erfgoedobject

Domein van Oorbeek

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 134221   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134221

Beschrijving

Het kasteel van Oorbeek is gebouwd in 1646 door de heer van Oorbeek, Paul van Ryckel. Veertig meter lange wagenhuisvleugel, rond 1883 uitgebreid, in 1904 deels heropgebouwd, en in 1913 vergroot. Begin 19de eeuw, renovatie in classicistische stijl door ridder Persoens d'Ordingen, burgemeester van Tienen, en aanleg ereplein met hek tussen door bollen bekroonde pijlers. Deels ommuurde moestuin, met een halve serre, van 1876. Omgeven door romantisch 'rivierlandschap', bijna 3 hectare, vermoedelijk aangelegd in het 2de kwart van de 19de eeuw; bebost gedeelte met sporen van ster­vormig padenpatroon.

 

Het kasteel

In de door Vander Maelen in 1840 uitgegeven 'Atlas pittoresques des chemins de fer de la Belgique', een toeristische gids voor de toenmalige treinreiziger, wordt het kasteel van 'Hoorenbeek' weinig accuraat afgebeeld als één van de blikvangers langs de pas aangelegde spoorlijn Leuven-Tienen. Het kasteel van Oorbeek, gebouwd in 1646 door de toenmalige heer van Oorbeek, Paul van Ryckel, wordt voor het eerst afgebeeld in de marge van een figuratieve kaart van Kumtich uit 1720 uit het kaartboek van de goederen van de abdij van Ter Kameren: een vierkant volume van twee bouwlagen, twee traveeën langs elke zijde, vensters met kruiskozijnen, onder een tentdak met lantaarn en gevat tussen hoektorens met klokdakjes, waarschijnlijk vier, maar op de afbeelding zijn er slechts drie zichtbaar. De omgeving wordt spaarzaam weergegeven: de 'Maelbeke' (Menebeek) aan de achterzijde van (en veel te dicht bij) het kasteel en de met bomen afgezoomde oprijlaan aan de voorzijde. Het kasteel wordt omkaderd door een ringgracht, eveneens met bomen afgezoomd. Ondanks de ringgracht en de torens had het gebouw geen defensieve betekenis; het ging om een 'huis van plaisantie'. Eventuele dienstgebouwen worden buiten het blikveld gehouden. Landmeter G. Couvreur heeft het kasteel hier gebruikt als oriëntatiepunt en mogelijk is de weergave minder exact dan ze lijkt, bijvoorbeeld wat betreft het aantal traveeën (twee in plaats van de huidige vier).

De Primitieve kadasterkaart, opgesteld door Bastendorff circa 1820, levert de eerste betrouwbare plattegrond op van het kasteelcomplex, die op enkele details na overeenstemt met de huidige. Een litho van circa 1850 toont het kasteel, witgepleisterd (naar de toenmalige smaak), maar ongeveer in zijn huidige vorm, zonder een noordwestelijke hoek­ toren. De klokdakjes van de hoektorens zijn wat spitser en het steile tentdak dat in een monumentale schouw uitloopt (zoals op de tekening van 1720) werd nog niet afgeknot. De 40 m lange wagen­huisvleugel, die aan de zuidoosthoek van het kasteel is vastgebouwd, ziet er precies uit als de huidige (twaalf traveeën met centraal drie rondboogpoorten onder een driehoekig fronton, vier dak­kapellen). Het kadaster registreert verbouwingen aan de dienstvleugel in 1883 (uitbreiding), 1904 (gedeeltelijke reconstructie) en 1913 (vergroting), die vooral de westzijde van de dienstvleugel betreffen. In 1904 werd vermoedelijk ook de pleisterlaag verwijderd en werd het baksteenmetselwerk met speklagen blootgelegd, zodat het kasteel er weer min of meer uitzag zoals in 1720.

