Kasteelpark van Veulen

inventaris landschappelijk erfgoed \ historische tuin of park

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Heers
Deelgemeente Veulen
Straat Kasteelstraat
Locatie Kasteelstraat zonder nummer (Heers)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie tuinen en parken in Limburg. Deel 3. (geografische inventarisatie: 2001 - 2007).
Toegankelijkheid Niet toegankelijk
Links

Juridische gevolgen

omvat de bescherming als cultuurhistorisch landschap Kasteel van Veulen: omgeving
gelegen te Kasteelstraat (Heers)

Deze bescherming is geldig sinds 23-06-1960.

Beschrijving

Kasteeldomein van circa 10 hectare met landschappelijk park, vertrekkend van een vermoedelijk deels gerealiseerd 18de-eeuws ontwerp voor een 'jardin anglo-chinois', aangepast in vroeg-landschappelijke stijl tijdens de eerste jaren van de 19de eeuw en uitgebreid naar plannen van landschapsarchitect Galoppin in het tweede kwart van de 20ste eeuw. Onlangs gerestaureerde gebouwen van 1747 met oudere kern en weinig ingrijpende uitbreidingen uit de 19de en 20ste eeuw; gedeeltelijk bewaarde ringgracht, deels ­herwerkt tot landschappelijke vijver, 19de-eeuwse ingangshekken en interessante bomen.

Noch Loons, noch Luiks

Het kasteeldomein van Veulen is, zoals het naburige kasteel van Heers, ingeplant op een moerassige plek in de vallei van de Veulense of Heersebeek, die zich iets noordelijker in de Herk stort. De kasteelgrachten bezaten een eigen bron en waren met de beek verbonden.

Veulen was sedert 1219 een Brabants leen dat juridisch tot het beroepshof van Vroenhoven behoor­ de en door de Vrede van Munster (1648) bij de Verenigde Provinciën werd ingedeeld, wat lang en tot het verdrag van Fontainebleau (1785) tot conflicten leidde. Op de Ferrariskaart (1774-1775) is Veulen (Fologne) dan ook als 'Hollandse enclave' aangeduid. De heerlijkheid zelf, waarvan Jan van Gutschoven (†1376) de eerst vermelde heer was, werd achtereenvolgens vererfd door de families van Merode, Berlo en Argenteau. In 1712 werd Veulen verkocht door Florimond Claude graaf de Mercy (1666-1734), veldmaarschalk in het Oostenrijkse leger, die zelf het goed had geërfd van Robert Ernest d'Argenteau (†1690), commissaris-generaal van militaire zaken in het Prinsbisdom Luik. De nieuwe eigenaar was Philippe Balthasar baron van Villers, niet voor lang echter, want in 1735 kwam het goed weer in handen van Florimond Claude's adoptiefzoon Antoine Ignace Charles Auguste d'Argenteau (1692-1767). Hij plaatste de Mercy voor zijn eigen naam, werd veldmaarschalk van Maria Theresia en stierf op zijn landgoed in Hongarije. Zijn enige zoon Florimond Claude Charles de Mercy Argenteau (1727-1794) was zijn erfgenaam; die was in diplomatieke dienst van het Oostenrijkse hof, was jarenlang zaakgelastigde aan het Franse hof en stierf op missie in Londen. Zijn testament stelde een familielid, baron François Joseph d'Argenteau (1780-1869), als universeel erfgenaam aan. De erfe­nis was zeer aanzienlijk, het testament werd juridisch aangevochten en pas drie jaar later rechtsgeldig verklaard, onder meer dank zij de inzet van de familie Claes, die al van in de 17de eeuw rentmeesters leverde voor het domein in Veulen. Francois Joseph, eerst kamerheer van Napoleon en in 1815 van koning Willem I, trok zich bij de creatie van België in 1830 terug op het voorvaderlijk kasteel van Argenteau. Veulen, toen gelegen in het departement van de Nedermaas, had hij al in 1809 verkocht.

In de koop waren begrepen het kasteel met hoeve, vijvers, landerijen, weiden en bos, samen 76 ha, en de watermolen Wijngaarde geheten met zijn aanhorigheden en 8 ha land. De wapensteen met i­nscriptie: 'Misir Jan Francois baron d'Argentiau Vic de Loo / Agnes Ernestine Contes de Rivir A° 1669' in de zuidertoren van het kasteel, is van deze watermolen afkomstig en werd bij de verkoop van de molen begin 20ste eeuw, hier ingemetseld. Antoine Ignace Charles Mercy Argenteau, die sedert 1735 in het bezit was van Veulen, moet verantwoordelijk zijn voor het uitzicht van het huidige kasteel en de wapensteen Mercy met jaartal 1747 boven de inrijpoort hebben laten inmetselen; het kasteel bezit echter een oudere kern die tot de 15de eeuw zou opklimmen en meerdere malen werd herwerkt (tijdens de jongste restauratie van 2001-2003 werd bevestigd dat er meerdere bouwfasen zijn geweest). In de correspondentie uit de jaren 1740-1750 met zijn rentmeester in Veulen, is er regelmatig sprake van plannen en bouwmaterialen en instructies voor de vernieuwing van het kasteel. Van zijn oom Florimond Claude de Mercy is een brief aan zijn rentmeester bewaard waarin hij hem opdraagt goed zorg te dragen voor de Spaanse brem ('cytise') die hij uit Spanje liet verzenden voor het park in Veulen omdat het een zeldzame plant is die in de lente mooie bloemen draagt. Hoewel ze als krijgsheren of als hovelingen grotendeels in het buitenland vertoefden en over nog andere bezittingen hier te lande beschikten, bleven de 18de-eeuwse eigenaars van Veulen zich niettemin om Veulen bekommeren.

