erfgoedobject

Kasteeldomein de Ribaucourt

bouwkundig / landschappelijk element
ID
134127
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134127

Juridische gevolgen

  • omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel de Ribaucourt
    Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009

  • omvat de aanduiding als beschermd monument Kasteel de Ribaucourt
    Deze bescherming is geldig sinds 03-07-1981

  • omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteelhoeve Hof te Veaux
    Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009

  • omvat de aanduiding als beschermd monument Kasteelhoeve Hof te Veaux
    Deze bescherming is geldig sinds 03-07-1981

  • omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Paviljoen bij Ribaucourtkasteel
    Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009

  • is deel van de aanduiding als beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Dorpskom Perk
    Deze bescherming is geldig sinds 03-07-1981

Beschrijving

Waterslot met gebouwen grotendeels daterend uit de 17de eeuw, teruggaand op site van feodale motte vermoedelijk aangelegd in de 12de eeuw, aangepast en classicistisch verbouwd door Pierre-Antoine de Bounder de Melsbroeck aan het eind van de 18de eeuw. Vanaf 1833 werd het kasteel met aanhorigheden eigendom van de graven de Ribeaucourt, die instonden voor de aanleg van het landschappelijk park van circa 40 hectare, naar verluidt ontworpen door Edouard Keilig (1827-1895) in de jaren 1880 en aanpassingen doorvoerden aan het kasteel; de 17de-eeuwse structuur van het domein is doorheen het landschappelijk patroon nog duidelijk zichtbaar.

Van feodale motte tot renaissanceslot

Het kasteel van Perk, zetel van een van de belangrijkste heerlijkheden van het hertogdom Brabant, ontstond uit een feodale motte, die vermoedelijk in de 12de eeuw was aangelegd. Het kasteeldomein ligt aan de noordrand van de fossiele vallei, waarvan ook het aanpalende Duistbos, het Torfbroek* en het Floordambos deel uitmaken, mogelijk een oude loop van de Dijle die ten noorden van Vilvoorde in de Zenne uitmondde. De bodem – natte leemgronden gevormd op 'oud alluvium' – wordt ontwaterd door de Barebeek die bij Muizen in de Dijle uitmondt (1). Op de oudste afbeeldingen, twee etsen van Lucas Vorstermans jr. naar tekeningen door Jacques van Werden van omstreeks 1690, is de dubbele mottevorm – het kasteel op een afzonderlijk eilandje maar met het neerhof binnen dezelfde ringgracht – nog min of meer herkenbaar. Beide etsen tonen het slot in vogelperspectief respectievelijk vanuit het noordwesten (met in de verte de kerk van Berg) en vanuit het zuidoosten (met de kerk van Perk op de achtergrond). Een dubbele dreef van vier bomenrijen, die na 250 m naar het westen knikt, verbond het kasteel met de dorpskerk. Langs een ophaalbrug over de buitenste ringgracht en doorheen een imposante renaissancepoort betrad men het neerhof, dat toen al geen echte boerderij meer was maar een aaneenschakeling van dienstgebouwen (koetshuis, stallingen, personeelsverblijven) verwerkt tot een homogeen complex met U-vormige plattegrond en twee vierkante hoektorens.

De echte kasteelboerderij, het 'Hof te Veaux', lag buiten de ringgracht (rechts onderaan op de eerste ets, links op de tweede). Het waterslot zelf – op de eerste ets wat slanker getekend dan op de tweede – had een U-vormig grondplan, de vierde zijde afgestopt door een massieve, vooruitspringende toren – mogelijk een 14de-eeuwse donjon – met een overkragende bovenverdieping met machicoulis, spietorentjes en een peerspits. Het werd in volmaakte symmetrie geflankeerd door twee kleine torens, eveneens met een overkragende bovenverdieping en spietorentjes, maar onder een gewoon tentdak. De grote ramen met kruiskozijnen van het hoofdvolume maken duidelijk dat het in de eerste plaats om een 'huis van plaisantie' ging. Deze etsen tonen het resultaat van een verbouwing, die vermoedelijk werd uitgevoerd in opdracht van Frederik van Marselaer, heer van Opdorp. Hij was in 1626 gehuwd met Margaretha de Baronaige, zuster van de vorige heer van Perk.

