedelijk terug tot omstreeks 1600, toen het na de vernielingen tijdens godsdiensttroebelen werd heropgebouwd. De toenmalige heer, Karel de la Marck, graaf van Arenberg, vroeg in dat jaar toelating voor het plaatsen van een loskraan op de vaartdijk om de aanvoer van bouwmaterialen te vergemakkelijken. De zandstenen onderbouw van de ringmuur, de oostertoren en het zogenaamd oud kasteel (het gedeelte dat in de 19de eeuw niet zo ingrijpend werd gerestaureerd) doen vermoeden dat er ruimschoots gebruik werd gemaakt van de resten van het 14de-eeuwse kasteel. De oudste afbeeldingen dateren van het einde van de 17de eeuw: een figuratieve kaart van 1699 uit het kaartboek van de Abdij van Grimbergen en vooral een ets van 1694 van Harrewijn met de kerk van Humbeek op de achtergrond, gepubliceerd in 'Castella et Praetoria mobilium Brabantiae' van Jacob Le Roy.

Het waterkasteel was bereikbaar vanuit het zuiden (vanaf de huidige Warandestraat) via een 200 m lang laantje, maar de ceremoniële hoofdtoegang ligt op de figuratieve kaart verborgen onder de kruinen van zes rijen bomen van een rechte, 30 m brede en 800 m lange dreef tussen het kasteel enerzijds, en het sas van Humbeek met het aan de overkant van de vaart gesitueerde 'Gravenhuis', voormalig raadshuis en gerechtshof van de heren van Humbeek (Mechelstraat nr. 2), anderzijds. Deze dreef mondde niet uit bij de stenen, uit zes bogen samengestelde brug en het monumentale, barokke poortgebouw, dat de ingang vormde tot de gedeeltelijk ommuurde en met bomen beplante binnenplaats, maar er juist naast. De door Harrewijn afgebeelde bomen op de binnenplaats van het kasteel hebben een uitgesproken piramidale, bijna zuilvormige kroon. Toch zijn het geen Italiaanse populieren, want die zullen zal pas na 1750 in omloop worden gebracht, maar vermoedelijk fruitbomen; tot in 1904 omschrijft het kadaster de binnenplaats trouwens als boomgaard. Harrewijn beeldt ook zuilvormige bomen af op het perceel achter (ten westen van) het kasteeleiland. Het noordoostelijke gedeelte van het eiland werd in beslag genomen door een massief, complex kasteel van vier bouwlagen onder leiendaken en, als opvallendste element, een ronde hoektoren bekroond met een lantaarn; ten westen daarvan staat een gebouw van één of twee bouwlagen onder leien zadeldak met een torentje onder een klokdak. De westflank en de helft van de zuidflank van het eiland werden in beslag door een L-vormig dienstgebouw, volgens een figuratieve kaart van Jan van Acoleyen in het kaartboek van de abdij van Grimbergen onder een strooien zadeldak. In de zuidoostelijke hoek van het eiland wordt de kapel afgebeeld. Reeds van in het begin van de 14de eeuw bezat het kasteel een huiskapel die gewijd was aan Sint-Joris en, vanaf 1392, aan Onze-Lieve-Vrouw; zij bleef zeker in gebruik tot 1787. Harrewijn toont links op de ets ook een stukje van de tuin die aan de zuidzijde van het kasteeleiland lag: een omhaagde, symmetrisch uitgebouwde siertuin met loofwerkparterres ('parterres de broderie') en – op de kasteelgezichten van Sanderus of Le Roy zelden te zien – potplanten, wellicht sinaasappel- of laurierboompjes. Er moet dus ook een oranjerie geweest zijn. Mogelijk lag die naast (tussen de parterretuin en het laantje naar de Warandestraat) de moestuin, maar noch op de ets noch op de figuratieve kaart is daar iets van te bespeuren.

