Domein van de Nationale Plantentuin van België

inventaris landschappelijk erfgoed \ historische tuin of park

Locatie

Alternatieve naam Park van het Kasteel van Bouchout
Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Meise, Wemmel
Deelgemeente Meise, Wemmel
Straat Nieuwelaan, Kruidtuinlaan, J.Van Gijsellaan
Locatie Nieuwelaan zonder nummer (Meise), J.Van Gijsellaan zonder nummer, Kruidtuinlaan 2 (Wemmel)

Juridische gevolgen

is beschermd als cultuurhistorisch landschap Nationale Plantentuin van België

Deze bescherming is geldig sinds 09-08-1967.

Beschrijving

Park in landschappelijke stijl van 143 hectare, ontstaan uit de samen­voeging van tot de 12de eeuw opklimmende domeinen: Meise en Bouchout, in 1879-1881 aangekocht door koning Leopold II voor zijn zuster Charlotte en omgewerkt tot één landschappelijk park met twee kastelen; circa 1700 een barok lustslot (Meise) en een feodale burcht (Bouchout), beide rond 1810 omringd door 'Engelse' tuinen met diverse 'fabriekjes' en 'follies', die wellicht een maçonnieke betekenis hadden, onder meer een rustieke rotsbrug annex grot (Bouchout) en een neoclassicistische 'Vriendschapstempel' (Meise), met ook nog een monumentale oranjerie (Meise) en een 'hermitage' in neogotische 'troubadourstijl' (Bouchout); in 1938 aangekocht door de Belgische Staat, vestiging van de Nationale Plantentuin; het kasteel van Meise werd in 1944 zwaar beschadigd en gesloopt; bouw van een imposant serrencomplex ('Plantenpaleis') in 1947-1958 en van een elegant, laatmodernistisch herbarium- en bibliotheekgebouw in 1959-1962; diverse belangrijke collecties van onder meer magnolia en rododendron; een van de interessantste domeinen van België op historisch, landschappelijk, botanisch en dendrologisch gebied.

De Nationale Plantentuin, ook domein van Bouchout genoemd, is ontstaan uit de samensmelting van de kernen van twee heerlijke domeinen, waarvan de oorsprong teruggaat tot de hoge middeleeuwen en de kernen gelegen zijn op het grondgebied van de gemeente Meise. De heerlijkheid van Meise hoorde toe aan de heren van Grimbergen, tot 1160 de Berthouts, en was sensu stricto het dorpskasteel van Meise. Het domein van Bouchout stond daarentegen rechtstreeks onder het gezag van de hertog van Brabant en is waarschijnlijk ontstaan als een voorpost in zijn strijd met de heren van Grimbergen. Vanaf de 18de eeuw groeien er via huwelijken familiale banden tussen de beide domeinen. Die zullen pas in de late 19de eeuw door koning Leopold II worden verenigd. In 1879 kocht hij het domein Bouchout en de aanpalende landerijen in naam van zijn zuster, 'keizerin' Charlotte, de weduwe van Maximiliaan van Oostenrijk, kortstondig keizer van Mexico. Twee jaar later verkocht baron Vanderlinden d'Hooghvorst het domein van Meise aan de koning. Onder hem versmolten beide entiteiten tot één groot romantisch park.

Twee domeinen, twee families

Vanaf de late 17de eeuw was Bouchout in handen van de familie Roose. Peeter-Ferdinand Roose, jurist, lid van de Raad van Brabant en meier van de stad Antwerpen, kocht het aan in 1677. Melchior Roose, een neef van hem, erfde het domein in 1705. Na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1733, huwde Melchior met Maria-Francisca Vanderlinden d'Hooghvorst, dochter van de heer van het naburige hof van Meise. Toen zijn zoon Arnoldus-Melchior in 1760 in de slag van Liegnitz sneuvelde, kwam Bouchout in handen van diens oom Peter-Karel-Jozef de Baisy, die het bij zijn dood in 1776 overliet aan zijn zoon Peter-Alexander-Joan Roose de Baisy. Zowel de vader als de grootvader van deze laatste bekleedden het ambt van meier van de stad Antwerpen. Het sociale leven van de familie Roose speelde zich gedurende de 18de eeuw dan ook voornamelijk af in het Antwerpse.

Van de 13de tot het midden van de 16de eeuw was het goed van Meise in het bezit van de familie Van Immersele. In 1544 werd het verkocht aan de familie vander Ee die het op haar beurt, wegens een te zware schuldenlast, in 1671 moest verkopen aan weduwe Barbe Vanderlinden, burchtvrouw van Staye. Bij haar kinderloos overlijden, vermoedelijk rond 1688, liet zij het domein van Meise na aan haar neef Jean-Philippe Vanderlinden, baron van Hooghvorst, later schoonvader van voormelde Melchior Roose. Zijn kleinzoon Jean-Joseph Ghislain zal na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1783 trouwen met Maria-Caroline-Jozefa Roose de Baisy, de dochter van zijn buurman.

De dubbele structuur van zowel Bouchout als Meise is nog min of meer herkenbaar op kaarten van 1717 en 1725. In beide gevallen gaat het om twee omwalde entiteiten of een dubbele motte. Op één ervan stond het versterkte herenverblijf of hooghof – in zijn meest primitieve vorm wellicht een houten toren, later een stenen donjon; op de andere motte bevond zich de hoeve of het neerhof. Talrijke neerhoven werden tijdens de late middeleeuwen 'gecastelliseerd' en buiten de grachten werd een nieuw neerhof gecreëerd. In Meise heeft zich waarschijnlijk ook een dergelijke verschuiving voorgedaan. De perceelsomschrijving van nummer 22 op het eerste kaartblad in het kaartenboek van 1717 (bewaard in het gemeentearchief van Meise) binnen het huidige park van de Nationale Plantentuin aangeduid als de kleine vijver, luidt als volgt: "plaetse met een mot genaemt berchhuijs". In een stuk uit het archief van de stad Brussel wordt deze oudste castrale motte omschreven als: "tot deze heerlykheyt [vander Ee] hoort toe een selve motte tweemael entwaert ende pleeck hier voortijds te staen huys, twelck genoemd was thuys van Immerzele ende nu al vergaen moer daerop blijven staend een cleyn steynen huysken".

De bouw van een U-vormig barokslot te Meise

Drie kaartenboeken geven een idee van de toestand in de late 17de en de vroege 18de eeuw: dat van de abdij van Grimbergen uit 1699, dat van Meise ("Metinghe ende Caertboeck der Prochie ende Juredictie van Meys […]") uit 1717, en dat van Wemmel (Kaertenboeck van Wemmel,bewaard in het gemeentehuis van Wemmel) uit 1725. Net als in de rest van Brabant werden de domeinen gekenmerkt door een opvallende rechthoekige kavelstructuur. De kavels werden gescheiden door een netwerk van dreven, die afgezoomd waren met rijen bomen, meestal enkele rijen, soms dubbele. Uit de beschrijving van gelijkaardige dreven, terug te vinden in de tekstboeken bij het kaartenboek van Meise en dat van Grimbergen, kan worden afgeleid dat ze in hoofdzaak beplant waren met linde, iep en eik. Dat wordt bevestigd door 'Manuel de l'Arboriste et du Forestier Belgiques' uit 1772 van baron de Poederlé, waarin hij een overzicht en aanduidingen geeft voor de aanplant van bosbestanden en dreven.

In het archief van de stad Brussel (farde 475) zit een document gedateerd 1653 waarin jonkvrouw Anna vander Ee de volgende beschrijving geeft van het kasteel van Meise en zijn onmiddellijke omgeving: "…een schoon en playsant gebouw, 't casteel in 't voorzicht op zijn Italiaans met schoone thorens, schoone bassecourt, quadraat met schoone stallinge ende 't bassecourt besloten in zijn muren ende thorekens. Schoon innecomen ofte entree door grooten boomgaert. Hoven, parteiren, bemden en boomen, prieelen, vijvers, kweekerije, pruymderijen, wijnberge ende vijgenboschken ende groote keukenhoff, het perspectief van boomen dat gesien wordt van den grooten saletten. Doelhofboschken, sternboschken ende het Block om pijnboomen tegen de fraaie trunckdreve. […] Den pruymenhoff met den hof boven de trappen ende groote bankenhof met dreve daaraan gelegen ende tegen de kwekerije ineen geplant met dreven en schoone haegen".

Deze beschrijving van het kasteelgoed beantwoordt aan het beeld op een ets van Harrewijn in Le Roys 'Castella et praetoria nobilium Brabantiae' van 1699. Het heeft een symmetrisch, U-vormig grondplan, hoge ramen met kruiskozijnen – sommige ingelijst met voluten en driehoekige frontons – en twee hoektorens met golvende tentdaken en ajuinspitsen. Het is typisch voor de 17de eeuw, maar een precieze bouwdatum is niet bekend. In de linker bovenhoek van de ets bevindt zich het wapenschild van de familie vander Ee. Dit wapenschild, in combinatie met het bovenstaande citaat, laat vermoeden dat de gesloten middeleeuwse burcht onder vander Ee verbouwd is in de eerste helft van de 17de eeuw, dus vóór de verkoop aan de familie Vanderlinden in 1671. In de omschrijving van de omgevings- en tuinaanleg is er sprake van 'pruymderijen', te lezen als boomgaarden waar pruimen gekweekt werden. De regio was vanouds gekend voor de commerciële teelt van pruimen. In het landschap is daar vandaag weinig van terug te vinden, maar in de museumtuin bij het kasteel van Gaasbeek heeft men een groot deel van deze historische streekgebonden pruimenrassen opnieuw samengebracht.

Bouchout in de 17de eeuw

In vergelijking met de grootschalige, vroegbarokke transformaties rond het kasteel van Meise bleef in Bouchout alles bij het oude. De herenmotte groeide er uit tot een gekanteelde feodale burcht, die voor het eerst wordt afgebeeld in Gramayes 'Vilvordia cum Pagis Comitatus sive Territorii Bruxellensis', uitgegeven in 1606. Het 'Bocholdia Castrum', dat met het vasteland verbonden was door een lange, houten brug met halverwege een poorthek en tenslotte een ophaalbrug, wordt getoond vanuit het zuidoosten, maar van de omgeving zijn alleen de brede slotgracht en de dubbele rij bomen op de oevers zichtbaar. De massieve, vierkante westtoren met zijn tentdak, kantelen en machicoulis stamt af van de primitieve donjon. De vier andere torens droegen (halve) kegel- of tentdaken, waarvan er een met een trapgevel was afgewerkt. De ruime noordelijke vleugel was ongetwijfeld het herenverblijf. Op een latere 17de-eeuwse lavistekening die bewaard wordt in het Louvre en op twee etsen van Harrewijn opgenomen in Le Roys 'Castella et Praetoria nobilium Brabantiae', is er aan het gebouw weinig veranderd. Bovenaan de ets van Harrewijn, die de waterburcht en zijn omgevingsaanleg toont, prijkt het wapenschild van de familie Roose, want Peeter-Ferdinand Roose had het domein in 1678 aangekocht. De tekst onder de etsen van Harrewijn vermeldt dat hij het kasteel moderniseerde en de eilandtuin aanlegde.

