erfgoedobject

Kasteeldomein Boetfort

landschappelijk element
ID
134126
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134126

Juridische gevolgen

  • is deel van de aanduiding als beschermd monument Kasteeldomein Boetfort
    Deze bescherming is geldig sinds 21-05-2007

Beschrijving

Landschappelijk park van 1 hectare 37 are met serpentinevijver, aangelegd in 1908 bij een waterkasteel uit 1610, waarvan de slotgracht werd gedempt.

Het voormalige Hof van Boetfort – ook Boitsvoert, Bootfort, Bootsfort, Bouchefort geschreven, soms kasteel van Madoets of Dereine genoemd – ligt aan de oostrand van het dorp. Het wordt voor het eerst afgebeeld op een figuratieve kaart uit 1653 in het kaartboek van de Abdij van 't Park: een vierkant, met water omgeven kasteel met vier ronde hoektorens van Diegemse (Lediaan) zandsteen. Het basismodel – een centraal kubusvormig volume onder een steil tent- of schilddak (soms met een dubbel zadeldak), met vier ronde of vierkante hoektorens – komt vaker voor bij de lustkastelen uit het begin van de 17de eeuw (onder meer Ham te Steenokkerzeel, Oorbeek, Coloma te SintPieters-Leeuw). Boetfort was sinds 1594 eigendom van de familie Madoets. Hendrik Madoets had het kasteel in 1610 (volgens de muurankers) laten optrekken op de plaats van het bouwvallige Hof van Boetfort. In 1724 werd het als "speelhuys" met vier bunder grond (boomgaard, dreven en landerijen) te koop gesteld en aangekocht door de graaf van Tirimont, heer van Gaasbeek.

Tijdens het derde kwart van de 18de eeuw, onder het eigenaarschap van de Brusselse handelaar Henri Hospies, werd in één van de hoektorens een huiskapel ingericht en kreeg het kasteelcomplex enkele monumentale accenten. De poorttoren met een geprofileerde Lodewijk XV-rondboogpoort en een oculus en een driehoekig front aan de Gillijnstraat, geflankeerd door eenlaagse koetshuisvleugels onder mansardedaken, werd volgens de cartouche in het fronton gebouwd in 1767. De uitspringende travee, eveneens met een driehoekig fronton, in de oostgevel, werd in 1773 toegevoegd.

Bij het begin van het Belgisch kadaster in 1831 was Boetfort eigendom van een zekere Jean Bregnier, die er ook woonde. Het goed, ongeveer 2 hectare groot, omvatte een tuinperceel van 8,5 are, een 'lustvijver' (de slotgracht) en een tweede tuinperceel van 1 hectare 27 are, mogelijk een lusttuin of – gebruikelijk voor die tijd – een combinatie van 'nut en sier'. De 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs', opgemaakt door G. De Wautier rond 1810 (maar bijgewerkt tot 1821), toont een ommuurde tuin met een dubbel padenkruis. Het neerhof met het poortgebouw behoorde niet tot het eigendom. In 1838 werd Boetfort aangekocht door graaf Prosper O'Kelly, van Ierse afkomst, die al eigenaar was van het neerhof en die het liet afbreken, op het poortgebouw na. Dit werd pas geregistreerd in de kadastrale opmetingsschets van 1850, maar met de afbraak was vermoedelijk al in 1838 begonnen, zoals zou kunnen blijken uit een affiche in J. Lauwers, waarin de verkoop van allerlei afbraakmateriaal wordt aangekondigd. Eén van de volgende eigenaars, de Brusselse advocaat Armand Steurs, liet tussen 1880 en 1894 tegen de Gillijnstraat aan een nieuw dienstgebouw optrekken, versierd met de voor die tijd typische gefiguurzaagde houten windborden. Het omvatte een remise, een serre en een volière, en leunde aan tegen het 18de-eeuwse poortgebouw. In het westelijke gedeelte van het landgoed werd een nieuwe moestuin aangelegd met een serre, een schuurtje en een huisje voor de tuinier.