De nieuwe eigenaar in 1809 was Joseph André de Donnea, ridder, handelaar en eigenaar gevestigd te Luik (1772-1836). Hij behoorde tot een familie die sinds 1606 in Luik was gevestigd en bedrijvig was in de verwerking en verhandeling van ijzer. In 1836 kwam het door vijf generaties verzamelde pa­trimonium samen in handen van Joseph André's broer Charles de Donnea (1776-1857). Bij zijn dood in 1857 kon die elk van zijn zes kinderen een kasteel nalaten. Veulen en het voorvaderlijke hotel in Luik waren het erfdeel van zijn oudste zoon Alexis (18111880), die al vanaf 1836 het beheer van Veulen waarnam. Zijn nakomelingen bewoonden het kasteel tot het in 2001 in nieuwe handen overging. De restauratie van de gebouwen is momenteel aan de gang.

Een nieuw kasteel

In Les Délices du pays de Liége, wordt Veulen beschreven rond 1740, vóór de verbouwing tot het huidige kasteel. Er wordt geen tekening bij gepubliceerd, maar de auteur beschrijft de ligging in een zeer vruchtbare streek, signaleert de wegen er naar toe als lange lanen van hoog opgaande bomen die haast een bos vormen en meldt dat het kasteel met zijn brede slotgracht, niet meer door zijn eigenaars bewoond wordt. Generaal majoor graaf d'Argenteau (Antoine Ignace Charles dus), erfgenaam van veldmaarschalk Florimond-Claude de Mercy wordt op dat moment als eigenaar genoemd.

De huidige gebouwen in Veulen bezitten een oudere kern die tot de 15de eeuw zou opklimmen, maar de opeenvolgende verbouwingen en aanpassingen, onder meer van de muuropeningen, de vloeren en de plafondhoogte, resulteerden niettemin in een naar buiten toe vrij homogeen geheel. Het kasteel bestaat vandaag uit vier vleugels in late Maasstijl rond een binnenkoer met het jaartal 1747 aangegeven in de wapensteen boven de inrijpoort van de woonvleugel. Deze laatste, met een huiskapel boven de poort, neemt de oostelijke zijde in, de schuur beslaat de westelijke en het wagenhuis en de stallen sluiten het vierkant. De woonvleugel onderscheidt zich van de boerderij door de drie verdiepingen tellende hoektorens met mansardedak, ui-bekroning en smeedijzeren windvaan. Het kasteel is slechts één kamer diep, telt dertien traveeën en twee bouwlagen onder een leien zadeldak met wolfseinden; door een uitbreiding ten koste van de binnenkoer zijn de en-suite salons nu ook (en sinds 1910) via een brede gang bediend. De haardplaat van het grote salon draagt wel het wapen de Mercy, maar toch dateert de aankleding van de twee salons in laat classicistische stijl (marmeren schouw, lage lambrizering, stucwerk) uit de 19 de eeuw. Het is een getuige van het nieuwe gebruik van het kasteel als buitenhuis voor een familie uit de lagere Luikse adel. Pas tegen het einde van de 19de eeuw zal Veulen permanent bewoond worden.

Het nieuwe kasteel volgt niet het bouwschema van de midden 18de-eeuwse kastelen van het 'entre cour et jardin'-type, maar dat van een vierkanthoeve. Mogelijk heeft dit te maken met het aanvankelijke verbouwingsprogramma, niet bedoeld als vaste verblijfplaats voor de eigenaar – die verbleven meestal in het buitenland of in hun hotel in Luik of in hun kasteel van Argenteau – maar in de eerste plaats als hoeve met een woning voor hun pachters of voor hun rentmeesters, waarin hoogstens een 'herenkwartier' bleef gereserveerd. Begrippen als bien­ séance, convenance, le juste milieu en l'art de la distribution, die sinds de jaren 1730 de architectuur (en de tuinarchitectuur), bepaalden vindt men immers in Veulen niet terug. De typologie van de nieuwbouw is niet in overeenstemming met de status van de familie de Mercy Argenteau. De vermelde salons, waarvan de plafonds en de vloeren werden verlaagd en de decoratie zoveel recenter is dan de bouwperiode, wijst in dezelfde richting.

Van in de 18de eeuw waren er wel twee toegangen: een formele toegang als dreef vanuit het oosten naar de vermelde poort in de woonvleugel en een tweede toegang vanuit het zuiden naar de binnenkoer, via een poort in de boerderijvleugel. In oudere kastelen met de neerhof-opperhofstructuur wordt zulke scheiding pas een goede honderd jaar later doorgevoerd, meestal ter gelegenheid van de verlandschappelijking van de aanleg die dikwijls gepaard ging met een heroriëntering van het kasteel.

Op de Ferrariskaart werd ongetwijfeld al het nieuwe kasteel afgebeeld, zij het dat de oriëntatie niet correct is. Het goed ligt ten westen van het dorp, links van de omgrachte pastorie en heeft binnen zijn grachten tuinen waar later de nutstuinen worden gesignaleerd; er zijn geen tuinen aan de voet van het kasteel, waar later de siertuinen zullen liggen.