In het omschrijvende tekstboek bij het kaartenboek van Meise uit 1717 wordt deze eilandtuin, afgebeeld onder het perceelnummer 16, omschreven als de "nieuwen hoff met d'water daerom". Waarschijnlijk bevond zich op dit eiland het oorspronkelijke neerhof. Op voornoemde kaarten en etsen is deze eilandtuin gedetailleerd uitgetekend als een formele tuin met 'compartiments en broderie' omsloten door meer dan manshoge hagen, berceaus en groenpaviljoenen. In het centrum bevindt zich een rond bekken met een opspuitende fontein. Deze omsloten eilandtuin, typisch voor de hoge renaissance, komt aan het einde van de 17de eeuw eerder als een anachronisme over.

Een vergelijking tussen de site van Bouchout en die van het Prinsenkasteel te Grimbergen zoals weergegeven in het kaartenboek van Grimbergen aan het einde van de 17de eeuw, leidt tot de vaststelling dat in beide domeinen het neerhof zich heeft ontwikkeld westelijk van de ophaalbrug, dus buiten de wallen. Deze fase in de evolutie van de kastelen wordt vandaag ook wel de eerste fase van het 'castellisatieproces' genoemd. De tweede fase – het openbreken van de gesloten burcht en zijn omvorming tot een U-vormig lustslot naar Frans model, met aansluitend een parterretuin waarvan de hoofdas op het kasteel georiënteerd is – werd op dat moment in geen van beide gevallen aangevat. Zowel Bouchout als Grimbergen heeft rond 1700 een eilandtuin. Dergelijke eilandtuinen komen frequent voor en zijn doorgaans relicten van ofwel de oorspronkelijke neerhofmotte (zoals in Bouchout), ofwel de primitieve castrale motte. Rond het Prinsenkasteel te Grimbergen werd westelijk van het slot reeds vóór 1699 een indrukwekkende, voor die tijd 'moderne', barokke tuin aangelegd. De eilandtuin van baron Roose de Baisy te Bouchout was daarentegen zelfs niet visueel verbonden met het kasteel, wat voor die tijd totaal uit de mode is. De etsen van Harrewijn informeren vrij gedetailleerd over de ruimere omgevingsaanleg. Met behulp van de perceelbeschrijving bij het eerste kaartenblad van het kaartenboek van 1717 zijn verschillende structuren te duiden. Ten zuiden van het neerhof van Bouchout lag toen een grote boomgaard en verder naar het zuidwesten, in een dalzone die vandaag de Machoechel genoemd wordt, was er een grote, naar het zuiden spits uitlopende vijver, omringd door beboste hellingen. Het dalhoofd werd ingenomen door een kleine, gekanteelde toren. Op ongeveer dezelfde locatie bevindt zich vandaag een achthoekig belvedèrepaviljoen dat in de 19de eeuw werd gebouwd, het zogenaamde Jachtpaviljoen, wat waarschijnlijk een verwijzing is naar het historisch gebruik van de locatie. Het oorspronkelijk jachtpaviljoen was, voortgaande op de gravure, een stenen schuilhut van waaruit men kon schieten op de eenden en de andere watervogels, die tijdens de trek voor een rustpauze neerstreken op de door bossingels beschutte vijver. Dit paviljoen wordt weergegeven op de ets van Harrewijn (tegen de linkerrand) en op de figuratieve kaart van Wemmel van 1725.

Zowel op de kaart van Meise (1717) als op die van Wemmel (1725) verschijnt het oude neerhof van Bouchout als een U-vormig, naar de kasteelpoort geopend complex. Het had twee moestuinen: de 'coolhoff' achter het neerhof, en de 'Ouden coolhoff', een grote, langwerpige, noord-zuid-georiënteerde moestuin. Die werd langs het oosten begrensd door de oorspronkelijke toegangsdreef, langs de westzijde door twee kleine vijvers. Hij was verdeeld in bedden langs een overlangse as en met bomen omzoomd (perceel 4 op de kaart van 1717). Een glooiend, landschappelijk gazon, anno 2009 de 'Magnoliaweide' genoemd, bevindt zich vandaag ongeveer op de locatie van de voormalige moestuin. De vijvers zijn verdwenen.

Bouchout in de 18de eeuw

Tijdens het eerste kwart van de 18de eeuw gebeuren geen ingrijpende wijzigingen te Bouchout. Het domein is in ongeveer dezelfde gedaante terug te vinden op een panoramisch schilderij van Meise te dateren rond 1730 (dit niet gesigneerde werk wordt bewaard in de voormalige pastorie van Meise). Om een beeld te krijgen van eventuele wijzigingen tijdens de 18de eeuw is de kaartenatlas van Ferraris (1771-1775) de meest betrouwbare en gedetailleerde referentie. Ferraris tekende Bouchout op als de hierboven beschreven gesloten, omwalde, feodale burcht, die toen een volslagen anachronisme was. De 'coolhoff' ten zuidoosten van het kasteel was blijkbaar nog in functie. De contouren van de eilandtuin zijn nog herkenbaar, maar hij werd ingekleurd als een hakhoutbestand waartussen, op grote tussenafstand, solitaire hoogstambomen staan. Uit deze informatie valt te besluiten dat de voormalige eilandtuin aan het einde van de 18de eeuw werd beheerd zoals het aanpalende broekbos langs de Maelbeek. Het is opvallend dat van de tweede fase van de 'castellisatie', die in Vlaanderen algemeen plaatsgrijpt vanaf de 17de en vooral in de loop van de 18de eeuw, te Bouchout nog niets te bespeuren valt. Bij het Prinsenkasteel te Grimbergen gebeurde dat wel: het kasteel werd opengebroken en de eilandmotte weggegraven om zo te komen tot de grote spiegelvijver die het lusthof en zijn omgeving oneindig weerspiegelden.

Het sociale leven van de familie Roose de Baisy, die in de 17de en de 18de eeuw tot de meest welgestelde notabelen van de Nederlanden kunnen worden gerekend, speelt zich zowat de hele 18de eeuw af in en rond Antwerpen. Zo kocht graaf Peter-Alexander-Joan in 1777 het rococopaleis op de Meir, dat vandaag gekend is als het 'Koninklijk Paleis'. Hieruit kan worden besloten dat Bouchout voor de familie Roose in eerste instantie een statussymbool was, dat hen verbond met de oude feodale adel van het hertogdom Brabant.

Het kasteel van Meise in de 18de eeuw, van lustslot naar productiedomein

De heerlijkheid Meise, feodaal afhankelijk van de heren van Grimbergen, was veel nauwer betrokken bij het dorp dan Bouchout, dat rechtstreeks onder de hertog stond. Van de riante omgevingsaanleg zoals beschreven door jonkvrouw Anna vander Ee in het midden van de 17de eeuw, blijkt bij de aanvang van de 18de eeuw nog vrij weinig terug te vinden. De percelen rond het kasteel en hun bijbehorende beschrijvingen in de tekstboeken bij het kaartenboeken van Grimbergen (1699) en – meer gedetailleerd – Meise (1717), wijzen eerder op een gereduceerde tuinaanleg. Het kasteel en het neerhof met in zijn centrum een vierkant stenen bekken met opspuitende fontein zijn bewaard, net als de kleine siertuin (perceel nummer 73), 'den bogaert genoemt den leenman' (nummer 72) op het oosten en 'den Casteel bogaert' (nummer 76) zuidwestelijk van het kasteel. Het voormalige sterrenbos, (nummer 78) werd vereenvoudigd en wordt in het Kaartenboek van Meise omschreven als 'hoff ende eeckelen bos'. Perceel nummer 79 is aangeduid als 'lant de kriekerije', een duidelijke verwijzing naar een steenfruitboomgaard en naar de eerder op productie gerichte bestemming. Uit het tekstboek is ook op te maken dat de vijvers te Meise net als de kasteelhoeve (nummer 67) verpacht werden. De drie vijvers langs de zuidzijde van het kasteel werden niet omgewerkt tot één grote spiegelvijver, een vast onderdeel bij de omgevingsaanleg van de tweede 'castellisatie'.

De overige niet bebouwde percelen werden aangeduid als 'lant' of 'weijden' en hadden dus een louter agrarische functie. De percelen langs de Maelbeek (ook Meisebeek of Amelvonnesbeek) werden omschreven als bos. Deze zones zijn tot vandaag in beheer als natbos of broekbos waarin nog enkele uitgegroeide meerstammige hakhoutstoven voorkomen. Op de Ferrariskaart zijn deze zones ingekleurd als hakhout, waarin op ruime tussenafstand hoogstammige bomen stonden. Open hakhout met hoogstammen op regelmatige tussenafstand was sinds de hoge middeleeuwen een algemeen verspreid beheertype. In tegenstelling met de familie vander Ee, die het hof van Meise tot 1671 beheerde, hechtten de Vanderlindens veel meer belang aan een productieve landbouwuitbating. De bouw van een imposante vierkantshoeve in 1717 – vandaag gekend als het Drietorenhof of het hof van baron Van Gysel – illustreert dit. Door de bouw van deze nieuwe landbouwuitbating wordt te Meise de eeuwenoude nauwe band tussen herenhof en neerhof verbroken; dit wordt ook wel de eerste stap in de derde fase van de 'castellisatie' genoemd.