Het Sterrenbos

Noch Harrewijn noch Acoleyen tonen iets van het Gravenbos, dat zich ten noorden van het kasteel uitstrekte en vóór de aanleg van het kanaal BrusselWillebroek in 1560-1561 samen met het Bos van Aa en het Kollintenbos (op Zemst) nog één aaneengesloten boscomplex vormde. De Ferrariskaart (1771-1775) beeldt met grote nauwkeurigheid het huidige, rechtlijnige boswegennet af, een zesarmige ster. De as van de ster die noordnoordwest-zuidzuidoost het Gravenbos, ongeveer 90 hectare groot, in twee nagenoeg gelijke delen verdeelt, loopt niet evenwijdig met de vaart en staat evenmin haaks op het kasteel. De armen van de ster zijn van ongelijke lengte. De oostrand van het bos ziet er, in tegenstelling tot de noordelijke en westelijke zomen, bijzonder rafelig uit, met verschillende akkers en hooilanden die insnijdingen vormen in het bos. Stervormen en ganzenvoeten waren veelgebruikte patronen, niet alleen in de Franse baroktuinen, maar tijdens de hele 18de eeuw ook in de bosbouw, bij de herstructurering van bosgebieden (zie bijvoorbeeld in het Zoniënwoud, de hertogelijke warande van Tervuren, de bossen van de abdijen van Averbode en Tongerlo en de Sint-Michielsabdij te Antwerpen). Het panopticumeffect beantwoordde ten volle aan het klassieke verlangen naar orde en overzicht en was ook erg doeltreffend binnen het (drijf )jachtritueel: van op één centrale plaats kon men het opgejaagde wild neerleggen zonder één voet te verzetten. In Duitsland spreekt men dan ook vaak van een 'Jagdstern'. Er was ongetwijfeld ook een economisch motief. Voor grootgrondbezitters in de Lage Landen was de 18de eeuw een gouden tijd. Dit kwam tot uiting in een ongeziene bouw- en verfraaiingsactiviteit en in een toenemende rationalisatie en intensivering van het grondgebruik en de bosbouw. De aanleg van het 'Gravenbos' – want Jacques-François Le Coq, heer van Humbeek, was in 1694 tot graaf gepromoveerd – was vermoedelijk het werk van drossaard Henri-Antoine Hennau die rond 1750, onder de laatste Le Coqs, het beheer van het kasteeldomein volledig naar zich had toegetrokken. De oude zomereiken (Quercus ro­bur) langs de zuidelijke, op het kasteel gerichte arm maken zonder twijfel deel uit van de oorspronkelijke beplanting van de 'ster'.

In 1804 werd het kasteel met bijgebouwen, gronden en bossen, samen goed voor circa 70 hectare, openbaar verkocht aan de Antwerpse rentenier baron André le Candèle, dezelfde die in 1831 vermeld wordt als de Primitieve eigenaar van het domein. Het kasteelcomplex, waarvan de plattegrond wordt afgebeeld op het oudste kadastrale document van de 19de eeuw – een 'plan géometrique' van de gemeente, niet gedateerd maar vermoedelijk uit 1807 – is niet meer hetzelfde als dat op de ets van Harrewijn en de kaart van Acoleyen. De kapel is verdwenen en het dienstgebouw werd voor de helft gesloopt. De parterretuin ten zuiden van het kasteeleiland heeft plaats geruimd voor bosplantsoen(perceel nr. 88). De moestuin (nr. 90) ligt ernaast en de veronderstelde fruitbomen op de ets van Harrewijn vinden we terug in de 'vergers' zowel op de binnenplaats als ten westen van het kasteel. Het Gravenbos met zijn landbouwenclaves en rafelige oostrand stemt overeen met de Ferrariskaart, maar aan de westrand werd een brede strook ontbost. Ook is nu duidelijk te zien dat de brede dreef tussen de vaart en het kasteelcomplex niet bij de brug en het poortgebouw uitmondde, maar om een ongekende reden juist ernaast. De Primitieve kadasterkaart herneemt in 1821 zonder afwijkingen het 'plan géometrique' voor de gebouwen.