De ster

De eerste cartografische weergave van het domein komt voor op de Ferrariskaart (1771-1775). De oprijlaan komt uit bij het kasteel (met hoektorens maar zonder ringgracht), los van de aanhorigheid die een U-vormige plattegrond heeft. De indeling van het domein op de Ferrariskaart stemt in hoge mate overeen met de perceelsstructuur op de Primitieve kadasterkaart, vijftig jaar later. Links van de oprijlaan lag een grote boomgaard (het latere perceel 38 – 1 hectare 76 are 20 centiare), rechts een moestuin (het latere perceel 32 – 33 are) en een 'sterrenbos' van meer dan 2 hectare (de latere percelen 29 en 30). Stervormen en 'ganzenvoeten' waren veel voorkomende patronen in de 18de-eeuwse domeinen, ook in de bosbouw, bij de herstructurering van bosgebieden (zie bijvoorbeeld het Gravenbos te Humbeek, het Zoniënwoud, de hertogelijke warande van Tervuren, de bossen van de abdijen van Tongerlo en Averbode). Het panopticum-effect (alles vanuit één punt kunnen overzien) beantwoordde volledig aan het klassieke verlangen naar orde en overzicht en was – indien het om uitgestrekte bossen ging – ook doeltreffend binnen het (drijf )jachtritueel: van op één centrale plaats kon men het opgejaagde wild neerleggen zonder één voet te verzetten. In Duitsland spreekt men dan ook vaak van een 'Jagdstern'. Ten oosten van het kasteel lag de siertuin, een axiaal-symmetrische, uit parterres (mogelijk met loofwerkpatronen of 'broderies') opgebouwde, door hagen of latwerk omgeven tuin.

De Ferrariskaart werd opgemaakt niet lang voor de verkoop van het domein door de laatste van Ryckel aan Jean-Hubert-Henri Persoens, die in 1787 tot rechter bij de Tiense tolkamer was benoemd en – als beloning voor zijn trouw aan de Habsburgers tijdens de Brabantse Revolutie (1789) – tot meier van Tienen van 1791 tot 1794. Hij wist zich ook tijdens de daaropvolgende regimes te handhaven, want van 1808 tot aan zijn plotse dood in 1819 was ridder Persoens d'Ordingen burgmeester van Tienen. Hij wou eerst het kasteel laten afbreken, maar bedacht zich en liet het renoveren. Het hek met door bollen bekroonde pijlers dat het ereplein omsluit, de driehoekige frontons boven de voorgevel en de poorten van het wagenhuis en andere classicistische elementen… ontstonden vermoedelijk tijdens deze verbouwing. Mogelijk werden toen ook de kruiskozijnen verwijderd. De weduwe Persoens (vermeld als weduwe Jean Hu­bert Persoens in art. 84 van de kadastrale legger) treedt in 1831 op als eerste eigenares in het Belgische kadaster. De gebruikspercelen van de Ferrariskaart zijn nog duidelijk afleesbaar op de Primitieve kadasterkaart, maar het is zeer de vraag of de inhoud nog dezelfde is. Het perceel 28, waar vroeger de parterretuin lag, wordt gewoon als 'land' (bouwland) geregistreerd en binnen de contouren van het voormalige sterrenbos wordt een onderscheid gemaakt tussen 'lusttuin' en 'lustgrond' ('jardin d'agrément' en 'terrain d'agrément'). De oprijlaan wordt op haar huidige breedte, circa 30 m, weergegeven en bestaat uit drie stroken, de in de 18de-eeuwse tuinarchitectuur gebruikelijke dubbele dreef met vier bomenrijen ("allée principale" geflankeerd door één of twee "contre-allées"), die waarschijnlijk ook bij de classicistische verbouwing van het kasteel werd aangelegd. De huidige dreef telt slechts twee rijen van zomerlinden (Tilia platyphyllos), die in 1880 werden aangeplant ter vervanging van Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica').

De rivier

Het eerste duidelijke beeld van het domein verschijnt op de stafkaart van 1864. De aloude indeling (boomgaard links, tuinen en sierbos rechts van de oprijlaan) bleef ongeschonden, maar de langwerpige, licht krommende vijver van het kasteel is iets nieuws. Hij kan niet precies worden gedateerd omdat hij door het kadaster nooit werd geregistreerd, maar hij komt wel al voor, met opspuitende fontein, op de litho van 1850. De wijzigingen in de contouren van deze vijver op de opeenvolgende stafkaarten zijn misschien te wijten aan de losse pols van de diverse karteerders; pas op de stafkaart van 1970 wordt hij correct weergegeven (11). De vijver 'ontspringt' ten zuidoosten van het kasteel, bij het uiteinde van de oprijlaan. De bedoeling ligt voor de hand: de bezoeker die het ereplein bereikt, krijgt – als hij in oostelijke richting kijkt – de illusie van een statige rivier, die in de verte (nauwelijks 200 m verderop) verdwijnt. Neprivieren – vaak verbrede of opgestuwde grachten – speelden een belangrijke rol in de 19de-eeuwse landschappelijke parken, bijvoorbeeld in het nabijgelegen kasteelpark van Meldert.