Relicten van 18de-eeuwse parkaanleg

De kaarten geven weinig concrete informatie over de boomsoorten die gebruikt werden om de dreven te beplanten, maar een artikel in 'La Tribune Horticole' van 1907 maakt melding van diverse omvangrijke, eeuwenoude linden, eiken, beuken en iepen, mogelijk nog in de late 17de eeuw aangeplant door Peeter-Ferdinand Roose. De auteur van dit artikel, Henry Van Dievoet – een bevoorrechte getuige want zijn vader was de hoofdtuinier van baron d'Hooghvorst op het domein van Meise – vermeldt ook aanplantingen in de late 18de eeuw. In de huidige Nationale Plantentuin zijn vandaag enkel op de site van het voormalige kasteeldomein van Meise drie bomen terug te vinden die met zekerheid teruggaan tot de 18de eeuw. Langs de westelijke grens van het voormalige bos van Meise, het voornoemde 'Sterrenbos' of 'eeckelen bos', groeit een zomereik (Quercus robur) met een stamomtrek van 456 cm en twee tamme kastanjes (Castanea sativa) met stamomtrekken van respectievelijk 557 cm en 462 cm. Volgens Van Dievoet zou te Bouchout op aanwijzing van een zekere Verlée in 1785 een nieuwe dreef met honderd beuken zijn aangeplant – de zogenaamde Grimbergse dreef, die gericht was op de toren van de abdijkerk van Grimbergen en er als het ware een 'vista' naartoe vormde. Deze dreef bestaat nog steeds onder dezelfde naam. In 1907 hadden deze beuken (Fagus sylvatica) stamomtrekken tussen 4 en 5 m. Twee van deze beuken vielen om in respectievelijk 1991 en 1995; hun stamomtrek bedroeg circa 645 cm en er werden bij benadering 200 jaarringen geteld. Vandaag meten de drie dikste beuken respectievelijk 465 cm, 425 cm en 418 cm; ze gaan vermoedelijk terug tot de vroege 19de eeuw.

Ook in de jaren 1780 werd de dreef langs de kasteelvijver – vandaag Koninginnedreef – de nieuwe toegangsdreef tot het kasteel. Hij werd met een dubbele rij rode beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') beplant; de dikste relictboom van deze in de loop van de jaren sterk uitgedunde dreef meet 465 cm en kan dus eveneens gesitueerd worden in de vroege 19de eeuw. Men kan dus stellen dat in de loop van de 18de eeuw beuk en tamme kastanje aloude laanbomen als linde, iep en eik kwamen vergezellen. Deze nieuwe soorten werden vooral aangewend in de dreven die naar het kasteel leiden. In de zone waar zich vandaag het 'fructicetum' bevindt, staat een monumentale zomereik met een recht opgaande stam en een stamomtrek van 415 cm (gemeten op 1 m hoogte op 27 juni 2007). Hij is een laatste restant van de dreef die tot het einde van de 19de eeuw deze zone doormidden sneed en dateert waarschijnlijk uit het begin van de 19de eeuw. Twee geënte, compact groeiende tamme kastanjes met respectieve stamomtrekken van 385 cm en 448 cm, zijn mogelijk ook 18de-eeuwse relicten van een dreef die naar het kasteel liep. Deze zone werd na 1800 herhaaldelijk opnieuw geprofileerd en de bodem is er ook vandaag nog zeer compact. Dit is wellicht de oorzaak van de gedrongen groei, zowel in de hoogte als in de breedte. Voor een optimale groei verlangt de tamme kastanje een goed gedraineerde en diep doorwortelbare bodem. Op de oudste ansichtkaarten van het kasteel van Meise prijkt nog een libanonceder (Cedrus libani), die volgens Van Dievoet zou zijn aangeplant in 1779. Het zou gaan om een stek van de beroemde libanonceder die door de Franse botanicus Bernard de Jussieu in 1734 in de Parijse 'Jardin des Plantes' werd aangeplant.

Van het oude rechthoekige drevenpatroon bleef op het historische domein van Bouchout nog een relict bewaard. Het betreft een met beuken afgezoomde dreef aan de rand van de boszone begrensd door grasland, een historische slibweide, langs de westzijde van het kasteel en de neogotische 'kluizenaarshut' (zie verder). Deze bomen hebben stamomtrekken van 3 tot 4 m. Vermeldenswaardig is ook het blok van bospercelen (nummer 79 op de kaart van 1717), die door landbouwgrond omgeven worden. Vandaag is deze zone nog steeds als bos en bostuin voor collectieplanten in beheer. Het is een gebied met een rijke voorjaarsflora, waarvan bosanemoon (Anemone nemorosa) – door sommigen beschouwd als een indicatorsoort voor 'oude' bossen – het meest in het oog springt.

Het domein van Bouchout in de vroege 19de eeuw

In 1817 overleed Karel-Peter-Jozef Roose de Baisy. Het domein kwam in handen van zijn dochter Elisabeth, die in 1830 huwde met Amedée de Beauffort. Tot nu toe werd aangenomen dat dit echtpaar het kasteel en het domein van Bouchout heeft getransformeerd. Graaf de Beauffort heeft uiteraard in belangrijke mate het huidige uitzicht van het kasteel bepaald, maar uit verschillende bronnen blijkt dat het kasteel en in het bijzonder de tuin en de aanpalende gronden twee decennia eerder al een belangrijke gedaanteverwisseling hadden ondergaan. Op de Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door Bastendorff in 1821, is de vleugel met de poorttoren al verdwenen en ligt de burcht open naar het zuidoosten. Tijdens de Franse Revolutie zou de burcht bezet zijn geweest door Franse troepen, die – althans volgens één auteur – om gemakkelijker met hun kanonnen op het binnenplein te geraken de poorttoren met de belendende vleugels en de toegangsbrug sloopten. Na de revolutie zou, volgens dezelfde auteur, het kasteel slechts minimaal hersteld zijn. Dit lijkt onwaarschijnlijk. In de loop van de 17de en de 18de eeuw werden tal van feodale burchten omgebouwd tot lustslot. Gesloten complexen werden meestal naar één zijde opengelegd, kregen indien mogelijk een U-vormige plattegrond en vormden voortaan het middelpunt van een tuin of park, strak geometrisch of vanaf het einde van de 18de eeuw landschappelijk.

Karel-Peter-Jozef Roose de Baisy, die in 1785 op 17-jarige leeftijd zijn vader opvolgde als eigenaar van Bouchout, begon rond deze tijd de omgevingsaanleg te wijzigen. De kadasterplannen van Bastendorff en enkele afbeeldingen (zie verder) bevestigen dat hij zijn hervormingsplannen bij de aanvang van de 19de eeuw voortzette. Hij opteerde ditmaal resoluut voor de pittoreske landschapsstijl. Opnieuw is het Van Dievoet die de naam 'Verlée' aanhaalt, net als voor de Engelse tuin rond het kasteel van Meise in 1818. 'Verlée' kan hier ongetwijfeld als 'Verly' geïnterpreteerd worden. François Verly (1760-1822) was een Franse architect, gevormd in Rijsel en Parijs. In 1801 vestigde hij zich definitief in de voormalige Oostenrijkse Nederlanden, in het spoor van Napoleon. Hij werd belast met belangrijke openbare opdrachten en werkte mee aan de heraanleg van diverse privédomeinen. Zijn denken ligt volledig in de lijn van het symbolisch-visionair classicisme en hij is dan ook te beschouwen als een belangrijke volgeling van gerenommeerde architecten als Claude-Nicolas Ledoux en Étienne-Louis Boullée. Hun architectuur wordt gekenmerkt door solide, vaak gesloten, bouwvolumes en een spel van kubussen en bollen volgens de regels van de gulden snede. Deze karakteristieken zijn ook terug te vinden in de projecten van Verly. Hij werkte als architect, ontwerper van interieurs, stedenbouwkundige en landschapsarchitect, onder meer in het kasteel van Duras. Tijdens de Revolutiejaren ontwierp hij ook heel wat gelegenheidsarchitectuur voor de grote revolutionaire feesten. Een groot deel van zijn oeuvre kan vandaag enkel nog aan de hand van plannen en projecten beoordeeld worden. De 'Vriendschapstempel' en het omliggende landschapspark bij het kasteel van Meise (zie verder) behoren tot de laatste, nog bestaande realisaties van zijn hand. Verly was echter ook één van de eersten die de pittoreske, speelse, op de gotiek gebaseerde vormentaal, die meestal als 'genre troubadour' wordt omschreven, in de architectuur introduceerde, onder meer in 1811 in het kasteel van Wissekerke te Bazel.

Geen enkel document heeft tot nog toe aangetoond dat Verly voor de familie Roose de Baisy heeft gewerkt. Alleen de op 'oral history' gebaseerde uitspraak van Van Dievoet (zie hoger) brengt hem ('Verlée') met Bouchout in verband. Contacten met Karel-Peter-Jozef Roose de Baisy lijken echter niet uitgesloten, want als deze in 1812 zijn paleis op de Meir te Antwerpen verkoopt, wordt Verly door de nieuwe eigenaar, Napoleon Bonaparte, belast met het ontwerpen van een nieuw interieur. Bovendien was er de familiale én de ruimtelijke link met het kasteel van Meise, waar Verly in 1818 aan de slag ging. De stelling dat Verly beide domeinen zou hebben ontworpen, zou ook verklaren waarom ze visueel bijna naadloos in elkaar overlopen. Deze visuele eenheid, die al vóór de samensmelting aan het einde van de 19de eeuw een feit was, wordt bevestigd door ooggetuige De Cloet, die in 1825 in zijn 'Voyage pittoresque dans le royaume des Pays-Bas' opmerkt "Le voisinage du château de Meysse, dont les promenades paraissent continuer celles de Bouchout".

De wijzigingen van Karel-Peter-Jozef Roose de Baisy

Twee afbeeldingen van het kasteel van Bouchout uit de vroege 19de eeuw – een anoniem schilderij in het bezit van de familie de Beauffort en een litho van Jobart in voormelde 'Voyage pittoresque' – maken duidelijk dat er meer aan de hand was dan wat minimale herstellingen om het kasteel weer bewoonbaar te maken en, bovendien, dat er zwaar geïnvesteerd is in de tuinaanleg. Rechts op de litho van Jobard is een neoklassiek gebouw te zien, waarvan de westelijke gevel geritmeerd wordt door pilasters en blinde nissen onder segmentbogen: de koetsenstelplaats annex paardenstal (als dusdanig vermeld onder het perceelnummer 194 op het Primitief kadasterplan). Dit koetshuis zal in 1869 worden afgebroken en is vandaag te situeren in de schaduw van een imposante eenbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia' met 485 cm stamomtrek). De noodwestelijke vleugel van het kasteel (perceel nummer 196) onderscheidt zich door een arcade, waarin zich de hoofdingang bevindt. Beide afbeeldingen tonen een ovaal bloemperk (vermoedelijk rozen) op het ereplein en de nog bestaande es ervoor. Op het schilderij wordt dit perk afgeboord door een laag hek in latwerk en zijn de pilaren van de arcade met klimrozen begroeid. Bakken met laurierboompjes, een hondenhok en een zeilbootje op wat overblijft van de slotgracht verlevendigen het beeld. Links op zowel de litho als het schilderij is de oude donjon herkenbaar, die zijn oorspronkelijke gevelopeningen heeft bewaard, maar het piramidedak werd omgevormd tot een laag tentdak. Het voornoemde schilderij geeft een meer gedetailleerd en rianter beeld van het kasteel vóór 1825. Het heeft grote, 'Franse' vensters, die in de westelijke vleugel (die aansluit bij de donjon, maar grotendeels verscholen ligt achter een boom op de litho van Jobard) spitsboogvormige bovenlichten hebben. Dit is één van de vroegste uitingen van de neogotiek in België.

