erfgoedobject

Kasteeldomein Het Steen

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 134157   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134157

Juridische gevolgen

Beschrijving

Kasteeldomein van 4 hectare met landschappelijk park, oorspronkelijk bijna 14 hectare, aangelegd vanaf 1875 bij Het Steen, een door P.-P. Rubens in 1635-1640 bewoond 'hof van plaisantie', dat in 1875 en 1914 historiserend gerestaureerd werd onder leiding van architect Eugène Carpentier (1819-1886). De drie losstaande gebouwen van het neerhof met duiventoren, oranjerie, stallingen, rentmeestershuis en gastenverblijf met kapel werden in U-vorm aan de overzijde van het kasteel gebouwd in 1754-1755 in opdracht van de toenmalige eigenares Albertine-Françoise de Wynants. De directe omgeving van het kasteelcomplex kent een geometrische tuinaanleg.

Rubens

Pieter Paul Rubens kocht in 1635, op het hoogtepunt van zijn roem en enkele jaren voor zijn dood, het 'hoff ten Steene' als 'huis van plaisantie'. Op de twee schilderijen die hij het jaar daarop maakte, toont hij zijn buitengoed, de voorgrond van een weids landschap met dramatische luchten, vanuit twee verschillende hoeken: in het 'herfstlandschap' uit de Londense National Gallery vanuit het oosten, in het 'tornooi' uit het Louvre vanuit het zuiden. Het landschap van de Zennevallei dat de rechterhelft van het 'herfstlandschap' vult, moet min of meer aansluiten bij het valleilandschap links op het 'tornooi'. Het realisme in de weergave van de topografie is – in tegenstelling tot wat men soms denkt – vrij groot: de geul van de Barebeek (met een houten brugje) rechts op de voorgrond van het 'herfstlandschap'; iets verderop, de meander van de Zenne tussen Eppegem en Weerde; aan de einder de 'steilrand' ten noorden van de Rupel tussen Rumst en Boom. De rechte dubbele dreef naar Elewijt-dorp, die nu de voorgrond van het 'herfstlandschap' zou vormen, moet nog worden aangelegd. Het kasteel op het 'herfstlandschap' is duidelijk herkenbaar als een traditionele bak- en zandsteenbouw (witte zandsteen voor de speklagen, vensterkozijnen en plint), met getrapte zijgevels en dakkapellen en een hoge ingangstravee met een zadeldak, die door de eeuwen heen alle verbouwingen en restauraties heeft overleefd.

Het 'tornooi' laat het gebouw vanuit het zuiden zien, vanuit die hoek veel minder homogeen en traditionalistisch, met renaissancistische (de bogengalerij op de verdieping en het torentje met klokdak en ajuinspits) maar ook archaïsche elementen zoals de ronde, gekanteelde hoektoren, het overkragende spietorentje ('peperbus') aan de andere kant, de poorttoren onder een zadeldak in het midden. Het gebouw, een gesloten complex met vier vleugels, wordt weerspiegeld in het water van de ringgracht. Het stamt ongetwijfeld af van het hoogmiddeleeuwse neerhof, dat in de loop van de 14de, 15de of 16de eeuw werd 'gecastelliseerd'. De constructie waaraan Rubens' buitengoed zijn naam ontleende, bevindt zich links van het kasteel op een apart eilandje, bereikbaar via een tweede stenen brug vanuit de poorttoren – een indrukwekkende vierkante donjon met een overkragende bovenverdieping, die voorzien is van spietorentjes en machicoulis, bevlagd, aan de kleur te oordelen van witte zandsteen. De dubbele motte en de toren, ontstaan als meest oostelijke stelling van de Berthouts op de grens van hun Land van Grimbergen, waren toen al minstens vier eeuwen oud. Het 'kastelenboek' van Le Roy (1694) toont aan dat Het Steen van Elewijt – een tot kasteel omgebouwd neerhof en een als curiosum en teken van standing gekoesterde woontoren, elk op een afzonderlijk eilandje – geen uniek geval was (zie ook het oud kasteel van Boutersem, de Toren Ter Heide te Rotselaar, vermoedelijk ook Kruikenberg in Ternat, Blaasveld, Zevenbergen in Ranst, ...).

