Kasteeldomein Groenhof

inventaris landschappelijk erfgoed \ historische tuin of park

Locatie

Alternatieve naam Domein Groenhof
Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Londerzeel
Deelgemeente Malderen
Straat Groenhof
Locatie Groenhof 1 (Londerzeel)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie tuinen en parken in noordwestelijk Vlaams-Brabant (geografische inventarisatie: 1999 - 2011).
Toegankelijkheid Niet toegankelijk

Juridische gevolgen

Beschrijving

Classicistisch landhuis van 1760; eclectische verbouwing van het kasteel in 1880-90; neogotische kapel uit 1900; omgeven door park in landschappelijke stijl met een vijver, nagenoeg 2,5 hectare, aangelegd rond 1800 op een oude kasteelmotte.

Het Groenhof op het einde van de 17de eeuw

Een 'prospectus castelli Groenhove', geëtst door Jacob Harrewijn en in 1694 gepubliceerd in de eerste editie van Le Roys 'Castella et praetoria nobilium Brabantiae' toont een robuust, vrij somber, bakstenen waterkasteel van drie bouwlagen onder twee steile, haakse zadeldaken met getrapte puntgevels en dakkapellen, ramen met kruiskozijnen en een uitbouw met een kapel op de verdieping. De haan in het wapenschild in de linkerbovenhoek van de gravure verwijst naar het geslacht le Cocq, dat van 1556 tot circa 1760 op het Groenhof zetelde. Een onopgesmukt, ommuurd pleintje naast het kasteel vormde de 'cour d'honneur', toegankelijk vanaf het neerhofeiland via een stenen brug van twee boogtraveeën, die verlengd wordt in een houten ophaalbrug. De kantelen boven de ingangspartij waren wellicht niet uitsluitend als ornament bedoeld, want de le Cocqs bekleedden belangrijke functies onder het Spaanse bestuur en waren niet door iedereen geliefd. Een stenen brug en een monumentale poort in renaissancestijl vormde de toegang tot het neerhofeiland. Het langgerekte gebouw op het neerhofeiland bestond uit een open galerij van drie korfbogen gestut door Toscaanse zuilen (ongetwijfeld gebruikt als 'carport') en twee paardenstallen. Dit was wellicht de enige overgebleven vleugel van een vroeger neerhof met een U-vormig grondplan. De muren langs twee andere zijden van het eiland werden mogelijk opgetrokken op de funderingen van gesloopte vleugels. De 19de-eeuwse historicusarchivaris Alphonse Wauters was van oordeel dat het gebouwencomplex niet ouder was dan de 16de eeuw, maar toch schemert de volmiddeleeuwse model van hooghof en neerhof nog door in Harrewijns ets.

De landbouwfunctie van het Groenhof had al geruime tijd onderdak gevonden in gebouwen buiten de ringgracht – niet alleen de twee lage vleugels (vermoedelijk in vakwerk van leem en met een strodak) linksboven op de ets, omringd door moestuin en boomgaard want het nabije Hof ten Broek was, samen met de Herbodinnemolen, eveneens eigendom van de familie le Cocq. Links op de voorgrond – voor de neerhofpoort – ligt een met hoogstammige bomen beplant perceel. Op de brede ringgracht wordt vanaf de buitenoever met een sleepnet gevist. Het steekboogdeurtje in één van de muren van het neerhofeiland gaf via een houten voetgangersbrugje en een met gepunte bollen versierde boog toegang tot een omheinde siertuin, die de voorgrond van de ets vormt. De boog en de omheining van deze tuin, circa 1,5 m hoog, waren waarschijnlijk vervaardigd uit latwerk; de omheining wordt – zoals blijkt uit de knecht met de snoeischaar – geflankeerd door een levende haag. De twee hoekpaviljoenen met hun vierkante leien klokdaken waren van baksteen. Van de met lage buxushaagjes omgeven barokke loofwerkparterres ('parterres de broderie') wordt slechts een stukje getoond. De parterres werden vermoedelijk door een padenkruis gescheiden. Bij het doorbladeren van de 'Castella et praetoria nobilium Brabantiae' valt op dat een dergelijke domeinindeling op het einde van de 17de eeuw niet uitzonderlijk was.