Naast het neerhof lag een kleine, langs de grachtzijden dubbel omheinde tuin; de omheining bestond uit een circa 3 m hoge stenen muur met ronde hoektorentjes en – parallel hiermee – een manshoge haag of een hek in latwerk. De op het zuiden georiënteerde muur was bekleed met latwerk voor leifruit. Deze tuin was toegankelijk via de gang tussen de muur en het hek en een renaissancistisch omlijste doorgang, vermoedelijk ook van latwerk. Latwerkarchitectuur speelde een belangrijke rol in de formele tuinen van de 17de en de 18de eeuw. Nagenoeg één derde van de oppervlakte van deze strak ingedeelde tuin werd in beslag genomen door een labyrintachtige buxusparterre met een padenkruis en een beeld of een fonteintje op het kruispunt. Het gebruik van de andere bedden (bloemen, groenten, of beide) wordt op de ets niet gedetailleerd. Opmerkelijk is de in etages gesnoeide boom, wellicht een taxus, aan de zuidrand van de tuin. De gang tussen de muur en het hek eindigde bij een tweede latwerkpoort. Een houten brug over de tot een 'kanaal' verlengde uitloper van de zuidelijke arm van de slotgracht, leidde naar een vierkant tuinpaviljoen en een grote, eveneens met grachten omgeven siertuin. Deze tuin omvatte vier grote loofwerkparterres ('parterres de broderie') met een monumentale fontein op het kruispunt, links daarvan vier parterres met een eigenaardig gearceerd patroon (vermoedelijk gesnoeide buxus). De twee parterres met de in 'quincunx' aangebrachte bolletjes (mogelijk snoeivormen) vallen moeilijk te interpreteren en de twee aangrenzende bedden, zoals alle andere met buxushaagjes omgeven, worden blanco weergegeven.

Een grote boomgaard vulde de ruimte tussen het kasteel en de huidige Breemstraat. Het sterrenbos in de verte (op de eerste ets) is vermoedelijk hetzelfde sterrenbos dat op de Ferrariskaart (1771-1778) wordt afgebeeld, maar het hoorde bij het verdwenen kasteel van Lelle (Berg). Op diezelfde Ferrariskaart is de door Vorstermans en Van Werden afgebeelde topografie nog duidelijk herkenbaar: de dubbele dreef met de knik naar de kerk, het grachtenpatroon, het zuidwest-noordoost-georiënteerde 'kanaal' als verlengde van de zuidelijke arm van de slotgracht. De grote boomgaard is echter verdwenen en op de eilandtuin ten zuiden van het kasteel hebben de rechthoekige parterres plaats geruimd voor een stervormig patroon. Naast de oostelijke vleugel van het neerhof ligt nog steeds een kleine tuin, maar de contouren wijken in hoge mate af van die op de etsen van 1690. Ten zuidoosten van het sterreneiland (2 hectare 13 are groot) wordt een omgracht, bijna rechthoekig, bebost perceel met een padenkruis afgebeeld. Langs de Breemstraat ten noordoosten van het kasteel is een tweede stervormige aanleg verschenen, ditmaal een sterrenbos (met ruitvormige contouren) van meer dan 5 hectare.

Landschappelijke franjes

Het kasteeldomein werd tijdens de Franse revolutie aangekocht door Pierre-Antoine Bounder, een officier in het Franse leger, onder Willem I geadeld tot 'Bounder de Melsbroeck'. Hij verkocht het in 1833 aan Prosper Christyn, graaf de Ribaucourt (2), telg van een familie die al sinds de 17de eeuw hoge ambten bekleedde. Toen landmeter Jean-Antoine Grietens het ontwerp voor de Primitieve kadasterkaart opmaakte, vermoedelijk vóór 1815, had het kasteelcomplex een ingrijpende gedaanteverandering ondergaan. De oostelijke vleugel van het neerhof was sterk gereduceerd, de renaissancepoort was afgebroken, maar de twee hoektorens waren bewaard. De donjon met de peerspits was vervangen door een minder uitspringend middenrisaliet met rondboogvensters en bekroond met een driehoekig fronton met een oculus. De twee flankerende torens waren van hun spitsen ontdaan. De grachtarm tussen het kasteel en het neerhof was gedempt, zodat er voortaan sprake was van een echte 'cour d'honneur', als het ware omhelsd door de twee gebogen, bakstenen zijvleugels die aan het kasteel waren toegevoegd. Deze classicistische verbouwing werd waarschijnlijk nog vóór 1800 door Bounder uitgevoerd.