De Primitieve kadasterkaart (1821) toont niet alleen dat er aan het kasteel werd gewerkt, maar ook dat het domein werd omgevormd tot een pittoreske landschappelijke tuin, waarvan de gazons doorlopen tot op het ereplein van het kasteel. De dijk tussen de slotgracht en de eilandtuin werd weggegraven, waardoor één grote vijver ontstond. De oevers kregen een onregelmatig slingerend verloop en de scherpe hoeken van het eiland werden afgerond, zodat de vijver er min of meer natuurlijk ging uitzien. Het eiland paste als verwijzing naar het aan Aphrodite gewijde eiland Cythera of het eiland van Robinson Crusoe ongetwijfeld in een romantische visie. De opdrachtgever van al deze transformaties, Karel- Peter-Jozef Roose de Baisy, overleed in 1817. Het is dus waarschijnlijk dat deze transformaties werden uitgevoerd tussen 1800 en 1817, met een sterk vermoeden tussen 1805 en 1810, de periode waarin een groot aantal vroege 'Jardin Anglais' het licht zagen. Het kasteel met zijn torens en galerie, waarvan de zuilen met klimplanten begroeid waren, worden door De Cloet in zijn 'Voyage pittoresque' beschreven als de kern van een bijzonder schilderachtig geheel: "Les promenades, qui renferment une colline, deux pièces d'eau considérables, des prairies et de belles allées, présentent une variété étonnante de sites, auxquels l'ondulation du terrain ajoute de nouveaux charmes".

In deze 'Engelse' tuin, in de kadastrale legger omschreven als 'lusthof', verschenen in die periode diverse 'follies'. Zij moesten het wandelparcours verlevendigen maar hadden wellicht ook een emblematisch karakter.

1° De 'Engelse brug' met langs de oostelijke ingang een grot. Ze wordt gesuggereerd op het Primitief kadasterplan van Meise (1821). Ze is oost-west georiënteerd en langs de buitenzijde volledig afgewerkt met harde zandsteenknollen. Vandaag is deze rustieke afwerking voor een groot gedeelte met klimop overgroeid. De oost-westoriëntatie verwijst naar de cyclus van de zon: de opkomende zon of het licht, symbool voor kennis met zijn antipode in het westen, een verwijzing naar het einde van het leven en de onderwereld. Deze symboliek sluit aan bij het in die tijd populaire 'elysium', naar het voorbeeld van de door William Kent in 1735 ontworpen galerij met borstbeelden van 'British Worthies' in het park van Stowe (Buckinghamshire, Engeland). De diverse nissen in de zijwanden versterken dit vermoeden. Waarschijnlijk hebben er ooit bustes gestaan van historische beroemdheden of filosofen. In de zuidelijke zijwand onder de brug bevindt zich een marmeren haut-reliëf, dat waarschijnlijk de herrijzenis van de feniks voorstelt. Op de tegenoverstaande wand, eigenaardig genoeg tegen de grond aan, bevindt zich een steen met een blazoen dat teruggaat tot de late 16de of de vroege 17de eeuw. Volgens de heraldici Johan Roelstraete en Pieter Donche verwijzen de kwartieren 1 en 4 naar het Bourgondische hof, meer bepaald naar Filips de Goede. Het wapenschild zou toebehoren aan een afstammeling van Karel van Bourgondië, zoon van Boudewijn van Bourgondië, een erkende bastaardzoon van Filips de Goede. Onder het blazoen is de wapenspreuk "Bon Devoir Gaigne" te lezen. Deze bastaardlijn heeft geen enkele connectie met de heren van Bouchout of zelfs het hertogdom Brabant. De wapensteen werd waarschijnlijk na de Franse revolutie, bij de aanvang van de 19de eeuw, door Roose de Baisy als antiquarisch element aangekocht en ingepast in de brugfolly. De 'Engelse' tuin van Bouchout is zo goed als zeker aangelegd tijdens de hoogdagen van het Napoleontische rijk en Napoleon spiegelde zich openlijk aan het Bourgondische hof. In de context van dit 'elysium' valt dit blazoen, in combinatie met de feniks, mogelijk te interpreteren als de herrijzenis van het nieuwe groot-Europese rijk van Napoleon. In de wanden van de grot, die deel uitmaakt van de brugconstructie, zijn tussen de kalkzandsteenknollen op diverse plaatsen organisch aandoende steenfragmenten verwerkt die aan menselijke ledematen doen denken. Het lijkt alsof er versteende menselijke fragmenten tussen de muren gevangen zitten. Een directe inspiratiebron waren misschien Pompeï en Herculaneum, die in de loop van de 18de eeuw voor een groot stuk werden vrijgelegd. Van de holtes die door de verkoolde mensen in de versteende lava werden achtergelaten, werden afgietsels gemaakt. Gravures van deze sites gingen rond door heel Europa. Waarschijnlijk was deze grot, als onderdeel van het 'elysium', een huldebetoon aan de voorvaderen van de familie de Roose, want boven de ingang van de grot prijkt, vandaag door klimop onzichtbaar geworden, een gerecupereerde wapensteen met het balzoen van de familie.

2° Het octogonale belvedèrepaviljoen, vandaag omschreven als 'Jachtpaviljoen'. Vermoedelijk werd het in deze periode gebouwd, maar er is ook later aan gewerkt. Zo zijn de bakstenen afgewerkt met knipvoegen, een werkwijze die vooral vanaf de tweede helft van de 19de eeuw werd toegepast.

3° Het 'Roothuisje', een rustieke folly van ruwe taxusstammen met een leien tentdak bekroond door een open lantaarn, een typische 'cabane rustique', evenals de grot en de rustieke brug wellicht een verwijzing naar de oorsprong van de architectuur (de primitieve hut van de bosbewoner versus de spelonk, rond 1800 een populaire tegenstelling). Het wordt niet aangeduid op de Primitieve kadasterkaart. Het werd gerenoveerd in 1954, maar is in 1997 ingestort. De lantaarn werd gerecupereerd met het oog op een eventuele reconstructie.

4° De 'hermitage' in neogotische 'troubadourstijl', een bakstenen gebouw met een parement van witte zandsteenknollen, oorspronkelijk afgedekt met een uitkragend rieten dak, evenmin op de kadasterkaart aangeduid. De toegangsdeur bestaat uit neogotisch schrijnwerk. Tijdens een storm in 1989 gingen in de Plantentuin circa 200 bomen tegen de vlakte en één daarvan viel op de hermitage; de schade is nog niet hersteld.

Van Dievoet vermeldt als tuinier van graaf Roose de Baisy een zekere Vandezande, telg uit een familie die gedurende circa 250 jaar, ook onder Amedéede Beauffort, tuinmannen heeft geleverd. Onderimpuls van deze tuinman zouden er in het domein van Bouchout talrijke coniferen zijn aangeplant.

De Beauffort en Suys

In 1830 trouwde Elisabeth Roose de Baisy met graaf Amedée de Beauffort, die aan architect Tilman François Suys de opdracht gaf om het kasteel opnieuw te verbouwen. Tussen 1832 en 1840 kreeg het zijn huidige gestalte. Deze verbouwing wordt meestal omschreven als een restauratie, maar is met het huidige taalgebruik het best te karakteriseren als een grondige verbouwing in een romantische, neogotische stijl en door de uitbreiding van de rechtervleugel (waardoor een ereplein werd gecreëerd) werd het ook merkelijk groter. Deze verbouwing werd pas geregistreerd in 1939, naar aanleiding van de overdracht van het domein aan de Belgische Staat. Alle gevels werden met kantelen en boogfriezen bekroond en kregen grote, rechthoekige ramen met neogotisch houtwerk en geprofileerde arduinen omlijstingen. De tent- en zadeldaken verdwenen, evenals de arcade met de ingang. Een groot gedeelte van het opgaande buitenmetselwerk werd uitgevoerd in baksteen en afgewerkt met witte kalkverf. Bij een gevelrenovatie in 1987 werd al het baksteenmetselwerk echter vervangen door witte zandsteen. Tussen 1850 en 1855 liet Amedée de Beauffort ook de eredreef aanleggen tussen de Nieuwelaan en het kasteel. De dikste beuken (stamomtrek tussen 400 en 410 cm) getuigen van de oorspronkelijke aanplanting. Befaamd was zijn collectie druivelaars, zijn veertig azaleacultivars, zijn rododendrons en zijn geraniums (lees Pelargonium zonale hybriden) met gevlekte bladen.

De 'Jardin Anglais' in het domein d'Hooghvorst

In 1806 ging het kasteel van Meise over op Emmanuel Vanderlinden baron d'Hooghvorst. Toen hij in 1816 tot kamerheer van koning Willem I werd gepromoveerd, was de tijd rijp om het 17de-eeuwse barokke lustslot een grondige facelift te geven. In 1818 werd op de oude funderingen een nieuw kasteel gebouwd, dat beantwoordde aan zijn status en aan de mode en de nieuwe normen qua architectuur: een comfortabele, witgekalkte, neoklassieke 'manoir' met ruime vertrekken en grote vensters op een bijna vierkant grondplan. Het had een souterrain met daarop drie bouwlagen, waarvan de hoogte naar boven toe afneemt. De gevel met de ingang omvatte negen traveeën en werd omkaderd door twee torenachtige hoekrisalieten met afgeknotte tentdaken, een configuratie die verdacht veel aan het kasteel van Malmaison (île-de-France, Frankrijk) doet denken (zie verder).