Een nieuwe 'jardin anglo-chinois' ?

Er werd voor de tuinen bij het nieuwe kasteel een ontwerp opgesteld dat niet uit de bouwperiode (1747) dateert, maar te oordelen naar de stijl, eerder uit de jaren 1760-1770. Dan moet ofwel Antoine Ignace Charles de Mercy Argenteau de opdracht­gever geweest zijn, of wel zijn zoon Florimond Claude, die hem in 1767 opvolgde. Het plan is getiteld 'Plan et projette des batimant et jardins pour les chateau des Folognes appartenants à S.E.M le comte de Mercy Argenteau' (de bewaarplaats is onbekend, de familie de Donnea ontving jaren geleden een foto van het plan via wijlen ridder Laminne de Bex van Gotem, Borgloon). Het is een voorstel voor een 'jardin à l'anglaise', het vroegste type van landschappelijke tuin in onze gewesten, ook wel 'jardin anglo-chinois' genoemd, een vastelandse interpretatie van de Engelse landschapstuin, die geïnspireerd was door Chinese modellen. Dit tuintype maakte vooral opgang na de publicatie van William Chambers' Designs of Chinese Buildings (1757) en A Disser­tation on Oriental Gardening (1772) (een nog bestaand vroeg voorbeeld van een dergelijke tuin is het Groot Asdonk in Tessenderlo, deels in de provincie Brabant, deels in Limburg). In ­ Veulen leidde dit tot een eerder kleinschalige, gesloten, welomlijnde tuin ten noordwesten en ten oosten van de gebouwen. De landschappelijke gracht die op het plan in een wijde boog het kasteel omringt, moet de hergetekende slotgracht zijn die de Saume­ry vermeldde. In het grasveld ten oosten van het kasteel herkent men een klassieke spiegelboog waarvan de vormen afgerond werden. Tussen de gracht en de westelijke vleugel ligt een erg ruime moestuin met langwerpige bedden. De paadjes tussen de struiken en bosjes zijn kronkelig en afgewisseld met ronde of ovale open plekken in het groen, die niets anders zijn dan bosquets en 'cabinets de verdure' uit de klassieke tuinaanleg. Meestal waren dit soort tuinen gestoffeerd met tal van artefacten (beeldhouwwerk, inscripties) en 'fabriekjes', vaak 'chinoiserieën' als pagodes, boogbrugjes, paviljoentjes.

Veulen in de 19 de eeuw

Of dit aanlegplan geheel of gedeeltelijk werd uitgevoerd blijft de vraag. Een gelijkenis met de Vóórprimitieve en de Primitieve kadasterkaarten kan niet ontkend worden en op hun beurt vertonen de kadasterkaarten een grote overeenkomst met de huidige aanleg, vooral in het oostelijk deel van het park. Omwille van de Franse betiteling mag het Vóór-primitieve plan, dat nog erg figuratief is opgevat, in de Napoleontische periode (vóór 1815) gesitueerd worden. Het jaartal 1830 op de verzamelkaart van Veulen is in elk geval een datum antequem voor de sectiekaart. De percelen en hun nummering zijn niet dezelfde voor beide kaarten, maar er is weinig verschil in de structuur en de oppervlakte van het domein. De globale vorm (plus minus een pijpenkop) komt overeen met die van het 18de-eeuwse ontwerp. De aanleg vandaag in dit gedeelte is echter niet die van een 'jardin anglo-chinois', wel die van een park in vroeg-landschappelijke stijl. Werd het ontwerpplan al of niet gedeeltelijk uitgevoerd en werd het door de laatste Argenteau versoberd rond 1800 of was het Joseph André de Donnea die na 1809 als nieuwe eigenaar de versobering in de geest van zijn tijd doorvoerde?

Het kasteel bevindt zich tussen een grote boomgaard ten westen (primitief perceel nr. 219, meer dan 6 ha) en de dorpsbebouwing met de omgrachte pastorie ten oosten (perceel nr. 246 en 247). Het is omgeven door ringgrachten (percelen nr. 223 en 224, als vijver genoteerd), die veel strakker zijn dan op het 18de-eeuwse ontwerp. Enkel in de oostelijke hoek valt er een landschappelijke vorm te herkennen, die niet voorzien is in het ontwerp. Er is een duidelijke functionele opdeling van het grondgebruik binnen de grachten. Ten noorden en ten oosten, aan de voet van het kasteel (perceel nr. 232) ligt een lusttuin (perceel nr. 233 en 235) ook veel strakker van vorm dan de verwaterde spiegelboog op het ontwerpplan. De bedrijfsgronden, namelijk een boom­kwekerij (perceel nr. 225, als tuin), een (moes)tuin (perceel nr. 226), en een bouwland (perceel nr. 227) liggen ten zuiden en ten westen aansluitend bij de dienstvleugels, een dienstgebouw en een brouwerij die ook als bakhuis dienst deed (percelen nr. 231, 229 en 230). Tussen de gracht en de beek liggen percelen weide (nr. 264) en hooiland (nr. 265). In hun eigen omgrachting (nr. 220, als vijver) liggen nog een perceel boomkwekerij (nr. 221) en een bouwland (perceel nr. 222), die samen één grote boomkwekerij vormden ten tijde van het Vóórprimitief plan. Deze laatste percelen herkent men van op het ontwerpplan, waar dit deel omgracht is, door een kanaal in twee is gesneden, aansluit op de ringgracht van het kasteel en doorsneden wordt door de typische slangvormige paadjes van de anglo-chinois-stijl. Moeten we hierin een eerste aanzet zien van een realisatie van het ontwerpplan dat door de dood van Antoine Ignace Charles de Mercy Argenteau in 1667 niet verder werd gezet? Of is het een overblijfsel van een oudere toestand die het kadasterplan en het ontwerp gemeen hebben? Of is het ontwerp misschien wel recenter en was Florimond Charles er de opdrachtgever van en werd de uitvoering onderbroken door zijn dood en de erfenisdisputen van 1794-1797?

