erfgoedobject

Park van het Kasteel ter Meeren

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 134150   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134150

Juridische gevolgen

Beschrijving

Landschappelijk park van bijna 5 hectare met serpentinevijver ('rivier') aangelegd rond een kasteel in neo-Vlaamserenaissance-stijl, resultaat van de historiserende restauratie van een laatmiddeleeuws slot door Joseph Schadde in 1865; diverse oude bomen, ijskelder en monumentale gietijzeren boogbrug.

De donjon en het kasteeleiland

Het kasteel ter Meeren, 800 m ten zuiden van de dorpskern, mag niet verward worden met de rond 1750 gesloopte dorpsburcht, noch met wat nu meestal het kasteel van Sterrebeek* wordt genoemd, een 18de-eeuws 'huis van plaisantie' aan de westrand van het kerkplein. Ter Meeren was de bakermat van het geslacht van der Meeren (einde 12de eeuw), oorspronkelijk de Stertbeke, 'noblesse de robe', vanouds verbonden met de hertogelijke kanselarij. De toevoeging 'ter Meeren' verwijst naar de bodemgesteldheid van de site: de 100 m brede strook lemig alluvium van de Sterre- of Steenbeek, die de bovenloop vormt van de Kleine Maalbeek, een bijbeek van de Woluwe in de oostrand van het Zennebekken. Het kasteel zelf bevindt zich in het brongebied. Het wordt voor het eerst afgebeeld in de marge van een figuratieve kaart van 1665, schematisch, met twee torens en twee parallelle dwarsvleugels. De twee torens vallen moeilijk te rijmen met een volgende afbeelding op een tiendkaart van 1758, waarop de huidige slottoren duidelijk wordt weergegeven. Deze vierkante donjon van witte zandsteen, die ondanks ingrijpende restauraties nog veel oorspronkelijke elementen bevat, werd vermoedelijk gebouwd aan het einde van de 14de eeuw (volgens H. Vannoppen en L. Sommereyns-Parent in de 12de eeuw). Het tentdak en de bolspits zijn op de kaart van 1758 zichtbaar en werden vermoedelijk in de late 15de of de 16de eeuw aangebracht samen met het aanleunende traptorentje. De 'spreeuwengaten' (spreeuweneieren behoorden tot het menu van de kasteelbewoners) die onder de bolspits een soort lantaarn vormen, zijn mogelijk van latere datum.

In 1746 werd Ter Meeren aangekocht door Guillaume-Antoine de Fierlant, hoofdschout te Turnhout en heer van Bodegem, de eerste van de familie die tot 1885 het landgoed bewoonde en het zijn huidige vorm gaf. De Ferrariskaart (1771-1775) toont een rechthoekig eiland van 71,5 are, omringd met een tot 30 m brede gracht. Het kasteelcomplex bestond uit een groot gebouw met een L- of U-vormige plattegrond en twee kleine gebouwen en het besloeg de zuidelijke helft van het eiland. De noordelijke helft wordt op de kaart als tuin afgebeeld aan de hand van vier blokjes, die wellicht een realistische weergave zijn van de in parterres of bedden ingedeelde tuin, een voor die tijd gebruikelijke com­binatie van 'nut en sier', bloemen en sierstruiken of snoeiboompjes en groenten. De ronde uitstulping in de noord­oostelijke grachtarm in het verlengde van de as van de tuin, laat vermoeden dat het vooral om een siertuin ging. Ten zuiden van het kasteel­eiland lag een boomgaard van meer dan 2 hectare. Het beemd- en akkerland tussen de dorpskern en het kasteeleiland behoorde waarschijnlijk ook tot het eigendom. De nog bestaande rij monumentale tamme kastanjes (Castanea sativa) – sommige met een stamomtrek van meer dan 4 m – langs de beek in het noorden van het domein, markeerde ooit de grens tussen beemd en akker. Een rechte, beboomde laan verbond het kasteel met het kerkplein. Te oordelen naar enkele oude exemplaren was deze laan waarschijnlijk afgezoomd met zomereiken (Quercus robur). De brug naar het eiland – onzichtbaar op de Ferrariskaart – bevond zich waarschijnlijk op de zuidwestelijke arm van de ringgracht, zoals blijkt uit de Primitieve kadasterkaart (1829), die zonder grote verschillen bij de Ferrariskaart aansluit.