Op de ontwerpversie van de kadasterkaart stemt de structuur van het domein nog in hoge mate overeen met die van de Ferrariskaart, tot en met het boseilandje met het padenkruis (door landmeter Grietens 'La Motte' genoemd) en het ruitvormige sterrenbos ('De Sterre') langs de Breemstraat. In de as van het kasteel is echter ten zuiden van het sterreneiland een 170 m lang en 12 m breed kanaal ('canal' op de kaart) verschenen, dat trechtervormig aftakt van de brede ringgracht en naar het zuiden toe versmalt. De zuidelijke arm van de ringgracht is ook minder strak getekend dan de andere armen en er is een brugje over deze arm – geen rechte stenen brug zoals deze achter het kasteel, maar een met stippellijntjes weergegeven boogbrugje. Het lijdt geen twijfel dat de kasteelheer, hoe erg hij ook gehecht was aan de uit de 18de eeuw overgeërfde regelmaat en symmetrie, geen weerstand heeft kunnen bieden aan de opkomende 'Engelse' mode en hier en daar wat slingerende lijnen heeft geïntroduceerd. De landmeter laat ons in het ongewisse over de concrete invulling van het sterreneiland – 'lustland' volgens de Primitieve kadastrale legger (1831) – maar de padenster van de Ferrariskaart is ongetwijfeld verdwenen. Formele parterres met 'broderie' of snoeiwerk waren rond 1800 uit de mode. De kadasterkaart van Grietens bevat aanduidingen over het gebruik van de percelen in de omgeving. Het perceel naast het sterreneiland wordt op de kaart als 'Krieke Weyde' aangeduid en de percelen ten oosten daarvan als 'Weyme Bosch'. Ook andere omschrijvingen ('Zuer Weyde', 'Esschen Bosch', 'Wippe Weyde') laten weinig aan de verbeelding over. Opmerkelijk is de 40 m brede oprijlaan die eindigt in een grote rotonde, waar de openbare Breemstraat een bocht rond maakt, op de kaart om voor de hand liggende reden (de gelijkenis met het silhouet van een zoutvat) als 'Sautvat' omschreven.

'Utile dulci' in Arcadia

'Op de uiteindelijke versie van de Primitieve kadasterkaart door J.A. Hisette uit de late jaren 1820 komt dit alles (ook het boogbrugje) terug, maar de landschappelijke trekjes zijn versterkt. Het kanaaltje ten zuiden van het sterreneiland heeft nu ook lichtjes golvende oevers en de zuidelijke grachtarm heeft een heuse tumor gekregen. Op het sterreneiland heeft Hisette een centraal perceel met een afgerond uiteinde afgebakend. Uit een figuratieve kaart van 1833 blijkt dat het gaat om een gazonstrook symmetrisch omringd door bosschage met wandelpaden. Dit is ook ongeveer het beeld dat verschijnt op de eerste stafkaart in 1864: een symmetrische landschappelijke tuin, vergelijkbaar met de landschappelijke symmetrie bij het kasteel ten Opstal te Kampenhout-Relst en het kasteel De Eiken te Grimbergen-Humbeek. De tuinen van Perk, doorsneden door goed onderhouden wegen en waterpartijen, bezaaid met gazons, bloemencorbeilles en bosjes, boden rond 1850 volgens Emile de Damseaux een betove­rende aanblik, die twintig jaar later volgens de superlatieven in een ander ooggetuigenverslag nog niets aan charme had ingeboet. In het kasteel­ domein van Perk, volgens de Damseaux één van de fraaiste parken van het land (maar hij heeft dat nog enkele keren gezegd), werd bovendien zeer intens het aangename aan het nuttige gepaard ("'Utile dulci' semble la devise du propriétaire"). Het park leek wel een 'tableau vivant', geanimeerd door vreedzaam grazende kudden – de mooiste Durham-runderen – met daartussen enkele dartele rasveulens, en overschaduwd door prachtige bomen, onder andere mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum). Zaad van de mammoetboom werd in Europa pas ingevoerd in 1853. In het park van Perk stonden aan het einde van de Eerste Wereldoorlog drie exemplaren, waarvan één met 'opmerkelijke' afmetingen; vermoedelijk hoorden ze tot de eerst aangeplante mammoetbomen in België. Tijdens een storm in 1919 werd de grootste van boven tot onder gespleten en werden de twee andere vernield, samen met een groot aantal andere bomen in het park. De dreef tussen de dorpskerk en het kasteel via het 'Sautvat' ('allée principale' geflankeerd door 'contre-allées') was beplant met dubbele rijen iepen, in 1923 ondanks de toen opkomende iepenziekte nog "d'aspect majestueux" (3). Er was een tweede 'lusttoegang' vanuit het gehucht Wambeek op het kruispunt van de Haachtsesteenweg en de Tervuursesteenweg via de westrand van het park.