Een perceelskaart van landmeter Jan van Acoleyen geeft een vrij gedetailleerd overzicht van het Groenhof anno 1717, dat op enkele punten afwijkt van de ets van Harrewijn. Ten oosten van het neerhof, op de plek waar Harrewijn de omheinde parterretuin situeert, ligt "den ouden pachters Coolhoff" (moestuin), nr 60 op de kaart van Acoleyen. Het woord 'oud' kan hier voormalig betekenen – want zoals eerder opgemerkt – het neerhof was geen boerderij meer. De echte boerderij bevindt zich dan buiten de ringgracht, met name de twee evenwijdige gebouwen die ook in de linker bovenhoek van de ets worden afgebeeld, maar die door Acoleyen iets meer naar het zuiden worden gesitueerd. De boomgaard (percelen nrs. 51 en 52) – op de ets achter het kasteel afgebeeld – is in 1717 gedeeltelijk omgezet in akkerland. De bomen voor de neerhofpoort (nr. 42a) blijken 'opgaande eycke boomen' te zijn. De 20 m brede oprijlaan (nr. 42), die vanuit het zuidwesten lijnrecht op het Groenhof toeloopt, wordt niet op de ets getoond. De laan helemaal op de achtergrond van de ets vinden we terug bij Acoleyen als de dreef (nr. 43), die vlak voor de neerhofpoort aftakt van de oprijlaan en langs de westgrens van het domein tot tegen de 'Bommelers' loopt, een eigenaardig, in stroken verdeeld perceel, met water omgeven rabatten, mogelijk een relict van een kleine turfstekerij. Aan de oostzijde loopt een brede "nieuwe dreve" (nr. 62), die buiten het gezichtsveld van de ets valt. Ten noorden van de kasteelvijver situeert Acoleyen een grotendeels beboste "warande". Raadselachtig is het ovalen, omgrachte perceel (nr. 35) ten westen van het domein. Dezelfde indeling vinden we terug op een kaart van landmeter Van de Voorde uit 1750, die wel een kopie lijkt van Acoleyen, op één detail na: in de vijver tegen het kasteeleiland aan werd een rechthoekig perceel opgeworpen, wellicht een siertuin.