Ten oosten van het kasteel werd een monumentale oranjerie opgetrokken, die grote gelijkenissen vertoont met de oranjerie die architect Ghislain-Joseph Henry rond dezelfde tijd bouwde voor koning Willem I in het domein Schonenberg te Laken. Ze is een groots voorbeeld van de oranjeriebouw in de vroege 19de eeuw: een neoklassiek, balkvormig, bakstenen gebouw met een leien tentdak op een hoge plint van blauwe hardsteen. Elf boogvormige poortramen ritmeren de zuidgevel; in de noordgevel zijn dit boogvormige uitsparingen, op de centrale nis na waar eveneens een poortraam voorzien was als toegang tot de moestuin. Links en rechts bevonden zich de slaap- en de woonplaats van de tuinman. Het gebouw is volledig onderkelderd en de kelders deden dienst als opslagplaats voor (knolvormende) groenten en bewaarplaats voor fruit. Toen in 1958 deze oranjerie werd verbouwd tot restaurant, werden langs de voorzijde, dus de zuidzijde, een terras en een grote trappenpartij aangebouwd. Langs de noordzijde werd de poortdeur in het centrum vervangen door een blinde nis. Een concaaf ommuurde moestuin (ongeveer 1 hectare) op een kunstmatig verhoogd plateau sluit aan bij de oranjerie. De muren waren begroeid met leifruit. Van Dievoet vermeldt in 'La Tribune horticole' dat het domein van Meise onder Vanderlinden d'Hooghvorst bekend was voor het forceren van druiven en ook voor zijn mooie collectie oranjerieplanten, waaronder camelia's.

Met het puin van het oude kasteel werd de slotgracht gedempt. Rond het kasteel werd een park aangelegd in landschappelijke stijl. De weg van Meise naar Brussel, die door het domein liep, werd naar het oosten verlegd en een hoeve die op dit tracé lag (de hoeve Swerts) werd gesloopt. De gazons liepen door tot aan het kasteel, zodat kasteel en park één geheel vormden, in overeenstemming met de principes van Capability Brown. In het park verscheen een rijke verzameling bomen uit de 'Nieuwe Wereld' en zeldzame cultivars – bijzondere, zeldzame of exotische bomen, waarvan sommige de tand des tijds hebben weerstaan, met name moerascipres (Taxodium distichum), Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera), zwarte els met ingesneden blad (Alnus glutinosa 'Imperialis'), oosterse plataan (Platanus orientalis), doornloze robinia (Robinia pseudoacacia 'Inermis') en Vilmorinokkernoot (Juglans x intermedia 'Vilmoreana'). Een litho van J.-B. Madou in de 'Voyage pittoresque dans le royaume des Pays-Bas' toont het kasteel rond 1818 vanuit het zuidoosten, omkaderd door een gevarieerd bomenbestand, onder andere twee sparachtigen en twee groepjes zuilvormige bomen, vermoedelijk Italiaanse populieren. Uiterst rechts zien we de oranjerie en, half verscholen achter een bosschage, het donkere silhouet van de paarden- en koetsenstalling. Op de achtergrond: de torenspits van de dorpskerk van Meise.

De drie oorspronkelijke vijvers werden verenigd tot één grote landschappelijke waterpartij, die de voorgrond vormt van de litho. In tegenstelling tot vele andere parken uit die periode trachtte de ontwerper niet de indruk te wekken van een weids rivierlandschap; de bovenloop van de Onze-Lieve-Heersbeek werd zelfs overwelfd, zodat de vijver abrupt voor het kasteel eindigde in plaats van uit de verte te voorschijn te 'stromen'. Links achter het kasteel is er tussen de bomen een kleine 'folly', een paviljoen (mogelijk een 'cabane rustique') dat waarschijnlijk een ijskelder verhulde. Op deze plaats bevindt zich vandaag een terp die een bakstenen koepel omhult, waarschijnlijk een relict van een 18de-eeuwse ijskelder. In 1818 wordt onder een andere 'folly', die niet op de litho van Madou zichtbaar is – de 'Vriendschapstempel' -, een nieuwe, grotere en beter geïsoleerde ijskelder gebouwd. Zowel de oude ijskelder als de Vriendschaptempel met de nieuwe ijskelder worden weergegeven op de Primitieve kadasterkaart (1821). De boszone ten zuidwesten van het kasteel, die in het kaartenboek van Meise omschreven wordt als de 'eeckelen bos' (perceel nummer 79 op de kaart van 1717), kreeg een slingerende padenstructuur, die aansloot op het oude rechte dreventracé dat het toen achterliggende landbouwgebied ontsloot. Tijdens het ancien régime was de abdij van Grimbergen eigenaar van een groot gedeelte van deze gronden, maar bij de eeuwwisseling werden ze verworven door de familie d'Hooghvorst. In de eerste kadastrale legger van 1821 staan ze op naam van baron Vanderlinden.

Om bepaalde paden of uitzichten te accentueren, werden ze afgelijnd met taxus en/of buxus. De meeste van deze taxussen hebben opeenvolgende wijzigingen in de parkarchitectuur overleefd. Ze groeiden in de loop der jaren uit tot bomen en werden geïntegreerd in de huidige massieven. Hun verspreiding is een belangrijke hulp bij de reconstructie van de initiële padenstructuur, die blijkbaar exact wordt weergegeven op de stafkaart van 1864. Om deze ingrijpende en omvangrijke tuinaanleg te verwezenlijken, nam baron d'Hooghvorst architect François Verly in de arm. Mogelijk heeft Verly, net zoals te Wissekerke en Duras, samengewerkt met een plaatselijke (Zuidnederlandse) architect. Er is nog geen onderzoek gebeurd naar de vraag of het tijdens het Hollands bewind wettelijk verplicht was om als buitenlands architect samen te werken met een lokaal architect. Dergelijke samenwerkingsverbanden komen opvallend veel voor.

De emblematische landschapstuin en de vriendschapstempel

De emblematische landschapstuin, ook wel 'jardin anglais' of 'jardin pittoresque' genoemd, kende in Frankrijk net vóór de Revolutie een eerste hoogtepunt onder een verlichte elite en zou dankzij publicaties als graaf Alexandre de Labordes 'Description des nouveaux jardins de la France' in 1808 een ruimere weerklank en verspreiding krijgen in het keizerrijk van Napoleon. Het wordt ook de tuinstijl van de elite, die in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tussen 1815 en 1830 op zoek gaat naar waarden en ideeën om haar herwonnen status en zelfbewustzijn te bevestigen. De toen, vooral voor de Zuidelijke Nederlanden, groots opgezette kasteeltuinen puilen uit van symbolische en emblematische verwijzingen, die vooral gematerialiseerd worden in de fabriekjes of 'follies'. Vaak kan hun vormentaal gerelateerd worden aan de rituelen en de symboliek, die ook de vrijmetselarij hanteert in de vroege 19de eeuw. Dat de vrijmetselarij mede dankzij het Hollandse koningshuis een gewichtige rol speelde, heeft hier zeker toe bijgedragen. Baron d'Hooghvorst heeft zich via architect Verly ongetwijfeld laten inspireren door de Laborde en de maçonnieke vormentaal. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat deze romantische, op het eerste gezicht natuurlijk ogende tuin opgebouwd is volgens een complexe, mathematische rasterstructuur, waarin vooral de primaire bomen zoals eik en tamme kastanje en de constructies referentiepunten vormen. De gelijkbenige driehoek waarvan de Vriendschapstempel deel uitmaakt, is tot vandaag het vlotst te traceren. Ook hier duikt andermaal een parallel op met het voormelde domein van Malmaison, waar een vergelijkbaar driehoekig patroon voorkomt.

De Vriendschapstempel vormt de top van de driehoek, de oranjerie en de zogenaamde Valckhoeve zijn de hoekpunten van de basis. Deze hoeve in rustieke stijl werd gebouwd op de plek van een kleine boerderij, die in oorsprong buiten het private domein lag – eigenaardig gezien het domein al een volwaardig pachthof telde, het Torenhof, goed 500 meter buiten het domein. Deze nieuwe, geïdealiseerde hoeve, een verwijzing naar de 'primitieve' mens, wordt omgeven door een cirkelvormige wegenstructuur, wellicht symbool voor de mens in de kosmos. Het rechthoekige volume van de oranjerie, opgebouwd uit gelijke vierkanten (op basis van Franse voeten), staat dan symbool voor wetenschap en kennis. De top van de driehoek, de Vriendschapstempel op de heuvel, zou tenslotte de 'gnosis' symboliseren – een diepere kennis die slechts de ingewijde ten deel valt en waarin de schijnbare tegenstellingen tussen de diverse godsdiensten vervallen. De ingang van het kasteel bevindt zich op het eindpunt van de loodlijn vanuit de Vriendschapstempel. Het kasteel vormt op zijn beurt het middelpunt van een padentracé dat aan een winkelhaak doet denken, waarbij het lijkt of de heer des huizes onder de godheid een evenwichtspositie inneemt tussen de kosmos enerzijds, en wetenschap en kennis anderzijds. Deze symbolische interpretatie kan doorgetrokken worden in het florale beeldhouwwerk op de Vriendschapstempel, tot voor kort 'Dianatempel' genoemd – ten onrechte want het gebouw bevat geen verwijzingen naar de godin van de jacht, in het exterieur noch in het interieur. Het is echter, net als de onderhuidse tuinstructuur, beladen met mogelijke vrijmetselaarssymbolen. Een dergelijke tempel vinden we in Frankrijk in de kasteeltuin van Betz (Oise, Frankrijk). Deze 'Temple de l'Amitié' en de bijbehorende pittoreske tuin worden uitvoerig beschreven in het werk van graaf de Laborde.

De Vriendschapstempel te Meise valt op door zijn gesloten karakter. De vensterdeur in de façade is de enige opening. De deur heeft een vast bovenlicht in de vorm van een rondboog met een geprofileerde lijst, die wordt afgedekt met een decoratieve guirlande. Ze is geplaatst in een verdiepte portiek en geflankeerd door massieve Toscaanse zuilen. Binnen een maçonnieke symboliek zou dit perfect de toegang tot de tempel van Salomon kunnen voorstellen met, respectievelijk rechts en links, de zuilen 'Jakin' en 'Boas'. De pronkgevel is gebouwd in de harde zandsteen van Rochefort, het decoratieve beeldhouwwerk in het broze witte krijt van Avesnes. Dit laatste is vandaag bijna onleesbaar verweerd. De laag bakstenen onder de kapitelen van de zuilen toont aan dat het gebouw van meet af aan geverfd was; anders zou op die plaats zeker zandsteen zijn gebruikt.