Wat betreft de omgeving echter, had Le Candèle niet stilgezeten: het bos en de moestuin tussen het kasteeleiland en de Warandestraat – waar ooit de broderieparterres lagen (percelen nrs. 137, 138 en 139) – werden verenigd tot één perceel 'lustgrond' ('terrain d'agrément') van 1 hectare 71 are, in het kadastraal jargon synoniem voor een informele sieraanleg zonder uitgesproken geometrie en met een hoge graad van natuurlijkheid, of wat men daar toen onder verstond. Aan de noordzijde, tussen het Gravenbos en het kasteel, lag er een tweede perceel lustgrond (nr. 128) van 2 hectare 76 are, zodat sieraanleg in totaal bijna 4,5 hectare besloeg. Wat dit in werkelijkheid voorstelde, is terug te vinden op de eerste stafkaart, van 1864, toen Le Candèle nog maar enkele jaren overleden was. Het trapeziumvormige perceel ten noorden van het kasteeleiland wordt afbeeld als bouwland (geel) maar met een 'sierlijst' van hoogstammig plantsoen, waarvan de rand lichtjes golfde. Deze omlijsting bestaat nog en de vijf dikke groene en bruine beuken (Fagus sylvatica, F.s. 'Atropunicea') en een monumentale es (Fraxinus excelsior) die daarin voorkomen, zijn vermoedelijk relicten van de door Le Candèle uitgevoerde aanplanting. Het lustgrondperceel tussen de Warandestraat en het kasteeleiland wordt als bosplantsoen weergegeven zonder een duidelijk patroon van wegen of paden, met het kasteeleiland verbonden via een brugje over de zuidelijke arm van de slotgracht. In dit perceel, tegen de Warandestraat aan, bevindt zich een heuveltje, mogelijk een beplantingsheuvel of misschien stond er een paviljoen op. Dit gedeelte bevat eveneens een aantal dikke, oude bomen: een zomerlinde (Tilia platyphyllos), een plataan (Platanus x hispanica), een zomereik (Quercus robur) en vooral de monumentale libanonceder (Cedrus libani) links van de huidige oprit vanaf de Warandestraat. De Atlasceder (Cedrus atlantica) rechts van de oprit is waarschijnlijk niet zo oud, omdat daar tot omstreeks 1880 een moestuin lag. Deze moestuin, meer dan 1,5 hectare, stemt overeen met het Primitief perceel 110bis, wordt op de stafkaart van 1864 roze gekleurd en was axiaal in tien bedden ingedeeld. Langs de linkerzijde van de oprit, tussen de libanonceder en de weg, werden rond 1864 vijf serres gebouwd, die op de volgende stafkaart (1892) ook worden afgebeeld. Enkele van de tamme kastanjes (Castanea sativa) langs de oprit dateren waarschijnlijk ook uit de vroege 19de eeuw, maar de meeste werden aangeplant na 1900.

Vlaamse renaissance

Tussen 1861 en 1867 werd in opdracht van Louis le Candèle een grootse restauratiecampagne opgezet, die door zijn neef en erfgenaam baron Théophile Lunden, generaal en 'opperstalmeester' van de koning, na 1880 werd voortgezet en voltooid. Het kasteel, het poortgebouw, het gastenkwartier en het ertegenover gelegen dienstgebouw werden aanzienlijk verfraaid in overwegend neotraditionele stijl met neogotische inslag (Volgens H. Spinnael naar een ontwerp van de Antwerpse architect Victor Durlet, E. Damseaux en A. Cosyn schrijven het ontwerp respectievelijk aan een zekere Leyers of Loyers toe). Het haakse westelijke volume van het kasteel werd gesloopt en de rest van het gebouw werd grondig 'gehistoriseerd', onder meer de bogengalerij in de zuidgevel, de vierkante toren aan de achtergevel, alsook de talrijke spitse spietorentjes, getrapte dakkapellen, dakvensters en smeedijzeren ornamenten. Na de restauratie zag het kasteel er 'authentieker' uit dan voorheen in vergelijking met de foto's van vóór de restauratie (zie F. Daelemans). Ook het interieur van het 'oud kasteel' werd in neo-Vlaamse-renaissancestijl met neogotische accenten aangepast. Le Candèle was een verwoed verzamelaar van antiquiteiten en het interieur is daar de weerspiegeling van – een decor opgebouwd uit elementen uit de 16de tot de 18de eeuw, onder meer balkconstructies met gebeeldhouwde moerbalken en consoles, lambriseringen, renaissanceschouwen, verschillende gebrandschilderde glas-in-loodramen en, vooral, diverse kamers met goudleerbehang.

Het dienstgebouw tegen de westelijke grachtarm werd uitgebreid en eveneens in een neotraditioneel kleedje (baksteenbouw met gecementeerde speklagen, twee achthoekige torentjes, trapgevel…) gestoken. Het omvatte voortaan een oranjerie, een rijschool, een koetshuis en een paardenstal. De oranjerie en de rijschool werden tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd en daarna gesloopt. Het gebouw tegen de oostelijke arm klimt vermoedelijk op tot het begin van de 18de eeuw zoals het aanpalende, in 1712 gedateerde bakhuis en werd eveneens in neotraditionele stijl aangepast. De binnenhofzijde kreeg hierbij een nieuwe bakstenen gevel met behoud van de oorspronkelijke ordonnantie en kalkzandstenen deuren kruisvensteromlijstingen. Tijdens een recente restauratie werden gecementeerde speklagen aan de voorgevel verwijderd en werden niet alle smeedijzeren bekroningen teruggeplaatst, waardoor het neotraditioneel karakter afgezwakt en de eenheid met de overige gebouwen enigszins verbroken werd.