In de Primitieve kadastrale legger (1831) worden drie termen gebruikt die duiden op het siergehalte van de percelen: 'lustland' voor het meest intensief onderhouden parkgedeelte, met name de twee percelen op het sterreneiland ten zuiden van het kasteel, vervolgens 'lustgrond', 'lustvijver' en 'lustwater' en 'lusttoegang'. De oorspronkelijke moestuin – tot 1880 met twee poeltjes of waterbekkens – lag volgens het Primitief kadaster naast het kasteel, gedeeltelijk op de plaats waar Vorstermans in 1690 de kleine omheinde tuin met de buxusparterre en de latwerkpoorten situeerde, binnen de buitenste ringgracht. Op de stafkaart van 1864 wordt de nieuwe moestuin getoond: een achthoekig perceel van 82,5 are, omgeven met een 5 m hoge bakstenen muur, met een schuur en twee serres (4). De muren waren langs beide zijden met latwerk als 'fruitmuur' ingericht, waartegen uitgelezen fruitsoorten werden geleid. Verschillende 'pépinières', percelen waarop bomen werden gekweekt, lagen verspreid over het domein, onder meer tussen het 'Sautvat' en de kasteelhoeve. Tot de Primitieve uitrusting van het domein behoorde waarschijnlijk ook de nog bestaande ijskelder aan de rand van het Duistbos: een omgekeerd ei als bewaarruimte met een recht sas. Het 'kanaal' ten noordoosten van het kasteel, op de ontwerpen van de kadasterkaart de 'Lange Vijver' en de 'Broeck Vijver' genoemd, structureerde zoals in de 18de eeuw nog steeds het beboste, oostelijke gedeelte van het domein. De padenster in het grote sterrenbos aan de Breemstraat ten noorden van het kasteel komt op de definitieve versie van de kadasterkaart van Hisette echter niet meer voor.

Triomf van de kronkel

Tussen de eerste (1864) en de tweede uitgave van de stafkaart (1892) onderging het kasteeldomein van Perk een ingrijpende gedaanteverandering, die weliswaar niet door het kadaster in rekening werd gebracht omdat zij voornamelijk het wegenpatroon, de vorm van de waterpartijen en de beplantingen betrof. Toeristisch journalist Arthur Cosyn, die het domein vlak na de Eerste Wereldoorlog bezocht en ongetwijfeld nog met ooggetuigen heeft gesproken, schrijft het ontwerp van die metamorfose toe aan tuin- en landschapsarchitect Edouard Keilig, die rond 1882 in opdracht van de toenmalige kasteelheer Adolphe de Ribaucourt, pas aangetreden als erfgenaam, de 'Franse' tuinen zou hebben opgedoekt en het domein 'op zijn Engels' aangelegd. Keilig (1827-1895) was onder meer bekend van het aanlegplan voor het Terkamerenbos (1862) en het stadspark van Antwerpen (1867). In 18821883 werkte hij ook voor de familie d'Ursel te Hingene. In opdracht van Leopold II ontwierp hij in 1885-1889 de Vossemvijver in het park van Tervuren én de Tervurenlaan. Hij behoort samen met Louis Fuchs, ook van Duitse herkomst, tot de meest succesrijke landschapsarchitecten van België in de tweede helft van de 19de eeuw.

Het figuratieve plan getiteld "Parc du Château de Perck en 1882 à la mort du Comte Prosper de Ribaucourt" en de stafkaart van 1892 brengen eenstemmig de nieuwe toestand in beeld. Het 600 m lange 'kanaal' in de parkbossen ten noordoosten van het kasteel werd omgevormd tot twee langgerekte, landschappelijke vijvers met golvende oevers. Het beoogde beeld: een zachtjes slingerende rivier die in het bos verdwijnt. (Imitaties van rivierlandschappen zijn een veelvoorkomend motief in de landschappelijke parken van de 19de eeuw.) Hetzelfde gebeurde met de oevers van de gracht rond het voormalige sterreneiland. Het strakke patroon van wegen en paden werd vervangen door uitbundig slingerende en vertakkende paden, maar het 'Sautvat', het kasteeleiland en de algemene omkadering van het domein behielden hun rechtlijnige hoekigheid. De rechte bosranden werden omgevormd tot een afwisseling van vooruit­springende en terugwijkende massieven. Bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), plataan (Platanus x hispanica), witte en rode paardenkastanje (Aesculus hippocastanum, A. x carnea)… zorgden voor kleuraccenten en textuurverschillen. De ontwerper introduceerde ook een paar architec­tonische elementen.

