erfgoedobject

Domein Hagen

bouwkundig / landschappelijk element
ID
134069
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134069

Beschrijving

'Huis van plaisantie' uit 1710, verbouwd in verschillende fasen tot landhuis, omgeven door landgoed van circa 50 hectare; beperkte aanleg in landschappelijke stijl rond een artificiële rivier vanaf circa 1850, recentelijk omgevormd en uitgebreid tot circa 12 hectare.

De naam Hagen of Hagens is minstens sinds de 17de eeuw verbonden met het gehucht Ossel. Een zekere Godefroy Hagen[s], ontvanger van de koninklijke artillerie en lid van een uit Gelderland afkomstig geslacht, werd in 1624 eigenaar van het 'Hoff te Ossele', ook 'te Logien' genoemd. De naam Hagens vinden we ook terug op de oudste afbeelding van het landgoed – een figuratieve kaart van 1699, waarop landmeter Jan van Acoleyen drie losstaande gebouwen en een omgracht perceel afbeeldt. Eén van de gebouwen werd door de eigenaar als 'speelhuis' gebruikt. Jean Hagen, Godefroys kleinzoon, gaf dit gebouw in 1710 de structuur die nog altijd bepalend is voor een groot gedeelte van het huidige 'Hagenkasteel', vooral de zuidzijde en de oostelijke aanbouw. Het gaat om een voor die tijd typisch 'huis van plaisantie', een model waaraan ook talrijke pastorieën beantwoorden: een zogenaamd dubbelhuis in traditionele bak- en zandsteenstijl, vijf traveeën breed, symmetrisch met de ingangstravee in het midden, en twee bouwlagen onder een steil zadeldak. Onder het 19de-eeuwse pleisterwerk zijn de oorspronkelijke venster- en deurlijsten met negblokken en aanzetten van de kruiskozijnen nog aanwezig.

Het omgrachte perceel vinden we terug op de Ferrariskaart (1771-1778) en de Primitieve kadasterkaart opgemaakt door P.F.J. Sablon in 1825. Jacques-Godefroid Hagen, een verre nazaat van ontvanger Godefroy, wordt in de Primitieve kadastrale legger (1831) als eigenaar opgegeven. Hij woonde in Brussel en gebruikte het goed als buitenverblijf, net als zijn voorvaders. Het omgrachte en onbebouwde perceel (nummer 196) van 11 are wordt door het kadaster als 'hof ' omschreven, maar was vermoedelijk een siertuin of minstens een met sierelementen verrijkte moestuin. Het gebouwencomplex bestond in 1831 uit drie blokken; de linkerhelft (nummer 197) van het langgerekte blok ten oosten van de eilandtuin was het door Jean Hagen in 1710 gebouwde 'speelhuis', de andere blokken (nummers 193, 198 en 199) waren de dienst- en hoevegebouwen. De kadastrale legger vermeldt ook een moestuin (nummers 199 en 200, samen 12,5 are) en een boomgaard (nummers 192 en 201, samen 13 are). Een 8 m brede, rechte dreef (nummer 210) verbond – en verbindt nog steeds – het landgoed met de kerk van Ossel. Deze 'lusthof dreve' loopt min of meer parallel met de Poverstraat en sluit er 250 m westwaarts, ter hoogte van het kasteel van Ossel, bij aan. Hij liep ook 150 m oostwaarts, boog dan af naar het zuiden, omhelsde als het ware het beemdperceel nummer 204 en eindigde bij de Molenbeek. Deze dreef werd aangelegd tussen 1775 en 1825, want hij komt nog niet voor op de Ferrariskaart. Het tracé met de afbuiging naar de Molenbeek valt moeilijk te verklaren, tenzij aangenomen wordt dat er elementen aanwezig waren, bijvoorbeeld sierbeplantingen of een boeiend uitzicht, die deze omweg rechtvaardigden. Een korte aftakking van de dreef vormde de oprit naar het buitenhuis; het gebouwtje bij de aftakking was vermoedelijk de portiersloge. Langs de noordzijde van het complex, vanaf de Poverstraat, was er een tweede, minder ceremoniële toegang die uitmondde bij de achterdeur in een soort van neerhof tussen de drie gebouwen.

Hagens opvolger, Louis Anoul, broer van toenmalig 'minister van Oorlog' Victor Anoul, liet rond 1865 het landhuis aanzienlijk vergroten. Aan het 'speelhuis' van 1710 werden de twee westelijke traveeën toegevoegd. Ook de noordelijke helft van het huidige gebouw, met zijn vier dwarse, in puntgevels eindigende traveeën, dateert wellicht uit die periode. Een verbouwing aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, in opdracht van zijn zoon Louis-Antoine, bleef waarschijnlijk beperkt tot ornamentele details, met name de op houten klossen rustende sierlijsten langs de dakranden, een herinnering aan de cottagestijl die tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw bijzonder in trek was. De lage aanbouw met de dienstruimten in het verlengde van het hoofdgebouw werd tot 40 m verlengd en ook de tuinierswoning ten noorden van het kasteel werd substantieel vergroot.