Het belang van bomen in het kasteeldomein wordt in de oudste kadastrale kaart geïllustreerd. Een dubbele rij bomen omzomen de dorpsweg naar het goed, de rechte oprit naar het kasteel en drie vierden van de ringgracht. Een enkele bomenrij slechts begeleidt de loop van de beek en het perceel boomkwekerij. De bosquets, cabinets en kronkelpaadjes komen niet op de kadasterplannen voor. Of dat is omdat ze wegens het zware onderhoud niet meer bestonden of misschien nooit hebben bestaan, blijft een open vraag. In elk geval werd de ringgracht nooit omgevormd zoals op het ontwerp is voorzien.

De lusttuin (perceel nr. 282 en 284, Primitief nr. 233 en 235) komt voor als een park in eenvoudige, vroeg-landschappelijke stijl met in de oostelijke hoek een als langwerpige vijver hergetekende grachtarm. Stippellijnen op de oudste kaart geven een L-vormige wandelweg aan, vertrekkend van de ingangsdreef en van de kasteelpoort, naar een kleine verhevenheid in de oostelijke hoek. Zowel dit wandelpad als het heuveltje bestaan vandaag nog steeds, nu staat daar een lege gemetselde bakstenen sokkel voor een Diana. Aan de overkant van de vijver beantwoordde daar een Apollo aan met boog en pijlkoker, geplaatst op een mooi geprofileerde hardstenen sokkel. Beide beelden waren in terracotta en sneuvelden de laatste jaren van de 20ste eeuw.

De nutstuinen zijn door paden verdeeld in kleinere percelen (allemaal nr. 280) en sluiten aan op een groot, U-vormig perceel boomkwekerij (perceel nr. 279). Tot de laatste decennia van de 20ste eeuw lagen hier nog de moestuinen, die later als bloementuin in gebruik waren.

Bij de eerste kadastrale schatting in 1841 wordt het kasteel als volgt beschreven: 'Goed en wel ingerigt, geheel in steenen gebouwt en met schallien gedekt, hebbende beneden een vestibule leidende links naar een voorkamer, van daar naer eene schoone eetkamer en vervolgens naer eene fraeye zael, waer agter nog drie vertrekken zijn; aen den regter kant bevind zich eenen schoonen keuken, eene waschplaets, eene badkamer en twee andere vertrekken; in de vestibule vind men eenen fraeyen trap die naer boven leid, alwaer men links 7 goede kamers heeft en regts twee en een kapel; boven de eerste verdieping is het zolder. Verders is er een goed koetshuis en stal voor 8 paerden, waerboven drie vertrekken, dienende voor knechts, boven die vertrekken hooizolder; het is op eenen laegen en vochtigen grond gelegen'.

Zoals het in de kadastrale stukken ter voorbereiding van de schattingen heet, was de tuin, op te vatten als moestuin, 'met vijvers omringd, bezorgd door eenen tuinman, op goeden grond gelegen en eigen tot het teelen van alle soorten van fijne groenten'. In 1844, datum van de oudste kadastrale legger, is ridder François Charles Alexis de Donnea, rentenier te Luik de eigenaar van het kasteeldomein.

De aquarel van Philippe de Corswarem (1759-1839) die rond 1800 in de streek bedrijvig was en ook in Veulen passeerde toen de benedenramen nog niet verlaagd waren en een deurvenster nog rechtstreeks toegang gaf tot de tuin, illustreert mooi de beide toegangen tot de gebouwen. De oprit naar het erf (perceel nr. 228, als weide), links op de tekening werd omstreeks 1900 (het boerenhuis was al uitgebreid) gefotografeerd tijdens de levering van steenkool, wat interessante details oplevert over de inrichting. De oprit loopt over de dijk tussen twee haakse, korte armen van de ringgracht. Op de foto is de zuidelijke arm al gedempt maar in het reliëf nog aanwezig (deze arm verdwijnt als perceel pas in 1956 van het kadaster). De keermuren bakenen een soort voor-erfje af dat gekasseid en van het kasteelpark gescheiden is door een bakstenen muur met deurtje. Deze muur, die nog bestaat, was toen de Corswarem tekende blijkbaar nog in aanbouw. In elk geval bewijst deze foto eens te meer de grote nauwgezetheid van de Corswarem. Moeten we dan uit het feit dat hij boven de inrijpoort geen wapensteen tekent en dat de twee venstertjes kleiner zijn dan nu het geval is, concluderen dat de wapensteen naderhand werd ingebracht, zoals ook de steen in de linkertoren uit de watermolen afkomstig is? Toen Corswarem de kasteelgevel tekende waren er ook nog kruisen in de bovenvensters links van de poort, rechts waren ze toen al verdwenen maar luiken waren er niet. Door de witgekalkte gevels onderscheidt het kasteel zich van de neerhofgebouwen.