In de in 1831 samengestelde kadastrale legger wordt het kasteelgebouw veelbetekenend als 'huis' omschreven. Het hoofdgebouw had een L-vormig grondplan waarin de donjon duidelijk herkenbaar is. Tot het kasteelperceel (nr. 522) behoorde een losstaand gebouwtje, dat ook op de Ferrariskaart wordt getoond, maar waarover geen details bekend zijn (toch een relict van een tweede toren?). Het derde volume op het kasteeleiland (nr. 520) was ongetwijfeld het poortgebouw met aansluitend een stenen brug. De voormalige parterretuin op de noordelijke helft van het eiland was gedegradeerd tot drie stroken akkerland (nrs. 523, 524 en 525). De 'tuin' was herleid tot twee percelen (nrs. 519 en 521) ten zuiden en ten oosten van het kasteel, samen nog geen 24 are. Alleen de noordwestelijke arm en de helft van de zuidwestelijke arm van de ringgracht werden nog als water ('lustvijver') ingetekend. De noordoostelijke arm – op de Ferrariskaart de breedste – had plaats gemaakt voor een 65 are grote weide (nr. 529) die wordt weergegeven als een bijna-vierkant omringd door een 10 m brede strook, mogelijk een relict van een tweede ringgracht en een eilandtuin (of een poging om zoiets aan te leggen). De grote, op de Ferrariskaart afgebeelde boomgaard ten zuiden van het kasteeleiland is nog herkenbaar in het perceel 556, maar werd in akkerland omgezet. Het L-vormige huis (nrs. 554 en 555) tegenover de brug en het poortgebouw, vermoedelijk de kasteelboerderij, komt op de Ferrariskaart niet voor. De rechte dreef tussen het kasteel en het kerkplein behoorde blijkbaar tot het openbaar domein. De Fierlant bezat 62,5 hectare gemeentelijk grondgebied, maar de zone tussen het kasteeleiland en het dorpscentrum was slechts voor één vierde van hem, met name een bosperceel (nr. 531) van bijna 2,5 hectare (op de Ferrariskaart hooiland) dat bij het kasteeleiland aansloot.

Goswin de Fierlant (1735-1804), zoon van Guillaume-Antoine, volgde zijn vader als eigenaar op in 1773, toen de Ferrariskaart werd opgemaakt. Als jurist, voorzitter van de Grote Raad te Mechelen en in 1793 van de Geheime Raad, speelde hij onder het Oostenrijkse bewind een eersterangsrol in de hervorming van het strafrecht en het gevangeniswezen. Hij was dus zeker geen fanatieke voorstander van het oude regime, maar zag zich bij de Franse inval (1795) toch genoopt naar Wenen te verhuizen. Hij keerde terug onder het Keizerrijk maar stierf kort daarop in Brussel. Zijn zoon Antoine, die een militaire carrière uitbouwde en als Primitieve eigenaar figureert, stierf in 1830 te Wenen en heeft dus vermoedelijk nooit een voet in Sterrebeek gezet. Dit verklaart wellicht de staat van verval, die in de kadastrale legger wordt beschreven. De nieuwe boerderij ten zuiden van het kasteeleiland en de veronderstelde eilandtuin in de noordoostelijke grachtarm werden vermoedelijk onder Goswins eigenaarschap gerealiseerd, voordat het kasteelgoed tot een boerenhof degradeerde.

Neo-Vlaamse renaissance in een Engels park

De kronkelende weg van Sterrebeek naar Tervuren, waarlangs het landgoed zich uitstrekte, werd in 1844 vervangen door de huidige rechte steenweg Mechelen-Tervuren. De oude wegzate en een aantal percelen en een grote boerderij, die aan de overzijde van de oude weg lagen, werden bij het domein ingelijfd. Met het aantreden rond 1860 van Aloys de Fierlant (1828-1898, in een gedenksteen in de gevel van het gerestaureerde kasteel vermeldt als Aloysius de Gonzaga, baron de Fierlant), achterneef van Antoine, kwam er een einde aan het 'absentee ownership' dat meer dan zeventig jaar had aangesleept. Hij vestigde zich metterwoon op Ter Meeren, ruimde de oude slotgracht en terreinindeling op, en deed zoals menig kasteelheer in het derde kwart van de 19de eeuw: hij legde een landschappelijk park aan en verbouwde het kasteel volgens de eclectische smaak van die periode. De burgemeesterssjerp zou volgen (1871-1882).

