erfgoedobject

Domein van Rullingen

landschappelijk element
ID
134299
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134299

Juridische gevolgen

Beschrijving

Provinciaal domein van nagenoeg 14 ha, met park en vijver in landschappelijke stijl van rond 1800, bij het in 1921-1925 grondig in Brabantse renaissancestijl gerestaureerd 17de–eeuws waterkasteel, nogmaals samen met de omgeving gerestaureerd in de jaren 1980.

Van kasteel tot Provinciaal domein

Rullingen, aanvankelijk het bezit van de gelijknamige familie, kwam langs vrouwelijke lijn in 1575 in handen van de familie van Voort, die het oudere, middeleeuwse kasteel in de 17de eeuw ombouwde tot een waterkasteel met huiskapel in Maasstijl. De huidige vierkante toren die vandaag ook nog het kasteel (een twee verdiepingen hoge woonvleugel met lagere haakse vleugel) beheerst, had vermoedelijk een donjon als voorganger. Christina Margaretha van Voort (†1753) erfde in 1702 een deel van de heerlijkheid en huwde een jaar later Richard van Zeegraedt (1764-1735) die rond 1713 het andere deel kocht. Rullingen, dat vermeldt wordt als een heerlijkheid met kasteel, neerhof, brouwerij, tuinen, dreven, vijver, aanhorigheden, weiden, landerijen en het cijnshof van Rommershoven met zijn aanhorigheden, bleef de hele 18de eeuw in handen van de familie van Zeegraedt. Het kasteel wordt aan de heersende woon- en leefwijze aangepast en het neerhof wordt in 1761-1789 verbouwd. Vermoedelijk nam deze familie ook het initiatief om het park in de nieuwe stijl aan te leggen. In 1805 huwde Rosalie de Zeegraedt (1788-1874), de laatste van die naam, Gilbert-Henri Claes (1771-1838), uit een familie die generaties lang rentmeesters waren van Veulen (Heers). Zij breidden het domein in Rullingen uit tot meer dan 100 ha. Hun zoon Eugène Gilbert Claes (1815-1881), werd ingenieur en stichter van het succesvolle, in openbare werken gespecialiseerde aannemersbedrijf Claes Fléchet; hij was bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de drooglegging van meer dan 800 ha heide in Neeroeteren die hij voor de helft als dennenbos beplantte.

In deze periode werd de oude kasteelkapel vervangen door een dienstvleugel, de kapel werd overgebracht naar het interieur van het kasteel en het neerhof kreeg een gesloten structuur. Deze algemeen voorkomende ingreep van afscherming, interpreteren we als de ruimtelijke uitdrukking van de sedert het midden van de 19de eeuw steeds groter wordende sociale kloof tussen kasteelbewoners en hun personeel.

Eugène Claes' weduwe bleef in Rullingen tot haar dood in 1910 maar haar neef en erfgenaam Franz Joseph de Pierpont verkocht het kasteel aan ridder Pangaert d'Opdorp. Toen volgde de tweede voor de gebouwen bepalende fase. In 1920 teisterde brand het neerhof en werd het gesloopt; dit betekende het einde van de neerhof-opperhofstructuur. De restauratie tijdens de jaren 1921-1935 door de Leuvens architect Pieter Langerock veranderde de Maasstijl van het kasteel in een Brabantse bak- en zandsteenstijl. Er kwam ook een tuin in geometrische stijl die toen opnieuw in de mode raakte. In 1978 tenslotte verwierf de provincie Limburg Rullingen en sedertdien wordt het kasteel als hotelrestaurant verhuurd, een voormalig bijgebouw (jachtwachtershuis) is als cafetaria verpacht en het park is publiek toegankelijk. Er ging een restauratie van de gebouwen, een herstel en een nieuwe aanleg van de omgeving aan vooraf.