Klassieke symmetrie

Rond 1760 werd het domein overgenomen door baron Philippe de Vicq de Cumtich (°1708-†1774), achtereenvolgens kolonelcommandant van een regiment kurassiers, militair gouverneur van Brussel en generaal-majoor bij de cavalerieen één van de zonen van Madeleine le Cocq. Het kasteel werd met de grond gelijkgemaakt en een groot gedeelte van de ringgracht werd gedempt. Dit verklaart echter niet waarom de Ferrariskaart (17711775) zo sterk afwijkt van de Acoleyen en Van de Voorde. Niet zelden is de exactheid bij Ferraris ver te zoeken; zo is van de dreef naar de Bommelers niets te bespeuren. De Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door J.-B. Guiot in 1821, sluit veel beter aan bij de kaarten van 1717 en 1750, want de omkadering met de dreef naar de Bommelers en de "nieuwe dreve" ten oosten van het domein is identiek aan deze op de oude kaarten. De grachtarm voor (ten zuiden van) het neerhofeiland werd alleszins gedempt en ongeveer op de plaats van de renaissancepoort, midden op de gedempte grachtarm, verscheen een sober neoclassicistisch 'lusthuis', waarvan ons tachtig jaar later, in een van de uitgaven van de 'Atlas pittoresque des chemins de fer de la Belgique' nog een glimp wordt gegund: het "château de madame de Beughem", half verscholen tussen het groen op het figuratief uitgebeelde tracé van Mechelen naar Dendermonde. Het was een sober, classicistisch gebouw van vijf traveeën en twee bouwlagen onder een steil schilddak, de drie middelste traveeën verenigd in een risaliet, dat door een driehoekig fronton met een oculus werd bekroond. Wat er precies met de kasteelvijver gebeurde valt niet uit te maken. Op de Ferrariskaart wordt hij gereduceerd tot een brede gracht. Het rechte gedeelte van de brede oprijlaan was 300 m lang; daarna vervolgde hij slingerend en veel smaller zijn weg in zuidwestelijke richting, om uit te monden op de huidige Kouterbaan, 400 m ten oosten van de dorpskern van Malderen. Het moet oorspronkelijk de Vicqs bedoeling geweest zijn om de 'Groenhofdreef ' linea recta tot in de dorpskern door te trekken en zich aldus als dorpsheer te affirmeren. Deze 'voie triomphale' werd nooit voltooid. De classicistische symmetrie werd versterkt door twee parallelle dienstvleugels, die samen met het kasteel het ereplein omkaderden. Baron de Vicq had ongetwijfeld een model voor ogen, dat in de 18de eeuw erg populair was: 'vivre entre cour et jardin'. Ten noorden van het kasteel lag vermoedelijk de parterretuin, die op de Ferrariskaart wordt weergegeven.

Het park in landschappelijke stijl

Landmeter Guiot situeert op de Primitieve kadasterkaart (1821) ten noordwesten van kasteel een bijna gesloten dienstcomplex (perceel nr. 170), dat ongetwijfeld als neerhof of kasteelboerderij fungeerde. Een daarvan losstaand dienstgebouw met een langgerekte plattegrond en een uitstulping halverwege, op het zuidoosten georiënteerd (nr. 169), was mogelijk een oranjerie. De oprijlaan, de dreef naar de Bommelers en de nieuwe dreef ten oosten van het domein zijn nog steeds lijnrecht, maar de kasteelvijver (nu zonder eiland) kreeg golvende, 'landschappelijke' contouren. Op de kadasterkaart wordt de vijver afgebeeld als perceel 167, dat Guiot heeft vergeten blauw te kleuren. Hij besloeg 66 are en was omringd door een groot perceel bos (nr. 187) en twee percelen 'hof ' – het kleinste (nr. 168) ongetwijfeld de moestuin naast de boerderij, het grootste (nr. 166) vermoedelijk een siertuin, een 'jardin anglais' van 1 hectare 78 are. Deze configuratie vinden we exact terug op de eerste stafkaart, opgemaakt in 1864. Het Groenhof was sinds 1840 eigendom van Cathérine van der Fosse, weduwe van burggraaf Antoine-Charles-Hyacinthe-Ghislain de Beughem de Houthem (°1771-†1808), afstammeling van Louis van Bodeghem (1470-1540), de architect van de kloosterkerk van Brou bij Bourg-en-Bresse. De familie, die ook het nabijgelegen Hof te Melis te Lippelo (provincie Antwerpen) en het kasteel van Houtem te Ramsdonk bezat, was één van de grootste grondeigenaars in de regio. Pas na de dood van haar zoon in 1888 komt er enige verandering in het domein. Zijn erfgenaam, Charles de Peñaranda de Franchimont (voluit: Marie-Charles-Antoine-Ghislain, °1861-†1924), liet de kasteelboerderij afbreken en bouwde een nieuwe boerderij langs de Broekstraat, buiten het gezicht van het kasteel. Het gebouw dat we als mogelijke oranjerie beschouwen, bleef voorlopig gespaard, maar werd tien jaar later gesloopt, toen aan de oostrand van het park, ten zuiden van het kasteel, een nieuwe aanhorigheid met stallen en koetshuis werd opgetrokken, ter vervanging van de 18de-eeuwse dienstvleugels, die het ereplein voor het kasteel omkaderden. De staatsiedreef, die tot voor het kasteel leidde, werd 150 m ingekort om plaats te ruimen voor een grote rotonde, die als nieuw ere-erf dienstdeed. De nieuwe lay-out valt duidelijk af te lezen op de stafkaart van 1930. Eigenaardig genoeg wordt er in de kadastrale legger nooit gewag gemaakt van 'lusttuin' of 'lustgrond', terwijl de verspreiding van sierbomen over die zogenaamde hof toch duidelijk moest maken dat het niet zomaar om een moestuin of een akkerperceel ging. Bomen die vóór de Eerste Wereldoorlog het Primitieve perceel 166 ('hof ' volgens het kadaster) bevolkten – sommige vermoedelijk nog uit de tijd van weduwe de Beughem – zijn nog in groten getale aanwezig: een drietal 'clumps' met monumentale platanen (Platanus x hispanica), de moerascipres met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens') tussen het kasteel en de vijver, het prieel met Hollandse linden (Tilia x europaea) ten zuidoosten van de vijver, enkele groene en bruine beuken (Fagus sylvatica, F.s. 'Atropunicea').