De functionele opdeling die de toegang tot het goed kenmerkt, was ook op de binnenkoer een feit: het erf van het kasteel is gescheiden van het boerenerf. Op het Primitief plan is die door een muur – en vandaag door recentere bijgebouwen en een smeedijzeren hek – verdeeld in een neerhof (primitief perceel nr. 231), begrepen tussen de schuur en de stalvleugels, en een veel kleiner diensterf (primitief perceel nr. 232) in de noordoostelijke hoek, gelegen bij de formele toegang, het wagenhuis en de paardenstal van het kasteel. Op het Vóór-primitief plan is dit ook het geval; toen bestond de afscheiding deels uit een gebouwtje in het midden van de binnenkoer, maar de aard van het overige is onduidelijk; mogelijk is hier een kanaaltje getekend en een waterbekken, ondergronds gevoed door de noordelijke arm van de beek.

Sinds het begin van de 19de eeuw vallen er geen fundamentele wijzigingen aan het kasteel van Veulen te noteren. In 1865 wordt de brouwerij naast de oostelijke poort, als perceel bij de boerderij betrokken; we interpreteren dat als het einde van de eigen huisbrouwerij, die ondergebracht was in een mooi, 18de-eeuws gebouw met schouw en vier zeilgewelven, een schitterend staaltje van baksteenmetselwerk dat vandaag in slechte staat verkeert. Tijdens het ancien régime brouwden hier alle dorpelingen, nadien werd er, zoals het kadaster noteerde, 4 à 5 maal per jaar voor eigen gebruik door het kasteel gebrouwen. Kleine uitbreidingen worden in 1885 gesignaleerd, met name het dwarsstalletje op de binnenkoer en de uitbreiding van het pachtershuis bij de zuidelijke inrijpoort. De nog bestaande smeedijzeren poort tussen het grote boerenerf en het kleine erf bij het wagenhuis, dateert vermoedelijk ook uit deze periode. De grote open stelplaats bij de zuidelijke oprit is een vergroting uit 1901 en 1912 van een al op het Primitief kadaster bestaand gebouwtje. In 1912 registreert het kadaster nog de al gesignaleerde gaanderij die de en suite-salons van het kasteel moest bedienen en de komst buiten het erf van de nog bestaande lage varkensstal, tegen de afsluitmuur van het park. In 1935 volgt de demping van een grachtarm en in 1956 de verdwijning als perceel van de zuidelijke haakse gracht naast de oprit. Ondertussen groeide het grondbezit van de kasteelheren in ­Veulen aan tot meer dan 113 ha in 1912.

Uitbreiding en nieuwe aanleg in de 20ste eeuw

In 1935 gebeurde er ook een uitbreiding van het kasteeldomein met een dertiental percelen, die in 1841 in de Primitieve legger nog eigendom waren van verschillende boeren, dagloners en kleine ambachtslieden uit het dorp. Het park is van dan af meer dan 12 ha groot en reikt tot aan de weg tussen Klein Gelmen en Gutschoven (de huidige Veulenstraat). Op de grens van het domein is er een afsplitsing naar Veulen (de huidige Kasteelstraat) en het zijn deze beide straten die het domein tot vandaag toe begrenzen. Op de kaart van het Dépot de la guerre van 1871 (terreinopname) en op die van het Institut Carthographique Militaire van 1904 (uitgave respectievelijk 1878 en 1922) ziet men dat het kasteeldomein in oppervlakte, structuur en aanleg weinig of niets verschilt van de eerste kadastrale kaarten.

De familie de Donnea bewaart voor het uitgebreide domein een niet gedateerd ontwerp in landschappelijke stijl, met in de cartouche 'Plan de la proprié­té appartenant à Monsieur le chevalier de Donnea Château de Fologne à Heers' en onderaan buiten kader 'dressé par le soussigné architecte paysagiste E. Galoppin'. De voornaaminitiaal stelt enige problemen. In de tuineninventaris van Vlaams Brabant zijn er twee ontwerpers met de familienaam Galoppin opgedoken. Emile Edmond (1851-1919) was hoofd van de gemeentelijke beplantingsdienst in Schaarbeek en ontwerper van het landgoed Groenenberg te Sint-Pieters-Leeuw, van de Ambiorixsquare, het Leopoldspark en het Josaphatpark alle drie in Elsene. Hij was ook actief in andere Brabantse kastelen en in de domeinen van Massogne (Ciney) et Senenne (Anhée). Anderzijds is er Jean Joseph Antoine Galoppin (1864-1941) die in 1917 de landschappelijke aanleg van het kasteel van Kerkom (in de Kerkstraat te Lubbeek) ontwierp en die ook rond 1930 een ontwerp tekende voor het domein De Leenberg te Lubbeek. De ontwerp- en tekenstijl van het Veulense plan zijn dezelfde als dat van Kerkom. Toch is het Veulens plan niet ondertekend door Jean Joseph Antoine (een leeftijdsgenoot van Fernand de Donnea, 1867-1949 die in 1911 Veulen erfde), maar door E. Galoppin, die onmogelijk Emile Edmond kan zijn vermits die al in 1919 was overleden. Zou het misschien kunnen gaan om een lid van de familie van plantenkwekers die begin van de 19de eeuw in het Luikse actief waren? Deze firma leverde bijvoorbeeld planten voor het kasteel van Houx in de jaren 1836-1838 en tegen het einde van die eeuw ook voor het park van kasteel Hex in Heks.