Het bakstenen lustpaviljoentje bij de zuidoosthoek van het kasteeleiland heeft naar verluidt een vervallen beschilderd interieur met laatclassicistische en empire-inslag en het bevindt zich op de plaats waar volgens het kaartboek van 1699 en de ets van Harrewijn de kapel stond. Mogelijk werd het door André le Candèle gebouwd met materiaal van en gedeeltelijk op de funderingen van de gesloopte kapel. Volgens de Primitieve kadasterkaart stond het paviljoentje op de hoek van het eiland, maar toen de kaaimuren werden verwijderd en de hoeken van het eiland op een 'landschappelijk' verantwoorde manier werden afgerond, kwam het in het water te staan. Het is toegankelijk via een houten brugje.

De neobarokke heraankleding van het poortgebouw met zijn geblokte korfboogomlijsting en zijn gebroken boogfronton wijkt aanmerkelijk af van de barokpoort op de ets van Harrewijn en ook de vierledige bakstenen boogbrug heeft niet meer dezelfde gedaante. De moestuin ten zuidoosten van het kasteeleiland werd door baron Lunden rond 1885 iets meer naar het oosten heraangelegd: een vierkant van 86 are, gedeeltelijk ommuurd, met in de noordoostelijke hoek een bergruimte, serres en een intussen gesloopte hovenierswoning. Tevens liet hij omstreeks 1904 ten zuidwesten van het kasteelcomplex de noordwestelijke en noordoostelijke vleugels van de stoeterij bouwen – Warandestraat nrs. 138-140 – die in 1910 werden uitgebreid naar ontwerp van J. De Boeck tot het huidige semigesloten geheel, ondanks de twee bouwfasen in een uniforme neotraditionele stijl. Op de stafkaarten van 1909 en 1930 [zie p. 133] wordt op de kouter ten westen van het Gravenbos een paardenrenbaan afgebeeld, een circuit van 1500 m. Hiervan is elke spoor uitgewist.

Siersmeedwerk speelt een belangrijke rol bij de heraankleding van de gebouwen (vorstkammen, balustrades, lichtarmaturen, spitsen, hekken…) en van het domein in het algemeen. Een voorbeeld hiervan is het toegangshek aan de Warandestraat (rood en wit geschilderd), vermoedelijk vervaardigd rond 1880, een mooi uitgewerkt pijlpunthek met aflopend beloop van de stijlen naar de makelaar toe, waar ze eindigen in krulmotieven. De makelaar heeft een medaillon met daarboven een met parels bezette kroon; de decoratieve invulling van het medaillon is echter verdwenen. De schuur aan de Warandestraat is een interessant voorbeeld van rustieke 'knoestarchitectuur'.

Aanleg in landschappelijke stijl

De 'eclectisering' van landhuizen en kastelen in de late 19de eeuw ging dikwijls gepaard met een doorgedreven 'verlandschappelijking' van de omgeving, in zover dit nog niet eerder gebeurd was. Al wat recht was, werd krom gemaakt, maar in Humbeek werd daar duidelijk paal en perk aan gesteld. De ster van het Gravenbos bleef behouden en werd zelfs opnieuw afgelijnd met groene en bruine beuken (die in het begin van de jaren 1990 grotendeels werden gerooid). Maar de omgeving van het kasteel werd 'verlandschappelijkt', vooral in de ruimte tussen het kasteel en het bos. De stafkaart van 1892 geeft hiervan een duidelijk beeld. De grote dubbele toegangsdreef vanuit het oosten mondde voortaan niet meer uit naast de brug over de slotgracht maar, dankzij een zachte slingerbeweging vanaf het huidige Langstraatje, tijdens de laatste 400 m, precies voor de brug. Het beboste, strak afgelijnde perceel (nr. 112) ten noorden van de dreef is opgedeeld in een viertal afgeronde bosmassieven, die op de stafkaart met rode vlekjes worden weergegeven. Dat duidt op sierbeplanting, voor de toenmalige karteerder wellicht herkenbaar dankzij de aanwezigheid van rode beuken, Amerikaanse eiken, rododendrons. Ook ten zuiden van deze dreef zijn massiefjes met sieraanplantingen verschenen, evenals in het reeds vermelde omkaderde landbouwperceel ten noorden van het kasteeleiland.