Het interieur van de tempel is cirkelvormig. Het entablement of hoofdgestel met de tempelkoepel wordt geschraagd door acht slanke zuilen met een papyruskapiteel. Het ronde daklicht in het midden van de koepel wordt momenteel verduisterd door een bovenliggend zinken zadeldak, maar in stopverfresten van het gesmede chassis werden fragmenten van gekleurd 'kathedraalglas' teruggevonden. Het motief van de vlammende ster in het daklicht wordt uitvergroot herhaald in het centrum van de schitterende terrazzovloer. 'Terrazzo', in België ook wel 'granito' genoemd, is een vloerbedekking van mager marmerbeton waarin gekleurde mozaïeken in glas of marmer worden gedrukt. Na het opdrogen wordt het geheel glad gepolijst zodat een gespikkeld granieteffect ontstaat. Tijdens de vroege 19de eeuw was terrazzo een dure en arbeidsintensieve techniek, die door rondtrekkende Italiaanse ambachtslui werd beoefend. Pas aan het einde van de 19de eeuw wordt terrazzo beduidend goedkoper, dankzij polijstmachines. De terrazzovloer van de Vriendschapstempel is ongetwijfeld een van de oudste van België. De vloer is opgebouwd uit verschillende concentrische cirkels. De buitencirkel wordt gevormd door een marmeren mozaïekband met een meanderlabyrint, dat waarschijnlijk de moeizame inwijdingstocht naar het 'centrum' symboliseert, de kern van het leven, waarna men zichzelf tot een hoger niveau kan tillen. De blauwmarmeren mozaïekband zou kunnen verwijzen naar de broederketen van de zogenaamde blauwe vrijmetselarij (binnen de zogenaamde blauwe vrijmetselarij bestaat een universeel driebasisgradensysteem van leerling, gezel en meester. Deze graden moeten systematisch doorlopen worden door elke vrijmetselaar. Alleen een meester-vrijmetselaar heeft de volheid van de lidmaatschapsrechten en -plichten). De vier lauwerkransen in de buitenrand van het terrazzo zijn gericht op de vier windstreken en meer centraal komen nog kleine, vierkant geblokte kruisen voor, waarvan de hoekpunten eveneens de windrichtingen aanduiden. De lauwerkransen worden gevormd door twee geveerde bladeren of lauriertwijgen. Ze zijn met een lint van blauwe steentjes samengeknoopt dat wordt voortgezet in de aangehaalde cirkel van blauwe mozaïeken. Deze geknoopte krans komt ook opvallend overeen met de voorstelling van de acaciatakken op maçonnieke schootsvellen of tableaus uit dezelfde periode. Binnen het maçonnieke ritueel wordt de geknoopte acacia gebruikt bij de verheffing tot de meestergraad.

De banden met de maçonnieke rituele symboliek kunnen doorgetrokken worden tot in alle details van Emmanuel d'Hooghvorsts emblematische tuin. Deze interpretatie maakt het leggen van effectieve verbanden met loge en vrijmetselarij zeer verleidelijk en, gezien het karakter van het park, zou men al snel durven stellen dat d'Hoogvorst zelf een vooraanstaand lid was van een Brusselse loge. In tegenstelling tot zijn broer Joseph, was Emmanuel echter nooit lid van een loge en zeker nooit geïnitieerd in de hoogste graden van de vrijmetselarij, waarnaar de symbolen in het park lijken te verwijzen. De inbreng van deze doorgedreven en consequente symbolische verwijzingen komen dus zo goed als zeker volledig op naam van François Verly, die wel degelijk in een Rijselse en waarschijnlijk ook in een Brusselse loge geïnitieerd was. Hoe duidelijk de verwijzingen naar maçonnieke riten ook mogen zijn, de emblematische tuin van baron d'Hooghvorst doet vermoeden dat niet elke landschapstuin die beladen is met emblemen, hoe perfect de samenhang van symbolische elementen ook mag lijken, sensu stricto als een maçonnieke tuin kan worden geïnterpreteerd. De aangehaalde symboliek, die vandaag vooral met een zuiver maçonnieke initiatie of beleving geassocieerd wordt, was toen waarschijnlijk veel breder verspreid en had waarschijnlijk ook een algemeen raakvlak met de cultuur en de opvoeding van de adel en de hoge bourgeoisie. Het lijkt onlogisch dat Verly een zo complexe structuur zou hebben uitgewerkt zonder dat de opdrachtgever daar iets van kon vatten. Het gelaagde en meerduidige denken, dat de vormentaal van de architectuur en de tuinkunst sinds de renaissance beheerste, leefde bij de aanvang van de 19de eeuw nog duidelijk voort. Misschien bereikte deze cultuur in dergelijke tuinen wel haar hoogste complexiteit, waarna er noodgedwongen een versobering kwam. Vanaf 1850 verschraalt de tuinsymboliek onder druk van een nieuwe elite. De opkomende industriële toplaag moet geld verdienen en heeft geen tijd meer voor complexe interpretatiespelletjes. De tuin wordt een park gericht op vermaak; thematische 'fabriekjes' als vriendschapstempels worden vervangen door erotische spielereien zoals schaars geklede Diana's.

De kasteeldomeinen van Meise en Bouchout rond 1860

De eerste militaire topografische kaart (1864) toont de domeinen van Bouchout en Meise zoals ze door de Beauffort en Vanderlinden d'Hooghvorst werden aangelegd. De landschappelijke aanleg rond het 'Château du Baron d'Hoogvorst', ten noorden van de Amelvonnesbeek, was duidelijk meer doorgedreven dan deze rond het kasteel van Bouchout, waar de rechte lijn bleef primeren. In het domein van Bouchout bleef ook nog, doorheen de aanleg in landschappelijke stijl, de oude dubbelstructuur (hoog- en neerhof) leesbaar. De twee parken liepen niettemin onmerkbaar in elkaar over. De visuele eenheid, die al rond 1820 een feit was, wordt in 1855 herbevestigd door ooggetuige Alphonse Wauters. De twee parken liepen ook geleidelijk over in het omringende agrarische landschap. Enkel langs de oostelijke rand, langs de weg naar Brussel, vormde een muur de enige visuele en reële barrière, die dan nog doorbroken werd door een uitloper van het park naar de vijver bij het in 1717 gebouwde Torenhof.

In de jaren 1850 wordt het neerhof van Bouchout grondig vernieuwd. Het resultaat zijn drie losstaande vleugels, pittoreske baksteenarchitectuur, vroeg eclecticisme waarvoor een modellenboek van Cluysenaar mogelijk inspiratie heeft geleverd, maar de ontwerper is onbekend. Het vernieuwde neerhof omvat twee vleugels op plinten van witte zandsteen, telkens vijf traveeën en één bouwlaag onder leien schilddaken, boogfriezen onder de daklijst en steekboogramen met omlijstingen van gesinterde baksteentjes. De hoofdvleugel (1854 volgens een jaarsteen) leunt aan tegen een toren met een spits tentdak. De derde vleugel – een bakstenen gebouw met gekoppelde zadeldaken en vier rondboogpoorten – is een typisch koetshuis uit het midden van de 19de eeuw.

Bouchout en Meise verenigd tot één groot park

Toen 'keizerin' Charlotte op 31 juli 1867, na de dramatische afloop van haar avontuur in Mexico (waar haar echtgenoot aartshertog Maximiliaan, sinds 1863 'keizer' van Mexico, door een militair tribunaal op 19 juni 1867 terechtgesteld werd), in België terugkeerde, nam ze eerst haar intrek in het paleis van Laken. Na een kort intermezzo in het kasteel van Miramar bij Trieste, verhuisde ze naar het kasteel van Tervuren, dat op 3 maart 1879 echter volledig in vlammen opging. Op 5 april daaropvolgend vond ze tenslotte onderdak in het kasteel van Bouchout, dat haar broer Leopold II in haar naam van graaf Léopold de Beauffort had gekocht. Op 16 april 1881 kocht de koning met geld uit het privéfortuin van zijn zuster ook het kasteel van baron d'Hooghvorst. Beide domeinen werden samengevoegd tot een geheel van meer dan 80 hectare. De zone waar nu het herbariumgebouw staat, was toen nog landbouwgebied en lag buiten het privépark van de ex-keizerin, maar tijdens de periode dat ze het domein bewoonde werd het uitgebreid tot 143 hectare; gestadig werden gronden en huizen in de gemeenten Meise, Wemmel, Strombeek-Bever en Grimbergen toegevoegd. Charlotte en haar hofdames bewoonden het kasteel van Bouchout. De 'commandant', die het domein beheerde, woonde vanaf 1887 in het kasteel van Meise. Samen met een controleur, die de financiën superviseerde, vormde hij de spil van de administratie van het 'Huis van de Keizerin'. Het nieuw gevormde domein – voortaan globaal als dat van Bouchout aangeduid – werd beheerd als een heus Victoriaans landgoed, dat zoveel mogelijk in de eigen behoeften voorzag. De hoeven werden niet meer verpacht en de moestuinen dekten volledig de behoeften van de keizerin en haar hofhouding, zoals blijkt uit de lijsten van goederen bestemd voor de keuken.

Uit één van de eerste ingrepen na de aankoop blijkt het belang dat de nieuwe eigenaars aan de voedselvoorziening hechtten. In 1879 werd in de helling langs de eredreef tussen het kasteel van Bouchout en de Brusselsesteenweg naar ontwerp van architect Albert Capronnier (°1846-†1903, bekend als architect van onder meer de neoromaanse Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Leopoldsburg) één van de laatste en grootste ijskelders van België gebouwd, een langwerpig bakstenen volume met een oppervlakte van 105 m2. Een andere belangrijke toevoeging in de loop van de jaren 1880 was de zogenaamde Vlaamse Hoeve – traditionele bak- en zandsteenbouw onder leien zadeldaken op een U-vormige plattegrond, getrapte dakkapellen en zijgevels, de belangrijkste ramen met kruiskozijnen -, waarschijnlijk ook van Capronnier. In het archief van de keizerin zijn geen plannen teruggevonden, wel ontwerpen voor een niet-uitgevoerde vergelijkbare constructie in dezelfde pittoreske romantische stijl ondertekend door Capronnier. De hoeve werd opgetrokken rechts van het toegangshek aan de Nieuwelaan, ter vervanging van een kleiner gebouw uit de tijd van de Beauffort. Uit dezelfde periode dateert waarschijnlijk ook het monumentale toegangshek tot de eredreef aan de Nieuwelaan, geflankeerd door geblokte bakstenen en met blauwe hardsteen beklede pilaren, bekroond door siervazen. In tegenstelling tot vroeger was het domein van de buitenwereld afgesloten; de grote doorkijken naar het omringende landschap en het natuurlijk in elkaar overvloeien van agrarisch en parklandschap behoorden tot het verleden.