Opmerkelijk is de 350 m lange 'charmille', een laan met haagbeuk (Carpinus betulus) ten oosten van de ommuurde moestuin, die een S-bocht beschrijft; snoeisporen op 4 m hoogte laten vermoeden dat ze ooit als haag of groene palissade werd behandeld. Op een kruispunt in het oostelijke gedeelte van het park wordt de splitsing van een weg aangegeven door een rotonde met tamme kastanjes (Castanea sativa). Tijdens het eigenaarschap van Adolphe de Ribaucourt werd een hele reeks verbouwingen uitgevoerd, waarvan de chronologie moeilijk is te achterhalen, maar het kadaster is wellicht de meest betrouwbare bron. Op het oostelijke uiteinde van het kasteeleiland werd rond 1880 een fraaie oranjerie van bak- en zandsteen opgetrokken. De kasteelboerderij, het 'Hof te Veaux', werd al rond 1865 verbouwd, maar de meest ingrijpende veranderingen dateren uit de jaren 1880 (5). Ook het neoclassicistische kasteel zelf veranderde opnieuw van uitzicht. Cosyn situeert de verbouwing van het kasteel omstreeks 1885, maar het kadaster registreert ze pas in 1904. De gebogen rechtervleugel werd afgebroken en vervangen door de huidige, renaissancistische uitbouw met een massieve, donjonachtige hoektoren. De bepleistering werd verwijderd zodat de oorspronkelijke zandsteenbouw van het centrale gedeelte en het baksteenmetselwerk van de resterende boogvleugel zichtbaar werden. Het driehoekige fronton boven het ingangsrisaliet werd vervangen door een torenachtige dakkapel (iets vergelijkbaars gebeurde aan de achterzijde). De gevels, behalve die van de resterende boogvleugel, werden heraangekleed (plinten en sokkels in bossage, diamantkoppen boven de ramen…). Alle torens werden voorzien van sierlijke, ingesnoerde peerspitsen, die van ver het silhouet bepalen.

De 20ste eeuw

De structuur van Keilig (als het tenminste Keilig was) bepaalt vandaag nog steeds het uitzicht van het domein, hoewel de in de 17de en 18de eeuw vastgelegde basisstructuur met het 'sterreneiland', het 'kanaal', het 'Sautvat' en zelfs het boseilandje aan de rand van het Duistbos ('La Motte' op de kadasterkaart van Grietens), ondanks de opeenvolgende veranderingen, herkenbaar is gebleven. Uit de stafkaart van 1909 en vooral die van 1932 blijkt dat ook de ruimte tussen het kasteel en de Tervuursesteenweg verlandschappelijkt werd: bosjes kregen afgeronde hoeken en kronkelende zomen en het net van slingerende parkwegen werd in westelijke richting uitgebreid. De aangelegde oppervlakte bedroeg 91 hectare. Deze uitbreiding was volgens de stafkaart in 1960 nog integraal aanwezig en is ook nu nog gedeeltelijk herkenbaar. In dit gedeelte van het domein komen echter geen sierbeplantingen meer voor.

Een dozijn platanen, bruine beuken en witte paardenkastanjes uit de vroege 19de eeuw, sommige in groepjes van drie geplant en bijna allemaal op het voormalige sterreneiland, geven een idee van de landschappelijke beplanting vóór de ingreep van Keilig. De oude, door Cosyn vermelde mammoetbomen werden zoals gezegd in 1919 vernield en de Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'), prominent aanwezig op een schilderij (6) van het classicistische kasteel (symmetrisch opgesteld op het eiland achter het kasteel), zijn verdwenen. Iepen (Ulmus sp.) hebben minstens een rol gespeeld als laanboom langs het 'Sautvat' en de dreef naar de kerk. Het aanplanten van homogeen samengestelde boomgroepjes in de open ruimten rond het kasteel werd tot in de 20ste eeuw voortgezet, niet alleen met bruine beuken maar ook met rode bastaardpaardenkastanjes (Aesculus x carnea), hangende zilverlinde (Tilia petiolaris) en moerascipres (Taxodium distichum). De belang­rijkste recente wijziging in het kasteeldomein van Perk is de aanleg rond 1970 van een vijver van circa 1,5 hectare in het oostelijke gedeelte. Door de uitbouw van de luchthaven van Zaventem sinds de jaren 1950, de aanleg van bedrijventerreinen en de oprukkende verstedelijking, onder meer de verkaveling van het Duistbos, is de ruimtelijke context echter grondig gewijzigd.

