erfgoedobject

Domein Wolvendaal

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 134071   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134071

Beschrijving

In 1892 door architect Joseph Schadde verbouwd 'huis van plaisantie' van 1765 tot een imposant eclectisch kasteel, omgeven door een uitstekend onderhouden park in landschappelijke stijl, aangelegd in de jaren 1890; ­ oorspronkelijk circa 4 hectare met sporen van een 'verlandschappelijkte' omgeving, een boogbrug en rotswerk rond de overlopen van de vijver; ommuurde moes- en bloementuin.

Hendrik van den Dijcke, ontvanger van de stad Brussel, is de oudst bekende eigenaar van het hof te Suete ten noorden van het gehucht Ossel, in 1623 (twee jaar na zijn dood) omschreven als "een pachthoff metten huysinghe, schueren, stallinghen, vloge, bogaerden, weyden, bloken, landen", vijf bunder zevenenvijftig roeden in het totaal. Van 1661 tot 1703 hoorde het toe aan Gaspard Leyniers, lid van een befaamde Brusselse familie van wandtapijtwevers. Andere eigendommen van de familie Leyniers in de regio waren het Kasteel van Bever en dat van Hoogpoort te Asse. Het hof verschijnt voor het eerst op een figuratieve kaart van 1699 in de vorm van drie losstaande gebouwen, vervolgens op een kaart die in 1724 werd opgemaakt voor het klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Jericho te Brussel, die in de omgeving goederen bezat. In 1753 werd het hof aangekocht door de meester-wolverver Joos Brinck, die het hoevecomplex grondig renoveerde en ernaast in 1765 een 'huis van plaisantie' bouwde (datering volgens ridder Joseph Gobart). Aan dit landhuis was ook een kapel verbonden, waarin van de aartsbisschop van Mechelen missen mochten worden opgedragen. De dalbodem van de Molenbeek tussen de Vijlststraat (de huidige Nieuwelaan) en het nieuwe buitenhuis werd herschapen tot een regelmatige, symmetrische tuin van 73 are, die voor een gedeelte met water omringd was.

De Ferrariskaart (1771-1778) toont naast het heropgebouwde hof t'Suete ('cense de Sud') Brincks nieuwe landhuis. De kaart is ongebruikelijk precies en gedetailleerd, want ze geeft zelfs het nu nog bestaande bakhuisje ten oosten ervan weer. Ze geeft ook een idee van de 'schiereilandtuin' voor het landhuis, die uit vier compartimenten bestond – de eerste twee op de helling tussen het landhuis en de dalbodem, die wellicht tot een terras werd omgewerkt; de twee volgende in de dalbodem, langs drie zijden omgeven door een brede gracht, de naar het huis gekeerde zijde grotendeels zonder gracht. Op de Ferrariskaart worden zelden details prijsgegeven over het uitzicht van de tuinbedden of parterres, maar het ging hoogstwaarschijnlijk om een siertuin, mogelijk met loofwerkparterres ('parterres de broderie'). Het is echter niet uitgesloten dat in de twee, aan het landhuis palende parterres ook groenten werden gekweekt – uiteraard geen ordinaire moestuin maar een gesofisticeerde combinatie van nut en sier. De Ferrariskaart geeft bovendien nog een interessant detail weer, de lunetvormige uitsprong in de noordelijke oever van het schiereiland, het eindpunt van de as die de tuin in gelijke helften verdeelt. Op een dergelijke plaats werd meestal een beeld of een fontein opgesteld. Het landhuis en de tuinen werden omringd door 3,5 hectare boomgaard.

Voormelde lunet vinden we nog duidelijker in de vorm van een halfronde uitsprong van perceel 111 terug op de Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door P.F.J. Sablon in 1821. Het landgoed was op dat ogenblik eigendom van en werd bewoond door Karel Brinck, brouwer en zoon van de wolverver. De kaart van Sablon is ongetwijfeld nog exacter dan de Ferrariskaart en toont de 18de-eeuwse aanleg in zijn volle omvang. De noordelijke arm van de ringgracht vormde een circa 30 m brede vijver, die langs beide zijden geflankeerd werd door rechte, 5 m brede grachten en vierkante waterpartijen. De symmetrie werd aan het uiteinde van de veronderstelde terrastuin (perceel nummer 109) versterkt door twee paviljoentjes, maar zoals in vele andere sites (zie de Borcht en het kasteel van Merchtem) was ook hier de natuurlijke topografie spelbreker: de as van de aanleg (tussen het landhuis en de lunet) staat niet haaks op de dalbodem van de Molenbeek; de waterpartijen zijn geen rechthoeken maar trapezia of parallellogrammen. Het landgoed had in 1821 zijn 18de-eeuwse glans verloren. Het 'kasteel' was toen niet alleen de residentie van de eigenaar maar herbergde ook een brouwerij en in de kadastrale beschrijving van het goed wordt geen gewag meer gemaakt van 'lusthof ' of 'lustgrond'.