Voor de aanleg van het 'Engelse' park werd het overblijvende gedeelte van de slotgracht gedempt en werden alle percelen (ook het grote bosperceel ten noorden van het kasteel) samengevoegd tot een aaneengesloten 'lustgrond' van nagenoeg 5 hectare. Uit een litho van 1846-1847 blijkt dat het kasteel al vroeger omringd was met een landschappelijke beplanting – Italiaanse populieren en andere loofbomen, enkele kleinere naaldbomen, struikmassieven, slingerende gazonranden. Deze beplanting doet op deze litho nog relatief jong aan, met uitzondering van de hoge kruin rechts in beeld, vermoedelijk één van de oude zomereiken langs de dreef naar het dorp. De stafkaart van 1877 geeft een idee van de door Aloys de Fierlant aangebrachte structuur. De beek, die vroeger de slotgracht vulde en van daaruit via een hoekig tracé, dat min of meer de perceelsgrenzen volgde, verder naar het noorden liep, kreeg een nieuw, lichtjes gebogen tracé, dat min of meer de 'talweg' van de vallei volgde. Het nieuwe tracé wordt op de kaart met een forse blauwe lijn afgebeeld, wat laat vermoeden dat de nieuwe beek ook merkelijk breder was dan een gewone afwateringsgracht. Het beoogde effect: een rivier ontspringt aan de voet van de donjon, stroomt zachtjes slingerend noordwaarts, langs boomgroepen en een heuvel (die de ijskelder camoufleert) en verdwijnt in de verte tussen het groen. Dergelijke 'rivierlandschappen' zijn schering en inslag gedurende de hele 19de eeuw. Een foto van rond 1880 toont het 'gerestaureerde' kasteel, met op de voorgrond enkele ondertussen verdwenen bomen waaronder Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica') op een heuveltje, en een rij kuipplanten, agaven en vermoedelijk in bol geschoren laurierboompjes. Rechts in beeld de rotonde van het ereplein (zie verder) en in de verte het 'rivierlandschap' met de nog bestaande gietijzeren boogbrug met natuurstenen bruggenhoofden. Van de oorspronkelijke stoffering van dit 'rivierlandschap' zijn nog een groot aantal bomen bewaard gebleven, vooral zomereiken (Quercus robur), bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') en tamme kastanjes (Castanea sativa). Opmerkelijk is een canadapopulier (Populus x canadensis) met bijna 6 m stamomtrek, mogelijk één van de populieren die in 1840 door koning Leopold I aan de Fierlant werden geschonken.

In 1864 gaf Aloys de Fierlant aan architect-archeoloog Joseph Schadde de opdracht om ook het kasteel onder handen te nemen. Schadde, die op dat moment ook bezig was met de restauratie van het Hof van Busleyden te Mechelen, en die later ook de handelsbeurs en het Tolhuis te Antwerpen (allebei sinds lang gesloopt) zou ontwerpen, was één van de troetelkinderen van de Belgische adel, de "architecte des châteaux" bij uitstek met een uitgesproken voorkeur voor de neo-Vlaamse renaissance. Ter Meeren was één van de circa vijftig kastelen die Schadde bouwde, historiserend restaureerde of verbouwde. Het kasteel Ter Meeren, voorheen een sober witgepleisterd gebouw (zie de litho van 1846-1847), werd fors vergroot en in genoemde stijl heraangekleed, met trapgevels, baksteenmetselwerk met speklagen en kordonlijsten, kruis- en kloosterkozijnen, negblok­om­lijstingen, geprofileerde dakconsoles, licht getoogde en (voor de donjon en de kapel) spitsboogvensters, een overvloed van siersmeed­werk… De meest opvallende toevoegingen zijn een neogotische kapel en een achthoekige traptoren, tevens belvedère, oorspronkelijk bekroond met een sierlijke spits met een open lantaarn, die in 1883 door een storm werd vernield en vervangen door het huidige terrasje. De historiserende aanpak is ook zichtbaar in de overvloedige en luxueuze interieurafwerking: monumentale marmeren schouwen, met schilderingen en beeldhouwwerk versierde cassetten- en balkenplafonds, imposante dubbele deuren, de polychromie en de glasramen van de kapel...