De ontwikkeling

De oudste afbeelding van Rullingen, in het Bundergeldboek van de abdij van Herkenrode, uit 1680 moet men niet zo maar als een icoontje voor kasteel ïnterpreteren, vermits het (bij toeval?) ook de essentie weergeeft van het gebouw in Rullingen: twee bouwlagen onder zadeldak met een hogere hoektoren. De cartografische bronnen lichten ons beter in over het grondgebruik en de oppervlakte der gebouwen.

De Ferrariskaart (1774-1775) geeft, ten zuidoosten van het gehucht Berlingen (Wellen) en ten westen van de Rullingenbeek, twee tegenover elkaar gelegen U-vormen zonder tuinen omringd door boomgaarden, dus de klassieke neerhof-opperhofstructuur, waaraan zoveel kastelen beantwoorden.

Ook het Vóór-primitief kadasterplan van 1809 bevestigt deze structuur; een niet strakke gracht (perceel nr. 30), onderbroken in de noordwestelijke hoek, omringt een neerhof (nr. 36) waarop ten zuiden een opperhof aansluit met een kasteel en een uitspringende hoektoren (perceel nr. 35). Ten zuidwesten situeert zich een grillig gevormde vijver waarbij twee gebouwtjes, vermoedelijk paviljoenen, liggen zonder kadastraal nummer. Aansluitend bij het neerhof en ten zuiden, tegenover het kasteel, liggen er tuinen (nr. 37, 38 en 39) en in de zuidelijke hoek een grote boomgaard (nr. 33, 2ha 23a 30ca), omgeven door een L-vormig bos dat begrensd wordt door de voetweg van Berlingen naar Borgloon. Volgens de legger van 1844 is Rosalie de Zeegraedt, weduwe van Gisbertus Claes eigenaar van Rullingen.

Philippe de Corswarem (1759-1830) geeft in zijn aquarel van Rullingen dezelfde gegevens maar in opstand weer. Het witgekalkte kasteel met zijn leien daken en twee bouwlagen op een hoge kelder­verdieping, onderscheidt zich duidelijk van de dienstgebouwen. Een pui met rechte steektrap en gietijzeren leuningen leidt naar de woning die een dubbelhuis-indeling heeft. Van de toren is alleen de daklantaarn zichtbaar en tegen het kasteel leunt nog een kleine bijbouw onder lessenaarsdak aan. Het wagenhuis, in zichtbare baksteen en met een mansardedak van pannen en leien, sluit op de haakse vleugel aan en ligt ook op het opperhof. De erekoer is aan de grachtzijden met muren beveiligd en is van het neerhof afgesloten door een hek met hekpijlers. De lagere gebouwen van het neerhof zijn deels in leembouw en met stro afgedekt, deels in baksteenbouw onder een pannendak. De grote boomgaard met een haag niet ver van de brug over de kasteelgracht, figureert als achtergrond.

Op de Dépotkaart van 1878 blijft deze structuur ongewijzigd, maar de wandelweg door het bos is nu duidelijk zichtbaar; hij vervoegt in de zuidelijke hoek het voetpad naar Borgloon. Op de uitgave van 1922 met de revisie van 1904, loopt deze weg verder naar de halteplaats van de spoorlijn Tongeren/Neerlinter in Kuttekoven.

Dankzij de kadastrale opmetingsschetsen kan men de evolutie van het goed volgen. In 1877 worden de zuidelijke percelen samengevoegd en verdwijnt het kleine gebouwtje (een paviljoen?) bij de landschappelijke vijver. In 1885 is de brede, landschappelijke slotgracht versmald tot een kanaal en de westelijke arm verkort, wat de bouw van een nieuwe toegangsbrug over de zuidelijke walarm nodig maakte; de oostelijke vleugel van het neerhof is verbouwd; het gebouwtje in de over de grachtarm gelegen moestuin wordt vergroot en tenslotte wordt de kasteelaanhorigheid aan de westkant L-vormig uitgebreid. In de periode 1877-1885 heeft er dus een vernieuwingscampagne plaats gehad. In 1912 noteert het kadaster een serre tegen de noordelijke muur van de moestuin en een wijziging aan de kasteelaanhorigheid. Tien jaar later wordt de vermelde sloping van het volledige neerhof genoteerd en in 1925 verschijnt er een derde serre in de moestuin en krijgt het kasteel in de noordoostelijke hoek een kleine uitbouw.