Kapitalisme, neogotiek en eclectische architectuur

Het 18de-eeuwse model 'vivre entre cour et jardin' behoorde in 1900 definitief tot het verleden. Peñaranda was daarenboven de eerste eigenaar die van het Groenhof zijn vaste woonplaats maakte. De omschakeling van buitenverblijf of zomerhuis (vaak met uitzicht op de mesthoop) naar volwaardige, permanente residentie (de minder appetijtelijke aspecten van het landleven buiten het gezichtsveld) is in de tweede helft van de 19de eeuw – vooral na 1860-1865 – schering en inslag. De aanleg van het dichtste spoorwegnet van Europa had in die periode de combinatie van industrieel bedrijfsleider-kapitalist en herenboer-in-decor mogelijk gemaakt. Deze verandering loopt min of meer parallel met de opkomst van de eclectische architectuur. Voor de nieuwe dienstvleugel met stallen, koetshuis en knechtenlogies, die in het zicht van het kasteel werd gebouwd, was een naar de traditionele bouwkunst zwemende stijl gekozen: speklagen (weliswaar van arduin), trapgevels (ook boven de dakvensters), uilengaten, een torentje met overkragende spits... Naar aanleiding van de wonderbaarlijke genezing van Paula Jooris, Peñaranda's echtgenote, verscheen aan de zuidwestrand van het park een neogotische kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, echo van de Lourdeskapel bij het kasteel Drie Torens te Londerzeel, drie kilometer zuidwaarts. Een gedenkplaat verduidelijkt: "Cette chapelle a été élevée enl'honneur de Notre Dame de Lourdes pour la remercier de m'avoir guérie, Paula de Peñaranda, 1900".

Peñaranda ging tenslotte ook het kasteel te lijf. Hij liet twee brede, ten opzichte van het oorspronkelijke volume verspringende traveeën toevoegen. De heraankleding was duidelijk geïnspireerd door het Franse classicisme. De witgepleisterde gevels kregen imitatievoegen en donker gekleurde imitaties van hoekkettingen en horizontale banden. Het schilddak werd omgewerkt tot een mansardedak met voor die tijd typische dakkapellen en prefab oeils-deboeuf. De hoge breukstenen plint, waarin de ramen van het souterrain zijn verwerkt, is eveneens karakteristiek voor die periode. De keuze van classicisme voor het kasteel en een meer rustiek traditionalisme voor de aanhorigheden is terug te vinden in talrijke kasteeldomeinen, die in de late 19de of de vroege 20ste eeuw werden aangelegd of heraangelegd.