Het plan werd tijdens de tweede wereldoorlog uitgevoerd (tenminste toch de paden) door enkele dorpsbewoners die dankzij deze tewerkstelling door de burgemeester-kasteelheer aan deportatie naar werkkampen in Duitsland ontsnapten en gebeurde daarom volledig manueel. De formele, 18deeeuwse toegang werd naar het oosten, over de Kasteelstraat verlengd als een dreef eindigend bij een 'barrier' van een boomgaard. Ten noorden, aan de Veulenstraat werd een nieuwe toegang gecreëerd met een afbuigende oprit die bij het kasteel eindigt. Links en rechts van deze oprit kwamen ruime grasvelden en een rondweg die in ruime bochten aansloot op de nieuwe oprijlaan en de bestaande padenstructuur – een liggende 8 die ook op de Dépot­kaart herkenbaar is – in de oostelijke lusttuin vervoegde. Zo ontstonden, tenminste op papier, verschillende grasvelden met afgeronde vormen met op het snijpunt van de paden vrij dichte struikmassieven, solitaire bomen en, dichter bij het huis, kleurrijke bloemperken voor éénjarigen. Toen ook werd de noordelijke arm van de ringgracht voor een deel gedempt, onder meer met grond uit de noordoostelijke hoek van het terrein; de verbinding met de oostelijke, door een bron gevoede gracht bleef door een ondergrondse verbinding wel bestaan. Er werd bij het ontwerp geen gedetailleerd beplantingsplan geleverd en de aanplantingen en keuze van bomen gebeurde veeleer volgens goeddunken van de opdrachtgever, rekening houdend met de condities van het terrein, dat vooral ten westen erg nat is en dat plaatselijk een erg dunne vruchtbare laag bezit. Sommige bomen, zoals de eiken bij de nieuwe toegang bijvoorbeeld, waren afkomstig van het kasteel van Jannée (Haversin), waar de echtgenote van de opdrachtgever was opgegroeid.

De toegangen

Het domein heeft vandaag drie toegangen, de formele toegang naar de inrijpoort van het kasteel, de oprit naar het poortgebouw in de boerderijvleugel, beide uit de 18de eeuw en de toegang uit de 20ste eeuw aan de Veulenstraat. De oude formele toegang aan de Kasteelstraat, werd in de tweede helft van de 19de eeuw voorzien van een typisch kasteelhek in neoclassicistische stijl. De inrijpoort en de afsluithekken aan weerszijden zijn gevat tussen vier hekpijlers en vormen samen een kleine ­ excedra die de inrit voor rijtuigen moest vergemakkelijken. De vaste hekken en de poortvleugels volgen hetzelfde model met vierkant stijl- en regelwerk van smeedijzer voorzien van een krul tussen de dubbele onderregels en van lelies op de spijlen. De hekpijlers zijn van baksteenmetselwerk met sokkel, speklagen, deksteen en bekronende vazen van witte natuursteen met typische classicistische decoratiemotieven en de poortpijlers zijn beveiligd door geprofileerde schampstenen van blauwe hardsteen. De rechte, 18de-eeuwse oprijlaan naar het kasteel, aanvankelijk een dreef, loopt over een 19de-eeuwse bakstenen boogbrug over de wal, verankerd met zware boogstenen van gebouchardeerd arduin, en is beschaduwd door enkele bomen die uit de vroege 19de eeuw kunnen dateren.

De toegang aan de Veulenstraat, uit de eerste helft van de 20ste eeuw, heeft eveneens vier vierkante pijlers met vlakke deksteen, maar ze zijn lager en onversierd; de vaste hekken zijn van eenvoudig stijl- en regelwerk met gepunte onderspijltjes en ronde spijlen met lanspunten; het brede poorthek heeft een kleine krul ter ondersteuning van de bovenregel en getorste onderspijltjes. Het is het vertrekpunt van een lange, in het Galoppinplan vooorziene afbuigende oprijlaan tussen de als weide opgevatte grasvelden met bomen in de rand, die eindigt bij het kasteel en de oude formele oprijlaan, een knooppunt dat door een oudere monumentale inlandse eik (Quercus robur) met stamomtrek van 444 cm wordt gemarkeerd.