Het landgoed was bovendien zwaar gehypothekeerd. De kadasterkaart werd opgemaakt in 1821, maar toen in 1831 de definitieve Belgische legger werd vastgelegd, was de verlanding van de waterpartijen zo ver gevorderd, dat de oorspronkelijk als water omschreven percelen (nummers 108 en 114) bij het omgevende weiland werden ingelijfd, hun nummers werden geschrapt en de hele dalsite werd als één perceel weide ingetekend – perceel nummer 105, 3 hectare 24 are 80 centiare groot.

Na Karel Brincks dood in 1838 werd het landgoed openbaar verkocht aan ridder Joseph Gobart, die rond 1866 de hoeve halveerde, een tiental jaar later het kasteel vergrootte en een serre en een oranjerie toevoegde. Vermoedelijk is het ook Gobart die komaf heeft gemaakt met de laatste sporen van de 18de-eeuwse aanleg. Op de stafkaart van 1864 zien we een langwerpige, bijna ellipsvormige, naar het oosten toe versmallende, vijver langs de Molenbeek, in het laagste gedeelte van het domein. De contouren van deze vijver zijn duidelijk landschappelijk, met golvende oevers. Een zevental bomen – groene en bruine beuken (Fagus sylvatica, F. s. 'Atropunicea'), platanen (Platanus x hispanica) en witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum), verspreid over het huidige park, en wellicht ook een groep oude rododendrons (Rhododendron ponticum) behoort tot het door Gobart uitgebouwde parklandschap. De stafkaart van 1892 beeldt ook groepjes van bomen af, landschappelijke 'clumps' die gesitueerd worden op de plekken waar de voormelde oude bomen voorkomen. Deze 'lusthof' is niet doorgedrongen tot de kadastrale bescheiden. Hij besloeg bijna 4 hectare, nagenoeg de hele oppervlakte tussen de Vijlststraat (nu Nieuwelaan) te noorden, en de toen nog openbare Soetstraat die ten zuiden pal naast het kasteel en het hof liep. Deze percelen worden in de kadastrale legger als weide en akker omschreven; alleen de percelen naast het hof (nummer 106, 18 are) en de voormalige terrastuin voor het kasteel (nummer 109, 43 are) worden als hof beschouwd. Op de stafkaart van 1892 verschijnt bovendien achter het kasteel, aan de overzijde van de Soetstraat, de huidige, ommuurde moestuin.

In 1892 werd Wolvendaal verkocht aan baron Léon de Viron, één van de kinderen van Théodore de Viron, de opdrachtgever van het door J.P. Cluysenaar ontworpen kasteel in het Sint-Alenapark te Dilbeek. Hij liet het 18de-eeuwse 'huis van plaisantie' ombouwen tot een echt 'kasteel' en legde het huidige landschappelijke park aan. Het nieuwe kasteel werd ontworpen door architect-archeoloog Joseph Schadde, 'architecte des châteaux' bij uitstek, met een uitgesproken voorliefde voor de neo-Vlaamse renaissance. Wolvendaal was één van de circa vijftig kastelen die Schadde bouwde, historiserend restaureerde of verbouwde. Het sobere witgepleisterde gebouw werd fors vergroot en tot een 'slot' omgetoverd, met een overvloed aan trapgevels, kruis- en kloosterkozijnen, geprofileerde dakconsoles, een neogotische kapel, monumentale portieken en loggia's, een donjon met schietgaten en een overkragende top onder een klokdak, en een tweede, slankere toren met een spits tentdak. Het baksteenmetselwerk is momenteel geverfd of gekaleid in gelige tinten.