Het ingangsportiek in de vorm van een natuurstenen arcade met een terras erboven, bevindt zich in de oksel van het gebouw en de ruimte tussen het kasteel en de Mechelsesteenweg werd als ere-erf aangelegd met een rotonde (duidelijk zichtbaar op de stafkaart van 1877). De nieuwe hoofdingang van het domein bestond uit een kleine lunet en vier bakstenen hekpijlers met speklagen. Tegen de steenweg aan, links van de ingang, werd in min of meer dezelfde stijl als het kasteel het wagenhuis opgetrokken – een baksteenbouw van twee bouwlagen met een L-vormige plattegrond en een vierkante toren in de oksel, de koetshuisvleugel met drie korfboogpoorten parallel aan de steenweg en haaks daarop de stalvleugel. De hovenierswoning – soms ook 'aumônerie' (almoezeniershuis) ge­noemd – verscheen aan de zuidrand van het domein, langs de huidige Medekenstraat: twee gekoppelde breedhuizen met pannen zadeldaken en – een beetje romantisch-middeleeuws – een slank, rond traptorentje met een hoge leien spits. De hovenierswoning vormt het sluitstuk van de ommuurde moes- en fruittuin (perceel nr. 556p), die een oppervlakte beslaat van bijna 40 are. De 'ceremoniële' ingang van deze tuin wordt gevormd door een monumentale korfboogpoort met een arduinen omlijsting in de naar het kasteel toegekeerde muur.

Braun de ter Meeren

Aloys de Fierlant verkocht in 1885 Ter Meeren aan de Brusselse advocaat Auguste Braun (1856-1941), die overigens gehuwd was met een afstammelinge van de van der Meerens en wiens zoon Maurice in 1937 bij koninklijk besluit de toelating zou krijgen om 'de ter Meeren' aan zijn naam toe te voegen. Het park werd fors naar het noorden uitgebreid, zodat zijn oppervlakte (perceel nr. 550a) bijna verdubbelde tot meer dan 9 hectare. De uitbreiding bestond echter hoofdzakelijk uit bosplantsoen met rechte dreven (zie de stafkaart van 1930, p. 173), die het kasteel ook met het dorpsplein verbinden.

In de moestuin verschenen serres en de vijver werd aanzienlijk verbreed. Bij het uitgraven van de uitstulping ter hoogte van de ijskelderheuvel werd met de uitgegraven aarde een tweede heuveltje aangelegd met erbovenop een paviljoen, momenteel een bouwvallig, door houten palen gestut zeshoekig tentdak, maar vermoedelijk heeft er ooit een andere constructie gestaan. Aan het begin van de dreef die ooit de toegang tot het domein vormde, staat een merkwaardig gebouw, met de jaartallen 1659/1930, dat als portiersloge dienstdeed. Het gaat om één van de torens van het kasteel van Beaulieu* te Machelen, dat in 1930 verkocht werd met de verplichting het te slopen. Een poging van August Braun om het gebouw te redden leidde onder druk van de fiscus tot de gedwongen afbraak van één van de torens, maar dankzij zijn tussenkomst kon de rest van het kasteel van Beaulieu behouden blijven. De gesloopte toren liet hij in enigszins gewijzigde vorm (min één verdieping) te Sterrebeek heropbouwen. In 1930 schonk Braun het noordelijke, beboste gedeelte van het domein aan zijn dochter, die gehuwd was met dokter Gustaaf Derscheid, een befaamde pneumoloog. In het afgesplitste gedeelte werd de villa 'Normandy' gebouwd.