De zuidelijke toegang naar het poortgebouw en het boerenerf, is recent beveiligd door een hoge draadafsluiting die rond het hele domein loopt. De oprit naar het poortgebouw is (of was tenminste) een dijk tussen de twee haakse grachtarmen, geflankeerd door een mooie open stelplaats met monumentaal pannen dak (links) en een contrasterende lage varkensstal tegen de keermuur (rechts), beiden uit de eerste jaren van de 20ste eeuw. Deze constructies bakenen zoals op de foto van rond 1900 een klein voorerf af, deels gekasseid, waarop ook de uitbreiding van het pachtershuis werd ­ gebouwd. De ruime, gekasseide vierkante binnenkoer is zoals hoger beschreven verdeeld in een L-vormig boerenerf en een kleiner ook gekasseid vierkant diensterfje; dit ligt in de hoek tussen de inrijpoort in de kasteelvleugel en de noordelijke vleugel met het wagenhuis en de paardenstal, die zoals de overige gebouwen uit de 18de eeuw dateren. Aan de parkzijde kreeg deze vleugel later een kleine uitbreiding bij de omvorming tot bijkomende woning. De zuidelijke vleugel omvat de inrijpoort, het pachtershuis, en een deels ingestorte koestal. Ten westen ligt de schuur, die haar huidige vorm pas verkreeg na een brand in 1930: een lager middendeel onder zadeldak, tussen twee hogere delen op de hoek, die afgedekt zijn met een kunstleien zadeldak met wolfseinden en smeedijzeren windvanen. De westgevel is blind, – hij werd als fruitmuur gebruikt –, en de erfzijde heeft nu drie schuurpoorten. Alle gevels kregen begin van de 20ste eeuw – toen het voegwerk werd hersteld en in de meeste ramen de huidige kleine roedeverdeling werden geplaatst ter vervanging van achtruiters – een baksteenkleurige afwerking die de homogeniteit moest verzekeren. Deze rode laag verving de vroegere witte kaleilagen die het kasteel in zijn groene omgeving van ver deed oplichten en de dialoog verzekerde tussen architectuur en natuur.

Het kasteelpark vandaag

Het park valt vandaag uiteen in drie ook visueel duidelijk te onderscheiden zones: het parkje op de plaats van de oude 18de-eeuwse siertuin, de zone met de nutstuinen ten westen van de gebouwen en de 20ste-eeuwse uitbreiding. Op het raakpunt van deze drie tuinen en op enige afstand van de noordoostelijke hoektoren van het kasteel, staat de reeds vermelde solitaire zomereik met zijn mooi uitgegroeide kruin, die in het huidig aanzien van het park de hoofdrol speelt.

De zone aan de Kasteelstraat behield tot vandaag zijn uitstraling van vroeg landschappelijk parkje. Het strekt zich uit tot aan de voet van het kasteel, grenst aan de Kasteelstraat ten oosten en ten ­zuiden, waar de 18de-eeuwse grachtarmen bewaard bleven. Het park wordt van de zuidelijke oprit gescheiden door de L-vormige bakstenen muur (getekend door Philippe de Corswarem) met steunberen aan de parkzijde; zijn korte haakse zijde is keermuur van de hier doodlopende grachtarm. Het parkje heeft een vrij dichte bomenrand met treur-es, paardekastanje, zomereik, treurwilg, enkele bomen en boomgroepjes die tot 250 jaar oud zijn, en een ruim grasveld dat in twee wordt gesneden door de 18deeeuwse toegangsdreef. Het belangrijkste attractiepunt is de oostelijke als parkvijver opgevatte grachtarm, aanvankelijk door een bron gevoed, die in verbinding staat met de zuidelijke gracht en ondergronds weliswaar met de westelijke arm.

Rond deze vijver vindt men enkele van de oudste bomen van het domein, onder meer een zestal mooi uitgegroeide platanen in een ovaal geplant bij de reeds vermelde brug over de vijver. Hier bevindt zich nog steeds het heuveltje dat op de Vóór-primitieve kadasterkaart stond aangegeven, met de al vermelde lege bakstenen sokkel. Ook de tegenhanger, een arduinen sokkel zonder beeld, bleef bewaard aan het ander uiteinde van de vijver. In de beboste rand langs de Kasteelstraat, voorzien op het plan van Galoppin, loopt een wandelpad, één van de weinige behouden paden, dat vertrekt bij de oprijlaan, over de vijver voert en eindigt bij de afsluitmuur van het park. Hier ook staat een lege arduinen sokkel, van dezelfde factuur als bij de vijver. Bij het kasteel, in de rand van het grasveld, zijn plantenbedden uitgespaard die nu met rozen zijn beplant. De massieve vazen die hier nu liggen zijn afkomstig van de balustrade die eertijds het platdak van de gaanderij op de binnenkoer versierden.

Van de talrijke gebogen paden die Galoppin in het park voorzag en die naar verluidt werden uitgevoerd, is niets zichtbaars overgebleven, tenzij de kromme oprijlaan die de noordelijke uitbreiding in twee uitgestrekte weiden verdeelt. Alleen de randen bij de straat werden beboomd, zodat men vanuit het grindterras bij het kasteel een mooi en breed perspectief heeft op gevarieerde vormen en kleuren. Een herkenning met Galoppins voorstel voor de beplanting is er niet: de noordoostelijke hoek is dicht beboomd, er zijn weinig of geen struiken en er is naar het noordwesten een door twee bruine beuken ingekaderd doorzicht op het agrarisch landschap uitgespaard.

De voormalige nutstuin is begrensd door de noordelijke grachtarm, de schuur, het verlengde van de kasteelstraat en de westelijke gracht met in de rand een rij populieren. De noordelijke gracht, doet dienst als tweede vijver – naar vorm is het eerder een kanaal; hij is omringd door een weelderige begroeiing, onder meer een rij van acht fijnsparren op rij en is van de voormalige moestuin gescheiden door een haag van taxus (Taxus baccata). De oostelijke begrenzing wordt gevormd door een rij hazelaars bij de schuurgevel en in het verlengde door een draadafsluiting met een moestuinhekje dat toegang geeft tot een zwembad en sauna in de tuin bij de noordelijke vleugel. De tuin is nu een grasveld, waarin een rij van tweemaal zes hoge rozenstaanders van smeedijzer en de muren (met mooi afgewerkt oculus) van een kleine kweekkas-oranjerie de enige restanten zijn die wijzen op de vroegere functie van moes- en bloementuin.