Rullingen vandaag

Het goed is nog steeds geïsoleerd gelegen omringd door voornamelijk fruitplantages, ten noordwesten van Borgloon. Het is een geliefd doel geworden voor een daguitstap en een welkome rustplaats voor de talrijke fietsers. De huidige toegang vanuit het noorden knoopt weer aan bij de historische, want de toegang vanuit het zuiden, die in 1877 gekadastreerd werd, is nog enkel voor voetgangers gereserveerd. Deze laatste inrit ligt aan een verbrede bocht in de straat en heeft een classicistisch poorthek tussen twee vaste hekken. De twee vierkante pijlers van blauwe hardsteen hebben verdiepte vierkante en rechthoekige velden op de schachtzijden, uitspringende sokkels en dekplaten en, ter bekroning, schilddragende leeuwtjes. Het vaste hek en de flankerende gekanneleerde Dorische zuilen zijn van gietijzer en staan op een natuurstenen plint. Het smeedijzeren hek is van het eenvoudige type met vierkant stijl- en regelwerk, dubbele tussenregel, ronde onderspijltjes en spijlen met lanspunt.

De huidige toegang gebeurt vanaf de parking, aangelegd in grasdallen en kassei, achter een brede nieuwe dijk in gras, parallel aan de oprit vanaf de straat; deze oprit wordt begeleid door een onvolledige rij van bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') en Amerikaanse eik (Quercus rubra), niet allemaal even vitaal. Een gekasseid pad leidt naar het kasteel, nu hotel-restaurant, en een smaller, met klinkers betegeld pad slaat af naar het café, ten westen van het kasteel. Op de plaats van de geometrische tuinen die het gesloopte neerhof vervingen, strekt zich nu een grasveld uit, begrensd door vernieuwde hagen van meidoorn, gedubbeld met jonge exemplaren wintereik (Quercus petraia) en aan de oostkant door de tot kanaal versmalde oude grachtarm.

Het eigenlijke park strekt zich aan de zuidzijde uit en bestaat uit een uitgestrekt grasveld met enkele solitairen en bomengroepjes en de behouden landschappelijke vijver in de zuidelijke hoek, waarbij het caféterras werd aangelegd. Hoge boomkruinen en het gevarieerde spel van hun kleuren en vormen begrenzen het park op de oost- en zuidzijde; op de oostzijde dankzij de bomen op de oever van de Rullingenbeek en op de zuidzijde dankzij het L-vormig bospark. Op de westzijde vloeit het park, door de prikkeldraadbegrenzing visueel over in de boomgaard. Deze werd vernieuwd, is beplant met kriek en peer en aan de straatkant omhaagd met meidoorn en gele kornoelje.

Het park heeft geen omlopend pad zoals meestal het geval is, noch een wandelpad langs de beek. Het enige pad vertrekt in de as van het kasteel, vanaf de brug uit 1885, loopt loodrecht naar het parkbos waar het op 18de-eeuwse wijze eindigt in een door leilinden gemarkeerde 'chambre verte'. Hier sluit de 19de-eeuwse, met bakstenen verharde oprijlaan op aan. Het bos heeft een onderbegroeiing van klimop en een houtkant aan weerszijde van de laan.