De landschappelijke eenheid, die de twee domeinen al sinds het einde van de 18de eeuw kenmerkte, werd versterkt. Parallel aan de openbare weg die rond het domein liep, werd in het domein een brede ringweg aangelegd, ideaal voor zomerse ritjes in een open, door twee paarden getrokken berliner. De bomensingels tussen de openbare weg en de nieuwe ringweg werden uitgebreid en verdicht met heesters en wintergroene struiken. Langs de buitenzijde werd het domein van een haag en een draadafsluiting voorzien. Langs het bestaande ringpad werden deze hagen en afsluitingen dagelijks door één van de vijf bewakers gecontroleerd. In het reglement voor de opzieners wordt vermeld dat de tweede bewaker elke avond om 7 uur de fazanten en het neerhof zou verzorgen en vervolgens zijn ronde zou doen door het park om na te gaan of er geen gaten in de hagen zijn. Pogingen van buitenstaanders om in het domein door te dringen, zullen zijn volle aandacht opeisen en de namen van eventuele overtreders zullen door hem genoteerd worden. Het plukken of afslaan van fruit, bloemen, hazel- en okkernoten zal hij te allen prijze verhinderen. Deze bepaling geeft duidelijk het gesloten karakter aan van het domein, dat ook af te lezen is uit de structuur ervan. In het domein werd aanzienlijk geïnvesteerd. De jaarrekeningen geven aan dat het jaarlijks enkele honderdduizenden franken van Charlottes privéfortuin opslorpte, maar anderzijds werd er zo zuinig mogelijk mee omgesprongen. De moestuinen en de serres produceerden eetbare gewassen voor het kasteel, alsook bloemen en sierplanten voor de decoratie ervan. Het domein werd onderhouden door een dertigtal arbeiders, onder leiding van twee hoveniers voor respectievelijk het park en de moestuinen.

Het nieuwe domein van Bouchout valt het best te omschrijven als een 'parc agricole' zoals beschreven door Edouard André in zijn 'L'art des jardins' – een park met een typisch laatromantische padenstructuur, waarin gestreefd wordt naar productiviteit. Het verzamelen van botanische zeldzaamheden – een belangrijke doelstelling voor d'Hooghvorst en de Beauffort – speelde geen noemenswaardige rol meer. Er werden wel nog enkele botanische nieuwigheden aangeplant zoals de drie mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum), een Kaukasische zilverspar (Abies nordmanniana) en een blauwe spar (Picea pungens 'Koster'), maar het gaat vooral om massabeplantingen met soorten als witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) of gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), in de eerste plaats bedoeld om effect te geven. Daarnaast werden over het hele domein niet minder dan 1035 vruchtbomen aangeplant, wat duidelijk wijst op het productieve accent van het parkbeheer.

Uitbreiding van het koninklijk domein

De vergelijking van de stafkaarten van 1864, 1892 en 1909 brengt enkele belangrijke ontwikkelingen in het landbouwgebied ten oosten en ten zuiden van het koninklijk domein aan het licht. Deze zone, circa 25 hectare, zal op een plan voor de nationale plantentuin in 1938 als de 'triangle de Drÿ Pikkel (A)' worden aangeduid (zie verder). De weiden en de rechthoekige vijver aan de oostzijde van de Nieuwelaan werden tussen 1864 en 1892 bij het domein gevoegd en 'gelandscaped'; de vijver verdubbelde in oppervlakte en kreeg golvende oevers. Rond 1900 werd de zone ten zuiden van het pachthof van Bouchout – het Bouchout Veld (grondgebied Wemmel) – in de parkaanleg betrokken door de aanleg van twee rechte, dubbele dreven: de huidige Kruidtuinlaan, die nu de zuidoostelijke grens van de Nationale Plantentuin vormt, en, bijna loodrecht hierop, tussen de huidige J. Van Gijsellaan en de Bouchoutlaan, de dreef die de zuidpunt van het domein van Bouchout (de omgeving van het Jachtpaviljoen) verbindt met het gehucht Drijpikkel. De tracés van beide dreven werden niet afgelijnd met bomenrijen, maar met onregelmatig verspreide bomengroepjes. De dreef tussen Drijpikkel en het domein eindigde op een 'lunet', een halve cirkel met een toegangshek tussen pijlers van blauwe zandsteen, de zogenaamde Linnaeuspoort. Deze dreef met zijn oorspronkelijke aanplantingen heeft de verkaveling van het Boekhoutveld in de jaren 1940-1950 overleefd in de vorm van een 30 m brede, grazige strook, tussen en evenwijdig met de J. Van Gijsellaan en de Bouchoutlaan. Langs de randen zijn de oorspronkelijke 'clumps' nog aanwezig, homogene groepjes van bomen – bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), gewone esdoorn met donkerrood blad (Acer pseudoplatanus 'Atropurpureum'), zilveresdoorn (Acer saccharinum), gewone plataan (Platanus x hispanica) – aangeplant op licht opgehoogde grond. De parkuitbreiding ten oosten van de Nieuwelaan en de autosnelweg Brussel-Antwerpen (A12) werd bij de verkoop in 1938 van het koninklijk domein afgescheiden; het vormt momenteel samen met een hoeve aan de Koninklijke Kasteeldreef, het Torenhof, een afzonderlijk landgoed.

De Nationale Plantentuin van België

Na de dood van prinses Charlotte in 1927 werd het beheer van het koninklijk domein tot een noodzakelijk minimum gereduceerd. In 1938 werd het aangekocht door de Belgische Staat. Het zou onderdak bieden aan de Nationale Plantentuin, die toen nog gevestigd was in de Koningsstraat te Brussel (Sint-Joost-ten-Node, momenteel cultureel centrum 'Le Botanique' van de Franse gemeenschap). De nieuwe functie bracht een omvangrijk bouwprogramma op gang, zodat de huidige plantentuin meer dan 55 verschillende gebouwen omvat – onder meer een modernistisch aandoend dienstgebouw; kweekkassen; een pompstation; een station om het water te ontzouten; een 'paardenbarak' voor de paarden die gebruikt werden bij de onderhoudswerken; een stookgebouw met een hoge betonnen schouw; een wachterslokaal; een 'aardappelkelder' als vorstvrije bewaarplaats voor zomerbloeiende knollen zoals canna's, dahlia's en begonia's; werkplaatsen en hangars. In 1944 werd het kasteel van Meise door een vliegende bom zwaar beschadigd en enkele jaren later gesloopt. De funderingen werden weggegraven en de kasteelvijver werd verlengd. De zandstenen plint werd gerecycleerd in de keermuren van het terras voor de oranjerie.

De markantste toevoeging na de overdracht van het koninklijk domein was het 'Plantenpaleis', waarvan de bouw werd aangevat in 1947. Het werd plechtig geïnaugureerd in 1958 door de toenmalige minister van Openbare Werken en Wederopbouw, Omer Van Audenhove, maar de oplevering zou pas in 1965 plaatsvinden. Het werd vlak vóór de oorlog ontworpen door een zekere Cole, waarover ons geen verdere gegevens bekend zijn, en het geldt op Europees vlak als een van de interessantste kassencomplexen uit die periode. Het complex rust op een gemetselde plint van schistblokken en bestaat uit een opeenvolging van dertien imposante kassen, die een 8-vormige plattegrond vormen. De hoogste kas (13 m) vormt de ingangspartij, waar tropische planten en bomen tot indrukwekkende proporties kunnen uitgroeien. Langs de buitenzijde wordt het complex vooral gekenmerkt door een sterke horizontale belijning, waardoor de verschillende hoogten van de kassen en de breuken in de hellingen van de opeenvolgende zwak hellende schilddaken het complex een zekere gelaagdheid geven, die ook wat oosters aandoet en het gestileerde dakenspel van een Chinees tempelpaleis evoceert (zie onder meer de Verboden Stad in Beijing). Het ligt bovendien op een kunstmatige heuvel op de helling aan de zuidrand van het domein, waardoor het benaderen iets majestueus krijgt. De structuur wordt gevormd door een inwendig metalen skelet, dat ter hoogte van de kroonlijst door een brede ringbalk (meer dan 1 km lang) van gewapend beton wordt samengehouden. De dak- en muurvlakken (15.000 m2 in het totaal) zijn ingevuld met raamwerk van teakhout, waarin het serreglas met spijkers en mastiek werd vastgezet. Op de twee binnenplaatsen bevinden zich de collectiekassen, die verbonden worden door een centrale middengang en die niet op Coles ontwerp voorkomen. Sinds 1997 wordt het dak van het complex stapsgewijs vernieuwd, waarbij de houten kozijnen om redenen van veiligheid en energiebesparing vervangen worden door aluminium structuren met dubbel veiligheidsglas.

In 1941 werden de dekstenen, de bakstenen plint en het metalen geraamte van de zogenaamde Victoriaserre overgebracht vanuit de voormalige plantentuin te Sint-Joost-ten-Node naar het domein van Bouchout. Deze serre, in 1854 ontworpen door Alphonse Balat (vandaar ook 'Balatkas') voor de zoo van Brussel, werd in 1878 aan de Belgische Staat geschonken en verhuisde naar de plantentuin in de Koningsstraat. In deze serre werden de eerste reuzenwaterlelies (Victoria amazonica) op het Europese vasteland (na Engeland) gekweekt. Het is een achthoekige constructie van gebogen profielen, bekroond door een sierlijke kroon (vandaar ook 'Kroonserre'). De ontluikende neogotiek is merkbaar in de spitsboogvormige uitsprongen op elke zijde. Het is een van onze oudste, nog bewaarde kassen van getrokken plaatglas en smeedijzer. Deze revolutionaire bouwtechniek zorgde ervoor dat de massieve, gesloten oranjerieën stilaan de plaats ruimden voor plantenpaleizen van glas en staal. Zij werd in het begin van de 19de eeuw ontwikkeld door de Schotse agronoom, architect en uitgever John Claudius Loudon en kende haar eerste spectaculaire toepassing in de grote serre van Chatsworth, die in 1838 werd ontworpen door Joseph Paxton, een vingeroefening voor het befaamde 'Crystal Palace' (1851).

Het Herbariumgebouw uit 1959-1962 is representatief voor het naoorlogse modernisme, 'eerlijke' architectuur waarbij de structuur duidelijk herkenbaar en leesbaar moet zijn – in dit geval een reeks betonspanten, gestileerde handen, die het gebouw als het ware naar een hoger niveau tillen. Het gebouw heeft een lusvormige plattegrond. De ruimte tussen de spanten werd gevuld met glas in een dicht en sterk geverticaliseerd net van uitspringende roeden. In de oorspronkelijke vorm was de invloed van Le Corbusier nog duidelijk zichtbaar, want de benedenverdieping was een open galerij, die naderhand werd dichtgemaakt. Het luchtige, speelse karakter ging daardoor verloren. Het vier verdiepingen tellende ingangsgebouw herbergt de bibliotheek (meer dan 200.000 titels), de directie en de administratie. De rest van het gebouw, dat een Y-vorm heeft, biedt onderdak aan de onderzoekers, de informatici, de dienst publiekswerking en – last but not least – het herbarium, waarin meer dan drie miljoen gedroogde specimens worden geconserveerd. In 1987 werd een nieuw herbariumgebouw aan het oude gebreid, maar de architectuur is duidelijk van mindere kwaliteit.