Merkwaardige bomen (opname 14 mei 2003)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 16. gewone plataan (Platanus x hispanica) 435
  • 19. gewone plataan (Platanus x hispanica) 436
  • 24. dikbladige witte es (Fraxinus americana 'Crassifolia'?)
  • 25. gewone plataan (Platanus x hispanica) 472
  • 28. gewone plataan (Platanus x hispanica) 435
  • 30. gewone plataan (Platanus x hispanica) 563
  • 33. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 482(110)
  • 35. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 433
  • 38. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 458(130)
  • 40. rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus x carnea) 323
  • 43. gewone plataan (Platanus x hispanica) 685
  • 47. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 452
  • 51. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 420
  • Kadasterarchief Vlaams-brabant, Oudste kadastrale legger 212 Perk, art. 20 nrs. 45-82 en art. 533 nr. 36.
  • Kadasterarchief Vlaams-brabant, Mutatieschetsen Perk 1866/31, 1880/5, 1881/5, 1883/16, 1887/4, 1904/5 en 1935/19.
  • BAEYENS L., Bodemkaart van België: kaartbladen Haacht 74W en Zemst 73E, Centrum voor Bodemkartering, 1962 & 1973.
  • BARBIER H., Tuin- en landschapsarchitect Eduard Keilig (1827-1895). De ideale landschapstuin als model voor de 19de-eeuwse parken en tuinen, eindverhandeling, Antwerpen, Hoger Architectuurinstituut van het Rijk, 1986, p. 2.
  • COSYN A., Au beau pays de Rubens et Teniers: VI. Perck, in Bulletin officiel du Touring-Club de Belgique 29(4), 1923, p. 73-79.
  • DE DAMSEAUX E, Le Belgique pittoresque – Province de Brabant, Mons, E. Daquin, 1870-1878.
  • DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 499-503.
  • KRÜSSMANN G., Handbuch der Nadelgehölze, Berlin/Hamburg, Paul Parey, 1972, p. 299-300.
  • LAUWERS J., Perk, het kleine dorpje van de grote Teniers, Tielt, Veys, 1966, p. 99-105.
  • LAUWERS J., Zeven eeuwen heerlijkheid Perk-Elewijt. Het mooie land van Rubens en Teniers, Perk, Heemkring D. Teniers, 1997, p. 100, 102.
  • LAUWERS J. & DENIES A., Perk in oude foto's en prentkaarten, Perk, Heemkring en Hobbyclub David Teniers, z.d., nr. 83.
  • LE ROY J., Castella et praetoria nobilium Brabantiae, coenobiaque celebriora ..., 1694.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XI), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheid­kundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, p. 129-135.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII, heruitgave van de editie van 1855, Bruxelles, Editions Culture et Civili­sation, 1972, p. 108-109.

(1) "Sterk gleyige leemgronden met reductiehorizont en structuur B horizont" (Aeb), volgens BAEYENS L.; (2) Oorspronkelijk op naam van Petrus A.S. Bounder, in 1840 gecorrigeerd op naam van de graaf de Ribaucourt; (3) COSYN A., Foto van de iependreef met de kerk van Perk in de verte; (4) De schuur ('pakhuis') en de 'broeikassen' worden pas geregistreerd in de kadastrale opmetingsschets Perk 1883 nr. 16, de ommuurde tuin in de kadastrale opmetingsschets Perk 1935 nr. 19; (5) "arbres fruitiers de premier choix" volgens DE DAMSEAUX E.; (6) Bewaard in het kasteel van Perk.


Bron     : DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Wijnant, Jo
Datum  : 2009


Relaties

  • Is deel van
    Dorpskom Perk

  • Omvat
    Bijgebouw van het Ribaucourtkasteel

  • Omvat
    Kasteel de Ribaucourt

  • Omvat
    Kasteelhoeve Hof te Veaux


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Kasteeldomein de Ribaucourt [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134127 (Geraadpleegd op 14-04-2021)