Een groot gedeelte van de huidige beplanting in de omgeving van het kasteel dateert van na 1900, van het interbellum of zelfs van na de Tweede Wereldoorlog, maar het rond 1870 vastgelegde landschappelijk stramien werd daarbij geëerbiedigd. Tot de naoorlogse generatie behoren onder meer het groepje Amerikaanse amberbomen (Liquidambar styraciflua) langs de ceremoniële oprit ten oosten van het kasteel, het groepje weymouthdennen (Pi­nus strobus) wat verderop, een groepje Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subsp. nigra), bomen die werden aangeplant naar aanleiding van een huwelijk van de kinderen, de treurwilgen (Salix alba 'Tristis') langs de slotgracht. Volgens het kadaster was het Gravenkasteel rond 1950 omringd door 77,5 hectare 'lustgrond', waarbij uitzonderlijk ook het hele Gravenbos gerekend was. In de huidige context van waarderingskaarten en ruimtelijke plannen werd de natuurwaarde van het domein, vooral het beboste gedeelte, sterk benadrukt. Het Gravenbos werd in 1977 in het gewestplan ingekleurd als 'natuurgebied', scoort hoog in de 'biologische waarderingskaart' en werd ook aangeduid als zogenaamd VEN-gebied (Vlaams Ecologisch Netwerk, 2003 ). In plantensociologische termen zou men het kunnen omschrijven als een beuken-eikenbos (Fago-Quercetum) met een groot deel van de min of meer courante kensoorten, van bosanemoon (Ane­mone nemorosa) tot en met maagdenpalm (Vinca minor), maar ook met minder courante soorten als gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis) en stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum).

Merkwaardige bomen (opname 18 augustus 1998)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 28. atlasceder (Cedrus atlantica) 644
  • 29. libanonceder (Cedrus libani) 765 (30)
  • 30. zomerlinde (Tilia platyphyllos) 370 (160)
  • 35. gewone plataan (Platanus x hispanica) 425
  • 39. zomereik (Quercus robur) 387
  • 54. gewone plataan (Platanus x hispanica) 432
  • 57. canadapopulier (Populus x canadensis) 441
  • 65. Amerikaans amberboom (Liquidambar styraciflua) 258
  • 70. gewone es (Fraxinus excelsior) 383
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Humbeek, art. 187 nrs. 7-37, art. 527 nrs. 145-149 en nr. 230, art. 1251 nr. 51.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212A Humbeek, art. 1251 nrs. 18-44, 51 en 83.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Humbeek 1866 nr. 9, 1880 nr. 3.
  • BERGMANS A. & KOLDEWEIJ E., Inventaris van het 17de- en 18de-eeuwse goudleer in Vlaanderen, in Monumenten & Landschappen 11(6), 1992, p. 33-46.
  • COSYN A., Grimberghen. Note descriptive, Bruxellles, Touring Club de Belgique, 1909, p. 72.
  • DAELEMANS F., Het kasteel van Humbeek, Humbeek , Vereniging Humbeekse Handelaars, 1996, p. 7-8, 15, 27 en 28.
  • DE DAMSEAUX E., La Belgique pittoresque. Album illustré des châteaux. Province de Brabant, Mons, Daquin, 1872-1878.
  • KRÜSSMANN G., Handbuch der Laubgehölze (II), Berlin/Hamburg, Paul Parey, 1977, p. 456.
  • SPINNAEL H., Humbeek vroeger en nu, Kapelle-op-den-Bos, Sint-Theresiacollege, 1967, p. 42.
  • TACK G. e.a., Bossen in Vlaanderen, Leuven, Davidsfonds, 1993, p. 49 e.v.
  • VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Grimbergen, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 308-314.
  • VON BUTTLAR A. & MEYER M.M., Historische Gärten in Schleswig-Holstein, Heide, Boyens & Co, 1996, p. 682.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 182.

Bron: DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.

Auteurs: Deneef, Roger; Van Damme, Marjolijn & Wijnant, Jo

Datum tekst: 2011

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Warandestraat

Warandestraat (Grimbergen)

omvat Libanonceder in het Domein van het Gravenkasteel

Warandestraat 100 (Grimbergen)

is gerelateerd aan Gravenkasteel

Warandestraat 100-102, Grimbergen (Vlaams-Brabant)

is gerelateerd aan Stoeterij van het Gravenkasteel

Warandestraat 138-140, Grimbergen (Vlaams-Brabant)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.