Bomen
(De tussen haakjes vermelde afmetingen werden gemeten op 150 cm hoogte)

Voorkomende soorten: Bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), canadapopulier (Populus x canadensis), gewone taxus (Taxus baccata), gewone esdoorn met purperrode bladonderzijde (Acer pseudoplatanus 'Purpu­reum'), gewone hazelaar (Corylus avellarna), zomereik (Quercus robur), treurwilg (Salix alba 'Tristis'), treur-es (Fraxinus excelsior 'Pendula'), witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) en als struiken vlier, boerenjasmijn, sneeuwbes. De opgemeten exemplaren zijn een bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') (293 cm) en een rij fijnspar (Picea abies) (162 cm) in de voormalige nutstuin; zomereik (Quercus robur) (444 cm) driemaal geknot op 2.50 m hoogte en met talrijke zijtakken en met een mooie kruin op het knooppunt van de drie parkzones; gewone esdoorn (Acer pseudo­platanus) (478 cm) bij de hoofdingang; in de noordoostelijke parkzone: zilverlinde (Tilia tomentosa) (463 cm), solitair in het gazon, met takbreuk; bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') (372 en 388 cm) links en rechts van het wandelpad; zwarte den (Pinus nigra 'Austriaca') (320 en 420 cm) in het gazon. Een mooie haagbeuk (Carpinus betulus) (205 cm) bij de noordelijke grachtarm; een aantal gewone plataan (Platanus x hispanica) (455 cm) in een ovale kring bij de vijver, enkele exemplaren bij de recente toegang (424 cm) en op de rand van het wandelpad (417 cm).

  • Informatie verstrekt door Nathalie de Harlez de Deulin ivm ontwerper Galoppin, (2002).
  • Informatie verstrekt door de heer F. de Donnea ivm het 18de eeuws tuinplan (juni 2002).
  • Hasselt, Archief van het kadaster, opmetingssschets nr. 3.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschets 1865 nr. 1.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Artikelsgewijze legger.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschets 1885 nr. 1.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschets 1912 nr. 2.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschets 1935 nr. 2.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschets 1956 nr. 3.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Artikelsgewijze legger, art. 726.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Vóór-primitief plan 'Fologne, Section A dite à l'ouest', niet gedateerd. Primitief plan, Veulen, Sectie A enig blad door Moers C., 'kweekeling' (landmeter in opleiding), niet gedateerd. Verzamelplan door A.J. Modave, op het land geëindigd 28 Maart 1830.
  • Hasselt, Archief van het Kadaster, Bundel 'Voorbereidend werk tot de schatting, Tabel', 27 mei 1841.
  • Archief Monumenten en Landschappen, VAN HERCK L., Restauratiedossier. Restauratie daken. Herenhuis kasteel van Veulen, in Archief Monumenten en Landschappen, 1985, p. 6.
  • BENETIERE M.-H., Jardin–vocabulaire typologique et technique, Paris, 2000, p. 49.
  • DE DONNEA D., Les Donnea, maitres des forges et négoçiants en fer au pays de Liège au 17e, 18e et 19e siècles, in Le Parchemin, speciaal nr., december 1978, p. 213, 221, 240, 248, 315.
  • DE MAEGD (red.) C. e.a., Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Provincie Limburg. Deel 1: Gingelom, Halen, Herkde-Stad, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Brussel, 2003, p. 26.
  • DE MAEGD C., Raadsels en rafels rond het kasteel en het park van Veulen in Heers, in M&L, mei 2005, p. 55-74.
  • DE MAEGD C. (red.) e.a., Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Provincie Limburg, deel 2: Hasselt e.a., Brussel, 2006, p. 193-196.
  • DENEEF R. (red.) e.a., Inventaris Historische Tuinen en Parken.
  • Vlaams Brabant,Deel 2, Brusel, 2002.
  • DE SAUMERY P.L. (?), Les Délices du pays de Liége, deel 4, Luik, 1744, p. 240.
  • JELLICOE G. e.a., The Oxford companion to gardens, Oxford, New-York, 1986, p. 298-299.
  • PAUWELS D., SCHLUSMANS F. met medewerking van MUYLDERMANS E. & ROMBOUTS J. 1999: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kanton Borgloon, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N4, Brussel - Turnhout, p. 341-245.
  • PURAYE J. (ed.), Paris, ce 10 germinal an V. Lettres de Gilbert Claes à son père à Fologne. 1797-1799, Paris, 1957, p. 12-14.
  • SELFSLAGH B., Historische nota, in VAN HERCK L., Restauratiedossier. Restauratie daken. Herenhuis kasteel van Veulen, 1985, Hasselt, Archief Monumenten en Landschappen.

Bron: DE MAEGD C. EN VAN DEN BROECK M., 2007, Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg. Deel 3: Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen, Brussel, Agentschap RO-Vlaanderen. Onroerend Erfgoed.

Auteurs: De Maegd, Christiane & Van den Broeck, Myriam

Datum tekst: 2007

Relaties

maakt deel uit van Veulen

Veulen (Heers)

is gerelateerd aan Kasteel van Veulen

Kasteelstraat 2, Heers (Limburg)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.