Op de schilderijen valt niets te bespeuren van tuinaanleg. In Rubens' boekhouding werden uitgaven geregistreerd met betrekking tot tuinonderhoud en kuipen voor sinaasappelbomen, maar er wordt niet gespecificeerd voor welke van zijn landgoederen. Het schilderij met de allegorie van Vertumnus en Pomona of 'De wandeling in de tuin' in de Alte Pinakothek te Munchen, geeft misschien geen fotografisch beeld van de tuin bij zijn huis in Antwerpen (het Rubenshuis), maar het benadert toch meer de werkelijkheid dan tot nu toe werd gedacht en het vertelt ons alleszins veel over Rubens' ideeën over tuinen: het nog bestaande paviljoen links in beeld, met haagjes afgeboorde compartimenten, een fontein, een met kamperfoelie begroeid houten prieel, een groot perk met tulpen, terracottapotten met lelies of anjers en uiteraard kuipen met oranjeboompjes. Een dergelijke tuin mag men mutatis mutandis ook in Elewijt veronderstellen, maar die werd zowel op het 'herfstlandschap' als op het 'tornooi' zorgvuldig buiten beeld gehouden. De twee schilderijen van Rubens zijn vreemd genoeg de enige iconografische bronnen vóór de Ferrariskaart (1771-1778). In 1682 werd in een beschrijving van Het Steen ook gewag gemaakt van een hof en een boomgaard en – evenmin zichtbaar op de schilderijen van 1636 – van een neerhof met woonhuis, stallen en schuren. De donjon was toen nog niet afgebroken want hij wordt eveneens vernoemd.

Het huidige 'neerhof ' – drie losstaande gebouwen (duiventoren, oranjerie, stallen, rentmeestershuis en gastenverblijf met kapel) die een naar het kasteel toe geopende U vormen – werd gebouwd in 1754-1755 in opdracht van de toenmalige eigenares Albertine-Françoise de Wynants. Mogelijk werd tijdens de bouwcampagne ook de donjon gesloopt en werden de stenen in de nieuwbouw gerecycleerd en de twee motten (de donjon- en kasteelmotte) tot een rechthoekig eiland van 57 are versmolten. De dubbele, uit drie stroken bestaande, rechte dreef naar Elewijt dateert vermoedelijk uit dezelfde perio­de. De Ferrariskaart (1771-1778), het eerste cartografische beeld, toont deze nieuwe situatie zonder de watermolen. Die werd toegevoegd door architect Laurent-Benoît Dewez, die van 1773 tot 1777 de incidentrijke bouw van de Vilvoordse staatsgevangenis ('tuchthuis') leidde en wellicht Het Steen had aangekocht om dicht bij zijn werk te wonen. Aan de overzijde van de Steendreef bouwde Dewez een watermolen. Die werd gevoed vanuit de Zenne via een recht, 600 m lang kanaaltje, de 'Steenvaart'; de brede ringgrachten van het Steen fungeerden als molenvijver en het afgeleide water belandde na de watermolen in de Barebeek, een riviertje dat te Muizen in de Dijle uitmondt.

De op de Ferrariskaart afgebeelde situatie vinden we nagenoeg onveranderd terug op de Primitieve kadasterkaart, opgemaakt rond 1812. In 1831 werd het kasteel volgens de Primitieve kadastrale legger uitsluitend omringd door utilitaire percelen. Het kasteeleiland bestond uit twee percelen 'hof ' (moestuin); het door Wynants gebouwde neerhof werd omringd door boomgaard en boomkwekerij; buiten de ringgrachten alleen maar bossen en weiden. Het Steen met circa 90 hectare landerijen (deels ook op Eppegem en Vilvoorde) was eigendom van baron Charles Coppens, lid van het op 3 november 1830 gekozen 'nationaal congres', de laatste 'Hollandse' burgmeester van Heusden bij Gent, commandant van de Gentse burgerwacht… , voor wie Elewijt zeker geen hoofdverblijf was.

Gerestaureerd kasteel in een landschappelijk park

Volgens de eerste stafkaart was deze toestand in 1864 nog in grote lijnen dezelfde. De enige noemenswaardige toevoeging was een oranjerie – een laagbouw met vier rondbogige vensterdeuren in het verlengde van de noordwestelijke vleugel van het neerhof en ermee verbonden door een hoge duiventoren. De oranjerie werd geregistreerd in 1863, toen ook de aanpalende boomkwekerij werd omgevormd tot een moestuin van 83,5 are. De moestuin werd langs twee zijden afgeschermd door een hoge, met gesinterde stenen versierde muur. Na de dood van Coppens in 1874 zorgde zijn nog jonge weduwe voor diepgaande veranderingen. Het kasteel werd in 1875 gerestaureerd onder leiding van architect Eugène Carpentier (1819-1886), leerling van T.F. Suys, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en een belangrijke figuur in de Belgische monumentenzorg. Hoewel Carpentier als restaurateur bekend stond om zijn 'bescheiden' opstelling, was de restauratie ingrijpend: de linkervleugel, die oorspronkelijk slechts één bouwlaag telde, kreeg een verdieping, zoals de rechtervleugel ook met een getrapte zijgevel en met klooster- en kruiskozijnen. Ook de achtergevel werd hard gerestaureerd en kreeg onder meer een korte dwarsvleugel met een neogotische erker. De dienstgebouwen ondergingen een vergelijkbaar lot. Tegen de zuidoostelijke arm van de slotgracht werd bovendien een koetshuis met U-vormig grondplan gebouwd, dat in 1945 door een 'vliegende bom' werd vernield en daarna gesloopt. De 'creatieve' aanpak van Carpentier, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de restauraties van de kastelen van Groot-Bijgaarden (Paul Saintenoy) of Gaasbeek (Charle-Albert) en typisch voor de late 19de eeuw, zou momenteel op weinig begrip kunnen rekenen en werd niet lang daarna als 'onvoorzichtig' ervaren ("ne semble pas avoir été faite avec toute la prudence désirable" zo merkt A. Cosyn op).