Recente ontwikkelingen

Na de dood van Charles de Peñaranda in 1924 kwam het Groenhof in handen van een Antwerpse vennootschap, de 'Société financière et terrienne', die het enkele jaren later doorverkocht aan de eveneens Antwerpse maatschappij Foresta. In 1962 werd het tenslotte aangekocht door de industrieel Hendrik Seghers. Aan het einde van de jaren 1990 onderging het Groenhofkasteel een 'pilootproject' voor de toepassing van duurzame technologie, gecombineerd met een vingeroefening in design, waardoor het uitzicht van het gebouw enigszins veranderde. De bepleistering van de gevels en het schrijnwerk kregen een uniforme bruingrijze kleur. Voor de zuidwestgevel en op het dak van het kasteel verschenen naar ontwerp van de architecten Philippe Samyn and Philippe Van Caenegem (bureau 'Samyn and Partners') schuivende en scharnierende panelen, die niet alleen het potentieel aan fotovoltaïsche zonne-energie op optimale wijze benutten, maar het eclectische gebouw ook een futuristisch tintje gaven. Dit project was bovendien een onderdeel van een globale aanpak van het domein, waarbij ook tuinarchitect Jacques Wirtz betrokken was, in een latere fase opgevolgd door Eric Dhont. De rotonde, die Peñaranda honderd jaar eerder had laten aanleggen, werd opgeruimd. De ruimte voor het kasteel werd bevolkt met onregelmatige struikmassieven, het grint op het pleintje voor het kasteel werd vervangen door kasseitjes. Het kasteel kreeg een nieuwe, formele omkadering met haagbeukhagen, een kanaalvormig waterbekken met een doorwaadplaats (geïnspireerd door de wandeling van Jezus op het meer van Genezareth) ten noordwesten en nog andere rechte, strakke kanalen.

Merkwaardige bomen (opname 25 augustus 1999)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 3. gewone plataan (Platanus x hispanica) 405
  • 9. gewone moerascipres met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens') 419
  • 14. gewone plataan (Platanus x hispanica) 412
  • 15. gewone plataan (Platanus x hispanica) 435
  • 16. gewone plataan (Platanus x hispanica) 401
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Malderen 1889 nr. 1.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Malderen, art. 43 nrs. 134-145 en 152, art. 554.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212A Malderen, art. 1727 nrs. 35-41 en 52 en art. 1985.
  • DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 374.
  • DE RIDDER A., La noblesse de Belgique. Annuaire de 1925, (II), Bruxelles, Dewit, 1926, p. 166.
  • DE STEIN D'ALTENSTEIN I., Annuaire de la noblesse de Belgique (8e année), Bruxelles, Decq & Muquardt, 1854, p. 62.
  • LE ROY J., Castella et praetoria nobilium Brabantiae, coenobiaquecelebriora ..., 1694.
  • VERHEYDEN J., Het hof van Marselaer te Malderen in de 17de eeuw, Geschied- en Oudheidkundige Kring van Londerzeel v.z.x., 2003, p. 59-68.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, IV (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 252.
  • M. VAN DOREN, Malderen, dorp onzer dromen, Nieuwkerken-Waas, Het Streekboek, 1990, p. 78.
  • VERBOUWE A., Iconografie van Vlaams-Brabant (IV), Kanton Wolvertem, Brussel, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1942.
  • DE STEIN D'ALTENSTEIN I., Annuaire de la noblesse de Belgique (16e année), Bruxelles, A Decq, 1862, p. 214-216.
  • WAUTERS A. , Atlas pittoresque des chemins de fer de la Belgique[…], section de Malines à Termonde, Bruxelles, Établissement géographique de Ph. Vandermaelen, 1840,

Bron: DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.

Auteurs: Deneef, Roger; Van den Borne, Steven & Wijnant, Jo

Datum tekst: 2011

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Malderen

Malderen (Londerzeel)

omvat Domein Groenhove

Groenhof 1, Londerzeel (Vlaams-Brabant)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.