De omschakeling van 18de-eeuwse regelmatige aanlegpatronen naar zogenaamd Engelse landschapsparken was dikwijls minder radicaal dan op het eerste gezicht leek. Het landschappelijk heraangelegde bos ten zuiden van de vijver vertoont een curieus wegenpatroon: een lus waarvan de uiteinden elkaar kruisen. Bij nader toezien blijken dat de diagonalen van het 18de-eeuwse sterrenbos te zijn, waarvan de straklijnigheid een beetje werd afgezwakt. De oostelijke helft van dit patroon is nog herkenbaar. De Primitieve kadastrale indeling bleef behouden tot in 1876 toen, onder het eigenaarschap van de Engelse Selena Forster, weduwe van de kunstschilder Jules Storms, diverse percelen ten oosten van het kasteel werden samengesmolten tot één groot perceel 'lustgrond' (nr. 29a) van bijna drie hectare. Toen ontstond ook de nog bestaande moestuin (perceel nr. 32a), rechts van de oprijlaan, langs het noorden afgeschermd door een bakstenen muur met een halve serre – pas afgebeeld op de stafkaart van 1970. De grote boomgaard ten westen van het kasteel is er vandaag nog altijd.

Het gros van het huidige bomenbestand werd vermoedelijk aangeplant tijdens de laatste restauratie, rond 1904. Het gaat onder meer om bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') in een voor de regio typische opstelling die door eigenaars vaak "de Twaalf Apostelen" wordt genoemd. Daarnaast ook witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), grauwe abeel (Populus canescens), plataan (Platanus x hispanica), zilveresdoorn (Acer saccharinum), bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii') en – zeldzamer – eenbladige es (Fraxinus excel­sior 'Diversifolia'). Eén van de bruine beuken en een witte abeel (Populus alba) dateren mogelijk uit de tijd van Persoens en het is niet uitgesloten dat een haagbeuk met een stamomtrek van bijna 2,5 m in het beboste gedeelte ten zuiden van de vijver, een overblijfsel is van een 18de-eeuwe haag of palissade van het sterrenbos.

Merkwaardige bomen (opname 1 augustus 1997)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeters weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 2. witte abeel (Populus alba) 356
  • 4. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 241
  • 7. zomereik (Quercus robur) 384
  • 10. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 353
  • 11. eenbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia') 248
  • 15. zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'Laciniata') 134
  • 17. grauwe abeel (Populus canescens) 408
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Oorbeek, art. 84 nrs. 10-11, art. 287 nrs. 2, 4,5 en 11 en art. 317 nrs. 5 en 12.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschetsen Oorbeek 1883 nr. 1, 1904 nr. 2 en 1913 nr. 2.
  • Topografische kaart van Ph. Vander Maelen (Établissement géographique de Bruxelles, 1845-1850).
  • DENEEF R., DE MAEGD C., DE JAECK H. & WIJNANT J., "Getemperde straklijnigheid": Louis Van der Swaelmen en de "krachtige rangschikking" van het kasteeldomein van Meldert (Hoegaarden), in Monumenten & Landschappen, 19(2), 2000, p. 51-70.
  • KEMPENEERS P., Oost-Brabantse plaatsnamen: 10. Oorbeek, in Toponymica, 9,10, Leuven, K.U.L., Instituut voor Naamkunde, 2003, p. 79.
  • LAURENT R., De goederen van de Abdij van Ter Kameren in Brabant – Kaartboek 1716-1720, Brussel, Gemeentekrediet, 1996, p. 40 (kaart I-18).
  • VON BUTTLAR A. & MEYER M.M., Historische Gärten in Schleswig-Holstein, Heide, Boyens & Co, 1996, p. 682.
  • WAUTERS A., Atlas pittoresque des chemins de fer de la Belgique, composé de 15 cartes ornées de 400 vues, Bruxelles, Etablissement géographique de Ph. Vandermaelen, 1840.
  • WAUTERS A., Géographie et histoire des communes bel­ges. Arrondissement de Louvain – canton de Tirlemont (II), Bruxelles, Culture et Civilisation, facsimile van editie 1876, 1963, p. 167-168.

Bron     : DENEEF, R., 2008. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw: Geetbets, Hoegaarden, Kortenaken, Landen, Linter, Tienen, Zoutleeuw, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  De Jaeck, Herlinde, Deneef, Roger
Datum  : 2008


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Domein van Oorbeek [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134221 (Geraadpleegd op 09-12-2019)