De historiserende benadering van het kasteel gold allerminst voor de omgeving, die grondig werd herwerkt volgens de toen als modern beschouwde principes. De zuidwestelijke arm van de ringgracht werd gedempt met de grond die werd uitgegraven om 100 m verderop de huidige vijver aan te leggen. De Barebeek zal voortaan een weidse, tot 60 m brede meander beschrijven, uiteraard met eilandjes – het klassieke 'rivierlandschap' dat na de aanleg van het park Schonenberg te Laken in 1788 de hele 19de eeuw door in eindeloze variaties werd heropgevoerd. De stafkaart van 1892 geeft de nieuwe vijver weer, omkaderd door een voor die tijd sober net van parkwegen: twee lussen in de bospercelen ten westen en ten zuiden van het kasteel. De site van het oude kasteeleiland was volgens de stafkaarten van 1892 en 1909 nog volledig in vierkante tuinbedden verdeeld, maar op een litho uit 'la Belgique pittoresque' (1872-1878) – de enige afbeelding waar men ook een glimp opvangt van die ruimte – wordt een met bomen gestoffeerde grasvlakte afgebeeld. De aanlegwerken hebben vermoedelijk aangesleept tot aan de Eerste Wereldoorlog. Baron August de Becker-Remy, senator, eigenaar vanaf 1914, liet tijdens de oorlogsjaren onder leiding van een zekere Verhaert restauratiewerken uitvoeren. Deze restauratie betrof vooral het interieur, maar ook de brug over het resterende gedeelte van de slotgracht, het neerhof en het kasteel zelf, waar de loggia in de poorttravee werd dichtgemaakt. Volgens de kadastrale legger uit de jaren 1920 bedroeg de oppervlakte van de als 'park' en 'lustvijver' aangemerkte percelen circa 3 hectare, maar op de stafkaart van 1932 worden ten zuidwesten van het kasteel 14 hectare weergegeven waarin sporen van parkaanleg (bosjes, slingerpaden) voorkomen. Vanuit het kasteel kon men, over de vijver heen en tussen de solitaire bomen en boomgroepjes aan de overzijde, ook een glimp opvangen van het open landschap ten zuidwesten met de kerk van Houtem in de verte. Deze doorkijk wordt momenteel door aanplantingen van canadapopulieren afgestopt.

Deze tweede restauratie gebeurde in een tijd dat er ook belangstelling was voor klassieke 'Franse' tuinaanleg, dikwijls beperkt tot de directe omgeving van het kasteel, vaak bedoeld als een soort omkadering. Door het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, 'style Duchêne' genoemd naar de voornaamste exponenten van deze revival, was deze stijl rond de eeuwwisseling bijzonder populair in gegoede middens en ook in Elewijt vinden we sporen van geometrische aanleg, strakke geometrische patronen, geaccentueerd door in kegel of kubus geschoren taxussen (Taxus baccata), tuinvazen en evenwijdige hagen van haagbeuk (Carpinus betulus) – de oprit vanaf de Steendreef in de oosthoek van het domein, het neerhofplein, de ruimte tussen het neerhof en het kasteel en onmiddellijk achter het kasteel. In hoever deze patronen werden overgeërfd uit de tijd van Coppens of doelbewust inspelend op de 'Franse' smaak aangebracht werden door zijn opvolgers, valt moeilijk uit te maken. Oude foto's laten zien dat deze 'Franse' aanleg vroeger door rozenperken, plate-bandes en bloemencorbeilles werd opgevrolijkt en geaccentueerd – details die na de Tweede Wereldoorlog onbetaalbaar zijn geworden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het kasteel bezet door Duitse soldaten en, na de bevrijding, door Amerikanen. Het ontsnapte ternauwernood aan een 'vliegende bom', die slechts het nabije koetshuis vernietigde. In 1955 werd het domein met het gehavende kasteelcomplex en het park en de moestuin (4 hectare) door de erfgenamen de Becker-Remy verkocht aan de industrieel Paul Maison, die het geleidelijk restaureerde.