Wie het landschappelijk park ontwierp is onbekend. De befaamde landschapsarchitect Edouard Keilig had rond 1870 mee de vormgeving van het naburige kasteelpark van Ossel bepaald, zonder een echt plan na te laten. In diezelfde periode 'moderniseerde' Schadde ook de interieurs van het kasteel van Ossel, maar in het voetspoor van Schadde trad dikwijls een andere coryfee van de Belgische landschapsarchitectuur: Louis Fuchs. De ellipsvormige vijver in de dalbodem van de Molenbeek werd heraangelegd, andermaal met vloeiende, 'landschappelijke' contouren, stroomopwaarts versmallend en opnieuw verbredend, met een boogbrug over de versmalling. Een met rotswerk versierde cascade vormde voortaan de overloop naar een meanderende 'rivier', die in het bosgebied ten westen van het park verdwijnt. De stafkaarten van 1909 en 1930 geven een overzicht van de aanleg. Het aantreden van de Viron ging gepaard met een hele reeks aanplantingen: groene en bruine beuken, witte paardenkastanjes, zomerlinden (Tilia platyphyllos), tamme kastanjes (Castanea sativa), zomereiken (Quercus robur), gewone essen (Fraxinus excelsior)… Opmerkelijk is het bosplantsoen ten zuidwesten van het kasteel, een groep van 25 hoog vertakte groene beuken in een onregelmatig verband. De landschappelijke aanleg omvatte niet alleen de vroegere tuin- en siertuinpercelen (bijna 4 hectare), maar strekte zich ook uit in de omgeving, buiten de perimeter van het huidige park, met name in het bosgebied ten westen en in de 'Veilsten Kouter' op de heuvelrug ten zuiden. Hiervan getuigt het ovaal bosje, zichtbaar op de stafkaart van 1909, waarvan de contouren bewaard bleven, maar waarin in 1947 een villa werd gebouwd.

Toen Adolphe de Viron in 1959 het domein van Wolvendaal verkocht aan de Brusselse houthandelaar Emile Braekevelt, had het park, dat in de jaren 1890 door zijn vader was aangelegd, geen noemenswaardige veranderingen ondergaan. Het overleefde ook de volgende wisselingen van eigenaars en verkeert momenteel in een uitstekende staat. De gazons worden opgesierd door in vorm gesnoeide struiken en massieven. Uitzonderlijk is de moes- en (hoofdzakelijk) bloementuin met omhaagde parterres en uitbundig snoeiwerk.

Merkwaardige bomen (opname 14 september 2007)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 2. gewone plataan (Platanus x hispanica) 380
  • 15. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 476
  • 22. oosterse plataan (Platanus orientalis) 76
  • 26. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 453
  • 46. gewone beuk (Fagus sylvatica) 468
  • 47. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 433
  • 50. gewone beuk (Fagus sylvatica) 425
  • 51. gewone beuk (Fagus sylvatica) 398
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschetsen Brussegem, 1866/14, 1879/7 en 1883/19.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger (212A) Brussegem, artikel 1823 nummers 13-28, 149, 162-166, 239-241, 274-275 en artikel 3230.
  • Kadaster Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger (212) Brussegem, artikel 36, artikel 681 nummers 1-9, 20, 47, 84-85 en 118-120, artikel 1370 nummers 33-38, 44-45, 115-119, artikel 1823 nummers 1-4, 14-25, 148-149 en 162-165.
  • ANNE DE MOLINA J. 1966: Le château de Wolvendael, à Brussegem, et ses maîtres successifs, in Brabantica VIII.1, 280-201.
  • DE DAMSEAUX E. 1870-1878: Le Belgique pittoresque – Province de Brabant, Mons.
  • DELMARCEL G. 1999: Het Vlaamse wandtapijt, Tielt.
  • DENEEF R. e.a. 2005: Historische tuinen en parken van Vlaanderen, M&L Cahier 11, Brussel, 27-33.
  • MEUL V. 1994: Joseph Schadde (1818-1894), academicus en historiserend bouwmeester in de tweede helft van de 19de eeuw, Monumenten en Landschappen 13.6, 8-61. Het nieuwe kasteel wordt pas geregistreerd in de kadastrale opmetingsschets Brussegem 1913/6.
  • WAGENAAR W.P. (red.) 1999: Caertboeck van de abdij van Grimbergen (II), Grimbergen.
  • VERBOUWE A. 1942: Iconografie van Vlaams-Brabant (IV), Kanton Wolvertem, Brussel, 21 nummer 50.

Bron     : DENEEF, R., 2011. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Noordwestelijk Vlaams-Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmel, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Wijnant, Jo
Datum  : 2011


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Domein Wolvendaal [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134071 (Geraadpleegd op 22-09-2020)