De Plantentuin tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw

Tijdens de eerste jaren van de nieuwe plantentuin ging de aandacht vooral naar de uitbouw van infrastructuur, de uitbouw en de invulling van het kassencomplex en de verhuizing van alle diensten, wat ettelijke jaren duurde. Vanaf 1966 wordt de aandacht ook toegespitst op de uitbouw van een collectie in open lucht. Het immense grasveld tussen de Ballatkas en het kasteel van Bouchout werd genivelleerd en gedraineerd. Achtereenvolgens werden verschillende thema- en collectietuinen aangelegd: in 1976 werd rond de Ballatkas een herbetum aangelegd; in 1977 werd een zone voorbestemd voor inheemse flora en werd het coniferetum uitgebouwd; in 1979 volgde het fruticetum; in 1981 startte de aanleg van een hortensiaverzameling en de uitbouw van een eikenverzameling; in 1982 werd een medicinale tuin aangelegd; in 1983 plantte men een verzameling esdoorns aan, waarbij het accent op sierwaarde lag; vanaf 1987 werd begonnen met de uitbouw van een rododendroncollectie in het voormalige bos van Meise en een magnoliacollectie verspreid over een drietal locaties.

Niet alle verzamelingen zijn in de loop van de voorbije decennia even consequent opgevolgd. Tevens werden er op sommige plaatsen zo eenvormig aangeplant dat de sinds 1967 beschermde, historische parkstructuur aan visuele zeggingskracht heeft ingeboet. Deze organisatorische onvolkomenheden kunnen in de nabije toekomst mits een krachtig beheersen visieplan weggewerkt worden. Collecties die in de loop van de jaren zeer goed werden opgevolgd, zijn de rododendron- en de magnoliaverzamelingen. De intense, in april en mei zelfs overweldigende, bloei van beide plantengeslachten laat bij elke bezoeker een diepe indruk na. Naast het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek op internationaal niveau heeft de plantentuin de ambitie om zijn bezoekers, niet enkel educatief te begeleiden maar binnen de context van dit historisch unieke decor ook te laten of te leren genieten van de bijzondere pracht en de variatie in de plantenwereld.

  • Archief van de Keizerin, document 104 (Koninklijk Archief, Brussel).
  • ANDRÉ E., L'art des jardins. Traité général de la composition des parcs et jardins, Paris, G. Masson, 1879.
  • BIRGUER A., Le Palais des Plantes à Meise (Belgique), p. 29-32 in Acier/Stahl/Steel – Revue internationale des applications en acier, 24(1), 1959.
  • BOUYSSY M., Un philosophe moral dans le parc de Betz: la promenade de Bertrand Barère en 1788, in Polia, Revue de l'Art des jardins, no. 6, 2006.
  • Caertboeck Abdij Grimbergen, den Generaelen Caertboeck ofte Register der goederen des Godtshuyse van Grimberghen, in opdracht van Abt Hermannus de Munck opgetekend door meester Jan Van Accoleijen, gesworen Landmeter landmeter in 1699, kaart 12.
  • DE CLOET, Voyage pittoresque au royaume des Pays-Bas, Bruxelles, Jobard, 1825, nr. 186, Château de Bouchout, nr. 186.
  • DE LABORDE A., Description des nouveaux jardins de la France et des ses anciens châteaux, mêlée d'observations sur la vie de la campagne et de la composition des jardins, Paris, Delance, 1808.
  • DE MAEGD C. & VAN DEN BOSSCHE H., Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Gingelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, in M&L cahier nr. 8, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003, p. 174-182.
  • DE MEY A., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen (7n), Brussel, Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, 1981, p. 207-210.
  • DENEEF R. e.a., Historische tuinen en parken van Vlaanderen ambiguum, (foto S. Vidts, 2007), in M&L Cahier 11, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 150-151.
  • DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 382.li>
  • DE POEDERLÉ E., Manuel de l'Arboriste et du Forestier Belgiques, Brussel, E. Flon, 1772, p. 44-64; 65-75.
  • DESPODT V., Inventaris van het archief van het Huis van keizerin Charlotte in België (1867-1927), verhandeling tot het bekomen van de graad van gediplomeerde in de archivistiek, academiejaar 2000-2001, niet gepubliceerd, ter inzage in het Koninklijk Archief, Hertogstraat 2, 1000 Brussel, p. 7-9.
  • Diverse edities van Historische tuinen en parken van Vlaanderen, in M&L Cahiers 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 16 en 19.
  • DUQUENNE X., Het park van Wespelaar, Brussel, Ph. de Spoelberch, 2001, foto op p. 29.
  • GLOAG J., Mr. Loudon's England. The Life and Work of John Claudius Loudon, and his influence on architecture and furniture design, Newcastle, Oriel Press, 1970.
  • GOETGHEBUER P.J., Choix des monumens, édifices et maisons les plus remarquables du royaume des Pays-Bas, Gand, A.B. M&L 214 Stéven, 1827, p. IV, en DUTHOY J.-Y., Un architecte néo-classique: F. Verly, in Revue belge d'architecture et d'histoire de l'art, t. XLI, 1972.
  • HAMBLIN W.J. & SEELY D.R., Solomon's temple: myth and history, London, Thames & Hudson 2007, p. 109.
  • HAMILTON J., Napoleon, the empress and the artist: the story of Napoleon and Josephine's garden at Malmaison, New York, Simon & Schuster, 2000.
  • HEYVAERT, J., Meise van oorsprong tot 1940, cultuurraad Meise, 2005, p. 334, 340, 342.
  • Kaertenboeck van Wemmel, 1725.
  • KOPPEN J., Tussen wetenschap en pseudohistoriografie: onderzoek naar vrijmetselarij in België, p. 220-221 in De tuin van heden. Dertig jaar wetenschappelijk onderzoek over de hedendaagse Belgische samenleving, Brussel, VUB Press, 2007.
  • LE ROY J., Castella et praetoria nobilium Brabantiae coenobiaque celebriora, Antwerpen, 1699, p. 22 en p. 45.
  • LOUDON J.C., Remarks on the Construction of Hothouses, London, J. Taylor, 1817.
  • NOPPEN C., De heren van Bouchout en hun waterburcht te Meise, Brussel, Drukkerij Poot n.v., 1991, p. 184-185.
  • PAUWELS J. (red.), De waanzin van Charlotte, prinses van België, keizerin van Mexico, Berchem, EPO, 2000, 224 pp.
  • RUBIO A. e.a., Soil evaluation for Castanea sativa afforestation in Northeastern Spain, New Forests 23(2), 2002, p. 131-141.
  • TACK G. e.a., Bossen van Vlaanderen, Leuven, Davidsfonds, 1993, p. 20-21, 37-38, 267
  • THOTH Tijdschrift voor Vrijmetselaren, 52ste jaargang (2001), nummer 4 (augustus), themanummer over schootsvellen.
  • VAN CLEVEN J., Neogotiek en neogotismen. De neogotiek als component van de 19de-eeuwse stijl in België, p. 28 in: J. DE MAEYER (red.), De Sint-Lucasscholen en de neogotiek, 1862-1914 (Kadoc-studies 5), Universitaire Pers Leuven, 1988.
  • VANDENDAELE R. (red.), Poelaert en zijn tijd, Brussel, Gemeentekrediet van België, 1980, p. 120-121 en 121-126.
  • VAN DER KOLK, B., Maisons de campagne, châteaux, fermes, maisons de jardinier, garde-chasse et d'ouvriers, etc. exécuté en Belgique par Jean-Pierre Cluysenaar, architecte, Bruxelles, 1859.
  • VAN DIEVOET H., Les grands arbres de la Belgique, p. 370-371; Les beaux conifères de Belgique et leur culture, p. 234; Les jardiniers en maison, p. 611-614, in La Tribune Horticole, vol. II, Bruxelles, 1907.
  • VAN DOMMELE H., Pruimen voor miljoenen: de geschiedenis van slee- tot eierpruim en andere prunussen: verleden, heden en toekomst, Sint-Niklaas, H. Van Dommele, 1987.
  • VAN LOO A. e.a., Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, Mercatorfonds, 2003, p. 526-528.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, , (II), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1964, p. 77-135.
  • VERBOUWE A., Iconografie van Vlaams-Brabant (IV), Kanton Wolvertem, Brussel, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1942, afbeelding nr. 20 en nr. 21 (onder het nr. 196), icon nr. 200.
  • WAUTERS, A., Histoire des environs de Bruxelles, V (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 206, 219.
  • WEISS T., GEYER-KORDESCH J., VON DER THÜSEN J., Der Vulkan im Wörlitzer Park, Berlin, Nicolai, 2005, p. 35-74.

Bron: DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.

Auteurs: Deneef, Roger & Vidts, Stefan

Datum tekst: 2011

Relaties

maakt deel uit van Meise

Meise (Meise)

maakt deel uit van Wemmel

Wemmel (Wemmel)

omvat Balatkas of Kroonserre

Kruidtuinlaan 2, Wemmel (Vlaams-Brabant)

omvat Belvedèrepaviljoen

Kruidtuinlaan 2, Wemmel (Vlaams-Brabant)

omvat Grote ijskelder

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Herbariumgebouw

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Hoofdingang Plantentuin

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat IJskelder bij de Vriendschapstempel

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Kasteel van Boechout

Nieuwelaan 38, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Linnaeuspoort

J.Van Gijsellaan zonder nummer, Wemmel (Vlaams-Brabant)

omvat Oranjerie met ommuurde moestuin en muurserre

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Pachthof bij het kasteel van Boechout

Kruidtuinlaan 2, Wemmel (Vlaams-Brabant)

omvat Plantenpaleis

Kruidtuinlaan 2, Wemmel (Vlaams-Brabant)

omvat Sint-Annakapel

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Sint-Antoniuskapel

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Stookgebouw

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Toegang Plantentuin in de as van de Sint-Annastraat

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Vlaamse Hoeve

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

omvat Vriendschapstempel

Nieuwelaan zonder nummer, Meise (Vlaams-Brabant)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.