De beplantingen die August Braun tijdens het interbellum liet uitvoeren – diverse soorten linden (Tilia platyphyllos, T. tomentosa, T. x europaea), witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum), gewone esdoorns (Acer pseudplatanus), gewone beuken (Fagus sylvatica), tamme kastanjes en ook minder courante soorten als ginkgo (Ginkgo biloba), Amerikaanse amberboom (Liquidambar styraciflua) en Amerikaanse tulpenboom (Lirioden­dron tulipifera) – bepalen in hoge mate het huidige uitzicht zonder afbreuk te doen aan het 'rivierlandschap' dat Aloys de Fierlant tot stand had gebracht. Zijn zoon Maurice en diens schoonzoon Jacques Lemaire zetten dit beleid voort, maar de naoorlogse sociaal-economische ontwikkeling drukte ook haar stempel op het domein: door stijging van de lonen werd het onderhoud onbe­taalbaar, technologische veranderingen maakten koetshuizen, stalknechtverblijven, boven- en keukenmeiden overbodig, de 'superette' maakte in de jaren 1960 de traditionele moestuin tot een dure of arbeidsintensieve hobby. De bescherming als 'landschap' in 1974 noch de bescherming als 'monument' van de gebouwen, de boogbrug en de ijskelder in 2001 hebben daar veel aan veranderd. Pogingen om in de kasteelgebouwen achtereenvolgens een Montessorischool, een film­school of een horecabedrijf onder te brengen, stuitten op onoverkomelijke stedenbouwkundige problemen, die vooral met functiewijziging te maken hadden. Het domein ligt er momenteel verlaten bij (2006).

Merkwaardige bomen (opname 24 juni 2003)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 9. zomereik (Quercus robur) 382
  • 39. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipi­fera) 333
  • 44. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 447
  • 45. canadapopulier (Populus x canadensis) 570
  • 49. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea')
  • 360
  • 54.gewone es (Fraxinus excelsior) 375
  • 60. zomereik (Quercus robur) 379
  • 61. zomereik (Quercus robur) 380
  • 62. Amerikaanse eik (Quercus robur) 380
  • 63. zilverlinde (Tilia tomentosa) 442
  • 70. tamme kastanje (Castanea sativa) 487
  • Stadsarchief Brussel, nr. 1616.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Sterrebeek 1862 nr. 9 en 1870 nr. 13.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Sterrebeek, art. 140 nrs. 10-29, art. 404 nr. 15, art. 457 nrs. 60-61 en art. 1091 nr. 23, 29, 32-34, 36 en 39.
  • BAEYENS L. & DUDAL R., Bodemkaart van België – kaartblad Zaventem 88E & Verklarende tekst bij het kaartblad, Gent, Centrum voor Bodemkartering, 1958.
  • COSYN A., Sterrebeek, Bruxelles, Weissenbruch s.a., 1926, fig. 23.
  • DOPERÉ F. & UBREGTS W., De donjon in Vlaande­ren, architectuur en wooncultuur, Brussel, Gemeentekrediet – Leuven, Universitaire Pers, 1991, p. 237-238.
  • LANI S., Het kaartboek van de abdij van Park, 1665, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2000, p. 209.
  • MEUL V., Joseph Schadde (1818-1894), academicus en historiserend bouwmeester in de tweede helft van de 19de eeuw, in Monumenten en Landschappen 13(6), 1994, p. 861.
  • MEULEMANS A., Sterrebeek – Kasteel "Ter Meeren", in Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Leuven en omgeving, deel IX, 1969, p. 205-208.
  • MONBALLYU J., De rol van de wetgever en de rechter bij de strafrechtsbedeling volgens Goswin de Fierlant (1735-1804), in The Legal History Review 68(3), 2000, p. 281-300.
  • PAESMANS G., Verantwoording bij het beschermingsvoorstel "Zaventem (Sterrebeek): Mechelsesteenweg 98: kasteel ter Meeren met parkuitrusting", 10 augustus 2000, archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven.
  • VAN ERMEN E., VANHOVE L. & VAN BRAUN DE TER MEEREN M., Sterrebeek à travers les âges, (fasc. IV), Bruxelles, impr. Vindelinckx, 1949, p. IV, p. 7.
  • VANNOPPEN H. & SOMMEREYNSPARENT L., De geschiedenis van Sterrebeek, het kastelendorp, Tielt, drukkerij Veys, 1978, p. 889, p. 891.
  • VERBESSELT J., Het parochie­wezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XII), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, na p. 176-177 en 183-184.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VIIIB (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 356-359.

Bron     : DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Paesmans, Greta
Datum  : 2009


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Park van het Kasteel ter Meeren [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134150 (Geraadpleegd op 12-12-2019)