De beplantingen

Op één 19de-eeuwse bruine beuk (Fagus sylva­tica 'Atropunicea') en enkele zomereiken (Quercus robur) en haagbeuken (Carpinus betulus) na, werd de oudste generatie van het huidige bomenbestand – groene en bruine beuk, varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia'), tulpenboom (Liriodendron tuli­pifera), zilverlinde (Tilia tomentosa), veder- en zilver esdoorn (Acer negundo, A. saccharinum), witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) – aangeplant rond de Eerste Wereldoorlog. Een ansichtkaart van omstreeks 1920 toont de dubbele dreef naar Elewijt met vier rijen iepen, wellicht Ulmus glabra, die na hun afsterven als gevolg van het uitbreken van de iepenziekte in de jaren 1920, vervangen werden door circa 230 zilveresdoorns, die op hun beurt naar aanleiding van de heraanleg van de dreef in 1986 werden gerooid en vervangen door Krimlinden (Tilia x euchlora).

Merkwaardige bomen (opname 19 september 2003)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 1. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipi­fera) 303
  • 12. zwarte els (Alnus glutinosa) 197
  • 14. witte es (Fraxinus americana) 114/108
  • 27. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 232
  • 36. zilveresdoorn (Acer saccharinum) 406
  • 38. varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia') 257(100)
  • Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven, dossier Steendreef te Zemst (Elewijt).
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale leggers 212 Elewijt, art. 33 nrs. 3-22 en 106 en Eppegem art. 35 nrs. 2-12.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Elewijt 1863/31 en 1882/11.
  • COSYN A., Au beau pays de Rubens et de Teniers. III.- Le château "Le Steen" à Elewyt, in Bulletin officiel du Touring-Club de Belgique, 29(2), 1923, p. 25-29.
  • DE BACKER W., HUVENNE P. & VAN DEN BOSSCHE H. 1995: De tuin van het Rubenshuis in Antwerpen: een historische evocatie, Monumenten & Landschappen, 14.3, 41-55.
  • DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 125-129.
  • DE MAEGD C., Was wächst und gedeiht, was spielt und balgt befreit, in Gärten aus Rubens' Zeit, München, Hirner Verlag, 2000, p. 67-82.
  • DE STEIN D'ALTENSTEIN I., Annuaire de la noblesse de Belgique, Bruxelles, A. Decq…, 1857, p. 102.
  • DUCHÊNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Paris, Editions du Labyrinthe, 1998.
  • HÄRTING U., Rubens' Garten in Antwerpen, in Gärten und Höfe aus Rubens' Zeit, München, Hirner Verlag, 2000, p. 59-66.
  • LAUWERS J., Zeven eeuwen heerlijkheid Perk-Elewijt. Het mooie land van Rubens en Teniers, Perk, Heemkring David Teniers, 1997, p. 625 en p. 648.
  • LE ROY J., Castella et praetoria nobilium Brabantiae, coenobiaque celebriora ..., 1694.
  • NUYTTEN D., "Un immense bâtiment, d'aspect sinistre, posé au bord du canal". Het voormalige tuchthuis van Vilvoorde, in Monumenten & Landschappen, 25(1), 2006, p. 6-28.
  • RINCKHOUT E., Een wereld in eeuwige verf, in De Morgen, bis, 3-12-2005.
  • RENSON G., Nota's nopens het groot fortuin van P.P. Rubens (1577-1640) en de onkosten bij zijn dood, in Eigen Schoon en De Brabander, 78(4-5-6), 1995, p. 165-180.
  • STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België 1835-1940, Brussel, Stichting Vlaams Erfgoed, 1998, p. 351.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, (XI), Brussel, Koninklijk Geschieden Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, p. 172 en 182-184.
  • VERBOUWE A., Iconografie van Vlaams-Brabant (VI), Kan­ton Wolvertem, Brussel, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1948, p. 45-48.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII, heruitgave van de editie van 1855, Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 68.

Bron     : DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Wijnant, Jo
Datum  : 2009

Aanvullende informatie

De toegang tot het domein bevindt zich in de bocht van de Steendreef. De inrit wordt afgesloten door een smeedijzeren toegangshek waarvan de spijlen uitlopen op speerpunten en hangend aan hardstenen vierkante hekpijlers, bekroond met een bolornament. Langsheen de Steendreef bevindt zich ter hoogte van de moestuin ook een vast smeedijzeren hek van zes traveeën op een kalkzandstenen plint tussen vierkante bakstenen hekpijlers, opgesmukt met banden van witte natuursteen. De twee toegangen aan de uiteinden zijn heden met een eenvoudig houten hek afgesloten.

Auteurs : Michiels, Marijke
Datum: 19-08-2019

Relaties

  • Omvat
    Kasteel Het Steen en aanhorigheden

  • Is gerelateerd aan
    Watermolen van het Steen

  • Is deel van
    Elewijt

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Kasteeldomein Het Steen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134157 (Geraadpleegd op 25-10-2020)