Op de stafkaart van 1909 wordt de ruimte ten westen van het kasteel als een in vakjes verdeelde moestuin weergegeven, maar uit de afmetingen van twee bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') en een Italiaanse populier (Populus nigra 'Italica') kan worden afgeleid dat er al sinds O'Kelly sprake was van sierbeplanting. De vormgeving van het huidige park is ontsproten aan het romantische brein van Steurs' schoonzoon, advocaat en kunstschilder Henri Dereine, die in 1907 eigenaar werd. Dereine, bijgestaan door de Brusselse architect Abbeloos, is ook verantwoordelijk voor de historiserende restauratie van het kasteel, die in 1908 werd aangevat. Het poortgebouw van 1767 verloor zijn functie als hoofdingang. Vanuit de Sellaerstraat, in het zuidoosten, werd een dreef aangelegd die, na 150 m tussen dubbele rijen wilgen (Salix x rubens), uitmondde bij een neomiddeleeuwse poort – een brede, overluifelde toegang, geflankeerd door vierkante torentjes met tentdaken en spitsbogige doorgangen. De slotgracht was al in 1880 gedempt. De zuidgevel van het kasteel (met 1610 in jaarankers) werd bijna volledig gereconstrueerd, de kruis- en kloosterkozijnen werden nagenoeg alle vernieuwd (slechts enkele negblokken schijnen origineel) en de naar het park gerichte westgevel kreeg een uitbouw met kruis- en kloosterkozijnen, overkragende spietorentjes en een beglaasde vleugeldeur, die voortaan als hoofdingang fungeerde.

Deze heroriëntatie is geen alleenstaand geval. De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk 'cordon sanitaire' waarbij de minder appetijtelijke aspecten van het landleven (bijvoorbeeld mesthopen) werden weggemoffeld, het zich opsluiten in arcadische coulissenlandschappen, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, worden vooral vanaf 1850 bepalend voor de aanleg of heraanleg van landgoederen. Boetfort is een vrij laat voorbeeld.

Historiserende restauraties of verbouwingen gingen rond 1900 dikwijls gepaard met een historiserende tuinaanleg, vaak een op klassieke Franse modellen gebaseerde parterretuin, zoals de 'Franse' tuin in het domein Drie Fonteinen te Vilvoorde. In Boetfort is daarvan geen spoor terug te vinden; de buxusparterre ten zuiden van het kasteel is van recente datum. De heraanleg werd uitsluitend bepaald door 19de-eeuwse romantische, landschappelijke voorbeelden: serptinevijver, brugje, heuveltjes, lichtjes verzonken kronkelpaden en een qua kleur, textuur en vorm gevarieerd bomenbestand: groene en bruine beuken, treurwilg (Salix alba 'Tristis'), tamme kastanje (Castanea sativa), gewone en Noorse esdoorn (Acer pseudoplatanus, A. platanoides), rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus x carnea).

Merkwaardige bomen (opname 21 augustus 2003)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 1. grootbladige hulst (Ilex x altaclarensis 'Camelliifolia') 69
  • 4. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 457
  • 11. Italiaanse populier (Populus nigra 'Italica') 353
  • 12. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 512
  • 17. gewone hopboom (Ptelea trifoliata), oud knoestig exemplaar
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Melsbroek, art 16 en art. 248 nrs. 26-28.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Melsbroek 1850 nr. 9 en 1881 nr. 10.
  • COSYN A., Autour du Saventerloo, in Bulletinofficiel du Touring-Club de Belgique 30(5), 1924, p. 103.
  • DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 391-393.
  • LAUWERS J., Melsbroek, waar de melde bloeit in 't broek, Melsbroekse Raad voor Jeugd, Sport en Kultuur, 1983, 1983, p. 124-144.
  • VAN ERMEN E., VANHOVE L. & VAN LANI S., Het kaartboek van de abdij van Park, 1665, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2000, p. 212-213.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VIIIA, (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1973, p. 221.

Bron     : DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Paesmans, Greta, Wijnant, Jo
Datum  : 2009


Relaties

  • Omvat
    Kasteel Boetfort

  • Is deel van
    Melsbroek


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Kasteeldomein Boetfort [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134126 (Geraadpleegd op 16-05-2021)