De ringgracht van de oude eilandtuin was al in 1864 verdwenen. De op de stafkaart van 1864 afgebeelde waterpartij – niet veel meer dan een brede gracht – volgt min of meer het tracé van het oostelijke deel van de grote dreef ten zuidoosten van het kasteel en loopt via een weidse bocht over in een verbreed gedeelte van de Molenbeek. Anoul (of zijn tuinarchitect) werd ongetwijfeld geïnspireerd door een populair motief in de landschappelijke tuinen en parken: het 'rivierlandschap': een statige rivier, in feite een door uitgraving en opstuwing opgeblazen beek of gracht, ontspringt in een (soms met rotswerk ingeklede) 'bron', stroomt voorbij het landhuis en verdwijnt in de verte, liefst na een meander en onder een pittoreske brug. Het streepje over de noordelijke arm zichtbaar op de stafkaarten van 1864 en 1892 staat ongetwijfeld voor een dergelijke brug. Op deze stafkaarten valt eigenaardig genoeg niets te bespeuren van de landschappelijke stoffering (groepjes van bomen, struikmassieven) die men in een dergelijke lay-out zou verwachten en die de cartografen wel voor het aanpalende kasteelpark van Ossel* hebben afgebeeld. Bovendien registreert het kadaster in 1876 de samenvoeging van verschillende percelen tot een 'lusthof ' van meer dan één hectare. Deze lusthof ligt eigenaardig genoeg niet rond de vijver, maar tegen de Poverstraat aan, ten noorden van het kasteel, waar de opeenvolgende stafkaarten alleen maar akker, boomgaard en moestuin weergeven.

Lijnaanplantingen met beuk (Fagus sylvatica) speelden een belangrijke rol in het door Anoul aangelegde park. De beuken langs de dreef naar de kerk werden echter gerooid in de jaren 1930 en vervangen door canadapopulieren (Populus x canadensis). De beuken langs de dreef, die verder oostwaarts langs de zuidrand van het domein liep, werden zwaar geteisterd door de droge zomer van 1976 en in 1987 tenslotte geveld. Enkele bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), een zomereik (Quercus robur) en een mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) ten noordoosten van het kasteel en twee hangende zilverlinden (Tilia petiolaris) bij de huidige vijver, zijn de enige bomen die herinneren aan het landschappelijk park van Anoul (Deze zilverlinden vallen buiten het door het kadaster als lusttuin aangeduide perceel nummer 190). De buxus (Buxus sempervirens) langs de Poverstraat is waarschijnlijk ouder. Op de stafkaart van 1930 heeft de 'rivier' plaats geruimd voor een grote ovale waterpartij, die in 1976 zal worden omgevormd tot de huidige hoefijzervorm.

In 1948 werd het Hagenkasteel verworven door jonkheer Jean-P. Jacobs, notaris te Brussel. De aankoop bood de gelegenheid om verschillende aanpalende percelen, die sinds het einde van de 18de eeuw eigendom waren van de familie Jacobs, tot één geheel te versmelten. Zijn zoon, baron Georges Jacobs, zette na 1975 de hergroepering van percelen voort tot het huidige domein van Hagen (circa 50 hectare) ontstond. De parkaanleg werd uitgebreid tot circa 12 hectare en overvloedig met nieuwe aanplantingen verrijkt – onder meer zilverlinde (Tilia tomentosa), gewone plataan (Platanus x hispanica), amberboom (Liquidambar styraciflua), weymouthden (Pinus strobus), moerascipres (Taxodium distichum), watercipres (Metasequoia glyptostroboides)... en ook minder courante soorten als Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum), rode slangenesdoorn (Acer capillipes), cissusbladige esdoorn (Acer cissifolium), diverse cultivars van rode esdoorn (Acer rubrum) en – bijzonder zeldzaam – roble schijnbeuk (Nothofagus obliqua), kampioenboom van België. De canadapopulieren langs de dreef naar de kerk van Ossel werden vervangen door een gemengd plantsoen van linden (Tilia platyphyllos, T. cordata) en moeraseiken (Quercus palustris). Recentelijk werden ook lineaire structuren toegevoegd: een noord-zuidgerichte as tussen het kasteel en een haagbeukprieel in een weideperceel ten zuiden van de Molenbeek; evenwijdig hiermee over de noordelijke arm van de vijver een vlonder die op het schiereiland eindigt bij een zeshoekig houten paviljoen; een laantje met bolesdoorns (Acer platanoides 'Globosum') ten noorden van het kasteel. In de kleine moestuin ten noorden van het kasteel worden nog steeds volgens het traditionele recept nut (groenten) en sier (bloemen) verenigd.

Merkwaardige bomen (opname 14 september 2007)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 6. gewone buxus (Buxus sempervirens) 109
  • 7. roble schijnbeuk (Nothofagus obliqua) 101
  • 9. gewone es (Fraxinus excelsior) 402
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Brussegem, 1867/30 en 1915/6.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger (212) Brussegem, artikel 212 nummers 19-34 en artikel 934 nummers 1, 11, 12, 13 en 26.
  • ANNE DE MOLINA J. s.d.: Notice historique sur le "Haegenkasteel" à Ossel, onuitgegeven nota, Merchtem.
  • BAUDOUIN J.C., DE SPOELBERCH P. & VAN MEULDER J. 1992: Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Haacht, 367.
  • WAGENAAR W.P. (red.) 1999: Caertboeck van de abdij van Grimbergen (II), Grimbergen.
  • WAUTERS A. 1855: Histoire des environs de Bruxelles, (II), Brussel, 118-119.

Bron     : DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Jacobs de Hagen, Georges, Wijnant, Jo
Datum  : 2011


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Domein Hagen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134069 (Geraadpleegd op 20-06-2021)