De bomen op het grasveld konden als solitairen mooi uitgroeien. De monumentaliteit van de bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') tussen kasteel en parkbos, wordt verhoogd door de recente aanplanting van een haag die zijn voet ruim omcirkelt. Een tweede monumentaal exemplaar, is, ruïne geworden, tot kunstwerk verheven en brengt de ver opklimmende geschiedenis van het domein tastbaar in herinnering. De moestuin is als tuinruimte behouden maar in gras omgezet. Zijn bakstenen muren zijn geleed door dunne pilasters en het kanaal, dat de westelijke begrenzing vormt, werd op de oever met wilde bloemen beplant. De constructies op de noord- en oostzijde zijn verdwenen, en het gebouw op de zuidzijde werd gemoderniseerd. Aan de Rullingenstraat bleef het tuinmansdeurtje in de muur bewaard.

De onoordeelkundige aanplanting van jonge chamaecyparis en rozenstruiken op de hoeken van het pad rond het kasteel, doorgevoerd in 2001, doen afbreuk aan het herstel van het kasteel, het park en de boomgaard. De restauratie en herinrichting van de gebouwen ging vergezeld van boomverzorging en van nieuwe aanplantingen.

Bomen
(De tussen haakjes vermelde afmetingen werden gemeten op 150 cm hoogte)

Voorkomende soorten zijn: in het parkbos fijnspar (Picea abies), gewone beuk (Fagus sylvatica), gewone es (Fraxinus excelsior), gewone hazelaar (Corylus avellana), kleinbladige linde (Tilia cordata), Noorse esdoorn (Acer platanoides), witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum), zomereik (Quercus robur). Op de oever van de beek komen voor gewone beuk (Fagus sylvatica), gewone es (Fraxinus excelsior), gewone robinia (Robinia pseudoacacia), linde (Tilia), zomereik (Quercus robur); Opgemeten exemplaren zijn bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'); één gekabeld en behandeld (545 cm), als solitair en één als ruïne behouden op het grasveld en tot kunstwerk verheven (550cm); gewone es (Fraxinus excelsior) (410 cm); een chirurgisch behandelde tamme kastanje (Castanea sativa) (385 cm) tussen de toegang en de boomgaard en een tweede monumentaal maar voor meting onbereikbaar exemplaar op de grens met de boomgaard.

  • Luik, Algemeen Rijksarchief, Bundergeldkaart.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, door Groulard, 1809.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschetsen 1877 nr.1; 1885 nr. 1; 1912 nr. 2; 1922 nr. 2; 1925 nr. 1.
  • DE DECKER DOUCET DE TILLIER R., Contribution à l'histoire du château de Rulingen, in L'Intermédiaire des généalogistes, nr. 156, 1971, p. 322.
  • DE DECKER DOUCET DE TILLIER R., La famille de Borman au château de Rullingen, in L'Intermédiaire des généalogistes, nr. 158, 1972 p. 115.
  • DE DECKER DOUCET DE TILLIER R.; GOOLE F., Généalogie des barons de Zeegraedt, seigneurs de Vrundt puis de Rullingen, de leurs ancêtres de Kerkem et de leur descendance, in L'Intermédiaire des généalogistes, nr. 163, 1973, p. 1-11.
  • PAUWELS D., SCHLUSMANS F. met medewerking van MUYLDERMANS E. & ROMBOUTS J., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kanton Borgloon, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, deel 14N4, Brussel - Turnhout, 1999, p. 99-100.
  • WAEGEMAN T.G., Het kasteel van Rullingen: van seigneuriaal hoevekasteel tot charmant buitengoed, in De Wooonstede, nr. 96, 1990 nr. 2, p. 42-48.

Bron     : DE MAEGD C. EN VAN DEN BROECK M., 2007, Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg. Deel 3: Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen, Brussel, Agentschap RO-Vlaanderen. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  De Maegd, Christiane, Van den Broeck, Myriam
Datum  : 2013


Relaties

  • Is gerelateerd aan
    Hoogstamboomgaard van het kasteel van Rullingen

  • Is gerelateerd aan
    Kasteel van Rullingen met Engels park

  • Is deel van
    Rullingen


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Domein van Rullingen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134299 (Geraadpleegd op 08-05-2021)